Concilia plebis. Een concilium is eene vergadering, niet van het

geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen

van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu,

die alleen overheden der plebs, maar geene magistratus populi Romani

waren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis

van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben,

de plebs tributim op te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers

(zie hieromtrent onder tribuni plebis), eerst slechts de stedelijke

bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457),

ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk

een concilium plebis waren geene leges, maar plebiscita, en alleen

verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de

tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte

der plebs, brachten het zóó ver, dat de plebiscita ook voor de

patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling

van plebiscita met leges tot stand: de lex Horatia Valeria in 449, ut

quod tributim plebs iussisset, populum teneret, de lex Publilia in 339,

ut plebiscita omnes Quirites tenerent, de lex Hortensia, in 287, ut eo

iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de

twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. Zie Horatiae

Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden de concilia plebis ook

veelvuldig met den naam comitia tributa bestempeld, en worden de

plebiscita ook leges genoemd. Het eenige verschil tusschen comitia

tributa en concilium plebis is sedert de lex Hortensia gelegen in

den voorzitter; is de voorzitter een magistratus populi, dan spreekt

men van com. trib., is deze een mag. plebis, dan heet de vergadering

concilium plebis. Concilia heeten in den keizertijd ook de provinciale

landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers,

den cultus Augusti.

Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden

marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten

van een municipium hadden. Zie vicus no. 3.

Concio = Contio.

Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen

de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke

huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel

voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en

was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De

godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van

overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.

Concubinatus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen

wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke van conubium. Ook

wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man

met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eene

liberta van hem. Trouwbreuk der concubina was volgens de zienswijze

der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen waren liberi

naturales. Soms wordt concubina ook wel in den zin van pellex gebezigd.

Condate, keltische stedennaam = het latijnsche Confluentes. Er

waren in Gallia Transalpina een aantal steden van dezen naam,

aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied

der Aeduërs, thans Cosne,--bij de Allobrogers, thans Seyssel,--bij

de Redoners, thans Rennes,--bij de Santonen, thans Cognac,--bij de

Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden,

nl. Condate Aulercorum, thans Condé.

Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eene actio per

condictionem de inleiding van een proces door eene dagvaarding om over

30 dagen voor den praetor te verschijnen ad iudicem capiendum. Later

heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding

achterwege bleef. Eene condictio had altijd een certum tot onderwerp,

b.v. eene certa pecunia, eene bepaalde som gelds.

Condrusi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun

naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren

onderhoorig aan de Treviri.

Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).

Confarreatio was de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende

den naam aan den speltkoek, panis farreus, dien het bruidspaar samen

nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van den

pontifex maximus, den flamen Dialis en tien getuigen en van de pronuba

(z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: "ubi

tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)". Door deze huwelijksvorm

ontstond tevens de manus (z.a.). Zie ook nuptiae. Het kon alleen

ontbonden worden door diffarreatio (z.a.). Voor de priesterwaardigheid

van flamen Dialis, Martialis en Quirinalis en rex sacrificulus moest

men uit een huwelijk per confarreationem gesproten, en wanneer de vrouw

ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar

de confarreatio langzamerhand in plaats van regel uitzondering werd,

werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte

personen te vinden.

Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de

samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.

Congiarium, uitdeeling van een zeker aantal congii wijn, olie en

dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige

gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere

bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats in tesserae of

bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon

ontvangen. In enkele gevallen werden deze tesserae onder de menigte

te grabbelen geworpen.

Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen

8 congii op eene amphora.

Conisterium, konisterion, konistra, in het gymnasium de plaats, waar

worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats,

waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.

Connubium, minder goed voor conubium.

Conon, Konon, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen

oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het

opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee

verslagen en in de haven van Mytilene ingesloten; de overwinning

der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander's

overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam

genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging

naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische

hof, en toen Agesilaus in Azië kwam, kreeg Conon het bevel over eene

perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij

Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabazus geholpen, verjoeg

hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde

hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch

geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners

naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribazus gezonden,

werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk

wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.--2)

van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimedes,

gestorven ± 240.--3) taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde,

schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.

Conopeum, konopeion, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men

zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.

Conquisitores, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in

hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden

om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.

