bovenloop van de rivier de Gran wonende.
Cotiso, koning der Geten in Dacia, die tijdens den burgeroorlog
tusschen Octavianus en Antonius over den Donau was gevallen, maar
later overwonnen werd.
Cotta, familienaam in de gens Aurelia, z. Aurelii no. 1-8.--In
den gallischen oorlog komt ook nog als legaat van Caesar zekere
L. Aurunculeius Cotta voor, die in den opstand der Eburones onder
Ambiorix (winter van 54/53) sneuvelde.
Cottabus, kottabos, een waarschijnlijk oorspronkelijk sicilisch
spel, dat door de Atheners dikwijls na den eten gespeeld werd. Het
bestond daarin, dat men op een bepaalden afstand een weinig wijn
uit een beker in kleine schaaltjes moest werpen, die in evenwicht
ophingen en door het gewicht zakkend op een of ander metalen voorwerp
stieten en daardoor geluid gaven, of die op water dreven en door het
gewicht zonken; in het al of niet gelukken van den worp of in den
meer of minder helderen klank van het metaal zag men dikwijls ook
een liefdeorakel.
Cottiae Alpes, zie Alpes. Dit berglandje werd onder keizer Nero met
Liguria tot eene provincie Alpes Cottiae vereenigd. Hoofdstad: Segusio
(Susa).
Cottius, opperhoofd van ligurische stammen om en bij het naar hem
genoemde Cottische Alpenland. Octavianus stelde hem als vorst aan
met den titel praefectus. Zijn zoon, ook Cottius geheeten, kreeg van
keizer Claudius den koningstitel. Onder Nero werd het vasalstaatje
als provincie ingelijfd.
Cottus, Kottos, een van de Centimani.
Cotyla, kotyle, inhoudsmaat, de helft van een sextarius, vooral voor
het meten van geneesmiddelen gebruikt.
Cotyora, Kotyora, kolonie van Sinope op de kust van Pontus, vanwaar
Xenophon en de 10000 Grieken zich inscheepten naar Sinope.
Cotys, Kotys, 1) koning van Thracië (383-359), om zijne wreedheid
berucht, schoonvader van Iphicrates. Ofschoon hij atheensch burger
was, was zijne politiek altijd den Atheners vijandig, en toen hij door
sluipmoord uit den weg geruimd was, werden zijne moordenaars door de
Atheners met het burgerrecht en gouden kransen begiftigd.--2) koning
der Odrysen, ondersteunde Perseus van Macedonië tegen de Rom.--3)
regeerde onder Augustus (12 n. C.-± 18 n. C.) over de helft van
Thracië, doch werd door zijn broeder Rhescuporis, die de andere helft
beheerschte, gevangen genomen en gedood.--4) zoon van den vorigen,
kreeg van Caligula Klein-Armenië, daar Thracië gedurende zijne
minderjarigheid rom. provincie geworden was. Tusschen 37/38 en 46
n. C. was Thracië weer zelfstandig onder de drie broers Rhoemetalces,
Cotys en Polemo.
Cotys, Cotytto, Kotys, Kotytto, thracische of phrygische godin, die ook
door Grieken en Rom. vereerd werd. Hare feesten, Cotyttia, Kotyttia,
die des nachts gevierd werden, kenmerkten zich door luidruchtigheid
en buitensporigheid. De dienaren van Cotys heetten Baptai.
Cous = Cos.
Cragus, Kragos, vulkanisch gebergte in Lycia, waar de mythe der
Chimaera tehuis behoort. Evenwijdig met den Cragus liep de Anticragus.
Cranaë, Kranae, eil. op de laconische kust bij Gytheum of bij Attica,
waar Paris en Helena op hunne vlucht overnachtten.
Cranaea, Kranaia, bijnaam van Athena te Elatea in Phocis.
Cranaüs, Kranaos, koning van Attica na Cecrops, ten tijde van Deucalion
en den zondvloed. Hij werd door zijn schoonzoon Amphictyon van den
troon gestooten. Naar hem heeten de oude Atheners Cranaï (Kranaoi)
en Athene Cranaa (Kranaa, Kranaai); zijne dochter Atthis gaf haar
naam aan Attica.
