Cornelii. De gens Cornelia was de beroemdste der

rom. gentes. O. a. behoorden tot haar de patricische familiën Cethegus,

Cinna, Cossus, Dolabella, Lentulus, Scipio, Sulla, en de plebejische

familiën Balbus, Gallus, Merula. 1) Ser. Cornelius Maluginensis, de

eerste consul uit de gens Cornelia, 485.--2) L. Corn. Maluginensis

Uritinus, consul in 459, veroverde v. s. de zeestad Antium op

de Volscen; v. a. streed hij met zijn ambtgenoot Fabius tegen de

Aequi.--3) A. Corn. Cossus, consul in 428, behaalde de tweede spolia

opima op den vejentischen koning Lars Tolumnius. In 426 was hij

consulairtribuun en magister equitum van den dictator Mam. Aemilius

Marmercinus.--4) A. Corn. Cossus, dictator in 385, bedwong zoowel den

buitenlandschen vijand, de Volscen, als de binnenlandsche onlusten,

door M. Manlius Capitolinus verwekt.--5) A. Corn. Cossus Arvina,

consul in 343, werd bij het begin der samnietische oorlogen door den

vijand hij den berg Gaurus ingesloten, doch behaalde door het beleid

van zijn krijgstribuun P. Decius Mus toch nog eene schitterende

overwinning. Dit verhaal is geheel verzonnen, evenals de geheele

zoogenaamde eerste samnietische oorlog. In 332 was hij andermaal

consul, in 322 dictator (ludorum Rom. causa).--6) P. Corn. Scipio

komt in 395 onder de consulairtribunen voor. Hij was de eerste, die

het cognomen Scipio had.--7) L. Corn. Scipio Barbatus, consul in 298,

streed tegen de Etruscen in Etrurië, en vooral tegen de Samnieten in

Lucania; zijn sarcophaag met een opschrift in verzen uit ± 200 is nog

bewaard gebleven.--8) Cn. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 7, consul

in 260, stak met zijn ambtgenoot C. Duillius in zee, doch geraakte te

Lipara in carthaagsche gevangenschap, waaruit hij later vrijgekocht

werd. In 254 was hij andermaal consul en veroverde toen Panormus

(Palermo). Den spotnaam Asina kreeg hij, naar men zegt, omdat hij

als landrot, om zijn watervrees bespot werd; watervrees werd door de

Romeinen als een kenmerkende eigenschap van de ezelin beschouwd.--9)

L. Corn. Scipio, ook een zoon van no. 7, consul in 259, nam Aleria op

Corsica in, en onderwierp het eiland. Zijn grafschrift is nog bewaard

gebleven.--10) P. Corn. Scipio Asina, zoon van no. 8, consul in 221,

streed voorspoedig tegen de istrische zeeroovers.--11) P. Corn. Scipio,

zoon van no. 9, verloor als consul in 218 tegen Hannibal den slag aan

den Ticinus bij Victumalae, waarin hij zwaar gewond door zijn zoon

gered werd. Vervolgens terugtrekkend over de Po, leed hij met zijn

ambtgenoot Tib. Sempronius Longus de nederlaag aan de Trebia. In 216

stak hij naar Hispania over, waar zijn broeder (no. 12) reeds vasten

voet had verkregen. Na herhaalde overwinningen behaald te hebben op

Hasdrubal en Mago, sneuvelde Publius in 212 met zijn geheele leger,

waarop ook Cnaeus, die terugtrok, door de Carthagers achterhaald,

omsingeld en afgemaakt werd.--12) Cn. Corn. Scipio Calvus, ook een zoon

van no. 9, consul in 222, voerde met M. Claudius Marcellus (zie Claudii

no. 29), oorlog tegen de Insubriërs, en veroverde Mediolanium (Milaan),

ging in 218 als legaat van zijn broeder naar Hispania, waar hij Hanno

versloeg en in 217 aan den mond van den Iberus (Ebro) eene carthaagsche

vloot vernielde. Zie verder bij no. 11.--13) P. Corn. Scipio Africanus

maior, zoon van no. 11, redde zijn vader bij den Ticinus het leven,

streed, schoon eerst 19 jaar oud, in 216 met den rang van krijgstribuun

bij Cannae en onderscheidde zich ook na den slag door zijn onwrikbaren

moed. In 211 na den ondergang van zijn vader en zijn oom werd de jonge

Scipio door het volk pro consule naar Spanje gezonden, waar hij in

210 den Carthagers een zwaren slag toebracht door de verovering van

Carthago Nova; in 209 kon hij Hasdrubal niet verhinderen, Spanje te

verlaten en zijn broeder Hannibal te hulp te komen; of hij Hasdrubal

werkelijk bij Baecula verslagen heeft, staat niet vast. Hij veroverde

na Hasdrubals vertrek geheel Hispania, zoodat hij in 206 naar Rome kon

terugkeeren, waar hij in 205 het consulaat bekleedde. In 204 stak hij

naar Africa over, waar Masinissa zich onmiddellijk bij hem aansloot;