Conscripti, zie Patres Conscripti.

Consecratio, zie apotheosis.

Consentes dii zijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen

der libri Sibyllini volgens Grieksch gebruik voor het eerst in

217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden:

Jupiter en Juno, Neptunus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diana,

Volcanus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote

goden der Grieken. Er werden van hen statuae auratae op het forum

opgesteld. In de 4de eeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst

hernieuwd, en opgesteld in de porticus deorum Consentium aan den

Clivus Capitolinus, die nog bestaat.

Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der

Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier

stierf Alarik.

Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermelden

C. Considius Longus die in 50 zijne provincie Africa verliet en

aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te

stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij

wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumetum en verzette zich

tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen

soldaten vermoord werd.

Consilium. Wanneer iemand door den praetor als iudex was aangesteld

om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat

hij zich met een consilium van rechtskundige vrienden als adviseurs

omgaf. Zoo behoorde ook de paterfamilias, wanneer hij als huisrechter

in familiezaken optrad, een consilium van bloedverwanten en buren

bijeen te roepen. Consilium principis is de kabinetsraad des keizers.

Consistorium principis is de naam, dien de keizerlijke staats- of

kabinetsraad sedert Diocletianus droeg.

Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na

de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres

te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen,

Constantinus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en

Mauretania Tingitana. De tweede zoon Constantius kreeg het Oosten;

de derde, Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia,

Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den

oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de

vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl

hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht

hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In

den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne

losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een

legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten

vermoord.

Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312

n. C. echtgenoote van Licinius.

Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zie Salamis.

Constantina, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den

Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine,

en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.

Constantinopolis, zie Byzantium.

Constantinus Magnus (Flavius Valerius), rom. keizer 306-337 na C.,

was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te

Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletianus en Galerius

in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht

Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest

eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader

begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang

van Augustus bezat, te Eboracum (York) op een tocht tegen de Picten,

waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen,

hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van

Galerius tegen den ouden keizer Maximianus en diens zoon Maxentius

mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus'

dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den

strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk

als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader

laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij

op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij den pons Milvius,

ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man

sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan

(het Labarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op

hun schilden. Hij was nu alleenheerscher van het Westen, terwijl

zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximinus Daia (313) het

Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen,

waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae,

verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de

oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel

en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van

nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.

Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn

overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke

priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de

gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat

erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als

de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als

kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook

de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea

in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemde concilie gehouden,

en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht

hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der

provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke

ambtenaren zijn de 4 praefecti praetorio (z. a.), de praefectus urbi te

Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren de magistri

equitum en peditum of utriusque militiae, oorspronkelijk twee, later

meer. De keizerlijke garde (de palatini van keizer Diocletianus) werd

tot een veldleger uitgebreid, de comitatenses, terwijl de grenstroepen,

de limitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij

voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten

hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier

klassen met de titels van illustres, spectabiles, clarissimi en

perfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering

naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid

en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustina en

van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedea.

Constantinus II (Flavius Claudius), keizer 337-340 na C., oudste

zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten,

doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. Zie Constans.

Constantinus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot

411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen

genomen en ter dood gebracht werd.

Constantius Chlorus (Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293-306

n. C., vader van Constantinus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar

leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij

Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering

tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van

Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te

Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletianus

en Maximianus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In

306 stierf hij te Eboracum (York). Zie Constantinus Magnus.

Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zie Constans.--Na

den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van

zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven

gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen,

en Julianus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide

broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer,

Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten,

in 353 te Lugdunum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in

oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en

stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef

Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.

Constantius (Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den

overweldiger Constantinus III, huwde in 417 na C. 's keizers zuster

Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd,

doch stierf nog in datzelfde jaar.

Consualia, z. Consus.

Consulairtribunen = tribuni militum consulari potestate.

