Cumae, Kyme, stad in Campania, de oudste grieksche volkplanting

in Italia, in de 8ste eeuw (737?) door de Chalcidiërs van Euboea,

met medewerking van kolonisten uit Eretria en uit Cyme (aan de

Oostkust van Euboea), waaraan de naam ontleend is, en van de Grai

(z. a.) uit Boeotië, gesticht. Vooral door toedoen van Cumae is de

grieksche beschaving in Italië doorgedrongen. Dáár hield volgens de

sage de beroemde Sibylle haar verblijf; dáár landde Aeneas en stierf

Tarquinius Superbus. Dicaearchia, later Puteoli geheeten, was de

havenstad van Cumae. In 474/3 kwam Hiero van Syracusae de stad tegen

de Etruscers te hulp, en versloeg hen in een bloedigen zeeslag. Toen

tusschen 443 en 415 de Samnieten Campania veroverden, viel ook Cumae

in hunne handen (421). De inwoners werden grootendeels als slaven

verkocht. In 338 werd de stad met Capua en andere Campaansche steden

civitas sine suffragio. Z. Praefecti Capuam Cumas.

Cunaxa, Kounaxa, stadje in Babylonia aan den Euphraat, waarbij Cyrus

de jongere sneuvelde in den slag tegen zijn broeder Artaxerxes Mnemon

(401).

Cuneus, wig. In den circus, het amphitheater en het theater zijn cunei

de wigvormige afdeelingen, waarin de zitplaatsen der toeschouwers

door de gangpaden verdeeld worden. In den oorlog is de cuneus eene

wigvormige slagorde, om door de gelederen van den vijand heen te

breken. De soldaten noemden ze ook wel caput porcinum, zwijnskop. Zie

verder: forceps (forfex). Later beteekent cuneus dikwijls slechts eene

kolonne, zonder dat men daarbij aan den wigvorm behoeft te denken,

ook wel een dichtgesloten vierkant.

Cuneus, de Zuidkust van Lusitania.

Cunobelinus, ten tijde van keizer Caligula, koning van de Trinobantes,

vader van Caratacus.

Cupido, z. Eros.

Cupra maritima, belangrijke zeestad in Picenum, tusschen Castrum

Firmanorum en Truentum, met een tempel van de in Picenum vereerde

godin Cupra mater = Juno.

Cupressus. De cipres, uit Creta afkomstig, was aan Pluto geheiligd. Een

cipres, vóór een huis in den grond geplaatst, gaf te kennen, dat er

een doode was. Evenzoo plaatste men hem bij brandstapels en plantte

men hem op graven. In de tuinen werden zij dikwijls, evenals palmen,

in allerlei vormen gesnoeid.

Cura of curatio, curateele. Deze werd uitgeoefend over krankzinnigen en

verkwisters. De curator had dan het beheer over het vermogen. Volgens

eene lex Plaetoria (z. a.) werd er ook een cura minorum ingesteld, om

jongelieden, die sui iuris geworden en de voogdij reeds ontwassen, maar

nog geen 25 jaar oud waren, in bescherming te nemen tegen aanslagen op

hunne onervarenheid. Voor zekere rechtsgeldige verrichtingen, b.v. het

voeren van een proces, was de medewerking van den curator noodig.

Curator is in het algemeen hij, die eene cura uitoefent. Curatores

noemde men ook zekere ondergeschikte beambten, opzieners,

b.v. curatores aquarum, cloacarum, viarum, monumentorum publicorum

tuendorum, enz. Zoo was o.a. Q. Catulus curator restituendi Capitolii.

Cures, Kyreis, oude hoofdstad der Sabijnen in het zuidelijkste gedeelte

van het Sabijnsche land, dat reeds vroeg bij Rome is ingelijfd,

geboorteplaats van Titus Tatius en Numa Pompilius. De inwoners heeten

Curenses of Curenses Sabini. De naam Quirites is dus niet van Cures

afgeleid, zooals men wel eens vermoed heeft.

Curetes, Kouretes, 1) de oudste inwoners van Acarnanië en Aetolië,

werden in een oorlog tegen Calydon door Meleager overwonnen.--2)

z. Rhea (Cybele).