Scipio bracht nu de Carthagers zóó in het nauw, dat zij einde 203

Hannibal uit Italia terugriepen. Door den slag bij Zama in den herfst

van 202 dwong hij Carthago tot een smadelijken vrede. Hij hield in

201 een luisterrijken intocht binnen Rome en verwierf den eernaam

Africanus. In 199 was hij censor en in 194 andermaal consul. In

190 ging hij als legaat met zijn broeder (no. 14) naar Asia; aan

den slag bij Magnesia (190), waarin Lucius Scipio Antiochus III van

Syria versloeg, nam hij echter geen deel, daar hij toen ziek was. Na

hun terugkeer in 188 werden de beide broeders in de volgende jaren

meermalen door partijgenooten van M. Cato en Flamininus voor de

volksvergadering gedaagd wegens omkoopbaarheid en verduistering van

gelden. Eens trof het zóó, dat het juist de verjaardag van den slag

bij Zama was, waarop P. Scipio, in plaats van zich te verdedigen,

in wegslepende taal het volk naar het Capitool opriep, om den goden

voor die overwinning dank te brengen. Toch werden beide broeders

veroordeeld, en Publius verliet Rome, ging naar Liternum om niet meer

terug te keeren, en stierf vermoedelijk in 183.--14) L. Corn. Scipio

Asiaticus (v. a. Asiagenus), ook een zoon van no. 11, diende onder

zijn broeder (no. 13) in Hispania, was in 193 praetor in Sicilia, en

in 190 consul. In deze hoedanigheid voerde hij den syrischen oorlog

en verwierf zich den bijnaam Asiaticus, doch werd na zijn terugkeer

wegens verduistering van gelden veroordeeld (zie bij no. 13). Hij

bezat op verre na niet de veldheerstalenten van zijn broeder.--15)

P. Corn. Scipio, zoon van no. 13, een man van edel karakter, onttrok

zich om redenen van gezondheid aan de staatszaken. Hij was het, die

no. 18 tot zoon aannam.--16) L. Corn. Scipio, broeder van no. 15,

een onwaardige zoon zijns vaders, kwam in den oorlog met Antiochus

in handen van den vijand, maar werd later zonder losgeld vrijgelaten;

hij werd in 174 uit den senaat gestooten.--17) Cornelia, de edele

dochter van no. 13, moeder van Tib. en C. Sempronius Gracchus,

beroemd om hare deugden.--18) P. Corn. Scipio Aemilianus Africanus

minor, zoon van L. Aemilius Paullus, den overwinnaar van Perseus,

door no. 15 geadopteerd. Hij verwierf zijne eerste lauweren onder

zijn vader Paullus in den slag bij Pydna (168), diende later (151)

