dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen
was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen
het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de
nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen
was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden
drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken;
terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in
opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien
hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te
verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica
(z. Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god
gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner
macht tot zwijgen (z. Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk
zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden
zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem
een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen
boomen en boomvruchten staan (Antheus, Anthios, Dendrites, Hyes,
Phloios), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het
kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang
van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt
of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demeter voor den brenger van
zachtere zeden, wet en orde (Thesmophoros), veelal wordt hij ook
met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd
in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Iakchos)
draagt, of als broeder of bruidegom van Core Koros heet. En terwijl
de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed
bevrijdt (Lyaios), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming,
verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker
van de geestdrift (enthousiasmos). Daarom is D. ook een bevorderaar
der schoone kunsten (Melpomenos) en een vriend der Muzen, en wordt
hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als
orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben
hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant
wordt die hoogere stemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid,
waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke
opgewondenheid (Bakchos, Bromios, Euios). Dit laatste vond men vooral
bij de nachtelijke feesten (Nyktelia), die in den herfst op den
Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en
met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden,
enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een
oorverdoovend uitgillen van den kreet euoi, begeleid door de muziek
van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare
handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige,
zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar
Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was
de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys,
Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter
droeg.--De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man
met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in
een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende
trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk
worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of
door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf
in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet
(thiasos), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die
hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten,
begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt
de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook
vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodite. De
wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger,
ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.--De Rom. identificeerden hem
met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.
Diophanes, Diophanes, grieksch redenaar van Mytilene, leermeester
van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.
Diophantus, Diophantos, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot
van Demosthenes.--2) alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de
3de of het begin van de 4de eeuw n. C., de eerste schrijver over
algebra. Van zijn werk Arithmetika is ongeveer de helft bewaard
gebleven.
Diopithes, Diopeithes, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog
tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche
steden in de Chersonesus wilde meester maken en D. dit trachtte te
verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van
den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoering
peri ton en Cherroneso en zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij
sneuvelde kort daarna.
Diores, Diores, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der
Epeërs bij het beleg van Troje.--2) vader van Automedon.--3) zoon
van Priamus, ging met Aeneas naar Italië en werd door Turnus gedood.
Dioscorides, Dioskorides, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden
gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks
200.--2) grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.--3) Pedanius
D., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero,
schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in
de 15de eeuw als het voornaamste op dit gebied gold.
Dioscuri, Dioskouroi, Castor (Kastor) en Pollux (Polydeukes),
tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda
verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae, Tyndaridai),
terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus
is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter,
Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna
(z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische
jacht en den tocht der Argonauten (z. Amycus). In den strijd tegen
de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos
sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van
Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen,
zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op
den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is,
worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij
meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen
der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls
verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning
in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië
tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag
hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens
streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus,
tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk
jaar den 15den Juli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders
bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een
eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook
met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zij Anakes, te Rome
ook wel Castores genoemd.
Dioscurias, Dioskourias, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats
en koopstad in Colchis, sedert Traianus Sebastopolis bijgenaamd.
Diospolis, Diospolis, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ook
magna, he megale, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lag Diospolis
minor, he mikra. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid
van Mendes. Ook in Palestina (zie Lydda) en Phrygia vond men dezen
naam. Zie ook Cabira.
Diota, wijnkruik met twee ooren.
Diotimus, Diotimos, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de
Corcyraeërs tegen Corinthe te hulp gezonden werd (433).--2) atheensch
vlootvoogd in den corinthischen oorlog.--3) zoon van Diopithes,
atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.
Diotrephes, Diotrephes, Athener, die in 413 thracische hulptroepen
naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411
werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische
staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten
gevolge had.
Dioxippus, Dioxippos, 1) blijspeldichter der nieuwe attische
comedie.--2) atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische
spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon
eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.
Dipaea, Dipaia, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinea, waar de
Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den
peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.
Diphilus, Diphilos, 1) grieksch episch dichter uit de 5de eeuw.--2)
van Sinope, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van
Alexander d. Gr. en Philemon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf
te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts
enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche
blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.--3) stoicijn, wegens
zijne omslachtige redeneeringen Labyrinth bijgenaamd; hij wordt door
Lucianus vermeld.--4) tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.--5)
schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Licinii no. 12).--6)
beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G.,
schreef een groot werk over voedingsmiddelen.--7) schrijver van een
werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.
Diphridas, Diphridas, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde
die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië
gezonden werd, om Thibron op te volgen.
Diphthera, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en
herders gedragen.
Diploma, diploma, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort
voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij
het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers
verstond men onder diploma een giftbrief van de hooge overheid,
waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.
Dipylon, to Dipylon, vroeger hai Thriasiai pylai geheeten, de
hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier
gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academia. Vóór de
poort lag ho exo Kerameikos, waar veel graven ontdekt zijn, aan de
binnenkant ho entos K. (z. Athenae aan het begin). De poort heeft
den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl,
in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.
Dirae = Furiae.
Dirce, Dirke, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z. Antiope. Ook
naam van een bron bij Thebae.
Diribitores (diribere = dishibere) bij de comitiën waren zij, die de
uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den
Campus Martius een afzonderlijk gebouw, diribitorium, oprichten.
Dis = Pluto.
Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de
voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten
der zaal begaven.
Discordia, z. Eris.