Curia, vergaderzaal, in het bijzonder voor de vergaderingen van den

rom. senaat. De oudste was de curia Hostilia, waarvan de eerste

bouw aan Tullus Hostilius werd toegeschreven. Ze had een hooge

vooruitspringende stoep. Ze werd vergroot door Sulla, maar brandde

in 52 af bij de begrafenis van Clodius. De nieuwe Curia, door Caesar

begonnen, door Augustus voltooid en gewijd, Curia Julia geheeten, nam

een groot gedeelte van het vroegere Comitium in beslag. Verder had men

de curia Pompeia. De curia Calabra op het Capitolium (z. Capitolinus

(mons)) diende tot priesterlijk gebruik. Vóór dit gebouw hadden de

comitia curiata calata plaats.

Curiae. Elke der drie oude rom. stamtribus, Tities, Ramnes en Luceres,

was in 10 afdeelingen verdeeld, die elk haar eigen vergaderlokaal,

curia, haar eigen sacra, en haar eigen priester, curio, hadden. Bij

de comitia curiata bracht elke curie ééne stem uit. Acht der curiae

zijn ons met name bekend: Foriensis, Rapta, Veliensis, Velitia, Titia,

Faucia, Acculeia en Tifata. De leden eener curia waren curiales. Ze

vierden twee feesten: de Fornacalia (z. a.) en de Fordicidia.

Curiata (lex), zie Comitia Curiata.

Curiatii, de drie albaansche gebroeders, die, volgens het bekende

poëtische verhaal, in den oorlog tusschen Alba Longa en Rome met

de drie rom. Horatii streden. In het Albaansch gebergte, aan den

weg van Albano naar Aricia, vindt men een etruscisch grafmonument,

dat langen tijd voor het graf der Horatii en Curiatii gehouden

is. Later komt deze naam ook te Rome voor. In 453 vindt men in een

overigens geheel ongeloofwaardig verhaal een consul P. Curiatius

Fistus Trigeminus vermeld, die in 451 een der tienmannen was, en in

188 een volkstribuun C. Curiatius, die de beide consuls van dat jaar

in hechtenis liet nemen.

Curiatius Maternus, redenaar en dichter tijdens Domitianus, van wiens

geschriften echter niets meer overig is. Hij is de hoofdpersoon

in Tacitus' Dialogus de Oratoribus, in 77 n. C. ten zijnen huize

gehouden.

Curii, een plebejisch geslacht. 1) M'. Curius Dentatus trad als

volkstribuun in 296 tegen den consul App. Claudius (later Caecus) op,

toen deze de verkiezing van een plebejer zocht tegen te gaan. Dit

verhaal is onhistorisch. In 290 was hij zelf consul, versloeg met

zijn ambtgenoot P. Cornelius Rufinus de Samnieten, en onderwierp

de Sabijnen. In 275 ten tweede male consul zijnde, bracht hij aan

koning Pyrrhus een nederlaag toe, hetzij bij Beneventum, dat toen nog

Maluentum heette, hetzij ergens in Lucania in Arusinis campis. Het

dankbare volk verkoos hem terstond ten derden male, waarop Curius de

verbonden volken van Zuid-Italië overwon. In 272 stierf hij, terwijl

hij censor was. Uit den buit, op Pyrrhus behaald, liet hij de tweede

waterleiding van Rome, de Anio vetus (zie Anio) bouwen, welk werk

eerst eenige jaren na zijn dood voltooid werd. In 290 had hij, na de

onderwerping der Sabijnen, aan het water van den lacus Velinus een

uitloop gegeven, zie Avens. Bekend is zijne eenvoudige levenswijze en

zijne weigering, van de gezanten der Samnieten geschenken aan te nemen,

onder bijvoeging, dat hij liever over rijken wilde heerschen, dan zelf

rijk zijn.--2) Q. Curius, deelgenoot van Catilina's samenzwering,

verklapte de geheimen er van aan zijne minnares Fulvia, die ze op

hare beurt aan Cicero overbracht.

