Homerus eene Ilias op palmbladen geschreven hebben. Het latijnsche
prozawerk, dat nog bestaat en eene vertaling van de Ilias van Dares
Phrygius heet te zijn, is een werk van weinig beteekenis, dat echter
door middeleeuwsche dichters veel gebruikt en nagevolgd is. Het is
waarschijnlijk uit de 5de eeuw na C., het Grieksche origineel, dat
verloren gegaan is, is misschien uit de 1ste of 2de eeuw n. C. Zie
Dictys.
Daricus, dareikos, perzische gouden munt, ook in Griekenland gangbaar,
ongeveer ter waarde van 22 att. drachmen. Het gewicht van den dariek
bedraagt gemiddeld 8.41 gram.
Darius, Dareios, 1) D. I. Hystaspis, zoon van Hystaspes, behoorde
tot het geslacht der Achaemeniden, diende onder Cambyses, was een
van de zeven perzische edellieden die tegen den valschen Smerdis
samenzwoeren, en werd, nadat deze vermoord was, ten gevolge van een
orakel tot koning verheven (521). In het begin van zijne regeering had
hij met een algemeenen opstand van de onderworpen landen te kampen,
toen echter Babylon na een lang beleg weder ingenomen was, gaven
de andere provinciën zich na elkander over. Daarop wijdde D. het
eerst zijn zorg aan het binnenlandsch bestuur: hij hervormde het
belastingstelsel, legde goede wegen aan, met vaste halten voor de
posterijen, en verdeelde het rijk in satrapieën. In 513 ondernam hij
met een leger van 700,000 (?) man een veldtocht tegen de Scythen;
door middel van een schipbrug trok hij over den Ister en deed een
inval in hun land, maar de Scythen trokken zich in hunne steppen terug
en vermeden een open gevecht, zoodat D. na vele verliezen door gebrek
genoodzaakt was onverrichter zake terug te keeren en verloren geweest
ware, indien de aziatische Grieken aan het verlangen der Scythen
voldaan hadden en de brug hadden afgebroken. Terwijl nu zijn veldheer
Megabazus de landen aan den Bosporus onderwierp, breidde hij zijn rijk
tot aan den Indus uit en veroverde hij ook Barca (510). Nadat de door
Aristagoras (z. a.) verwekte opstand der ionische Grieken bedwongen
was, wenschte D. de Atheners en Eretriërs, die de opstandelingen
geholpen hadden, te straffen. Hij zond daarom zijn schoonzoon Mardonius
met een groote vloot naar Griekenland (493), doch de meeste schepen
verongelukten bij het voorgebergte Athos; drie jaar later gingen
Datis en Artaphernes met een nog talrijker leger, die wel Eretria
verwoestten en de inwoners naar Azië overbrachten, maar bij Marathon
tegen de Atheners een volkomen nederlaag leden. Verdere plannen van
Darius tegen Athene en tegen het inmiddels afgevallen Aegypte werden
door zijn dood verijdeld (486).--2) D. II Ochus (Ochos), bastaardzoon
van Artaxerxes I, en daarom door de Grieken Nothus (Nothos) genoemd,
maakte zich door het vermoorden van zijn broeder van de regeering
meester (424). Hij liet zich geheel door zijne vrouw, Parysatis, en
door gunstelingen beheerschen en lokte door zijne zwakheid allerlei
onlusten en opstanden uit, die hij meest door list wist te dempen;
Aegypte konde hij echter niet onderwerpen. Hij stierf in 405.--3)
D. III Codomannus, kleinzoon van Artaxerxes II, werd na de vermoording
van Arses door Bagoas op den troon gebracht (336). Hij trachtte het
inwendig zeer verzwakte rijk te herstellen, en maakte een einde aan
het schrikbewind van Bagoas; in den oorlog tegen Alexander d. G. toonde
hij zich echter zwak; hij verloor de gevechten bij Issus en Gaugamela,
trachtte naar de oostelijke provinciën van zijn rijk te vluchten,
maar werd op weg door zijn satraap Bessus vermoord (331).