Diskobolia, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van het
pentathlon, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (diskos),
die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald
doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler
(diskobolos) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door
beeldhouwers voorgesteld.
Dispensator, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de
boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.
Dithyrambus, dithyrambos, lied bij de feesten van Dionysus gezongen,
waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra
echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw,
kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen
werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arion, die het in strophen
en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien
tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te
Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters
in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van
haar verval begint op het einde der 5de eeuw; eerst kreeg de muziek
de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer
alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door
een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal,
niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming
hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven,
en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.
Dium, Dion, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een
gemengde bevolking.--2) stad in het N. van Euboea.--3) stad aan den
voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische
landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren
de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had
gegoten ter eere van de gesneuvelden aan den Granicus. Later werden
deze beelden naar Rome overgebracht.--4) kaap op de N. kust van Creta.
Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformule
me Dius Fidius sc. iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, grieksch
Zeus Pistios. Hij had al in de 5de eeuw (sedert 466) een tempel op
den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ook Fides.
Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het
rom. leger onder L. Cassius Longinus verslagen werd en onder het
juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden,
en sloeg toen een hoogen toon aan.
Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen
den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving
de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikels auguria,
haruspices en extispicium, voor de Grieken manteia. Divinatio is ook
bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing,
d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden,
wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten
divinatio. Zie Caecilii no. 30.
Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over
geographie aan het einde van de 4de eeuw n. C., evenals de Dimensuratio
imperii uitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart
van Agrippa.
Divisor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het
koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen;
men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.
Divitiacus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met
Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had
hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde
hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten
verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching
van den Germaan Ariovistus.--Ook wordt nog een Divitiacus, koning der
Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder
nadere bijzonderheden.
Divodurum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.
Divona, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.
Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het
huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het
gesloten was. Een huwelijk per confarreationem, oorspronkelijk
misschien onontbindbaar, werd ontbonden door diffarreatio (eerst
sedert den keizertijd); een huwelijk per aes et libram (coëmptio)
werd door remancipatio per aes et libram te niet gedaan; een huwelijk
zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge
of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide: tu tuas
res tibi habeto, foras exi; de vrouw: tu tuas res tibi habeto, redde
meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang
kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger
plaats. Zie repudium.
Divus, de titel van gestorven keizers na de consecratio. Zie
Apotheosis.
Diyllus, Diyllos, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis
van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3de eeuw.
Doberus, Doberos, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.
Dobreta (Dobretae), stad in Dacia, aan den linker-oever van de Donau,
ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds
tijdens de Flavische Keizers.
Dodecaschoenus, Dodekaschoinos, landstreek langs den Nijl, ter lengte
van 12 schoeni = 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in
den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syene en
Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt
(z. Napata), schijnt onjuist te zijn.
Dodona, Dodone, oude stad in Epirus in het landschap Thesprotia,
met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond
aan den voet van den berg Tomarus; de uitspraken van het orakel
werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in
een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de
boomen hingen. Dit geschiedde door priesters, Selloi of Helloi, die
met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen,
Peleiades, genoemd.
Dodrans = 9 unciae = 3/4 as.
Dokimasia, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek
naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te
nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te
worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral
belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden
of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de
verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of
hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.
Dolabella, familienaam in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 35-38.
Doliche, Doliche, 1) stad in Commagene ten W. van Zeugma, met warme
baden en een tempel van Zeus Dolichenos, Jupiter Dolichenus, een
aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving
van Commagene (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk,
evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De
dienst werd zeer door de keizers begunstigd.--2) stad in het
thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.--3) = Dulichium,
een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelous.--4)
oude naam voor het eiland Icarus.
Dolichos, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van
7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt,
heet dolichodromos.
Dolon, Dolon, Trojaan, zoon van Eumedes, die als verspieder naar
het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomedes en Odysseus
aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de
Trojanen gemaakt hadden, werd hij door de beide Grieken gedood.
Dolonci, Dolonkoi, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche
bevolking van de thracische Chersonesus.
Dolopes, Dolopes, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen
Thessalia, Epirus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den
oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.
Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling, dolus malus
geheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in
den regel het geval is, staat dolus alleen meestal in de beteekenis
dolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius
Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf: si aliud simulatum esset,
aliud actum. Dolum praestare beteekent: schadevergoeding geven wegens
gepleegd bedrog. In crimineele zaken is dolus malus minder de handeling
zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.
Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon
alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die het commercium had en
op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Het
ius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome
aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere,
niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging
het echter niet aan, den civis achter te stellen bij den peregrinus
en zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer van
quiritarischen en bonitarischen eigendom. Tot de res mancipi b.v.,
dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigen per
aes et libram moesten worden overgedragen, behoorden niet slechts
grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en
trekdieren. Wanneer nu zulke een res eenvoudig door overgave, traditio,
in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geen
dominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als
geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit: in bonis habere.
Domitia (lex) de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius
Ahenobarbus (zie Domitii no. 5). Deze wet bepaalde dat voor de
verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor
pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door
deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.
Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door
Cn. Domitius Ahenobarbus (zie Domitii no. 4) aangelegd.
Domitianus (T. Flavius), jongste zoon van Vespasianus, volgde in 81
na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten
de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren
beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar
de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid
en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en
in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen
de Chatten (82-83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85-86
en 87-89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van
zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den
vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten,
terwijl hij zichzelf den titel van "Heer en God" toelegde. Toen hij
in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd
hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.