Curio, familienaam in de gens Scribonia, z. Scribonii no. 2 en 4-6.

Curio, priester eener curia. Aan het hoofd der 30 curiones stond

een curio maximus. Deze werd reeds in de 3de eeuw in de comitia

sacerdotum gekozen.

Curiosolites, gallisch volk in Aremorica.

Curium, Kourion, stad aan de Zuidkust van Cyprus, bij Kaap Curias,

he Kourias akra, naar men zeide, een volkplanting der Argivers.

Cursor, familienaam in de gens Papiria, z. Papirii no. 5-7.

Cursus, wedrennen met twee- of vierspannen. Bij een vierspan liepen

de vier paarden naast elkander; de twee middelste waren op de gewone

wijze aangespannen; de twee buitenste trokken aan touwen, die ter

zijde van den wagen waren vastgehaakt, en werden daarom equi funales

geheeten. Zie verder de artikels auriga en circus.

Cursus publicus, de staatspost, door keizer Augustus ingesteld. Daar

de kosten hiervan door de provinciales werden gedragen, werd dit in

latere eeuwen een drukkende finantiëele last voor de bevolking.

Curtii. 1) Mettus of Mettius Curtius, een Sabijn, die na den

maagdenroof tegen Rome streed en op de vlucht bijna in een moeras

omkwam. Later vestigde hij zich te Rome.--2) M. Curtius, een moedig

jongeling, sprong in 362 gewapend en te paard in een kloof, die

zich te Rome op het forum had gevormd en niet te dempen was. De

godspraak had verklaard, dat het kostbaarste, wat Rome bezat, er in

moest worden geworpen. Na Curtius' zelfopoffering sloot de kloof

zich weder. De plek werd ommuurd en behield den naam van lacus

Curtius.--3) C. Curtius Philo of Chilo, consul 445, bestreed de

wetsvoorstellen van den volkstribuun C. Canuleius. Het verhaal, en de

geheele persoon is waarschijnlijk onhistorisch.--4) Q. Curtius Rufus,

rom. geschiedschrijver ten tijde van keizer Claudius. Hij schreef een

werk de rebus gestis Alexandri Magni in 10 boeken, waarvan de eerste

twee en stukken van de andere boeken verloren zijn.

Curtius (lacus), zie Curtii no. 2 en Mundus.

Curubis, stad aan de Oostkust van Africa (Zeugitana), ten Z. van Clupea

(Aspis).

Curulis (magistratus en sella). Curulische overheden te Rome waren

zij, die het recht hadden in het openbaar een sella curulis als

zetel te bezigen, n.l. een tabouret met ivoren onderstel en over

elkaar gekruiste pooten, zooals onder het koningschap de koning

bezigde. Zulk een curulischen zetel hadden de consuls, de praetoren,

de censoren, omdat deze, ieder voor zijn deel, de erfgenamen waren der

koninklijke macht; verder de interrex, de dictator en zijn magister

equitum, terwijl ook aan de curulische aedilen deze onderscheiding was

verleend. Ook de tijdelijk ingestelde decemviri legibus scribundis

en tribuni militum consulari potestate waren curulische overheden,

derhalve alle magistratus maiores en de aediles curules. Bij de sella

curulis behoorde ook de purpergerande toga, toga praetexta.

Custodia libera, vrijwillige hechtenis in het huis van een of anderen

aanzienlijken burger, als waarborg, dat de beschuldigde niet zou

trachten te ontvluchten. Onder de keizers vindt men de custodia

militaris, waarbij de beschuldigde onder de bewaking van één of twee

soldaten staat, doch zich overigens met dezen vrij mocht bewegen. In

custodia militari bevond zich o.a. de apostel Paulus, toen hij te

Rome gevangen zat.

Cutiliae, oude sabijnsche stad, aan een meertje gelegen. De eigenlijke

stad was reeds vroeg verdwenen, doch dicht bij het meer, aan welks

water geneeskracht werd toegeschreven, vormde zich eene badplaats

Cutiliae of aquae Cutiliae. In het meer lag een drijvend eilandje,

dat men voor den umbilicus Italiae hield. In de nabijheid lag de villa,

waar Vespasianus stierf.

