Cyrenaica, Kyrenaïke, klein, maar bloeiend landschap op de N.-kust

van Afrika (thans plateau van Barca). Naar de vijf grieksche steden:

Cyrene en de bijbehoorende havenstad Apollonia, Barca, later haar

havenstad Ptolemaïs, Tauchira of Arsinoë, en Hesperis of Berenice

werd het staatje ook Pentapolis Cyrenaïca genoemd. Het land was

rijk aan water en hierdoor zeer vruchtbaar. In 322 kwam het onder de

Ptolemaeën. De laatste heerscher uit dit vorstenhuis, Ptolemaeus Apion,

vermaakte in 95 zijn land aan de Rom., die het later met Creta tot ééne

provincie vereenigden. Onder Traianus kwamen de in Cyr. gevestigde

Joden in opstand, waardoor het land grootendeels ontvolkt werd,

daar er op de Rom. en Cyrenaïkers een algemeene moord werd gepleegd.

Cyrene, Kyrene, dochter van Hypseus of Peneus, beminde van Apollo,

die haar uit Thessalië naar Libye wegvoerde, waar hij haar naam aan

de stad Cyrene gaf; zij was de moeder van Aristaeus.

Cyrene, Kyrene, hoofdstad van Cyrenaïca, in een heerlijk oord gelegen,

gesticht door Battus van het eiland Thera (631), wiens afstammelingen,

de Battiaden, tot 450 over de stad heerschten, zie Battus. Cyrene was

beroemd door zijne artsen. Het was de uitvoerhaven van het kostbare

silphium (silphion), dat als kruiderij en als geneesmiddel gebruikt

werd. Cyrene was de geboorteplaats o.a. van den wijsgeer Aristippus,

den aardrijkskundige Eratosthenes, den dichter Callimachus.

Cyrenius, Kyrenios = P. Sulpicius Quirinius (z. Sulpicii no. 21).

Cyreschata, ta Kyreschata, in Sogdiana, de uiterste grensvesting van

Cyrus' gebied aan den Jaxartes, door Alexander d. G. verwoest.

Cyrnus, Kyrnos = Corsica.

Cyropolis, Kyroupolis = Cyreschata.

Cyrrhestice, Kyrrestike, landschap in het N. van Syria, tusschen het

Amanusgebergte en den Euphraat, ten Z. van Commagene. Het droeg zijn

naam naar de stad Cyrrhus.

Cyrrhus, Kyrros, 1) stad in Cyrrhestice.--2) stad in het macedonische

gewest Emathia tusschen den Axius (Vardar) en den Haliacmon

(Vistritza), ten N. van Pella.

Cyrus, Kyros, 1) de stichter van het perzische rijk, zoon van Cambyses,

die als aan Medië onderhoorig vorst over Perzië regeerde, en Mandane,

de dochter van Astyages. Naar aanleiding van onheilspellende droomen

gaf zijn grootvader bij zijne geboorte aan Harpagus bevel het kind

te dooden; door toeval werd hij echter gespaard, op lateren leeftijd

herkend en aan zijne ouders teruggegeven. Maar Harpagus, die door

Astyages op wreede wijze voor zijne ongehoorzaamheid gestraft was,

spoorde Cyrus, nadat deze zijn vader was opgevolgd, tot opstand aan,

en door een enkelen slag, waarin Harpagus met een groot deel van het

leger tot hem overliep, bracht hij de heerschappij van de Mediërs op

de Perzen over (550). Hij breidde zijn rijk uit door de verovering van

Lydië (z. Croesus) en liet de grieksche steden van Klein-Azië door zijn

veldheeren Mazares en Harpagus onderwerpen, hij voerde ook oorlog tegen

Babylonië en nam de hoofdstad in door den Euphraat uit zijne bedding

af te leiden (538); den Joden gaf hij verlof naar hun land terug te

keeren. Hij sneuvelde in een slag tegen de Massageten (z. Oxus), die

hij aanvankelijk door list overwonnen had (529). Niet minder groot dan

als veroveraar was C. als koning; ook de veroverde landen behandelde

hij met zachtheid en met zorg voor hunne afzonderlijke belangen; door

verstandige maatregelen wist hij de eenheid van zijn uitgestrekt rijk

te bewerken.--V. a. was Cyrus niet met Astyages verwant, maar nam hij

als overwinnaar diens dochter Amytis tot vrouw; ook zou hij in den

oorlog tegen de Derbices (evenals de Massageten een scythisch volk)