in Hispania onder L. Licinius Lucullus (Licinii no. 22) en in Africa

onder M'. Manilius (149). Hij verwierf zich zóóveel roem, dat hij,

schoon eerst 37 jaar oud, in 148 tot consul werd gekozen, om den

derden punischen oorlog ten einde te brengen. Na een zwaar beleg

vermeesterde hij in 146 het uitgeputte Carthago, vernietigde de stad,

en verkocht de inwoners als slaven, doch beweende op de puinhoopen het

jammerlijk lot der stad. Met groote eer werd hij te Rome ontvangen,

en hem de overgeërfde naam Africanus als loon voor eigen verdiensten

toegekend. In 142 was hij censor, en trachtte als zoodanig het

toenemend zedenbederf en de binnendringende oostersche weelde met klem

te keer te gaan. De rampspoedige numantijnsche oorlog verschafte hem in

134 zijn tweede consulaat. Na eerst de verslapte krijgstucht hersteld

te hebben, veroverde hij (herfst 132) het hardnekkig verdedigde

Numantia en kreeg den eernaam Numantinus. Zijne tegenkanting tegen

de hervormingsplannen van zijn zwager Tib. Gracchus, wiens zuster

Sempronia hij gehuwd had, deed hem de volksgunst verbeuren. In eene

stormachtige senaatszitting in 131 betuigde Scipio, dat z.i. Gracchus

terecht was omgebracht, waarop de volkstribuun C. Papirius Carbo

hem een landverrader noemde en het volk hem onder scheldwoorden en

verwenschingen naar huis begeleidde. Later, in April of Mei 129, wist

hij te bewerken, dat aan de III viri, gekozen ter uitvoering van de

lex Sempronia agraria van Tib. Gracchus, de rechtspraak onttrokken werd

(zie Agrariae leges), en na een senaatszitting door senatoren, volk en

bondgenooten naar huis begeleid, werd hij den volgenden morgen in zijn

bed dood gevonden. Scipio was een zeer geletterd man, die met Lucilius,

Terentius, en vooral met Polybius vertrouwelijken omgang had. De

innige vriendschapsband tusschen hem en C. Laelius Sapiens vormt de

inleiding van Cicero's geschrift de amicitia.--19) P. Corn. Scipio

Nasica, zoon van no. 12, had den naam de rechtschapenste burger van

Rome te zijn. Reeds als jongeling werd hem in 204 de eervolle zending

opgedragen, het beeld der mater Idaea, dat uit Pessinus in Galatia

te Ostia was aangebracht, van daar naar Rome over te brengen. In

194 streed hij als praetor in Hispania, in 191 als consul tegen

de Boiers, die zich onderwierpen. Hij stond bekend als een groot

rechtsgeleerde. De bijnaam Nasica, die in de familie bleef, beteekent

kromneus.--20) P. Corn. Scipio Nasica Corculum, zoon van no. 19 en

schoonzoon van no. 13, diende onder Aemilius Paullus in Macedonia. Hij

was consul in 162, maar moest toen, evenals zijn ambtgenoot C. Marcius

Figulus (zie Marcii no. 12), als vitio factus aftreden; in 155 was

hij wederom consul en versloeg en onderwierp toen de Dalmatiërs. In

159 was hij censor, in 150 werd hij pontifex maximus. Hij verzette

zich in het belang van Rome tegen de verwoesting van Carthago. Zijn

bijnaam Corculum had hij aan zijne rechtskennis en scherpzinnigheid

te danken; hij beteekent zooveel als: een man van geest en hart. Deze

Scipio stelde het eerste wateruurwerk te Rome op.--21) P. Corn. Scipio,

bijgenaamd Serapio wegens zijne gelijkenis op een veekooper van dien

naam, consul in 138, voerde in 133 de senaatspartij tot den gewapenden

aanval op Tib. Gracchus aan. Om hem voor de volkswoede te beveiligen,

droeg de senaat hem eene zending op naar Asia, waar hij overleed. Hij

was een zoon van no. 20.--22) P. Corn. Scipio Nasica Serapio, zoon van

no. 21, stierf in 111 tijdens zijn consulaat.--23) P. Corn. Scipio

Nasica, praetor in 93, zoon van no. 22, gehuwd met de dochter van

den redenaar L. Licinius Crassus.--24) L. Corn. Scipio Nasica, zoon

van no. 23, geadopteerd door zijn grootvader, den redenaar L. Crassus

(Licinii no. 12), en daarom L. Licinius Crassus Scipio genoemd.--25)

P. Corn. Scipio Nasica, ook een zoon van no. 23, gewoonlijk Metellus

Scipio genoemd, schoonvader van Pompeius. Zie Caecilii no. 18.--26)

L. Corn. Scipio Asiaticus (Asiagenus), consul in 83, een afstammeling

van no. 14, streed tegen Sulla, werd door dezen gevangen genomen, doch

weder vrijgelaten. Hij hernieuwde echter den oorlog tegen Sulla, moest

vluchten en stierf te Massilia. Hij was de schoonvader van P. Sestius,

dien Cicero verdedigd heeft (Sextii no. 5).--27) Cn. Corn. Blasio,

consul in 270 en 257, censor in 265.--28) L. Corn. Balbus, afkomstig

uit Gades (Cadix), diende in den strijd tegen Sertorius, eerst

onder Q. Metellus Pius, daarna onder Pompeius, van wien hij het

burgerrecht verkreeg (72). Later vergezelde hij Caesar, toen deze

propraetor in Spanje was. Tijdens het driemanschap werd hem het

burgerrecht betwist, maar Cicero, die tijdens zijn ongeluk den steun

van Balbus had genoten, verdedigde hem (56) met goed gevolg. Hoewel

Balbus vervolgens te Rome in het belang van Caesar werkzaam was en

ook pogingen aanwendde om Cicero voor dezen te winnen, was hij toch

niet ondankbaar tegen Pompeius, maar deed moeite om door bemiddeling

van invloedrijke personen eene schikking tot stand te brengen. Later

werkte hij mede om Caesar met Cicero te verzoenen. Ook met Octavianus

stond hij op goeden voet; in 40 was hij consul.--29) L. Corn. Balbus

minor, neef van no. 28, kreeg ook in 72 het burgerrecht, nam aan

Caesars veldtochten in Aegypte en Hispania deel. Als quaestor

(43) vergrootte hij de haven van Gades, maar maakte zich door

strengheid zeer gehaat. Als proconsul van Africa, 21-20, overwon hij

de Garamantes; hij was de laatste privaatman, die triumfeerde (19),

en de eerste, die geen Romein was van geboorte. Het theatrum Balbi is

door hem gebouwd (13).--30) M. Corn. Cethegus, consul 204, pontifex

maximus en begaafd redenaar, versloeg in 203 Hannibals broeder Mago

in het land der Insubriërs (in Cisalpina).--31) C. Corn. Cethegus,

consul 197, versloeg de Insubriërs en Cenomanen in Cisalpina. Later

werd hij naar Africa gezonden om de geschillen tusschen Masinissa en

Carthago te vereffenen.--32) P. Corn. Cethegus, consul 181, bracht

als proconsul in 180 met zijn ambtgenoot M. Baebius Tamphilus 40000

Liguriërs met hun vrouwen en kinderen naar Samnium over (z. Apuani),

en triumfeerde zonder oorlog gevoerd te hebben.--33) P. Corn. Cethegus,

door Sulla vogelvrij verklaard, maar later weder in genade aangenomen,

werd na Sulla's dood, niettegenstaande zijn verdorven karakter,

een man van grooten invloed.--34) C. Corn. Cethegus, deelgenoot aan

de samenzwering van Catilina, behoorde onder hen, die door Cicero

werden ter dood gebracht.--35) P. Corn. Dolabella, consul in 283,

overwon bij het Vadimonische meer de Boiers en de Etruriërs.--36)