Cyaneae insulae, Kyaneia nesoi, twee drijvende rotsen in zee aan den

thracischen Bosporus (straat v. Constantinopel). Door de felle branding

sloegen deze rotsen voortdurend tegen elkander en verbrijzelden alles

wat er tusschen kwam. De Argonauten lieten eene duif er tusschen

door vliegen, en toen deze het er levend had afgebracht, stonden

de rotsen plotseling voorgoed stil. Zij werden ook Symplegades,

Symplegades, genoemd.

Cyathus, kyathos, 1) een lepel, waarmede wijn uit het mengvat in de

bekers geschept werd.--2) als maat bij Grieken en Rom. het 72ste deel

van een chous of congius, het 192ste van een hekteus of modius.

Cyaxares, Kyaxares, zoon en opvolger van Phraortes, koning van Medië

(625-585). Den oorlog tegen Assyrië, dien hij als bondgenoot van

Nabopolassar voerde, moest hij ten gevolge van een inval der Scythen

staken; toen hij hen na een verblijf van 15 (v. a. 28) jaar uit Azië

verdreven had, werd Niniveh omstreeks 606 veroverd en het assyrische

rijk vernietigd, z. Alyattes.

Cybebe, Cybele, Kybebe, Kybele, z. Rhea.

Cybistra, ta Kybistra, oude stad in Cataonia aan den noordelijken

voet van den Taurus, aan de zijde van Lycaonia; in den keizertijd

behoort de stad tot Cappadocia.

Cychreus, Kychreus, zoon van Poseidon en Salamis, dochter van

Asopus. Hij bevrijdde het eiland Salamis van een draak, die het

onbewoonbaar maakte, stichtte er een volkplanting, en regeerde er

tot zijn dood; daar hij geene kinderen had, liet hij de regeering

aan Telamon na.

Cyclades, Kyklades, de eilandengroep, die het heilige eilandje Delus

omringde voor zoover de eilanden door Ioniërs bewoond waren. Het

waren: Andrus, Tenus, Myconus, Syrus, Ceos, Cythnus, Siphnus, Naxus,

Parus. De ouden namen er 12 aan, doch omtrent de hier ontbrekende is

men het niet eens.

Cyclici, Kyklikoi, een groep epische dichters, navolgers van Homerus,

die echter meer dan deze een mythus of kring van mythen in zijn

geheel ter behandeling namen; bij voorkeur sloten zij zich, ook wat

den inhoud hunner werken betreft, bij Homerus aan. De eerste cyclici

leefden omstreeks het begin der 8ste eeuw.

Cyclopes, Kyklopes, drie zonen van Uranus en Gaea, die door hun

vader en later weder door Cronus in den Tartarus werden geworpen,

maar door Zeus bevrijd werden, hem hielpen in den strijd tegen de

Titanen en den bliksem voor hem smeedden; Apollo doodde hen in zijn

toorn, toen Asclepius door Zeus met den bliksem gedood was. Als smeden

noemde men hen later dienaren van Hephaestus, waarvan echter meer

dan drie waren; hun werkplaats was in den Aetna of op het eiland

Lipara, waar zij niet alleen den bliksem, maar ook wapenen voor

goden en helden vervaardigden. Ook sommige zeer oude bouwwerken,

samengesteld uit reusachtige steenklompen, waarvan de bewerking meer

dan menschelijke kracht scheen vereischt te hebben (cyclopische muren),

worden aan Cyclopen toegeschreven, die met Proetus uit Lycië naar

Argolis gekomen zouden zijn.--Bij Homerus zijn de Cyclopen een volk

van wilden en menscheneters, zij kennen recht, wet, noch godsdienst en

houden zich alleen met veeteelt bezig, terwijl zij zelfs met elkander

geen verkeer hebben; hun vruchtbaar land brengt zonder handenarbeid

alles voort wat zij noodig hebben.--De Cyclopen worden voorgesteld

als geweldige reuzen met één oog in het midden van het voorhoofd.