gestorven zijn aan de gevolgen van een val van zijn olifant.--Verdicht

is het verhaal dat Cyrus zonder omwenteling, als opvolger van zijn oom

Cyaxares, den zoon en opvolger van Astyages, de regeering verkregen

zou hebben.--2) de jongere, tweede zoon van Darius Nothus, satraap

van Lydië, Phrygië en Cappadocië, ondersteunde Lysander krachtig

met geld in den oorlog tegen de Atheners, waarvoor hij later door

de Spartanen in zijne onderneming geholpen werd. Zijne moeder had

getracht hem, met voorbijgaan van zijn ouderen broeder Artaxerxes,

tot troonopvolger te doen benoemen, op grond dat hij geboren was

nadat zijn vader de regeering aanvaard had; dit mislukte echter, en

Artaxerxes, die hem niet vertrouwde en bovendien gehoor gaf aan de

inblazingen van Tissaphernes, nam hem spoedig na den dood van Darius

gevangen en veroordeelde hem ter dood, doch liet hem op voorspraak

zijner moeder weder vrij. Verbitterd door deze behandeling, vormde

Cyrus het plan zijn broeder te onttronen. Hij trachtte zich overal

vrienden en bondgenooten te verwerven, versterkte zijne krijgsmacht,

terwijl hij voor den schijn Tissaphernes beoorloogde, en nam troepen

grieksche huurlingen, te zamen ongeveer 13000, in dienst, die hij

hier en daar liet bezig houden totdat hij hen zoude noodig hebben. In

401 verzamelde hij zijn leger te Sardes en trok hij, de Grieken over

het doel van zijn tocht misleidende, eerst naar Cilicië, vervolgens

over den Euphraat tot Cunaxa, waar hij het veel sterkere leger van

zijn broeder ontmoette. Door de overwinning der Grieken, die op den

rechtervleugel stonden, scheen de slag reeds ten voordeele van Cyrus

beslist te zijn, toen hij, in drift op Artaxerxes toesnellende, door

een van de begeleiders des konings gedood werd.--De Grieken volbrachten

hun terugtocht, eerst onder Clearchus, later onder Xenophon, te midden

van moeilijkheden van allerlei aard.

Cyrus, Kyros, rivier, die op den mons Moschicus op de N. grenzen

van Armenia ontspringt, door de caucasische landschappen Iberia en

Albania stroomt en, door een zijarm met den Araxes vereenigd, zich

in de Caspische zee ontlast.

Cyssus, Kyssous, haven van Erythrae op de ionisch-aziatische kust.

Cytaeïs, Kytaïke, Medea, naar de stad Cytaea in Colchis.

Cytaea, Kytaia, stad in Colchis aan den Phasis.

Cythera, Cytherea, Cythereis, Cytheria, Kythere, Kythereia, Kythereis,

Kytheria, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland Cythera, waar zij

hoog vereerd werd.

Cythera, ta Kythera, thans Cerigo, eiland ten Z. van Laconica met de

gelijknamige stad en de haven Scandea, en met een beroemden tempel van

Aphrodite of Venus, die dan ook dikwijls Cytherea genoemd wordt. Het

eiland was eerst in het bezit van Phoeniciërs, vervolgens kwam het

achtereenvolgens in handen der Argiven, Spartanen en Atheners. Door

zijne ligging was het tegenover Sparta een strategisch punt van

groot gewicht.

Cynthus, Kythnos, eiland van de Cycladengroep, met warme bronnen,

ten Z. van Ceos gelegen. Het was bewoond door Dryopes.

Cytinium, Kytinion, een van de vier steden der dorische tetrapolis

(Cytinium, Boeum, Erineus, Acypha of Pindus).