Cn. Corn. Dolabella, aanhanger van Sulla, consul in 81, overwon

de Thraciërs als proconsul in Macedonia (79). In 77 werd hij door

Caesar aangeklaagd wegens afpersingen, doch vrijgesproken.--37)

Cn. Corn. Dolabella, praetor in 81, propraetor in 80 en 79 in Cilicia,

zoog de provincie uit. Zijn legaat C. Verres hielp hem hierbij,

doch verschafte later de bewijzen om hem te doen veroordeelen. Hij

ging in ballingschap.--38) P. Corn. Dolabella, berucht om zijne

uitspattingen, was met Cicero's dochter Tullia gehuwd tegen diens

zin. In den burgeroorlog liep hij van Pompeius tot Caesar over, streed

onder hem bij Pharsalus (48), liet zich vervolgens, om volkstribuun

te kunnen worden, door een plebejer Lentulus tot zoon aannemen, was in

47 een zeer woelig volkstribuun, vergezelde hierna Caesar naar Africa

en Hispania en werd door diens toedoen tot consul voor het jaar 44

verkozen. Na Caesars dood sloot Dolabella zich bij diens moordenaars

aan, tot Antonius hem met de provincie Syria tevreden stelde, waardoor

hij met Cassius weder in onmin geraakte. Op reis naar Syria beging

hij in Griekenland en Klein-Azië verschillende buitensporigheden,

zoodat de senaat hem vogelvrij verklaarde. Door Cassius aangevallen

en geen uitweg ziende, bracht hij zichzelf in 43 te Laodicea ad mare

om het leven.--39) L. Corn. Cinna, de bekende aanhanger van Marius,

was consul in 87, toen Sulla naar Asia vertrok. Hoewel hij aan Sulla

onder eede beloofd had de bestaande instellingen te zullen handhaven,

trad hij op met een aantal daarmede strijdige wetsvoorstellen, doch

werd door zijn medeconsul Cn. Octavius uit Rome verdreven. Met Marius

aan het hoofd eener aanzienlijke strijdmacht teruggekeerd, richtte

hij met hem een bloedbad aan onder de aanhangers van Sulla; doch toen

de door Marius in dienst genomen slaven niets meer ontzagen, lieten

Q. Sertorius en Cinna een groot aantal van hen neersabelen. Cinna

was nog driemaal consul, in 86, 85 en 84. In dit laatste jaar keerde

Sulla naar Italia terug, en werd Cinna door zijne eigene soldaten

te Ancona gedood.--40) L. Corn. Cinna, zoon van no. 39, sloot zich

na Sulla's dood bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan,

streed vervolgens onder Q. Sertorius, mocht in 73 ten gevolge van

de lex Plautia terugkeeren, en werd onder Caesar praetor (44). Na

Caesars dood hield hij eene lofspraak op diens moordenaars, doch werd

bijna gesteenigd, terwijl zekere C. Helvius Cinna, dien men voor hem

aanzag, door het volk vermoord werd.--41) Cn. Corn. Cinna Magnus nam

deel aan eene samenzwering tegen Augustus, toen deze in Gallia was

(16-13), maar kreeg vergiffenis en werd later zelfs consul (5 na

C.).--42) Cornelia, dochter van no. 39, was gehuwd met Caesar, die

in weerwil van Sulla's aandrang weigerde haar te verstooten.--43)

L. Corn. Merula, consul in 193, leverde een bloedigen slag tegen

de Boiers, waarvan 17000 sneuvelden, terwijl 212 veldteekens in

zijne handen vielen. Daar hij echter ook 5000 man verloren had,

werd hem geen zegetocht toegestaan.--44) L. Corn. Merula werd in 87

consul in plaats van den verdreven Cinna (no. 39). Toen deze evenwel

terugkeerde, liet Merula zich de aderen openen en doodbloeden. Hij

was flamen Dialis, welk ambt na zijn dood 75 jaar onbezet bleef.--45)

L. Corn. Lentulus, consul in 327, gaf bij Caudium in 321 den raad,

door vrijwillige overgaaf het rom. leger voor geheelen ondergang

te behoeden. Deze raad legde te meer gewicht in de schaal, daar

Lentulus een der dappersten was. Ten onrechte wordt hem de bijnaam

Caudinus gegeven. De naam Lentulus is ontleend aan het verbouwen van

linzen.--46) Cn. Corn. Lentulus, consul in 201, had zeer verlangd,

in Africa tegen Carthago oorlog te voeren, maar voor hij uit Sicilië

naar Africa kon oversteken, was de vrede geteekend (201).--47)

P. Corn. Lentulus onthaalde in 169 het eerst het rom. volk op

gevechten van wilde dieren. In 162 was hij consul suffectus. Hij

was princeps senatus. Hij was een tegenstander van de Gracchen,

en streed op hoogen leeftijd nog in 121 in de rijen der optimaten

tegen C. Gracchus.--48) P. Corn. Lentulus Sura, een man van laag

karakter, algemeen geminacht. Niettemin was hij in 75 praetor,

in 71 consul, en hoewel hij in 64 uit den senaat werd gestooten,

in 63 andermaal praetor. In dit jaar werd hij wegens deelneming

aan de samenzwering van Catilina door Cicero ter dood gebracht.--49)