Cycnus, Kyknos, 1) zoon van Apollo en Thyria of Hyria, leefde als

jager tusschen Pleuron en Calydon. In weerwil van zijne buitengewone

schoonheid, verlieten hem al zijne vrienden om zijne terugstootende

manieren; alleen Phylius bleef hem getrouw en bewees hem allerlei

diensten. Eindelijk verloor echter ook deze het geduld en weigerde

een stier over te geven, dien hij op last van Cycnus gevangen had,

waarop deze zich in drift van een rots stortte; Apollo veranderde hem

echter gedurende den val in een zwaan. Zijne moeder weende zoo om zijn

verlies, dat zij wegkwijnde en in het meer Hyria veranderde.--2) zoon

van Poseidon en Calyce, door zijne moeder te vondeling gelegd, maar

door visschers gevonden en opgevoed; toen hij volwassen was, maakte

Poseidon hem koning van Colonae in Troas. Zijne beide kinderen, Tenes

en Hemithea, liet hij, op valsche aanklachten van hun stiefmoeder,

in een kist in zee werpen; zij landden op Tenedus, waar Tenes

koning werd. Later zag Cycnus zijn ongelijk in en kwam hij zijn zoon

terughalen; beiden kwamen den Trojanen te hulp toen de Grieken landden,

en reeds dadelijk geraakten zij in strijd met Achilles, die aan Cycnus,

daar hij onkwetsbaar was, een hevigen slag op het hoofd gaf, die hem

in onmacht deed vallen, waarop hij hem met den riem van zijn eigen

helm wurgde. Poseidon veranderde hem in een zwaan.--3) zoon van Ares

en Pelopea, een wreede reus, die bij Iton in Thessalië woonde en alle

reizigers aanviel om van hunne schedels een tempel voor zijn vader te

bouwen. Hij werd door Heracles gedood.--4) zoon van Ares en Pyrene,

eveneens een geweldige reus, die door Heracles gedood werd, ofschoon

Ares zelf hem bijstond; ook van hem zeide men dat hij in een zwaan

veranderd was. De strijd tusschen Ares en Heracles was zoo hevig,

dat Zeus hen door den bliksem scheiden moest.--5) zoon van Sthenelus,

koning der Liguriërs, die den dood van zijn vriend Phaëthon zoo hevig

betreurde, dat Apollo hem uit medelijden in een zwaan veranderde en

onder de sterren plaatste.

Cydippe, Kydippe, z. Acontius.

Cydnus, Kydnos, ijskoude rivier in Cilicia, die door de stad Tarsus

stroomt en waar Alexander de Groote zich eene ernstige ziekte op den

hals haalde.

Cydonia, Kydonia, thans Canea, oude, machtige stad op de N.W. kust

van Creta, het middelpunt van den voor-griekschen stam der Cydones,

Kydones. De inwoners waren uitstekende boogschutters. Cydonia mala

= kweeperen.

Cylipenus, bij vroege schrijvers de naam van de Oostzee.

Cyllene, Kyllene, ook mons Cyllenius, op de grenzen van Achaia en

Arcadia, de hoogste berg der Peloponnesus, geboorteplek van Hermes

of Mercurius, die er een tempel had en dikwijls door de dichters

Cyllenius wordt genoemd.--Ook eene havenstad in het N. van Elis.

Cyllenius, Kyllenios, bijnaam van Hermes, z. Cyllene.

Cylon, Kylon, 1) atheensch eupatride, overwinnaar in de olympische

spelen (640), schoonzoon van Theagenes, den tyran van Megara. Hij

trachtte zich van de alleenheerschappij meester te maken en bezette,

door een dubbelzinnig orakel misleid, de acropolis (612), doch kon zich

niet staande houden en werd door gebrek aan levensmiddelen gedwongen te

vluchten. Zijne aanhangers werden, hoewel hun lijfsbehoud toegezegd

was, verraderlijk vermoord, z. Alcmaeonidae.--2) van Croton, een

aanzienlijk man, die aan het hoofd der volkspartij de aristocratische

regeering en de aanhangers van Pythagoras (z. a.) verdreef.