Dascon, Daskon, vesting en inham op Sicilia, ten Z. van Syracusae.
Dascylium, Daskylion, stad in Bithynia, aan de Propontis. Onder de
perzische heerschappij was het de residentie van de satrapen van
Phrygia minor, dat daarnaar ook he Daskylitis satrapeia of ho en
Daskyleio nomos heette.
Dassaretae, Dassaretai, stam in het Z.O. van Illyris Graeca. Hoofdstad
Lychnidus aan den lacus Lychnitis.
Datames, Datames, een Cariër, die onder Artaxerxes II tegen de
Cadusiërs streed en tot belooning voor zijn beleid en dapperheid
satraap van Cappadocië werd. Hij bewees den koning vele diensten en
werd zeer door hem onderscheiden, maar uit vrees dat Artaxerxes aan
zijne invloedrijke vijanden het oor zou leenen, kwam hij in opstand
(± 370). Langen tijd hield hij zich staande, maar eindelijk werd hij
verraderlijk vermoord (360).
Dataphernes, Dataphernes, was een van hen die Bessus aan Alexander
verrieden; niettemin bleef hij met Spitamenes den oorlog voortzetten,
totdat hij door de Dahae aan Alexander overgeleverd werd.
Datis, Datis, veldheer van Darius Hystaspis, die met Artaphernes de
nederlaag bij Marathon leed.
Datum, Daton, stad en streek in oostelijk Macedonia ten O. van den
Pangaeus mons, tegenover Thasus, met rijke goudmijnen.
Daulis, Daulis, sterke stad in Phocis ten O. van den Parnassus,
aan den weg van Chaeronea naar Delphi. Hier behoort de mythe van
Philomela en Procne te huis.
Daunia, het noordelijk gedeelte van Apulia, het land van Daunus, den
vader van den rutulischen koning Turnus (zie Aeneas) en schoonvader
van Diomedes. Daunius heros = Turnus; Daunia gens = Rutuliërs; dea
Daunia = Iuturna, Turnus' zuster; Daunias (bij Horatius) = Apulia.
Daunus, Daunos, zoon van Pilumnus en Danaë, of een Arcadiër, zoon
van Lycaon, koning van Daunia. Diomedes stond hem bij in den oorlog
tegen de Messapiërs en nam zijne dochter tot vrouw.
Dea Dia, waarschijnlijk de godin der voortbrengende kracht in de
natuur, een andere naam voor Ceres of Tellus, wier dienst te Rome
door de fratres arvales (z. Arvales fratres) waargenomen werd; te
harer eere werd jaarlijks gedurende drie dagen in Mei in de stad en
in een nabijgelegen heilig woud een feest gevierd.
Decanus, in den keizertijd een hoofdman van tien soldaten, die in
dezelfde tent gelegerd waren.
Decebalus, Dekebalos, koning van Dacia, van wien Domitianus den vrede
kocht (89 n. C.), maar die door Traianus geheel verslagen werd en
zichzelf het leven benam (106 n. C.). Zie Dacia.
Decelea, Dekeleia, attische gemeente ten N.W. van Athenae, bekend
door den deceleïschen oorlog (413-404), toen de Spartanen op raad
van Alcibiades de plaats bezetten.
Decemprimi, 1) eene commissie van 10 leden, die in de municipia aan
het hoofd van den senaat stond. In navolging van dezen vindt men in
den keizertijd, in het Oosten van het rijk decaproti, hoi deka protoi,
die echter een anderen werkkring hebben. De decaproti behoeven niet
tot de senaatsleden te behooren. Zij innen de belastingen en zijn
aansprakelijk voor het binnenkomen daarvan.--2) decemprimi heeten ook
de bestuursleden van den in decuriae ingedeelden ordo der scribae
(z. apparitores).