Consules, hypatoi. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit

Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee

mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne

plaats een ander gekozen, consul suffectus. Zij werden gekozen in de

centuriaatcomitiën. Hun titel, uit con en sul saamgesteld (op de wijze

van ex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als

erfgenamen der koninklijke macht hadden zij de insignia daarvan:

toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den

werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der

praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten

overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en

voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door

de provocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door

den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule:

videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger

was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten

aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt

moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer

op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering der feriae

Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius,

werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn. Tweemaal is

het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling der

decemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling

van tribuni militum consulari potestate. Door een der leges Liciniae

Sextiae (z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls

uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat

voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de

consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend

geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15de Maart, sinds 153

(z. Fulvii no. 13) geregeld de 1ste Januari. Sulla bepaalde, dat de

consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na

afloop daarvan pro consule naar eene provincie mochten gaan. In de

laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo

werd in 52 Pompeius tot consul sine collega gekozen. Onder de keizers

werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in

den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heetten consules

ordinarii, de volgende suffecti. Macht was er niet meer aan verbonden;

het was alleen om de eer te doen en om later den titel van consularis

te kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers

soms wel oud-consuls titulair, consulares honorarii.--Consul designatus

was hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard

had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding

voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte

der zaken te stellen.

Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in

de schuren geborgen graan (van condere). Hij had een tempel op den

Aventinus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste

feestdag, de Consualia (21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus

worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het

feest gevierd met ludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen

van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte

spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden

geïdentificeerd met Neptunus Equester, Poseidon Hippios. Ook nam men

aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn,

en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen

gevierd werd.

Contestatio litis = Litis contestatio.

Contio, saamgetrokken uit conventio, volksvergadering, door een

overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen,

in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige

handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van

edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in

eene contio niet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende

de contio met een gebed, sollemne precationis carmen. Het debat

was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het

woord verleenen, contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand

ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat

sluiten, contionem summovere. In eene contio staat het volk niet

gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevende

comitia werd de stemming door een contio voorafgegaan. Ook het

strafproces werd in eerste instantie viermaal in een contio

behandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat

(quaestor of duoviri perduellionis) den reus op, om zich op een

bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derde

contio, telkens door minstens één dag gescheiden (z. comperendinatio)

volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij de quarta accusatio

werd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het

vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk,

dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst der

comitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.

Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding

of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering,

wat bij een pactum of afspraak in den regel niet het geval is.

Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis

Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).

Contubernales, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook

verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die

zich vrijwillig als comites bij den veldheer aansloten, om zich in de

krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, het praetorium,

met den veldheer het middagmaal gebruikten.

Contubernium, de toestand van contubernales. Ook het huwelijk van of

met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven

geen conubium hadden.

Contumacia, van contemnere, niet voldoen aan de oproeping van

den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die

niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In

strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde de aqua

et igni interdictio.

Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk,

matrimonium iustum of legitimum, te sluiten. Dit bestond in de

oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het

niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome

ook geen conubium tusschen patriciërs en plebejers; eerst de lex

Canuleia stond dit toe. Was er conubium, dan volgden de kinderen den

stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verder matrimonium.

Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne)

aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania

daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdunum Convenarum.

Conventio in manum. Manus was de macht van den man over de vrouw,

waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen. De vrouw kwam

door huwelijk in manum mariti. Bij een huwelijk per confarreationem

of per coëmptionem was de conventio in manum een onmiddellijk gevolg,

bij usus echter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol

jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop

van het jaar een trinoctium buitenshuis doorbracht. In den loop des

tijds werd de conventio in manum door coëmptio ook in zwang gebracht,

niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan, coëmptio cum

extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikel tutela.

Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in

arrondissementen of distrikten ingedeeld, conventus genaamd, en in de

hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventum

of forum agere). Conventus beteekent ook wel de saamgekomen menigte,

de vergadering.--Onder conventus civium Romanorum verstaat men eene

corporatie van in zulk een distrikt woonachtige cives Romani, de

romeinsche gemeente aldaar.

Convivium, symposion, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de

Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het

lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot

president aangewezen, arbiter of magister bibendi, rex vini, die

omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor

elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder

de aardigheden bij zoodanig convivium behoorde ook het ad numerum

bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel

niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook de cottabus was

een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog

wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de

Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zie deipnon.

Coos = Cos.

Copa, ook caupa en cupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene,

die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte

te lokken. Cupa is ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius

toegeschreven.

Copae, Kopai, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copais.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 43 / 150 段