Craneum, Kraneion, cypressenbosch en uitspanningsoord bij Corinthe,
waar ook de cynische wijsgeer Diogenes des zomers placht te vertoeven.
Cranii, -ium, Kranioi, -ion, stadje aan de Westkust van het
eil. Cephallenia.
Cranon, Crannon, Kranon, Krannon, vroeger Ephyra, stad in Thessalia in
het gewest Pelasgiotis. Bij Crannon behaalde Antipater in den lamischen
oorlog de beslissende overwinning op de Grieken en Thessaliërs (322).
Crantor, Krantor, van Soli in Cilicië, academisch wijsgeer, leerling
van Xenocrates en Polemo; zijne werken worden door Cicero met lof
vermeld. Hij was de eerste, die commentaren op de werken van Plato
schreef, en bestreed de stoicijnsche leer.
Crassus, familienaam, vooral in de gens Licinia (Licinii no. 7-17). Hij
komt ook voor bij de Canidii, Otacilii, Papirii (Papirii no. 1-4).
Crater, krater, een groote vaas, die in de eetzaal stond, waarin wijn
met water vermengd werd en waaruit dit mengsel in de bekers der gasten
geschept werd.
Craterus, Krateros, 1) veldheer onder Alexander d. G., aanvoerder
van het landleger op den terugtocht uit Indië, voerde de veteranen
uit Azië naar hun vaderland terug (324), en zou Antipater als regent
van Macedonië vervangen, toen Alex. stierf. In den lamischen oorlog
besliste zijne komst den slag bij Crannon ten gunste van Antipater,
met wien hij daarna Perdiccas en Eumenes bestreed; in een slag tegen
laatstgenoemde sneuvelde hij (321).--2) Macedoniër, v. s. zoon van den
vorigen, schrijver eener Psephismaton Synagoge, verzameld uit de te
Athene bewaarde origineelen, van welk werk nog enkele overblijfsels
bestaan.--3) beroemd geneesheer, tijdgenoot van Cicero.
Crates, Krates, 1) atheensch blijspeldichter omstreeks 450, een van
de grondleggers der oude attische comedie; men schreef hem 14 stukken
toe.--2) Athener, leerling van Polemo en na diens dood gedurende korten
tijd hoofd der academie.--3) Thebaan, de voornaamste leerling van den
cynicus Diogenes en gedurende eenigen tijd leeraar van Zeno.--4) van
Mallus, te Tarsus opgevoed, werd aan het hof van Attalus de stichter
der pergameensche school van taalgeleerden; in zijne werken over
Homerus bestreed hij Aristarchus. In 167 begeleidde hij Attalus II
naar Rome en bleef daar wegens ziekte langen tijd. Hij is de eerste
van de Stoici, die Homerus vooral op het gebied van de geographie voor
onfeilbaar verklaart, en door allegorische uitlegging alles wat men
weet, bij Homerus meent terug te vinden. Zoodoende is hij de schepper
geweest van een nieuwe denkrichting, die ook op latere geslachten
grooten invloed heeft geoefend en nog oefent. Zie o. a. Philo Judaeus.
Crates, Cratis, vlechtwerk, horde, schanskorf en dgl. Enkele malen
komt de uitdrukking voor: sub crate necari. De veroordeelde werd op
den grond uitgestrekt onder eene teenen horde, die zóólang met steenen
werd bezwaard, tot de ongelukkige onder het gewicht den geest gaf.
Crathis, Krathis, rivier in het land der Bruttii, die bij Thurii in den
sinus Tarentinus uitstroomt. De Sybaris is een zijriviertje hiervan,
maar stroomde oorspronkelijk ten N. van de Crathis in zee. Ook een
kuststroompje in Achaia.