Decemviri, een collegie van 10 mannen. 1) Decemviri agris dividundis,
commissie van landverdeeling uit den ager publicus onder het volk. Zie
Agrariae (leges), en wel Rogatio Servilia agraria van 63.--2) Decemviri
legibus scribundis, het uit de rom. geschiedenis bekende collegie der
tienmannen in 451-449, tengevolge der lex Terentilia in het leven
geroepen en waartoe App. Claudius behoorde. Zie Claudii no. 2 en
Tabularum (leges XII).--3) Decemviri (st)litibus iudicandis, een oud
rechterlijk collegie, dat in processen over vrijheid en burgerrecht
recht sprak, en dat reeds in de 5de eeuw bestond (z. Horatiae Valeriae
(leges)), als we ten minste aan mogen nemen, dat de woorden iudices
decemviri op hen betrekking hebben; v. s. is het college eerst in
de 3de eeuw, tusschen 242 en 227, ingesteld. De leden werden in de
tribuutcomitiën gekozen. Onder Augustus veranderde hun werkkring en
werden zij voorzitters der centumviri. Zij vormen een onderdeel van
de vigintiviri.--4) Decemviri sacrorum of sacris faciundis, belast
met het toezicht op de sibyllijnsche boeken, die op het Capitool
bewaard werden en die zij op last van den senaat raadpleegden
(zie Sibylla). Zij hebben het toezicht op de offers, die Graeco
ritu gebracht worden, oorspronkelijk ook op de supplicationes en
lectisternia, waartoe ex libris besloten was. In den beginne waren
er 2, later 10 (5 patricische en 5 plebejische), sedert Sulla 15.
Decentius, Caesar (onderkeizer) 350-353 n. C. Hij was een neef van
Magnentius, die hem aangesteld had om de aanvallen der Germanen af
te weren; tijdens zijn bestuur werd echter Gallia door de Germanen
verwoest. Hij doodde zichzelf, toen hij den dood van Magnentius vernam.
Decetia, stad der Aeduërs in Gallia Transalpina aan den Liger (Loire).
Decianus, naam in de gens Appuleia (Appuleii no. 4 en 5).
Decidius Saxa, naam van twee broeders, die in den burgeroorlog voor
Caesar en later voor Antonius streden. De een sneuvelde als propraetor
van Syria in 40 tegen de Parthen, die onder aanvoering van Q. Labienus
in de provincie gevallen waren.
Decimatio. Wanneer eene geheele troepenafdeeling van een rom. leger
zich had schuldig gemaakt aan iets, wat in een enkele met den dood
zou worden gestraft, b.v. muiterij, lafhartigheid in den strijd,
dan werd die afdeeling in het gelid geschaard, het lot wees aan,
waar men zou beginnen te tellen, en elke tiende man werd onmiddellijk
ter dood gebracht. Onder de keizers werd deze straf dikwijls verzacht
tot vicesimatio of centesimatio.
Decii, een plebejisch geslacht. 1) P. Decius Mus, krijgstribuun in
343, redde toen door zijn kloekmoedigheid het rom. leger, dat door de
Samnieten bij den berg Gaurus was ingesloten, en deed een bijna wissen
ondergang in eene luisterrijke zegepraal verkeeren. In 340 offerde
hij als consul zich in den strijd tegen de Latijnen op, en bezorgde
hierdoor den zijnen eene schitterende overwinning. Evenals de geheele
eerste samnietische oorlog, is ook het verhaal omtrent de opoffering
van Decius in den oorlog tegen de Latijnen verzonnen. Slechts staat
vast, dat Decius als consul gesneuveld is.--2) P. Decius Mus, zoon
van no. 1, consul in 312, 308, 297 en 295, censor in 304, streed
voorspoedig tegen de Etruscers, Samnieten en Umbriërs, en bezorgde
in 295 bij Sentinum, het voorbeeld zijns vaders volgende, door een
vrijwilligen dood zijn leger de overwinning op de Samnieten en de
Kelten.--3) P. Decius Mus, zoon van no. 2, consul in 279, viel in
den slag bij Asculum (Ausculum) tegen Pyrrhus. V. s. is het verhaal
omtrent het heldhaftig gedrag der Decii, n. m. dat ze zich aan de
onderaardsche goden wijdden en daarna den dood zochten, op dezen Decius
Mus toepasselijk.--4) P. Decius klaagde in 120 als volkstribuun den
gewezen consul L. Opimius aan, dat hij burgers onveroordeeld in den
kerker had geworpen. Cicero noemt hem als redenaar.--5) P. Decius (Mus)
sloot zich, om zijne schulden te kunnen betalen, aan Antonius aan en
nam deel aan den mutinensischen oorlog. Cicero zegt daarom spottend,
dat hij op het voorbeeld zijner voorvaderen zich voor zijne schulden
had opgeofferd.
