Dinarchus, Deinarchos, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar

Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius

Phalereus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en

ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam;

na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij

leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes

trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam

dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.

Dindymene, Dindymene, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op

den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.

Dindymum, -mus, -ma (plur.), Dindymon, -mos, -ma, naam van twee bergen,

beide aan Cybele geheiligd, die hiernaar Dindymene heet. De eene lag

op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een

tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204

naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland

van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou

gesticht zijn.

Dino, Deino, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.

Dinochares, Deinochares, beroemd macedonisch bouwmeester, was

belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor

Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos

een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad

zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou

stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates

of Stasicrates.

Dinocrates, Deinokrates, 1) z. Dinochares.--2) z. Philopoemen.

Dio, Dion, van Syracuse, zoon van Hipparinus, zwager van den jongen

Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen

begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot

hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen

als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne

vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht

te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene

en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend

Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht

had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene

verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de

heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen

de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om

zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij

in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de

kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen

ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was,

volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke,

vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclides,

die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen

Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen,

dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd

hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken

laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen

was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij

door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele

vijanden. Vooral Heraclides bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij

dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog,

dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te

ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een

feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd

echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner

gedachtenis een gedenkteeken op.

Dio Cassius (beter Cassius Dio) Cocceianus, Dion ho Kassios,

kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in

186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul

en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen

tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar

hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende

in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot

Alexander Severus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht

onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36-60)

volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere

fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de

geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig

belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen,

enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na

te volgen.

Dio Chrysostomus Cocceianus, Dion ho Chrysostomos, geb. te Prusa

omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later

met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traianus leefde

hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger

onder Domitianus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van

redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde,

uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk

voor de kennis der toestanden in zijn tijd.

Diobelia, z. theorikon.

Diocaesarea, Diokaisareia, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad

in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van

Jerusalem.

Diocles, Diokles, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.--2)

van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te

zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feest Diokleia.--3)

een van de vorsten te Eleusis, die door Demeter in de mysteriën

onderwezen werden.--4) van Phlius, dichter der oude attische

comedie.--5) demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen

oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche

krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de

Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men

verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat

hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering

gekomen was (vgl. Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de

Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.--6)

van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.--7)

van Peparethus, grieksch geschiedschrijver uit de 3e eeuw, die over

de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor

(Fabii no. 25) als bron gebruikt.--8) rhetor uit den tijd van Augustus.

Diocletianus (C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia

geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder

van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer

uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der

barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in

285 Maximianus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan,

wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg

voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan,

met den titel Caesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als

Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus

voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën

gesplitst (zie praefecturae). Als onderverdeeling van de praefecturae

had men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101

provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld,

en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en

militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de

4 praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd door duces. In

305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid

neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn

nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot

de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de

(absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag

gaat uit van den keizer, die zich Dominus laat noemen, en een streng

hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu

niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus

te Milaan, Diocletianus te Nicomedea. Toch heeft Diocl. nog veel in

Rome gebouwd, zie Thermae.

Diodorus, Diodoros, 1) van Iasus, bijgenaamd Cronus, megarisch wijsgeer

aan het hof van Ptolemaeus Lagi.--2) van Tyrus, te Athene leerling van

Critolaus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.--3)

D. Siculus van Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig

jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd

te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene

geschiedenis (Bibliotheke historike) van de vroegste tijden tot Caesar

in 40 boeken, waarvan 15 (1-5, 11-20) geheel bewaard gebleven zijn,

terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij

zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten

gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene

eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders

onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.

Diodotus, Diodotos, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners

het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden

(z. Cleon).--2) van Erythrae, schrijver van Ephemerides Alexandrou,

een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodorus

gebruik gemaakt hebben.--3) geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester

en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48),

en wien hij zijn vermogen naliet.

Dioecesis, dioikesis, onderafdeeling van het keizerrijk sedert

Diocletianus (z. a.).

Diogenes, Diogenes, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit

het einde van de 5e eeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de

grondstof van alles aannam. Van zijn werk peri physeos zijn enkele

fragmenten bewaard.--2) de cynicus, ho Kyon, geb. 404 te Sinope. Met

zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte

hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In

de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het

gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners

tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel,

kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen

aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een

ton noemde, ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene

stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij

een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde

hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van

zijn tijd. Plato noemde hem Sokrates mainomenos. Op eene reis naar

Aegina werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als

slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de

opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen

van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals

zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des

winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men

verhaalde op straat, stierf.--3) van Seleucia in Babylon, leerling

van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd

met Carneades en Critolaus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van

zijne talrijke werken is niets overgebleven.--4) D. Laërtius, leefde

te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3de eeuw n. C., schreef

een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde

wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte,

ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.