Cratinus, Kratinos, 1) Athener (520-423), de eigenlijke schepper
der oude attische comedie. Hij was de eerste die in zijne stukken
een politieke strekking legde en drie acteurs liet optreden. Hij
trad tamelijk laat als dichter op en behaalde met 21 stukken
negenmaal de overwinning, o. a. met zijn laatste stuk Pytine (de
wijnflesch), kort voor zijn dood opgevoerd, waarin hij zijn eigen
gebrek, dronkenschap, aan de bespotting van het publiek prijsgaf.--2)
atheensch blijspeldichter, die ongeveer eene eeuw later leefde dan
de vorige; van hem worden 8 stukken genoemd.
Cratippus, Kratippos, 1) schreef een vervolg op de geschiedenis van
Thucydides, tot welk werk, naar men meent, een onlangs in Egypte
gevonden fragment behoort. Zie Theopompus.--2) van Mytilene,
peripatetisch wijsgeer te Athene, leermeester van Cicero's zoon.
Cratis = Crates.
Cratylus, Kratylos, leerling van Heraclitus en van Protagoras,
leermeester van Plato, die een zijner werken naar hem noemde.
Cremaste, Kremaste, goudhoudende streek in Troas nabij Abydus.--Zie
ook Larissa no. 2.
Cremera, zijtak van den Tiber in Etruria, die langs Veii stroomt,
en bij wiens uitmonding in den Tiber in 479 de 306 Fabii sneuvelden.
Cremni, Kremnoi, scythische koopstad aan den mond van den Tanaïs
(Don) in de Maeotis.
Cremona, Kremone, romeinsche kolonie met latijnsch recht, in 219
aan den linkeroever van den Padus (Po) aangelegd, in 190 versterkt
met 6000 nieuwe kolonisten, een van de rijkste steden van Gallia
Cisalpina. Behalve tal van prachtige gebouwen had Cr. het grootste
amphitheater van Italië. In 41 leed het door de soldaten van Antonius,
in 69 na C. werd het door die van Vespasianus verwoest. Hoewel
Vespasianus de stad herbouwde, keerde de oude welstand niet terug.
Cremonis iugum, een berg der Alpen, thans Cramont of Grammont, tusschen
den Mont Blanc en den kleinen St. Bernard, ten Z. van Courmayeur.
Cremutius Cordus, geschiedschrijver ten tijde van Augustus en
Tiberius, die zijne vrijmoedige taal met den dood moest boeten,
en wiens geschiedwerken verbrand werden (25 n. C.).
Crenides, Krenides, zie Philippi.
Creon, Kreon, 1) koning van Corinthe, vader van Creusa.--2) zoon van
Menoeceus, regeerde over Thebe van den dood van zijn zwager Laius tot
de troonsbestijging van Oedipus en wederom na den dood van Eteocles en
Polynices; z. Antigone.--3) koning van Thebe, schoonvader van Heracles,
z. Amphitryo.
Creophylus, Kreophylos, cyclisch dichter van Samus of Chius, wordt
de vriend, leermeester of schoonzoon van Homerus genoemd. Een van
zijne nakomelingen zou de gedichten van Homerus naar Sparta gebracht
en aan Lycurgus gegeven hebben.
Crepida, een zool met of zonder hakleder, die op den voet werd
vastgeregen. Ne sutor ultra crepidam = schoenmaker, houd u bij
uw leest.
Crepundia (plur.), kleine stukjes kinderspeelgoed, die soms den
kinderen om den hals werden gehangen, hetzij als talisman, hetzij
als herkenningsteeken.
Cresilas, Kresilas, uit Cydonia op Creta, een van de beroemdste
bronsgieters van de 5de eeuw. Tot zijn beroemdste werken behoorden een
stervende gewonde, een gewonde Amazone (wedstrijd tusschen Phidias,
Polycletus en Cresilas) en een portretstatue van Pericles. Van de
laatste zijn nog een paar replieken over.
Cresphontes, Kresphontes, een van de drie zonen van Aristomachus,
den achterkleinzoon van Heracles, die de Peloponnesus heroverden;
bij de verdeeling kreeg hij Messenia, waar hij later bij een opstand
met twee van zijne zonen gedood werd.