Cymbalum, kymbalon, muziekinstrument ongeveer gelijk aan onze bekkens,

in gebruik bij de feesten van Bacchus en Cybele.

Cyme, Kyme, 1) bijgenaamd he Aiolike (in onderscheiding van het

Italiaansche Cumae) of he Phrikonis, beroemde aeolische havenstad op

de aziatische kust, geboorteplaats van Ephorus. Hier overwinterde de

vloot van Xerxes na diens terugkeer uit Griekenland. In 17 na C. leed

het zwaar door eene aardbeving. Van de Cymaeërs deden in Griekenland

allerlei dwaasheden de ronde.--2) stad aan de Oostkust van Euboea,

z. Cumae.

Cynegirus, Kynegeiros, v. s. een broeder van Aeschylus. Toen hij na

den slag bij Marathon een van de vertrekkende perzische schepen met

de handen wilde terughouden, werd hem de arm afgehouwen, ten gevolge

waarvan hij stierf.

Cynaetha, Kynaitha, stad in het N. van Arcadia, met een ruw slag

van inwoners.

Cynaethus, Kynaithos, beroemd rhapsode van Chius, zoude omstreeks 500

de gedichten van Homerus op Sicilië bekend gemaakt hebben; v. s. was

hij de dichter van een der zoogenaamde homerische hymnen.

Cynesii, Kynesioi, Kynetes, een volk in het W., bij Herodotus vermeld,

waarschijnlijk Iberiërs.

Cynici, Kynes, Kynikoi, heetten de wijsgeeren uit de school van

Antisthenes; waarschijnlijk is de naam afgeleid van het gymnasium

Cynosarges, waar Antisthenes, als niet volbloed Athener, onderwijs

geven moest; tevens vond men echter er in eene toespeling op het leven

der Cynici, dat door hun overdreven onthouding van genot en beperking

van behoeften naar veler oordeel iets dierlijks had. In later tijd

treden ze vooral op als boetpredikers. Ze hebben samen met de Stoici,

die meer voor de hoogere standen werkten, een enormen invloed geoefend

op het moderne denken.

Cynosarges, Kynosarges, een worstelperk voor onechte kinderen,

buiten Athene gelegen, aan de Zuidkant, en aan Heracles gewijd. Hier

onderwees Antisthenes (± 400) zijne wijsbegeerte, welke naar deze

plaats de cynische is genoemd.

Cynoscephalae, Kynos kephalai, naam van twee heuvels in het

Z.O. van Thessalia, bij Scotussa, die van verre gezien op hondskoppen

gelijken. Hier behaalde T. Quinctius Flamininus in 197 de overwinning

op Philippus van Macedonia.

Cynossema, Kynos sema, kaap van de thracische Chersonesus, daar waar

de Hellespont het nauwst is, ten Z. van Madytus, met het graf der in

een hond veranderde Hecuba.

Cynosura, Kynosoura, 1) voorgebergte in Attica, dat de baai van

Marathon in het O. afsluit.--2) smalle landtong aan de Oostkust van

Salamis, waar het zegeteeken van den grooten zeeslag van 480 opgericht

werd.--3) het zuidwestelijke deel van de stad Sparta.--4) eene nimf van

het gebergte Ida, voedster van Zeus, die onder de sterren verplaatst

werd, v. s. de Kleine Beer.

Cynthia, de pseudonym voor de geliefde van Propertius (z. a.); in

werkelijkheid heette ze Hostia.

Cynthius, -a, Kynthios, -thia, Apollo en Artemis, naar den berg

Cynthus, hun geboorteplaats.

Cynthus, Kynthos, kale berg op het eil. Delus, z. a.

Cynuria, Kynouria, distrikt ten O. van den Parnon, tusschen Argolis

en Laconica, een twistappel tusschen beide staten, tot het eindelijk

omstreeks 540 door de Spartanen voor goed aan de Argoliërs ontrukt

werd. Onder Philippus van Macedonia werd het weder met Argos vereenigd

(338). Naar de stad Thyrea wordt het landschap ook Thyreatis geheeten.