Decimii, aanzienlijk geslacht uit Samnium.
Decius (C. Messius Quintus Traianus), uit Pannonia afkomstig,
rom. keizer 249-251 na C., opvolger van Philippus Arabs, regeerde goed,
doch vervolgde de Christenen. Op een tocht tegen de Gothen kwam hij
met zijn zoon in een moeras om.
Decumana porta, de poort aan de achterzijde der legerplaats. Zie
castra.
Decumanus, tiendpachter. Ager decumanus, tiendplichtig land. Miles
decumanus, soldaat van het tiende legioen. Zie ook auguria.
Decumates agri, zie agri decumates.
Decuria, afdeeling van 10 personen, later eene kleine afdeeling in
het algemeen, zonder dat men zich streng aan het getal 10 hield. Bij
de ruiterij was elke turma (30 man) in drie decuriae afgedeeld.
Decurio, de eerste van eene decuria ruiterij en als zoodanig de
hoofdman er van.--Decuriones worden in de municipia de leden van den
senatus municipalis genoemd, die ook ordo decurionum heet.
Decursio of decursus, 1) militaire oefening met pak en zak door
het geheele leger, waarbij verschillende krijgsbewegingen werden
uitgevoerd en waarbij de soldaten vooral geoefend werden, hunne
liniën en gelederen te bewaren.--2) een militaire optocht of parade
rondom een grafheuvel of een altaar, ter eere van een in den strijd
gevallene opgericht.
Dedicatio, plechtige inwijding van eenig openbaar gebouw, b.v. van
een tempel. Hij die den tempel wijdde, sloeg daarbij de hand aan de
deurpost en moest een wijdingsformulier nazeggen, dat de pontifex
maximus hem voorzeide. Daarbij te haperen gold als een slecht
voorteeken.
Dediticii waren zij, die zich onvoorwaardelijk aan de genade der
Rom. hadden moeten overgeven.--Zie ook Aelia Sentia (lex). Dediticii
konden noch cives noch Latini worden.
Deïanira, Deianeira, dochter van Oeneus, gemalin van Heracles
(z. Achelous) en de onschuldige bewerkster van zijn dood (z. Heracles),
waarom zij zich van het leven beroofde.
Deïdamea, Deidameia, 1) dochter van Lycomedes, werd bij Achilles,
die in meisjeskleederen aan het hof van haar vader leefde, moeder
van Neoptolemus.--2) vrouw van Pirithoüs.--3) zuster van Pyrrhus van
Epirus, gehuwd met Demetrius Poliorcetes.--4) dochter van Pyrrhus
van Epirus.
Deigma, gebouw in den Piraeus, waar monsters van koopwaren ter
bezichtiging uitgestald werden.
Deimos, zoon of dienaar van Ares.
Deïoces, Deiokes, een Mediër, die, nadat het volk zich van de Assyriërs
onafhankelijk gemaakt had, door zijne wijsheid en rechtvaardigheid
grooten roem verwierf en daarom tot koning verheven werd (709 of 700),
stichter van Ecbatana.
Deïoneus, Deioneus, 1) of Deïon, Deion, een van de zeven zonen van
Aeolus, werd koning van Phocis.--2) schoonvader van Ixion, werd door
dezen, toen hij de bruidsgeschenken van hem vorderde, verraderlijk
in een vuurpoel geworpen.--3) zoon van Eurytus.
Deïonides, Miletus, zoon van Apollo en Deïone.