Cressa, Kressa, cretensische vrouw, bijnaam van Ariadne en Aërope;
Cressa bos = Pasiphaë.
Crestonia, Krestonia, met de hoofdstad Crestone of Creston, Krestone,
Kreston, streek in Macedonia tusschen den Strymon en den Axius.
Creta, Krete, thans Candia of Creta, het grootste der grieksche
eilanden, van havens ruim voorzien, vruchtbaar, gezond van klimaat,
was reeds vroeg (zie Cnossus en Phaestus) het middelpunt van een zeer
hoog ontwikkelde beschaving, die men tegenwoordig in een vóórgrieksch
en een achaeisch tijdperk pleegt te onderscheiden. Na het verval
der myceensche beschaving dringen de Doriërs het eiland binnen. Bij
Homerus heet Creta nog hekatompolis en vooral in de Odyssea vindt
men nog vele herinneringen aan de vroegere macht en rijkdom van het
eiland. De bevolking was zeer gemengd, doch de dorische stam had
het overwicht. De dorische bevolking vormde de heerschende kaste, de
burgers. De hypekooi, eene vrije, doch onderworpen bevolking, kwamen
overeen met de perioikoi in Laconica. Dan volgden twee klassen van
lijfeigenen: de mnoitai, lijfeigenen van den staat, en de klarotai of
aphamiotai, lijfeigenen op de goederen van particulieren. Opvoeding
der jeugd vanwege den staat en gemeenschappelijke maaltijden waren
ook op Creta wet. Na de afschaffing van het koningschap had men 10
archonten met een senaat en een collegie van ephoren. Allengs splitste
Creta zich in verschillende republieken (de belangrijkste steden zijn
dan: Cnosus, Gortyn, Lyttus of Lyctus, Praesus, later Hierapytna,
en in het W. Cydonia), totdat Q. Caecilius Metellus Creticus 68-64
het eiland onderwierp en als provincie inrichtte. Sedert kwam Creta,
ook zedelijk, in diep verval, zoodat de bewoners met de Capadociërs,
Ciliciërs of Cariërs onder de kappa kaka gerekend werden: Kretes aei
pseustai, kaka theria, gasteres argai. Op Creta behooren de mythen
te huis van Minos, Daedalus, den Minotaurus, den cretensischen Zeus,
wiens graf men er liet zien, e. a. Naar Creta is het krijt creta
genoemd; de cretische aarde is echter niet krijt, maar porseleinaarde.
Creteus = Catreus.
Cretheus, Kretheus, 1) zoon van Aeolus en Enarete, stichter van Iolcus,
vader van Aeson, Pheres, Amythaon en Hippolyte.--2) een zanger, die
Aeneas op zijne tochten vergezelde en door Turnus gedood werd.--3)
vader van Neleus.
Cretio. Cretio hereditatis is de uitdrukkelijke verklaring, dat men
eene erfenis aanvaardt.
Creusa, Kreousa, 1) dochter van Oceanus en Gaea, bij Peneus moeder van
Hypseus.--2) dochter van Erechtheus, echtgenoote van Xuthus, moeder van
Achaeus en Ion.--3) dochter van Priamus, gemalin van Aeneas, moeder
van Ascanius; zij zoude in den nacht, waarin Troje genomen werd, met
Aeneas vluchten, maar zij raakte in de verwarring verloren en werd door
de moeder der goden op wonderbare wijze van de aarde weggenomen.--4)
dochter van Creon, onder wiens regeering Iason en Medea te Corinthe
kwamen. Om met Creusa te trouwen erstiet Iason Medea, die zich wreekte
door aan hare mededingster een vergiftigd kleed te zenden, dat zich aan
het lichaam vasthechtte en haar onder vreeselijke pijnen deed omkomen.
Crimissus of Crimisus, Krimissos, Krimisos, rivier in het W. van
Sicilia, zijrivier van den Hypsus, bekend door de overwinning van
Timoleon op de Carthagers in 339.
Criobolia, zie Rhea (Cybele).
Crisa, Krisa = Crissa.
