tou demou); gewoonlijk menschen die, niet door de ambten die zij
bekleedden, maar door persoonlijke eigenschappen, vooral door
welsprekendheid, grooten invloed hadden verworven. Terwijl een
bekwaam en braaf man, zooals Pericles, als demagoog veel kon doen om
het volk ten goede te leiden, gebruikten latere atheensche demagogen
hun invloed veelal om het volk tegen de rijken en aanzienlijken op
te hitsen, waardoor partijschappen ontstonden, die voor den staat
een werkelijk gevaar opleverden; vandaar dat het woord meestal eene
ongunstige bijbeteekenis heeft.
Demaratus, Demaratos, 1) koning van Sparta, zoon van Aristo,
tegenstander van zijn ambtgenoot Cleomenes I (z.a.). Toen hij van
de regeering ontzet was, ging hij naar Perzië, waar hij door Darius
met achting behandeld werd en een eigen grondgebied kreeg. Later
begeleidde hij Xerxes op zijn tocht naar Griekenland, doch zijne
raadgevingen en waarschuwingen vonden weinig gehoor.--2) corinthisch
koopman, die voor den tyran Cypselus vluchtte en naar Tarquinii ging;
hij was de vader van Tarquinius Priscus.
Demarchus, demarchos, bestuurder van een attischen demus; hij
werd voor een jaar door de leden van den demus gekozen, riep hun
vergaderingen bijeen en leidde ze, hield een register van de leden,
enz. Grieksche schrijvers over rom. geschiedenis geven denzelfden
naam aan de volkstribunen.
Demeter, Demeter, Ceres, dochter van Cronus en Rhea, godin van den
akkerbouw, van de geheele plantenwereld en vooral van het koren,
die de goede gaven der aarde doet opkomen (Anesidora). Zijzelve had
op vele plaatsen de menschen leeren zaaien en ploegen en had later
door Triptolemus (z.a.) de kennis daarvan over de geheele aarde doen
verbreiden. Daardoor was zij de oorzaak geworden, dat de menschen
hun vroeger zwervend leven vaarwel zeiden en zich tot staten en eene
geordende maatschappij vereenigden; zij is daarom ook de godin van wet
en orde (Thesmia, Thesmophoros) en van het huwelijk. Dikwijls wordt
zij als de vruchtbare aarde zelve beschouwd en daarom somtijds voor
dezelfde gehouden als Gaea of Rhea; ook haar naam werd door sommigen
als Ge meter verklaard. Zij is een van de oudste grieksche godheden en
werd reeds door de Pelasgen vereerd (Pelasgis), in lateren tijd raakte
haar dienst bij de dorische volken meer op den achtergrond. Zij was
bij Zeus moeder van Persephone, bij Poseidon van het paard Arion,
en bij Iasion van Plutus. De voornaamste mythus van Demeter heeft
betrekking op het zoeken en vinden van hare door Hades geroofde
dochter Persephone (z.a.), bij verscheiden groote feesten te harer
eere gevierd, vooral bij de eleusinische mysteriën, werd deze mythus
in herinnering gebracht, waarbij men, naar het schijnt, symbolisch
zeker verband zocht aan te toonen tusschen het jaarlijks afsterven
en herleven der natuur en het herleven van 's menschen ziel na den
dood.--Men offerde aan Dem. runderen, zwijnen, vruchten en honig; de
korenaar, de papaver, alle vruchtboomen, de pijnboom en de olm zijn
aan haar gewijd. Hare afbeeldingen gelijken veel op die van Hera,
echter heeft haar gelaat eene zachtere, minder strenge uitdrukking;
gewoonlijk heeft zij een krans van korenaren om het hoofd en een korf
met vruchten of de mystische fakkel in de handen.
Demetrias, Demetrias, sterke vesting in het thessalische landschap
Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcetes gesticht
en langen tijd een sleutel van Griekenland.