Cn. Corn. Lentulus Clodianus, consul in 72, streed met zijn ambtgenoot

L. Gellius Poplicola ongelukkig tegen de zwaardvechters onder

Spartacus. Beiden waren censors in 70, toen de censuur, door Sulla

afgeschaft, weder hersteld werd. Zie ook lex Cornelia Gellia. Hij

was een goed redenaar. Hij was ook een der legaten van Pompeius

in den zeerooversoorlog.--50) P. Corn. Lentulus Spinther, consul

in 57, een warm vriend van Cicero, voor wiens terugroeping uit de

ballingschap hij sterk ijverde. (Zie Cornelia (lex) de restituendo

Cicerone). Zie verder omtrent hem Caecilia Cornelia (lex). In den

burgeroorlog was hij op de zijde van Pompeius; hij werd door Caesar

gevangen genomen en gedood.--51) L. Corn. Lentulus Crus, tegenstander

van Clodius en van Caesar, consul in 49, volgde Pompeius en werd in

Aegypte vermoord.--52) L. Corn. Sulla Felix, geb. in 138, stamde uit

eene arme familie, en legde zich met ijver op de wetenschappen toe,

vooral op de grieksche taal- en letterkunde. Hij was een man van fijne

beschaving, doch losbandig en zedeloos. In 107 vergezelde hij Marius

als quaestor en leidde als zoodanig met veel takt de onderhandelingen

met koning Bocchus over de uitlevering van Jugurtha. Vervolgens

diende hij als legaat in de oorlogen tegen de Cimbren en Teutonen

(104-101). In 93 was hij praetor, in 92 propraetor in Cilicia. Hij

slaagde er in, Ariobarzanes, die door Mithradates verdreven was, op

den troon van Cappadocia te herstellen. Bij deze gelegenheid kwam hij

in het Cappadocische Comana, waar zijne soldaten den eeredienst van

Mâ-Bellona leerden kennen. In den bondgenootenoorlog diende Sulla

als legaat in 90 onder den consul L. Julius Caesar, in 89 onder

den consul L. Porcius Cato. In 90 had hij geen succes, maar in 89

veroverde hij Stabiae en Pompeii, verdreef de Samnieten uit Campania,

onderwierp de Hirpini, drong daarop in Samnium door, en veroverde

de hoofdstad Bovianum. Met onmenschelijke wreedheid woedde Sulla

tegen de gevangenen. Hierop werd hij consul (88) en kreeg Asia tot

provincie met het opperbevel in den mithradatischen oorlog. Sulla

verzette zich te vergeefs tegen de wetgeving van P. Sulpicius Rufus

(z. Sulpiciae leges), en vluchtte toen uit Rome naar zijn leger

in Campania. Daarop werd op voorstel van P. Sulpicius het bevel

aan Marius opgedragen. Op het bericht hiervan trok Sulla met zijn

leger naar Rome terug; Sulpicius werd gedood, Marius en anderen

vogelvrij verklaard. Na eenige wetten te hebben gegeven, stak Sulla

naar Griekenland over, waar hij eerst Athene na een hardnekkige

verdediging van vele maanden in Maart 87 bijna geheel uitmoordde,

en den Piraeus slechtte; daarna versloeg hij den mithradatischen

veldheer Archelaus bij Chaeronea, en een tweede leger bij Orchomenos

(86), en trok vervolgens naar Azië, waar hij in het voorjaar van 85 met

den koning vrede sloot, om de handen tegen Fimbria (zie Flavii no. 4)