Cynus, Kynos, stad der opuntische Locriërs aan de Euboeïsche zeeëngte.

Cyparissia, Kyparissia, de cipressenstad, op de W.-kust van Messenia

aan de Cyparissische golf.

Cyparissus, Kyparissos, 1) zoon van Telephus, die van verdriet

verkwijnde omdat hij bij ongeluk een geliefkoosd hert had gedood, dat

hem door Apollo geschonken was; hij werd in een cipres veranderd.--2)

stadje in Phocis bij Delphi.

Cypria, Cypris, Kypria, Kypris, Aphrodite, zoo genoemd naar het eiland

Cyprus, den hoofdzetel van haar eeredienst.

Cyprianus (Thascius Caecilius), vroeger heidensch rhetor, later

christen en bisschop van Carthago, onderging in 258 na C. onder de

regeering van keizer Valerianus met grooten moed den marteldood. Hij

heeft verscheidene godsdienstige geschriften nagelaten. Vele

werken echter, die op zijn naam staan, zijn van oudere of jongere

tijdgenooten.

Cyprus, Kypros, voornaam grieksch eiland in den oosthoek der

Middellandsche zee. Reeds vroeg zijn de oudste bewoners door

Phoeniciërs teruggedrongen; na den trojaanschen oorlog kwamen

er grieksche volkplanters, en sedert dien tijd vindt men de oude

bevolking slechts in Amathus aan de Z. kust, de Phoeniciërs in het

nabij gelegen Cition; de andere steden zijn grieksch. Omstreeks 560

werd Cyprus door Aegypte onderworpen en werd vervolgens met Aegypte

perzisch. Het heeft toen verscheidene malen gepoogd, zich zelfstandig

te maken. In 499 sloot het zich bij den ionischen opstand aan, maar

werd spoedig weer onderworpen. Onder atheensche hegemonie was het

eiland vrij van 478-449. Ook koning Euagoras van Salamis (z. a.) wist

het eiland een tijdlang vrij te houden van de Perzen. In de 4e eeuw

is het geheel vergriekscht. Na den val van het perzische rijk werd

het macedonisch, kwam toen onder een zijtak der Ptolemaeën en werd

in 58 rom. provincie. Het eiland was rijk aan koper (aes Cyprium)

en aan timmerhout. De scheepsbouw werd er zoo veelvuldig uitgeoefend,

dat dichterlijk trabs Cypria voor schip gebezigd wordt. Het eiland was

zeer vruchtbaar. De ouden vergeleken den vorm van het eiland met dien

eener ossenhuid en noemden de N.O.-punt boos oura, ossestaart. Cyprus

was de hoofdzetel der Aphrodite- of Venusvereering; vandaar dat Venus

dikwerf Cypria wordt geheeten. De voornaamste steden zijn: Salamis,

Paphus, Soli, en de hierboven genoemde: Amathus en Cition.

Cypsela, ta Kypsela, 1) versterkte stad in Thracia aan den Hebrus

(Maritza) en aan de via Egnatia.--2) vesting in Parrhasia, in het

Z. van Arcadia.

Cypselus, Kypselos, 1) koning van Arcadië ten tijde van de terugkomst

der Heracliden; hij behield zijn rijk door zijne dochter Merope aan

Cresphontes tot vrouw te geven.--2) zoon van Eëtion en Labda, van

moederszijde verwant met de Bacchiaden. Daar dezen hem reeds als kind

trachtten te dooden, omdat hij hun volgens een orakel de heerschappij

over Corinthe zoude ontnemen, verborg zijne moeder hem in een kist

(kypsele), die later te Delphi gewijd werd en nog in de 2e eeuw na

C. daar te zien was. Toen hij volwassen was, werd het orakel vervuld;

hij stelde zich aan het hoofd der volkspartij, verjoeg de Bacchiaden,

en regeerde sedert gelukkig en zacht (657-627), bevorderde handel en

verkeer, en liet de stad met vele kunstwerken verfraaien. Zijn zoon

Periander volgde hem op.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 47 / 150 段