Deiotarus, Deiotaros, tetrarch van Galatia in Azië, ondersteunde
de Rom. in den mithradatischen oorlog en ontving daarvoor van den
rom. senaat den titel van rex met een vergrooting van grondgebied. In
den burgeroorlog streed hij voor Pompeius; Caesar vergaf het hem
echter en liet hem het grootste gedeelte van zijn rijk. In 45
werd Deiotarus door zijn kleinzoon Castor en zijn arts Phidippus
aangeklaagd van een aanslag tegen Caesars leven, toen deze indertijd
bij hem had vertoefd. Cicero verdedigde den koning, en hoewel er geene
vrijspraak schijnt gevolgd te zijn, werd de zaak toch niet verder
vervolgd. Antonius bevestigde voor eene groote som gelds Deiotarus
weder in zijn vroeger gebied, maar later streed hij onder Brutus bij
Phillippi tegen de triumviri, met wie hij zich echter verzoende.
Deïphobe heette de sibylle van Cumae, dochter van den zeegod Glaucus.
Deïphobus, Deiphobos, zoon van Priamus en Hecabe, een van de
voornaamste trojaansche helden. Hij was steeds tegen de uitlevering
van Helena en trouwde haar na den dood van Paris. Bij de verovering
van Troje werd zijn huis verwoest en hij door Menelaus op wreedaardige
wijze gedood. Met Paris zou hij Achilles gedood hebben.
Deïphontes, Deiphontes, zoon van Antimachus, schoonzoon en opvolger
van Temenus (z.a.); v.a. vluchtte hij na den dood van zijn schoonvader
uit vrees voor zijne zwagers naar Epidaurus.
Deipnon, de hoofdmaaltijd der Grieken, in de oudste tijden omstreeks
den middag, later tegen den avond gebruikt, waarbij men dikwijls
gasten ontving, of die ook wel met bijdragen (apo symbolon) der
gezamenlijke deelnemers betaald werd. Bij aankomst der gasten werden
hun door slaven de zolen afgenomen en de voeten gewasschen, daarop
wiesch men de handen en nam men plaats op de rustbank, waarop men
liggende het maal gebruikte. Als spijzen worden genoemd gerstebrei
(bij armere lieden het voornaamste gerecht), groenten, vleeschspijzen
en visch; vorken of messen gebruikte men niet, wel lepels; onder het
eten hield men de handen schoon met fijngewreven broodkruimels. Na het
eten werden de schotels weggenomen, waschwater met een soort zeep,
soms ook bloemen en reukwerken rondgediend en begon het nagerecht
(deuterai trapezai) of drinkgelag (symposion) met een drankoffer
(spondai) waarbij men de woorden agathou daimonos uitsprak. Nadat
door het lot een tafelpresident (symposiarchos, basileus, archon)
was aangewezen, bleef men onder het genot van wijn, vruchten, kaas,
koek, enz., dan dikwijls nog lang bij elkander, terwijl men zich den
tijd verdreef met gesprekken, gezelschapsspelen, dikwijls ook met
voordrachten van fluitspeelsters of vertooningen van danseressen.
Deïpyle, Deipyle, dochter van Adrastus, gehuwd met Tydeus.
Dekaprotoi, z. Decemprimi no. 1.
Dekarchiai, dekadarchiai, colleges van tien personen, na den
peloponnesischen oorlog door Lysander met de regeering belast in de
meeste steden, die zich bij Sparta hadden aangesloten. De willekeur,
waarmede deze colleges, gesteund door spartaansche bezettingen en
harmosten, regeerden, maakte in korten tijd de spartaansche hegemonie
algemeen gehaat.
Delatio nominis, heet in den tijd der quaestiones perpetuae het
indienen eener aanklacht bij den praetor quaestionis.
Delatores, aanbrengers van misdrijven, waartegen straf bedreigd
was. Onder sommige keizers, toen majesteitsprocessen aan de
orde van den dag waren, maakten sommigen van dit aanbrengen eene
broodwinning, daar hun een vierde van de opgelegde boete of van het
verbeurdverklaarde vermogen des veroordeelden ten deel viel. Ook
persten zij dikwerf aanzienlijke sommen af door de bedreiging,
in geval van weigering eene aanklacht in te dienen. Ze worden ook
quadruplatores genoemd.