Dioikismos, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en

verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van

de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.

Diolkos, zie Isthmus.

Diomedeae insulae, nesoi Diomedeiai, vijftal eilandjes aan de Oostkust

van Italia, ten N. van den mons Garganus. Zij waren genoemd naar

Diomedes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland

zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft

Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap

geleefd.

Diomedes, Diomedes, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de

vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot

voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de

paarden aan Eurystheus.--2) zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan

den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader

Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met

de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden

betoont, onder bescherming van Athena altijd in de voorste rijen

strijdt, en zelfs Aphrodite en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij

door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium,

dat hij later naar Argos medeneemt (z. echter Demophon). In Argos

teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodite, uit wraak voor de haar bij

Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialea tot overspel verleid

heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees

voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de

regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op

de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en

landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs,

neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum,

Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op

het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven

zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedeae

verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn

verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden

van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond

zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde

eilandjes zijn ook de Diomedei Campi in Apulia naar hem genoemd.--3)

latijnsch grammaticus uit de 4de eeuw na C., schreef 3 boeken de arte

grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken

en vol citaten uit oude schrijvers.

Diomedis Campi = Campi Diomedis.

Diomedon, Diomedon, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den

peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige

bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginusae

wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z. Leo

no. 4.

Diomeia, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd,

zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god,

en niet als heros, een offer bracht.

Diomosia, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne

verklaringen bekrachtigen, z. antomosia.

Dion = Dio.

Dione, Dione, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea,

bij Zeus moeder van Aphrodite. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk

evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodona als zijne gemalin

vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook

Aphrodite heet soms Dione of meer Dionaia.

Dionysia, Dionysia, feesten ter eere van Dionysus, in het bijzonder

twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (D. ta

kat' agrous, en agrois, ta mikra), in de maand Poseideon (Dec. Jan.,

zie Annus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid,

zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen

van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen

voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene

eigenaardige vermakelijkheid waren de askolia, waarbij men op een

gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich

staande houden.--2) de groote of stedelijke (D. ta megala, ta kat'

asty, astika, ook alleen D.), eerst ten tijde van Pisistratus

ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z. Annus) met

groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd

door een schitterenden optocht rondgeleid, terwijl door talrijke koren

dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor

die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren

van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond

kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten;

bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en

vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om

bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke

burgers had toegekend.--Tusschen beide feesten en als het ware daarmede

tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.

Dionysi(a)des, Dionysiades, -sides, treurspeldichter uit Tarsus,

tijdgenoot van Alexander d. G.

Dionysius, Dionysios, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den

opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van

waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.--2) de

oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog

tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden,

op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen

in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor

zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht

naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte

(405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte

hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd

werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië

in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal

huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden

op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel

der bevolking van Naxus, Catana, Leontini enz., daarheen over. Den

oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over

het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen;

zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de

pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte,

dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot

het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton

en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië

aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens

zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij

liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap,

noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor

ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden

zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij

stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan

de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had

laten geven.--3) de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit

wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering

en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet

wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen

van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te

kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar

weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd

verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd,

bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio

ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die

van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen

ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de

heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat

hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist

te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen

te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking

moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp

van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de

regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij,

naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven

in armoede sleet.--4) van Miletus, logograaf, jonger tijdgenoot

van Hellanicus.--5) van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd

en schreef mythologische en historische werken, die door Diodorus

als bronnen gebruikt werden.--6) D. Thrax, (ho Thrax), grammaticus

te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste

wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het

gebied der philologie.--7) van Halicarnassus, leefde sedert 30,

waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere

werken, eene rom. geschiedenis (Rhomaïke archaiologia) van de oudste

tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7;

hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk

bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels

en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden

in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne

onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt,

vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in

den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen

zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor

de geschiedenis der grieksche letterkunde.--8) van Halicarnassus,

bijgenaamd ho Mousikos, naar zijne Mousike historia, een groot werk

over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts

enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadrianus.--9)

de reisbeschrijver (ho periegetes), uit den tijd van Keizer Hadrianus,

schreef in grieksche hexameters een overzicht van de aardrijkskunde,

waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt

en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Avienus.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 52 / 150 段