Crispus, (= kroeskop), rom. familienaam in verscheidene geslachten. Zie
Marcii (no. 11), Salustii, Vibii (no. 6).--Flavius Julius Crispus,
oudste zoon van Constantijn den Gr., een rijk begaafd jongeling,
zoowel in vrede als in den oorlog uitstekend, werd in 326 na C. te
Pola in Istria, op bevel zijns vaders vermoord.
Crissa, Krissa, oude handelsstad in Phocis, met de haven Cirrha,
werd in 590 op last der Amphictyonen verwoest, daar het van de
bedevaartgangers naar Delphi tollen hief. Cirrha werd later als
havenstad van Delphi herbouwd.
Crithote, Krithote, stad in het N. van de thracische Chersonesus,
aan den Hellespont gelegen.
Critias, Kritias, 1) zoon van Dropides, vriend van Solon,
overgrootvader van Plato.--2) achterkleinzoon van den vorigen,
leerling van Gorgias en Socrates, verdienstelijk dichter en redenaar,
dikwijls in de werken van Plato vermeld, die een van zijne gesprekken
naar hem noemde. Aanvankelijk aanhanger der democratie, werd hij
later om onbekende redenen verbannen en kwam hij eerst na afloop
van den peloponnesischen oorlog naar Athene terug, waar hij zich als
hoofd van de dertigmannen zeer gehaat maakte door zijne gewelddadige
handelingen. Hij sneuvelde in 403 in een gevecht tegen Thrasybulus.
Crito, Kriton, 1) leerling en vriend van Socrates, naar wien Plato
een van zijne werken noemde.--2) dichter der nieuwe comedie; één
zijner stukken is in 168/7 opgevoerd.
Critolaus, Kritolaos, 1) van Phaselis, opvolger van Ariston als hoofd
der peripatetische school, een van de drie wijsgeeren, die in 155 door
de Atheners als gezanten naar Rome gezonden werden en die het eerst de
Rom. met grieksche welsprekendheid en wijsbegeerte bekend maakten. Hij
bleef te Rome, waar hij in hoogen ouderdom stierf.--2) strateeg van
het achaeisch verbond, heftig tegenstander der Romeinen, werd in 146
door Metellus bij Scarphe verslagen en verdween daarna spoorloos.
Crius, Krios, Kreios, zoon van Uranus en Gaea, een van de Titanen.
Crobylus, krobylos, ouderwetsch kapsel der Atheners, in het bizonder
der atheensche mannen, en van eenige barbaarsche volken, overigens
= Corymbus.
Crocodilopolis, Krokodeilon polis, stad in Midden-Aegypte aan het
meer Moeris, later Arsinoë geheeten.
Croesus, Kroisos, zoon van Alyattes, laatste koning der Lydiërs,
regeerde 560-546. Hij maakte de aziatische Grieken schatplichtig,
sloot een verbond met de grieksche eilandbewoners, en strekte zijn
rijk oostwaarts tot den Halys uit. Toen zijn zwager Astyages door
Cyrus onttroond was, verbond hij zich met de koningen van Aegypte en
Babylon tot een oorlog tegen het jonge perzische rijk, doch voordat
zijne bondgenooten hem hulp hadden kunnen zenden, trok Croesus, door
dubbelzinnige orakels misleid, over den Halys; na een onbeslisten slag
evenwel trok hij terug naar Sardes om zich beter tot den oorlog voor
te bereiden, maar Cyrus volgde hem, belegerde de stad en nam haar na
veertien dagen in. Croesus verloor zijn rijk, maar behield het leven,
naar het heette door goddelijke tusschenkomst; Cyrus behandelde hem
altijd met achting, hield hem steeds als een vriend en raadsman bij
zich en beval hem bij zijn dood ook aan Cambyses aan. De rijkdom
van Croesus is spreekwoordelijk geworden en zijne geschiedenis werd
beschouwd als een treffend voorbeeld van de onbestendigheid van het
geluk, waarop Solon hem reeds zou gewezen hebben, toen hij hem in
zijne gelukkigste dagen te Sardes bezocht.