Cytissorus, Kytissoros, zoon van Phrixus en Chalciope. Toen Athamas

na de vlucht van Phrixus geofferd zou worden, waarschijnlijk ter

verzoening van de bloedschuld, die hij door den dood van dezen op

zich meende geladen te hebben, kwam Cyt. met het bericht dat Phrixus

nog leefde en belette daardoor dat het offer plaats had. Daardoor

rustte op hem de toorn van Zeus Laphystius, en werd bepaald dat de

oudste van zijn geslacht altijd aan dien god geofferd zoude worden,

welke straf later alleen toegepast werd op hen, die betrapt werden op

de poging om het prytaneum te betreden. Deden zij geene poging hiertoe

of gelukte het hun onbemerkt binnen te komen, dan waren zij behouden.

Cytorus, Kytoros, oude stad aan de kust van Paphlagonia, stapelplaats

van Sinope. Het lag op of aan een berg van denzelfden naam, die rijk

aan buks- of palmboomen was.

Cyzicus, Kyzikos, bloeiende milesische kolonie op de zuidkust der

Propontis (zee van Marmara), op den hals van het schiereiland

Arctonnesus (= bereneiland), gesticht 756. Aan weerszijden der

landengte had de stad uitstekende havens, door eene doorgraving met

elkander verbonden. Tot het gebied der stad behoorde ook het versterkte

eiland Proconnesus (= reeëneiland), dat een gezocht, zwart en wit

gevlamd, marmer opleverde, waarnaar het in de middeleeuwen Marmara werd

genoemd. Hier versloeg Alcibiades in 410 de Spartanen te land en ter

zee, waarbij Mindarus sneuvelde. De groote bloei van Cyzicus dagteekent

van het verval van Miletus en Athene. Toen de vrede van Antalcidas

(387) de aziatische Grieken aan Perzië had prijsgegeven, gelukte het

den Cyziceners in 365, de perzische bezetting te verdrijven. Later

kwam de stad onder Macedonia, vervolgens bij Pergamus en ten slotte

onder Rome. Uit trouw aan de Rom. doorstond zij in 75 een zwaar beleg

van den pontischen koning Mithradates, en werd zij tot belooning door

L. Lucullus tot eene civitas libera verheven. Onder keizer Nero ging

deze vrijheid te loor, wegens mishandeling van rom. burgers. De gouden

munten der stad, kyzikenoi, waren alom in de handelswereld bekend

en gangbaar. Ook de cyziceensche balsem, uit het sap der irisplant

bereid, unguentum Cyzicenum of irinum, myron kyzikenon, was beroemd.

D.

Daae of Dahae, Daai, scythisch volk ten O. der Caspische zee. Zij

deden als ruiters dienst in de legers der Perzen, van Alexander

d. G. en van Antiochus III van Syria.

Dacia, Dakia, thans Zevenbergen en Rumenië, rijk aan granen, hout en

metalen, werd bewoond door een krijgshaftig thracisch volk (de Daci),

dat voortdurend de rom. grenzen bestookte. Zie ook Getae. Domitianus

kocht van hun koning Decebalus den vrede voor eene jaarlijksche

schatting; Traianus echter onderwierp het land in twee oorlogen

101-102 en 105-107 n. C. De verschillende gebeurtenissen uit deze

oorlogen zijn op de Columna Traiani in beeld gebracht. Traianus

bracht vele kolonisten naar Dacia over, vooral om de goudmijnen te

bewerken. Aurelianus liet het weder varen (270), terwijl de Gothen er

bezit van namen. De rom. bewoners werden toen naar den zuidelijken

oever van den Donau overgebracht, waar uit een stuk van Moesia eene

nieuwe provincie Dacia Aureliani werd gevormd; later komt deze voor

onder den naam Dacia ripensis, terwijl in het binnenland een nieuwe

provincie Dacia mediterranea werd ingericht, hoofdstad Serdica

(tgw. Sophia).

Dactyli Idaei, Daktyloi Idaioi, zeer oude daemonen, die op den berg

Ida in Phrygië of op Creta woonden en de eerste bewerkers van metalen

waren; in Griekenland gelden zij als priesters van Rhea Cybele en

worden zij steeds met de Curetes en Corybantes te zamen genoemd,

dikwijls niet van hen onderscheiden. Een van hen zou de stichter der

olympische spelen zijn.