Delia, geliefde van Tibullus (z.a.); pseudonym voor Plania.
Delium, Delion, boeotisch stadje in het gebied van Tanagra, waar de
Boeotiërs in 424 de Atheners versloegen.
Delius, -ia, Delios, -ia, bijnamen van Apollo en Artemis, naar het
eiland Delus, waar zij geboren waren en waar Apollo hoog vereerd werd.
Dellius (Q.), dezelfde, aan wien Horatius een ode heeft gericht,
werd door Antonius in 41 naar Aegypte gezonden, om Cleopatra ter
verantwoording naar Tarsus te ontbieden. Later ging hij tot Octavianus
over. Hij heeft den oorlog tegen de Parthen beschreven, dien hij in
het gevolg van Antonius medemaakte.
Delmatia oude schrijfwijze voor Dalmatia.
Delmatius = Dalmatius.
Delminium = Dalminium.
Delphi, Delphoi, kleine maar beroemde stad van Phocis, langs den
Z.rand van den tweetoppigen Parnassus tegen den berg aan gebouwd,
met verscheidene tempels, waaronder die van den Pythischen Apollo de
voornaamste was. Delphi werd oudtijds als het middelpunt der aarde
beschouwd. De oudste tempel, die volgens de sage door Trophonius
en Agamedes gebouwd was, verbrandde in 548. Hij werd (530-514)
door de uit Athene verdreven Alcmaeoniden prachtig in dorischen
stijl herbouwd, waarbij de oostgevel, in plaats van in porus of
tufsteen, in parisch marmer werd opgetrokken. In 373 werd hij door
een aardbeving en een brand vernietigd, maar door de Amphictyonen
met het geld van den tempel in nieuweren stijl herbouwd. Ook
later is hij nog herhaaldelijk hersteld, tot hij ten laatste door
een aardbeving vernietigd werd. Hij bevatte een ontzaggelijken
tempelschat, een gouden beeld van den god en een heiligen steen,
die als de navel der aarde, omphalos tes ges, beschouwd werd, terwijl
nog vele andere standbeelden op den voorhof stonden. In den pronaos
las men de spreuken gnothi seauton en meden agan. Achter de cella
was een afzonderlijke ruimte, het adyton, waaronder of waarbij de
aardkloof zich bevond, waaruit zwaveldampen opstegen, die de Pythia
(zie hieronder) in geestvervoering brachten. (Het bericht omtrent
die zwaveldampen wordt tegenwoordig voor een fabeltje gehouden). In
den phocensischen oorlog (357-346) werd de tempel uitgeplunderd door
de huurtroepen der Phocensen, in 278 door de Galliërs, die ten getale
van 200000 Griekenland trachtten binnen te dringen, later door Sulla,
vervolgens door Nero, die honderden standbeelden uit Delphi naar Rome
liet voeren, terwijl het overschot later door Constantijn den Gr. naar
Constantinopel werd overgebracht. De stad verviel, en verschillende
aardbevingen vernielden ze en verdreven de bevolking. Op de plaats
lag later het dorp Kastri; nu heeft de fransche regeering dit doen
verplaatsen, en daarop is tusschen 1892 en 1901 opgegraven, wat er
nog over is. De tempel zelf lag in het midden van den temenos, een met
hooge muren omgeven sterk hellend terrein; in het zuidelijke gedeelte,
dat het laagst lag, vindt men voornamelijk thesauroi en geschenken, ten
N. van den tempel links het theater, rechts de lesche van de Cnidiërs,
een gebouw, waar de vreemdelingen plachten samen te komen. Het orakel
van Delphi was het meest beroemde der oudheid; eerst behoorde het aan
Gaea, Ge; deze schonk het aan Themis, Themis aan Phoebe, Phoebe aan
Phoebus Apollo, z. Pytho. Wanneer het orakel zou geraadpleegd worden,
plaatste zich eene der priesteressen of Pythiai, na zich gebaad en uit
de bron Cassotis gedronken en laurierbladeren in den mond genomen te
hebben, op een zetel, die op een drievoet rustte, en uit de geluiden,
die zij uitstiet, maakten de priesters het antwoord gereed. Door zijn
groot aanzien heeft het orakel meermalen op den gang der historische
gebeurtenissen invloed uitgeoefend. De pythische spelen hadden in de
vlakte van Crissa plaats, telkens in het derde jaar eener olympiade. De
eereprijs bestond in een lauwerkrans.