Crommyon, Krommyon, stad op de Corinthische landengte, aan de
Saronische golf. Hier doodde Theseus het beruchte everzwijn.
Cromnus, Kromnos, stadje in het Z. van Arcadia, bij Megalopolis.
Cronides, Cronion, Kronides, Kronion, Zeus, de zoon van Cronus.
Cronium mare, het noordelijkste gedeelte van de Noordzee, ook
wel de zee ten Noorden van Schotland. De oude schrijvers bevatten
allerlei phantastische verhalen hieromtrent; volgens sommigen is ze
gestold, volgens anderen zoo drabbig, dat men er met de roeispanen
nauwelijks door kan komen. Al deze verhalen zijn een gevolg van de
ontdekkingsvaart van Pytheas van Massilia.
Cronus, Kronos, Saturnus (z. a.), de jongste der Titanen, zonen
van Uranus en Gaea. Op aansporing zijner moeder, die verbitterd was
omdat Uranus zijne jongere zonen, de Cyclopen en Hecatonchiren, in
den Tartarus geworpen had, overviel hij zijn vader, verminkte hem met
een sikkel op gruwelijke wijze, en dwong hem van de wereldheerschappij
afstand te doen. Sedert dien tijd regeerde Cr. met de Titanen gedurende
de gouden eeuw, hij huwde zijne zuster Rhea, maar daar zijn vader hem
voorspeld had, dat ook hij eens door een zijner kinderen onttroond zou
worden, verslond hij hen terstond na hunne geboorte; alleen Zeus werd
door zijne moeder gered, terwijl Cr. in plaats van hem een grooten
in doeken gewikkelden steen verslond. Toen Zeus opgegroeid was, kwam
hij in opstand tegen zijn vader; door Gaea en Metis ondersteund,
dwong hij hem eerst de verslonden kinderen uit te braken en daarop
begon hij den oorlog, waarvan de uitslag was dat Cr. met de Titanen,
die zijne partij gekozen hadden, in den Tartarus geworpen werd. Later
kwam echter eene verzoening tusschen vader en zoon tot stand, en sedert
dien tijd heerscht Cr. op de eilanden der gelukzaligen. Te Athene
vierde men zijn feest, de Kronia, onder gebruiken, die aan den gouden
tijd moesten doen denken, z. Saturnalia.--Cr. wordt algemeen beschouwd
als een oogstgod, door sommigen als een god van den tijd. Hij wordt
afgebeeld als een oud man, met langen baard, gezeten op een troon,
met het kleed over het hoofd getrokken en een sikkel in de hand.
Crossaea, Krossaia, streek op de grens van Chalcidice aan de golf
van Thermae.
Croton, Kroton, thans Crotone, welvarende en machtige stad in het
land der Bruttii, tusschen 700 en 650 door Achaeërs gesticht. De
stad was beroemd door hare wetgeving, door reinheid van zeden,
door de school van Pythagoras, en door voorliefde der inwoners voor
lichaamsoefeningen. Zij was de geboorteplaats van den kampvechter
Milo. Wel leden omstreeks 550 de Crotoniaten eene zware nederlaag
door de bewoners van Locri Epizephyrii, doch Croton herstelde zich en
kon nog in 510 het verwijfde Sybaris ten val brengen. Verdeeldheid
was evenwel oorzaak, dat de grieksche steden in Zuid-Italië zich op
den duur niet konden handhaven tegen de Syracusanen aan den éénen en
de Lucaniërs aan den anderen kant.--In den tweeden punischen oorlog
maakte Hannibal Croton tot een steunpunt zijner krijgsoperatiën,
waarop de Romeinen er in 194 eene rom. kolonie van maakten.
Crotona = Cortona.
Crustae, 1) goud- of zilverbeslag (ciseleerwerk), dat op zilveren
of bronzen vaatwerk werd opgelegd, in tegenstelling van emblemata,
inlegwerk.--2) marmeren platen, waarmede de wanden bekleed werden.