Dadicae, Dadikai, volksstam op de grenzen van Sogdiane.

Daduchus, Dadouchos, fakkeldrager, vooral eene voorname betrekking

bij de eleusinische mysteriën, erfelijk in het geslacht van Callias

en Hipponicus, het geslacht der Kerykes.

Daedala, ta Daidala, stad en berg op de grenzen van Lycia en Caria. Ook

eene stad ergens in India.

Daedala, Daidala, feest ter eere van Zeus en Hera, in Boeotië

gevierd. Bij de kleine Daedala, die waarschijnlijk eens om de vier

jaar te Plataeae plaats hadden, werd een eik omgehouwen en daaruit

een beeld van Hera vervaardigd; bij de groote, die slechts eens om de

zestig jaar gevierd werden, waren dus veertien van die beelden gereed,

die door vertegenwoordigers van de veertien bondssteden naar den

Cithaeron gebracht werden; daar werd een stier en een koe geofferd,

en de beelden verbrand op een houten altaar, dat mede verbrandde.

Daedalion, Daidalion, zoon van Hesperus en Philonis, stortte zich

van verdriet over den dood zijner dochter Chione van den Parnassus

en werd in een havik veranderd.

Daedalus, Daidalos, 1) zoon van Metion of Palamaon, achterkleinzoon

van Erechtheus, beroemd beeldhouwer en bouwmeester en uitvinder van

een groot aantal werktuigen; hij was de eerste die beelden maakte,

waarvan de oogen open waren en de beenen van elkander stonden,

zoodat men zeide dat hij zelfs wandelende beelden maken konde. Uit

naijver doodde hij zijn neef en bekwamen leerling Talos, waarvoor hij

door den Areopagus ter dood veroordeeld werd ; hij redde zich echter

door de vlucht en ging naar Creta, waar hij door Minos goed ontvangen

werd. Onder de kunstwerken, die hij hier maakte, behoort het beroemde

labyrinth, dat tot gevangenis van den Minotaurus diende. Daar Minos

echter vermoedde, dat hij aan Ariadne den draad gegeven had, waarmede

Theseus zich uit het labyrinth gered had, liet hij Daedalus zelf met

zijn zoon Icarus in dien doolhof opsluiten; beiden ontsnapten echter

door middel van vleugels, welke Daedalus gemaakt had uit veeren met

was aan elkander verbonden. Icarus vloog te hoog op en kwam zoo dicht

bij de zon, dat het was smolt en hij in de naar hem genoemde Icarische

zee stortte; Daedalus kwam echter behouden bij Cumae in Italië aan,

waar hij een tempel voor Apollo stichtte. Daarop begaf hij zich naar

Sicilië, waar Cocalus (z.a.) hem gastvrij ontving en waar hij o.a. eene

onneembare vesting bij Agrigentum en een tempel voor Aphrodite op den

Eryx bouwde.--Ook in andere landen zag men later in merkwaardige oude

kunstwerken sporen van een bezoek van D.--2) sicyonisch beeldhouwer

omstreeks 400.

Daemon, Daimon, oorspronkelijk de naam dien men aan de goden gaf,

wanneer men dacht aan den goeden of slechten invloed dien zij op het

menschelijk leven uitoefenden. Later beschouwde men hen als wezens,

die tusschen heroën en goden in stonden, afgestorvenen uit de gouden

eeuw, die over het welzijn der menschen waakten, hun de gaven der

goden brachten en omgekeerd hunne gebeden ten hemel droegen. Maar

tegenover deze beschermgeesten (agathodaimones) stonden ook kwelgeesten

(alastores), die de menschen tot kwaad verleiden en in het ongeluk

storten. Door Socrates vond het geloof ingang, dat ieder mensch zijn

eigen daemon heeft, die hem gedurende zijn geheele leven beschermt,

en eindelijk kende men aan ieder mensch een goeden en een kwaden

daemon toe.--De Joden en Christenen gaven den naam daemon weder als

in de oudste tijden aan alle heidensche goden, maar verklaarden hen

allen voor booze daemonen of duivels.