Demetrius, Demetrios, 1) Poliorcetes, Poliorketes, zoon van Antigonus
I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die
zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren
had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus
(z. Antigonus no. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding
van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis
op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus,
die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na
deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van
koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij
naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting
verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd;
bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene,
waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich
aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het
bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus
bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301),
waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte
van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn,
vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen,
maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië,
en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon
te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In
Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus
en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en
eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegina
en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander,
den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp
geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden,
waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk
streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epirus,
maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen
van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van
Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het
tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht
bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij
moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk
met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in
het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij
genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood
(283) te Apamea gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid
in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was
hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar
door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke
en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen
partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels
van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.--2) D. II, koning
van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonatas, regeerde 239-229
onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.--3) D. Soter,
Soter, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23ste jaar als
gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder
toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat,
naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af
te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschap gehaat, sneuvelde hij
in een gevecht tegen Alexander Balas (150).--4) D. Nicator, Nikator,
zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd
had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philometor
van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende
opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In
een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde,
werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn
broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid
en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam
moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij
door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7)
vermoord (126).--5) D. Eukairos, vierde zoon van Antiochus Grypus,
streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen
zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen,
gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).--6) D. Phalereus,
Phalereus, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het
bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317-307 zoo verdienstelijk
waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen
echter Demetrius Poliorcetes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als
een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar
Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus
Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in
283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen
als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd;
van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.--7)
van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcyra. Door
verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den
illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs
veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd
hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten
(219).--8) D. Bellienus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte
onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met
geweld onderdrukt moesten worden.--9) van Scepsis (± 150), schrijver
van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen
oorlog (Troikos diakosmos) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent
de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen
op het einde der vorige eeuw wederlegd.--10) D. Syrus, leeraar der
welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.--11) van
Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters
en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward
werden.--12) van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.--13)
gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder
van Cyprus benoemd werd.--14) van Sunium, leefde 40-90 na C. te Rome,
waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.
Deminutio capitis = Capitis deminutio.
Demioi, demosioi, demokoinoi heetten te Athene de ondergeschikten
der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders,
beulen e. dgl. dienst deden.
Demiourgoi, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking
van Attica door Theseus verdeeld werd.--2) in sommige staten van
de Peloponnesus de hoogste overheidspersonen (z. bijv. Achaeisch
verbond).--3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde
men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten
voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel
tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare
plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder
bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over
het geheel weinig aanzien.
Democedes, Demokedes, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegina
(528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus
door Darius veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa,
waar hij Darius van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel
aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde
behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar
de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij,
waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van
den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij
zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie;
toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede
van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.
Demochares, Demochares, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes,
die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als
bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed
onder Demetrius Poliorcetes, maar werd hij verdreven toen de macht
van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte,
als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer
verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd
is verloren gegaan. Zie ook Demosthenes.
Democritus, Demokritos, van Abdera, geb. 460 en op zeer hoogen
ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen
en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad
teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en
der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester
Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt
en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare
stofdeeltjes (atoma), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in
grootte en gewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende
beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een
onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden
en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen
is ledige ruimte, een niets (meden), dat evengoed bestaat als het
iets (den). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust,
is onvolledig en duister (skotie), de echte (gnesie) wordt door
onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust
(euesto, euthymia, ataraxia), die men verkrijgt door in alle dingen
de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher
(gelasinos). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig
gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt,
is zeer weinig bewaard gebleven.
Demodocus, Demodokos, de blinde zanger aan het hof van Alcinous,
koning der Phaeaken.
Demoi, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica voor
administratieve doeleinden in demen of districten verdeeld; door de
nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene
phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen
van demen genoemd, waarvan echter vele waarschijnlijk op verkeerde
lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (demotai),
brengen gemeenschappelijk zekere offers (hiera demotika) en deelen
in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij
een demarchos, het beheer der financiën bij een tamias. Ieder burger
moest tot een demus behooren en zich op zijn 18de jaar in het register
(lexiarchikon grammateion), dat door den demarch gehouden werd,
laten inschrijven.
Demokoinoi, z. demioi.
Demonax, Demonax, van Cyprus, die ten tijde van Hadrianus te Athene
leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde
hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij
stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten
van den ouderdom te ontgaan.
Demophanes, Demophanes, z. Ecdemus.
Demophilus, Demophilos, 1) dichter der nieuwe attische comedie.--2)
geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).
Demophoon, -phon, Demophoon, -phon, 1) zoon van Celeüs. Toen
Demeter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den
kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind
onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en
des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanira haar eens des
nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van
haar plan af.--2) zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken
naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de
terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen
koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland,
en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hing Phyllis zich op;
zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomedes, die bij zijne
terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk
land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden
tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.
Demopoietoi, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit
geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden
en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel
om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende
volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich
minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde
verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst
hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in
zijn vollen omvang.
Demosioi, z. demioi.