en de democraten in Italië vrij te krijgen. Voordat hij naar Italië

vertrok, strafte hij Asia vreeselijk voor haar afval. Intusschen

was Marius naar Rome teruggekeerd en woedde met L. Corn. Cinna

(no. 39) tegen de aristocratische partij. In 83 kwam Sulla terug en

nu ontbrandde de vreeselijke burgeroorlog, die geheele streken van

Italië ontvolkte en met Sulla's zegepraal eindigde. De belangrijkste

slag in dezen oorlog is die bij de Porta Collina (1 Nov. 82), waarbij

de Samnieten, die op Rome losgetrokken waren, onder Pontius Telesinus

en den jongen Marius door Sulla verslagen werden; de krijgsgevangenen

liet hij daarna afmaken. Door den interrex L. Valerius Flaccus liet

hij eene wet voorstellen, waarbij hem de levenslange dictatuur werd

opgedragen, z. Valeria (lex) de Sulla dictatore. Het regende nu

vogelvrij- en verbeurdverklaringen; duizende landerijen werden aan

zijne soldaten toegewezen, hij omringde zich met eene lijfwacht van

10000 vrijgelatenen, en door een geheel stel wetten trachtte hij de

heerschappij van den senaat blijvend te bevestigen. Hij had echter

zelf het voorbeeld gegeven, hoe een veldheer alles vermocht omver te

werpen, als hij slechts zich van de genegenheid van zijn leger wist

te verzekeren, eene kunst, die Sulla in hooge mate verstond. Zie

verder Corneliae (leges) van L. Corn. Sulla van 81. Na twee jaar

(79) legde Sulla de dictatuur neder en trok zich terug op zijn

landgoed bij Puteoli, waar hij gedenkschriften begon op te stellen,

die echter niet door hem voltooid werden. Hij stierf reeds in 78 aan

de gevolgen van zijn losbandig leven. Hij was de eerste uit de gens

Cornelia, wiens lijk niet begraven, maar verbrand werd.--53) Faustus

Corn. Sulla, zoon van no. 52, diende onder Pompeius in het Oosten,

o.a. in 63 voor Jerusalem, welks muur hij het eerst beklom. Later

streed hij ook bij Pharsalus en bij Thapsus, en werd op de vlucht door

P. Sittius gevangen genomen en door Caesars soldaten omgebracht. Hij

was de schoonzoon van Pompeius.--54) P. Corn. Sulla, was voor 65 tot

consul gekozen, doch werd met zijn ambtgenoot P. Autronius Paetus

wegens ambitus veroordeeld. In 62 werd hij door den jongen L. Manlius

Torquatus (Manlii no. 14) beschuldigd van deelgenootschap aan de

tweede samenzwering van Catilina, waartegen Cicero hem verdedigde,

nadat Q. Hortensius Hortalus hem reeds verdedigd had tegen

eene aanklacht van Torquatus wegens deelneming aan de eerste

samenzwering. Hij streed ook bij Pharsalus, doch voor Caesar. In 45

werd hij waarschijnlijk door roovers vermoord.--55) C. Cornelius,

volkstribuun in 76. Zie Corneliae (leges).--56) L. Cornelius Sisenna,

praetor in 78, stierf in 67 als legaat van Pompeius op Creta. Hij

was een geleerd man, en schreef annales van zijn tijd, en gaf eene

vertaling uit der milesische vertellingen van Aristides.--56 b)

Cornelia Metella = Caecilia Metella, z. Caecilii no. 26.--57) Verder

vindt men nog de familienamen Merenda, Rufinus, Scapula. Onder de

Rufini verdient genoemd te worden: P. Cornelius Rufinus, consul

290 met M' Curius Dentatus; zij maakten samen een einde aan den

Samnietischen oorlog. In 277 was hij weder consul en streed toen tegen

Pyrrhus. In 275 werd hij door den censor C. Fabricius uit den senaat

gestooten, omdat hij meer dan 10 pond aan tafelzilver bezat. Hij was

berucht om zijn hebzucht.--58) Cornelius Nepos, geschiedschrijver, in

Gallia Transpadana geboren, bevriend met Catullus en Atticus en door

dezen ook met Cicero. Hij heeft verschillende werken geschreven van

historischen en geographischen aard, maar zeer oppervlakkig. 1º. 3

boeken Chronica. 2º. een werk Exempla getiteld, waaruit Valerius

Maximus (z. a.) geput heeft. 3º. een Chorographia. 4º. zijn hoofdwerk

is echter de viris illustribus libri XVI, waarin op oppervlakkige wijze

naast grieksche beroemdheden romeinsche behandeld waren, en waarvan nog

enkele stukken, het boek over de buitenlandsche veldheeren (Cornelii

Nepotis vitae excellentium imperatorum), het bekende schoolboek, en

verder twee biographieën uit het boek de latinis historicis, n.m. een

kleine van Cato en een uitgebreide van Atticus, over zijn.--59)

C. Cornelius Gallus, te Forum Julii (Fréjus) uit een nederigen stand

geboren, dichter en bevriend met Ovidius, Vergilius, e.a. Hij werd

door Augustus in 30 tot praefectus van Aegypte aangesteld. Later in

ongenade gevallen, benam hij zichzelf het leven (26). Zijne gedichten

zijn verloren.--60) A. Cornelius Celsus, zie Celsus.--61) C. Cornelius

Chrysogonus, zie Chrysogonus.--62) M. Cornelius Fronto, zie Fronto

(M. Cornelius).--63) Cornelius Severus, zie Severi no. 1.--64)

P. Cornelius Tacitus, zie Tacitus (P. Cornelius).

Corniculum, latijnsche stad ten N. van den Anio; ze is vroeg verdwenen.

Cornificii, plebejisch geslacht. 1) Q. Cornificius, onder wiens

bewaking de Catilinariër C. Cornelius Cethegus werd gesteld. Hij was

het, die het eerst in den senaat de heiligschennis van P. Clodius

Pulcher ter sprake bracht. Met Cicero dong hij, maar te vergeefs,

naar het consulaat.--2) Q. Cornificius, zoon van no. 1, aanhanger van

Caesar, na diens dood stadhouder van Africa vetus, en aanhanger van

den senaat en van Sextus Pompeius, sneuvelde in 41 in een slag tegen

het driemanschap bij Hadrumetum. Evenals zijn vader had hij met Cicero

omgang. Hij was redenaar en dichter.--3) L. Cornificius, aanhanger

van Octavianus.--4) Cornificius, een rhetor, wordt ten onrechte voor

den schrijver gehouden van de Rhetorica ad C. Herennium, een werk uit

den tijd van Sulla, dat in 4 boeken uitvoerig de rhetorica behandelt.

Cornu copiae, horen van overvloed, zie Amalthea.

Cornus, versterkte hoofdplaats der Sarden aan de Westkust van Sardinia.