Dahae = Daae.

Daia, romeinsch keizer 305-313 n. C., zie Maximinus (Galerius

Valerius).

Dalmatae, zie Dalmatia.

Dalmatia, Dalmatia, in ruimen zin, omvatte het kustland ten O. der

Adriatische zee, van Histria af tot aan den Drilon, de grens van

Illyris Graeca. De naam is door de Romeinen aan dit gewest gegeven

naar de hieronder genoemde Dalmaten, met wie ze lang oorlog gevoerd

hebben. Het werd ook Illyria Barbara genoemd, en nog in twee kustlanden

onderscheiden: Liburnia, het noordelijk deel, van Histria tot aan den

Titius, en Dalmatia in engeren zin, tusschen de rivieren Titius en

Drilon. De bevolking van dit kustland leefde van jacht, visscherij,

veeteelt en ook van zeeroof. Dientengevolge kwamen zij bij herhaling

met de Rom. in botsing. De eerste illyrische oorlog had plaats 229-228

tegen koningin Teuta, de tweede in 219 tegen Demetrius van Pharus. In

168 werd koning Gentius, omdat hij met Perseus van Macedonia een

bondgenootschap had gesloten, door den praetor L. Anicius in een

dertigdaagschen veldtocht verslagen en gevangen genomen, en zijn

rijk in drie cijnsplichtige distrikten verdeeld. Doch reeds vóór

Gentius hadden zich een aantal stammen losgerukt van het illyrische

rijk en onder den naam Dalmaten, Dalmatae, eene republiek gesticht

met Delminium tot hoofdstad. In 156 versloegen deze Dalmaten den

rom. consul C. Marcius Figulus (Marcii no. 12), doch zij werden in 155

onderworpen door P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 20), doordat

hij hun hoofdstad innam. In 117 werden zij andermaal onderworpen door

L. Caecilius Metellus, die den naam Dalmaticus verwierf (Caecilii

no. 12). Bij herhaling stonden de Dalmatiërs weder op, in 78, 50-47,

16 en 11, en 6-9 na C. (opstand van Bato).

Dalmatius, stiefbroeder van Constantijn den Gr. Ook zijn zoon droeg

denzelfden naam. Na Constantijns dood verloor deze laatste, aan wien

Constantijn de Groote een deel van het rijk toegedacht had, in een

soldatenoproer het leven, zie Constantius II.

Dalminium of Delminium, hoofdstad van de dalmatische republiek.

Damalis, Damalis of he Bous, kaap en vlek in Bithynia aan den

thracischen Bosporus, op de plaats waar Io, in een koe veranderd,

de zeeëngte overzwom. Vandaar voer men, van Chalcedon komend, over

naar Byzantium.

Damarete, Damarete, gemalin van Gelon; naar haar heet een sicilische

munt = 10 att. drachmen, damareteion.

Damaratus = Demaratus no. 1.

Damascus, Damaskos, overoude stad in Coelesyria, aan de rivier

Bardines of Chrysorrhoas, in eene zeer vruchtbare streek onder een

heerlijk klimaat gelegen. Door verschillende besproeiingskanalen,

uit de rivier afgeleid, was dáár in de woestijn eene groote oase

ontstaan, waar verschillende karavaanwegen als in één middelpunt

samenliepen. Damascus was tot aan de verovering door de Assyriërs

(± 750) de hoofdstad van het machtigste der syrische (aramaeische)

staten, en geregeld met Israël in oorlog. De Assyriërs verwoestten stad

en omgeving, maar in den tijd der Perzen is het weer een belangrijke

handelsstad. In den tijd der Diadochen hoorde het nu eens tot het rijk

der Seleuciden, dan weder tot dat der Ptolemaeën. In 85 ontstond er

een onafhankelijk staatje onder een arabisch vorstenhuis, dat echter

reeds sedert Pompeius (66) onder Rome kwam te staan. De rom. keizers,

vooral Diocletianus, begunstigden de stad zeer, die beroemd werd door

hare wapenfabrieken (damascener klingen) en lijnwaadweverijen (damast).