Crustumerium, oude latijnsche stad, reeds vroeg door de Romeinen
veroverd. Op het veroverde land werd de tribus Crustumina ingericht.
Crux, het kruis, een paal met een dwarshout er aan. De veroordeelde
werd eerst gegeeseld, vervolgens aan touwen omhoog geheschen en dan
aan handen en voeten aan het kruis vastgenageld, waarna men hem liet
hangen tot hij gestorven was. Deze straf werd alleen toegepast op
slaven, vreemdelingen en burgers van lagen stand.
Crypta, krypte. Hieronder moet men niet een ondergrondsche ruimte van
eenig gebouw verstaan, zooals wij onder eene crypte doen; maar een
lange gang met lichtopeningen of vensters in de muren, bij groote
hitte of slecht weder tot wandelplaats dienende. Meestal liep zulk
eene crypta om eenig groot gebouw of om eene binnenplaats heen. Zie
ook cryptoporticus.
Cryptoporticus, overdekte gaanderij, aan ééne zijde gesloten, aan de
andere zijde open in den vorm eener kolonnade, terwijl eene crypta
ter weerszijden muren had.
Cteatus, Kteatos, z. Actoriones.
Ctesias, Ktesias, van Cnidus, uit het geslacht der Asclepiaden, van
404/401 tot 387/4 lijfarts aan het perzische hof, waarna hij naar zijne
vaderstad terugkeerde. Ook in 397 had hij een tijd in zijn vaderstad
vertoefd. Hij is de schrijver van verscheiden werken; zijne perzische
geschiedenis, Persika, in 23 boeken, wordt veel door oude schrijvers
gebruikt, ofschoon hem dikwijls gebrek aan waarheidsliefde verweten
wordt. Van dit werk zijn, evenals van een ander, Indika, slechts
eenige fragmenten bewaard gebleven. Ctesias is meer een op sensatie
belust romanschrijver (vandaar zijn populariteit) dan een ernstig
historicus. Zijn Indika zijn belangrijker, omdat daarin de eerste
berichten omtrent Indië, vooral de dieren- en plantenwereld, voorkomen.
Ctesibius, Ktesibios, beroemd werktuigkundige te Alexandrië
onder Ptolemaeus Euergetes, leermeester van Hero, met wien hij
o. a. verscheiden toepassingen van luchtdruk uitvond. Hij of een
naamgenoot, die omstreeks 125 leefde, was de uitvinder van het orgel.
Ctesiphon, Ktesiphon, z. Demosthenes.
Ctesiphon, Ktesiphon, stad aan den Tigris, na den dood van
Alexander d. Gr. gesticht, tegenover Seleucia. Ctesiphon was lang het
winterverblijf der parthische koningen en eene sterke grensvesting. In
den keizertijd werd het bij herhaling door de Rom. veroverd, n.m. in
116 door keizer Traianus, in 165 door de legaten van Lucius Verus,
in 198 door Septimius Severus.
Cuberni = Gugerni.
Cubi, zie Bituriges.
Cubiculum, klein vertrek, van een rustbed of eene slaapstede
voorzien. Men onderscheidde de cubicula in diurna en nocturna. Lezen,
studeeren, zelfs schrijven geschiedde bij de Rom. veeltijds in liggende
houding.--De latere keizers namen ook de gewoonte aan, bij de openbare
spelen niet op een podium of balkon te zitten, maar in eene soort
loge of cubiculum op een rustbed liggende de spelen gade te slaan.
Cubitus, rom. lengtemaat = 1 1/2 rom. voet = bijna 45 centimeter.
Cucullus, kap aan een mantel, om bij slecht weder over het hoofd
te trekken.
Cugerni = Gugerni.
Cularo, zie Gratianopolis.
Culex, titel van een klein gedicht, dat op naam van Vergilius staat
en waarin de schim eener gedoode mug om eene begrafenis vraagt.
Culleus, 1) lederen zak, waarin de parricidae genaaid en in het water
geworpen werden.--2) rom. maat voor vloeistoffen = ruim 500 liter.