Cornuti, plebejisch geslacht. 1) C. Caecilius Cornutus, een man van

strenge zeden en hierom Pseudo-Cato genoemd, volkstribuun in 61 en

praetor in 57, ijverde voor de terugroeping van Cicero uit diens

ballingschap.--2) M. Caecilius Cornutus, praetor urbanus in 43,

werd na den dood der beide consuls A. Hirtius en C. Vibius Pansa door

zijne troepen verlaten en sloeg de hand aan zich zelven.--3) Cornutus

(L. Annaeus). Zie Annaei.

Coroebus, Koroibos, 1) zoon van Mygdon, koning van Phrygië, die

uit liefde voor Cassandra Priamus te hulp kwam. Hij muntte uit door

dapperheid en was een van de weinige strijders, die onder Aeneas nog

een laatsten uitval waagden, terwijl de stad reeds brandde; bij deze

gelegenheid sneuvelde hij.--2) overwinnaar in de olympische spelen

in 776, het jaar waarmede de telling der Olympiaden begint.

Corollarium, krans met bladeren van goud, zilver of ander metaal,

die men aan geliefde tooneelspelers placht toe te werpen, vandaar =

toegift, fooi.

Corona. De Rom. maakten veel werk van bloemkransen, bij feestmalen

hadden zij dikwerf lange kransen om den hals, die op de borst afhingen,

en wel liefst van geurende rozen. Ook als militaire eerbewijzen

waren coronae in gebruik, doch alsdan van anderen aard. De corona

triumphalis, een laurierkrans, soms ook van goud vervaardigd, werd

door den zegepralenden veldheer en later door de keizers gedragen. De

corona ovalis, bij eene ovatio gedragen, was een myrtenkrans. De

corona obsidionalis of graminea, de eenvoudigste doch eervolste van

alle, viel den generaal ten deel, die een ingesloten rom. leger had

ontzet. Zij werd gevlochten uit gras, op de plaats zelve geplukt. De

corona civica, van eikenloof, zoo mogelijk met de eikels er aan en

met het devies ob civem servatum, werd gegeven voor het redden van een

kameraad in den slag. De corona muralis, in den vorm van een wal, was

voor hem, die het eerst de muren eener belegerde stad beklom. Evenzoo

werd degene, die het eerst in een vijandelijk kamp doordrong, beloond

met de corona vallaris of castrensis, die met kleine gouden palissaden

was versierd. De corona navalis of rostrata was versierd met gouden

scheepssnebjes. Goden en heroën en later ook wel de keizers vindt

men dikwerf met eene corona radiata, waarin reeds meer het begin

eener kroon is te zien. Ook is er een sterrenbeeld corona = de krans

van Ariadne.

Corone, Korone, stad in Messina aan de Messenische golf, in 371 door

de Messeniërs met behulp van Boeotiërs uit Coronea, op de plaats van

het vroegere Aepea gesticht, thans Coron.

Coronea, Koroneia, stad in Boeotia, bekend door de overwinning der

Boeotiërs op de Atheners in 447, en door die der Spartanen onder

Agesilaus in 394 in den corinthischen oorlog.

Coronides, Koronides, Asclepius, zoon van Coronis.

Coronis, Koronis, 1) dochter van Phlegyas, koning van Thessalië, bij

Apollo moeder van Asclepius. Nog voordat deze geboren was, schonk

zij hare liefde aan een gast van haar vader, den Arcadiër Ischys;

tot straf doodde Apollo haar, doch haar nog niet geboren kind werd

door hem gered.--2) dochter van Coroneus, koning van Phocis, werd,

terwijl zij den verliefden Poseidon ontvluchtte, door Athena in een

kraai veranderd.

Coronta, ta Koronta, stad in het Z. van Acarnania.

Coronus, Koronos, 1) zoon van Caeneus, koning der Lapithen, een van de

Argonauten, werd in den oorlog tegen Aegimius door Heracles gedood.--2)

zoon van Thersander, mythisch stichter van Coronea.

Corporis Custodes of Corpore Custodes, naam van de door

Augustus ingerichte, door Galba ontbonden, germaansche lijfwacht

der Julisch-Claudische Keizers. Onder hen vormen de Batavi de

meerderheid. Het zijn geen eigenlijke soldaten, toch zijn het allen

vrijen of vrijgelatenen, geen slaven. Men moet ze scherp onderscheiden

van de praetoriani, die steeds romeinsche burgers zijn (zie cohortes

praetoriae).

Corsiae, Korsiai, eilandjes bij Samos, waarschijnlijk = Corassiae.

Corsica, Korsike, doch bij de ouderen gewoonlijk Kyrnos geheeten, het

bekende eiland; de bewoners heeten Corsi. De bodem was onvruchtbaar,

de bevolking ruw en roofzuchtig. Na den eersten punischen oorlog

kwam het onder Rome met Sardinia, waarmede het ook verder als ééne

provincie vereenigd bleef.

Corsote, Korsote, stad in Mesopotamia, op een eilandje in den Euphraat,

in Xenophon's tijd reeds verlaten.

Cortona, Kortona, eene der twaalf hoofdsteden van Etruria, even ten

N. van het Trasimeensche meer, met pelasgische muren.

Coru pedion, Korou pedion, vlakte in Lydia bij Sardes.