Damasias werd in 582 archont te Athene, en gebruik makend van de

burgertwisten die sedert Solons vertrek woedden, bleef hij deze

waardigheid gedurende 26 maanden bekleeden; toen verbonden zich echter

alle partijen tegen hem en werd hij verjaagd.

Damasippus, naam in de gens Licinia (Licinii no. 19 en 20).

Damasithymus, Damasithymos, vorst van Calynda, ging met Xerxes naar

Griekenland en sneuvelde bij Salamis, door de goedgeslaagde list

van Artemisia.

Damastes, Damastes, 1) = Procrustes.--2) van Sigeum, geschiedschrijver,

omstreeks 400.

Damia, Damia, 1) godin van den wasdom, op verschillende plaatsen te

zamen met Auxesia vereerd, misschien bijnaam van Persephone. Op Aegina

vond men beelden van hen in knieënde houding, van olijvenhout.--2)

bijnaam der Bona Dea, v. s. dezelfde als no. 1.

Damocles, Damokles, gunsteling van Dionysius I, die steeds het geluk

van den tyran roemde. Daarom liet Dionysius hem op zekeren dag alles

genieten, wat hem zoozeer bekoorde, maar liet ondertusschen boven

zijn hoofd een scherp zwaard aan een paardenhaar ophangen als beeld

van de gevaren die een alleenheerscher bedreigen. Het zwaard van

Dam. is tot een spreekwoord geworden.

Damon, Damon, 1) atheensch toonkunstenaar en sophist, leermeester en

vriend van Pericles, wegens ongeloof verbannen.--2) van Syracusae,

die voor zijn vriend Phintias gijzelaar bleef, toen deze wegens

een waarschijnlijk verdichten moordaanslag op Dionysius II ter dood

veroordeeld was en eenigen tijd uitstel van straf gevraagd had. Tegen

de verwachting der hovelingen keerde Phintias nog juist bijtijds terug,

waardoor de tyran zoo getroffen was, dat hij beiden het leven schonk

en verzocht in hun vriendschapsbond opgenomen te worden, wat hem

echter geweigerd werd.

Damosia, de tent der spartaansche koningen, wanneer zij in het veld

waren; hoi peri damosian, hoi apo damosias, zij die met hen die

tent bewoonden.

Dana, Dana, of Thoana, Thoana, groote stad in Cappadocia,

waarschijnlijk dezelfde als Tyana (z. a.).

Danaë, Danae, z. Acrisius. Volgens eene italiaansche legende zou

zij met haar zoon in Italië gekomen zijn en de stad Ardea gesticht

hebben; daarna zou zij bij Pilumnus moeder geworden zijn van Daunus,

van wien Turnus afstamde.

Danai, Danaoi, heeten de Grieken in de gedichten van Homerus,

oorspronkelijk een volk in Argos.

Danaides, Danaïdes, Perseus, zoon van Danaë; Danaïdai, Argiven,

ook algemeen Grieken.

Danaides, Danaïdes, de vijftig dochters van Danaüs (z. a.).

Danapris, thans Dniëpr = Borysthenes.

Danastris, thans Dniëstr, oudtijds Tyras geheeten, rivier in Sarmatia.

Danaus, Danaos, zoon van Belus en Anchinoë, kreeg na den dood van

zijn vader de regeering over Libye, maar door zijn tweelingbroeder

Aegyptus en diens zonen bedreigd, vluchtte hij met zijne vijftig

dochters naar Argos, waar hij koning werd; hij bouwde den burcht van

Argos en leerde hoe men in tijden van droogte het land van water kon

voorzien. De vijftig zonen van Aegyptus volgden hem echter en vroegen

zijne dochters ten huwelijk; Danaüs gaf toe, maar overreedde zijne

dochters, hunne echtgenooten in den huwelijksnacht te vermoorden,

waaraan alle gevolg gaven, behalve Hypermnestra. De echtgenoot van

deze, Lynceus, doodde nu Danaüs zelf en al zijne schoonzusters, die

tot straf voor hare misdaad in de onderwereld eeuwig water moeten

scheppen in een bodemloos vat.