Delphinia, feest ter eere van Apollo als beschermer der zeevaart,
te Athene den 6en of 7den Munychion gevierd.
Delphinium, Delphinion, 1) stad aan de Oostkust van het eil. Chius.--2)
haven van Oropus in Attica, overvaartplaats naar Euboea.--3)
gerechtshof te Athene in den tempel van Apollo Delphinius, dat over
phonos dikaios recht sprak (zie Ephetae).
Delphinus, Delphin, Delphis, Delphin, 1) sterrenbeeld, waarin men
den dolfijn van Arion of van Amphitrite meende te zien.--2) een
werktuig waarvan men zich in den zeeoorlog bediende; het was een
groote klomp lood of ijzer, die aan den mast hing en met kracht tegen
het vijandelijke schip geslingerd werd.
Delta, het noordelijke deel van Aegypte, tusschen de verschillende
armen, waarin de Nijl zich splitst, door aanslibbing gevormd en uiterst
vruchtbaar, en met een groot getal steden. De naam is ontleend aan
den driehoekigen vorm.
Delubrum, de plaats van reiniging en verzoening, de tempel, vooral
dat gedeelte er van, waar het beeld der godheid stond.
Delus, Delos, Delos, het heilige Cycladeneiland, waar Apollo en Artemis
door Latona ter wereld waren gebracht. Apollo had er een wit marmeren
tempel met een altaar uit hoornen in elkaar gewerkt. Tot de viering
van Apollo's geboortefeest (Apollonia) zonden de grieksche staten
jaarlijks in de maand Thargelion plechtige gezandschappen. Om de vier
jaar werd dit feest vervangen door de Delia, een van de luisterrijkste
feesten van geheel Griekenland. Geen begrafenis mocht op Delus plaats
hebben; lijken werden naar het nabijgelegen Rhenea overgebracht. De
oudste bewoners waren Cariërs, daarna vestigden er zich Ioniërs. Na
den perzischen oorlog werd te Delus de bondskas van het atheensche
zeeverbond bewaard, totdat Pericles deze naar Athene overbracht
(454). Delus was in de 2de eeuw, toen het door de Romeinen aan Athene
werd toegewezen, en een vrijhaven werd, beroemd om zijne slavenmarkten,
die van heinde en verre werden bezocht. In den eersten mithradatischen
oorlog werd het (88) door den pontischen veldheer Menophanes of door
Archelaus geplunderd en verwoest, de mannelijke bevolking omgebracht,
vrouwen en kinderen in slavernij weggevoerd. In 69 werd het eiland
wederom geplunderd, nu door de zeeroovers, en sedert dien tijd is
het vervallen. Thans is Delus woest en verlaten. Naar het eiland en
den berg Cynthus wordt Apollo dikwerf Delius en Cynthius genoemd. Zie
Asteria.
Demades, Demades, atheensch redenaar van geringen stand, die in
het belang van Macedonië werkte en een geducht tegenstander van
Demosthenes was; bij Alexander d. G. stond hij in hooge gunst,
zoodat hij met Phocion tot hem gezonden werd, toen de Atheners na het
bedwingen van den thebaanschen opstand de wraak des konings vreesden
(z. Demosthenes). Antipater liet hem ter dood brengen, daar hij in
onderschepte brieven de bewijzen van een aanslag van Demades tegen
hem gevonden had (319). Zijn karakter wordt uiterst bedorven genoemd,
daarentegen roemen de ouden zijne onweerstaanbare welsprekendheid,
zijne geestigheid en gevatheid; niettemin waren zijne werken reeds
vroeg verloren.