Coruncanii, plebejisch geslacht. 1) Tib. Coruncanius, consul 280, was

de eerste plebejische pontifex maximus, een man van groote rechtskennis

en vroomheid. Hij was de eerste jurist, die bij zijn adviezen auditores

toeliet.--2) C. en L. Coruncanius, rom. gezanten, in 230 tot koningin

Teuta naar Scodra in Illyria gezonden, verbitterden haar zoozeer door

hunne vrijmoedige taal, dat zij één hunner liet ombrengen.

Corus, de Noordwestenwind, zie Windstreken.

Corvinus, bijnaam in de gens Valeria (Valerii no. 28).

Corvus, familienaam in de gens Valeria (Valerii no. 13). Ook de naam

van een belegeringswerktuig, enterhaak op de schepen.

Corvus, een raaf, die door Apollo gezonden werd om water uit een

bron te halen; bij de bron gekomen, zag hij een vijgeboom en bleef

nu eenige dagen wachten tot de vijgen rijp waren. Om zijn lang

uitblijven te verontschuldigen, nam hij een waterslang mede en

beweerde, dat deze iederen dag de bron had leeggedronken. Tot straf

voor dit bedrog verbood Apollo hem gedurende eenigen tijd te drinken,

en ter herinnering hieraan staat aan den hemel het sterrenbeeld Corvus

tusschen Hydra en Crater.

Corybantes, Korybantes, z. Rhea (Cybele).

Corycides nymphae, de Muzen, zoo genoemd naar de corycische grot

in Phocis.

Corycium antrum, Korykion antron, grot aan de zuidelijke helling van

den Parnassus, in Phocis. Zie ook Corycus no. 1.

Corycus, Korykos, 1) kaap en stad in Cilicia, dicht bij de monding

van den Calycadnus. In den omtrek groeide de beste saffraan. In de

nabijheid vond men de corycische grot (mythe van Typhon en Zeus).--2)

kaap in Ionia tusschen Teos en Erythrae.--3) kaap en stad in Pamphylia.

Corymbus, korymbos, ouderwetsch kapsel der atheensche vrouwen of der

Atheners in het algemeen, waarbij het haar op de kruin van het hoofd

saamgebonden werd; ook naam voor iemand, die het haar zoo draagt.

Corynetes, Korynetes, "knotsdrager", bijnaam van Periphetes en

Areïthoüs.

Coryphaeus, koryphaios, in het bizonder de leider van den koorzang

en dans in de tragedie en comedie, die ook uit naam van het koor het

woord voert, wanneer het niet zingt, maar spreekt.

Coryphasium, Koryphasion, kaap en stad op de Westkust van Messenia.

Corythus, Korythos, 1) zoon van Zeus, gehuwd met de Pleiade Electra,

stichter van Corythus, later Cortona.--2) zoon van Paris en Oenone,

werd door zijne moeder naar Helena gezonden, om de jaloerschheid

van Paris op te wekken; toen deze hem bij Helena aantrof, doodde hij

hem zonder hem te herkennen.--3) een van de Lapithen.--4) een van de

gasten op de bruiloft van Perseus.

Cos, Kos, ook Coos, Cous, Koos, grieksch eiland op de aziatische

kust, met eene gelijknamige hoofdstad, die een heerlijk panorama

opleverde, wanneer men uit zee kwam. De bevolking was dorisch. Het

eiland leverde voortreffelijken wijn, aardewerk, zalven en beroemd

lijnwaad op (Coae vestes). Asclepios of Aesculapius, aan wien het

geheiligd was, had hier een schoonen tempel, waarmede een beroemde

medische school verbonden was; Hippocrates en Apelles waren op Cos

geboren. Van den laatste was op het eiland eene Venus anadyomene,

die later door Augustus voor 100 talenten werd gekocht.

Cosa, ook Cossa, kuststad van Etruria, in 273 als latijnsche

kolonie aangelegd in het gebied van Volci (z.a.). Het was een sterke

vesting, waarvan de muren nog bestaan. In 199 kreeg de stad nieuwe

kolonisten. De haven heette portus Herculis of portus Cosanus.

Cosconii, plebejisch geslacht, waarvan enkele leden in verschillende

oorlogen en betrekkingen voorkomen.--1) C. Cosconius, praetor in 89,

versloeg in den bondgenooten-oorlog de Samnieten.--2) C. Cosconius,

bevriend met Cicero, tribunus plebis in 59, in 56 rechter in het

proces van P. Sestius.

Cossaea, Kossaia, landstreek op de grenzen van Susiana en Media,

door eene roofzieke en woeste bevolking bewoond.

Cossus, familienaam in de gens Cornelia. Z. Cornelii no. 3-5.

Cossyra, Kossyra, eil. tusschen Sicilia en Africa.

Cothon, Kothon, eene haven van Carthago.

Cothurnus, kothornos, een tot het midden van het been reikende laars,

van voren met riemen vastgemaakt. Deze laarzen werden vooral door

jagers gebruikt; later werden zij ook op het tooneel gedragen, waar

zij, van dikke zolen voorzien, den tooneelspelers in het treurspel

een hoogere gestalte gaven; vandaar wordt het woord ook metonymisch

gebruikt voor treurspel. Daar iedere laars zoowel aan den linker-

als aan den rechtervoet paste, wordt de naam ook gegeven aan iemand

die alle politieke partijen bevredigen wil.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 45 / 150 段