Dandaridae of Dandarii, Dandarioi, scythisch volk aan de Oostkust

van de Palus Maeotis (zee van Azow) ten N. van den Caucasus.

Danuvius, Danoubios, vroeger Ister (Hister), welke naam voor den

benedenloop ook in later tijd nog dikwerf voorkomt. Deze stroom,

thans Donau, was onder de keizers langen tijd de grensrivier van het

rom. rijk.

Daorsi, Daorizoi, kleine volksstam in Zuid-Dalmatia.

Daphnae Pelusiae, Daphnai hai Pelousiai, aegyptische grensvesting

tegen Arabia, nabij Pelusium.

Daphne, Daphne, 1) dochter van Peneus, werd door Apollo bemind; toen

zij, door hem vervolgd, de goden om hulp smeekte, werd zij in een

laurier veranderd.--2) nimf van den Parnassus, in de oudste tijden

priesteres bij het delphische orakel, toen dit nog aan Gaea behoorde.

Daphne, Daphne, voorstad der syrische stad Antiochia, een waar

lustoord, rijk aan laurierboomen en cypressen, met een beroemden

Apollo-tempel. Daphne was een lievelingsverblijf der Seleuciden,

later ook van Pompeius en andere Romeinen. In zedelijk opzicht stond

het slecht aangeschreven, men spreekt van Daphnici mores.

Daphnephoria, Daphnephoria, feest om de acht jaar ter eere van Apollo

te Delphi en in Boeotië gevierd, ter herinnering aan zijne reiniging

na het dooden van den Python.

Daphnis, Daphnis, zoon van Hermes en eene nimf, herder en jager op

Sicilië, bekwaam fluitspeler en de uitvinder der bucolische poëzie. Hij

zwoer trouw aan eene nimf, die hem beminde, en toen hij zijn eed

brak, strafte zij hem met blindheid of veranderde hem in een steen;

Hermes verplaatste hem echter onder de sterren.--V.a. stierf hij van

liefdesmart, daar hij zich tegen den wil van Aphrodite verzet had.

Daradax, Daradax, zijrivier van den Euphraat in Syria (Cyrrhestica).

Darapsa = Drepsa.

Dardanarii, opkoopers en speculanten in koren, die de prijzen zochten

op te drijven. Dit was onder de keizers strafbaar gesteld en behoorde

tot de delicta extraordinaria.

Dardania, Dardania, 1) gewest en stad van het trojaansche land, aan

den Hellespont, de zetel van Aeneas. Hiernaar worden de Trojanen ook

wel Dardani genoemd. De stad Dardania moet niet verward worden met

Dardanus.--2) het land der Dardani, Dardanoi, in Moesia Superior, het

tegenw. Servië. De Dardaniërs waren een morsig, doch muzikaal volk,

van illyrischen stam.

Dardanides, Dardanides, Dardanion, Priamus, Anchises

e.a. afstammelingen van Dardanus; Dardanidae, Dardanidai, Dardanioi,

Dardaniones, Dardanoi, Trojanen.

Dardanis, Dardanis, trojaansche vrouw, in het bijzonder Creusa (no. 3).

Dardanus, Dardanos, zoon van Zeus en Electra, de mythische stamvader

der Trojanen en dus ook der Romeinen. Hij stichtte in Phrygië de stad

Dardania en erfde later van zijn schoonvader Teucer de regeering;

sedert dien tijd werd het land naar hem Dardania genoemd, totdat

zijn kleinzoon Tros het den naam Troia gaf. Zijne vrouw Chryse had

van Athena als huwelijksgift het Palladium en de beelden der groote

goden gekregen, wier dienst hij eerst op Samothrace instelde en later

naar zijn rijk overbracht. Dardanus was v. s. in het trojaansche land

geboren, v. a. was zijn vaderland Samothrace, Arcadië, Creta of Italië.

Dardanus, Dardanos, stad aan den Hellespont op den aziatischen oever,

ten Z. van Abydus. De naam Dardanellen is hiervan afgeleid.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 48 / 150 段