dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog
niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te
vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden,
dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen
overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees
eene zelfstandige stad, die wel in den beginne de bescherming der
moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval
van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus
kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit
tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder
en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare
feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog
geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ook Cleruchia. De
uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals
het medenemen van vuur uit het prytaneum der moederstad, en ook werd
geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel
was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden
nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige
verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot
uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden
kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden
eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de
koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met
de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een
hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde
zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook
bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië
zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.--2) Romeinsche
koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit,
en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in
pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren
militaire posten, propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen
voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude
bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijke
gemeente. Voor een klein deel waren het coloniae civium Romanorum,
d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in
hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe
behooren o. a. de coloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de
verdediging der kust belast zijn, militiae vacationem sacrosanctam,
waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden
werd. De meeste coloniae waren col. latinae (zie hieronder); vaak
werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden,
zonder een bepaalde colonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur,
te vormen; men spreekt dan van assignationes viritanae. Zie ook onder
het artikel Agrariae leges: Lex Sempronia agraria van C. Gracchus. De
oude inwoners, inquilini, werden als dediticii, overwonnelingen,
beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als coloni te
laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden
de coloniae geen militaire beteekenis meer.--Deze gewoonte, koloniën
als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het
latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340,
d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch
bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden
door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping
van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In
tegenstelling der vroegere coloniae latinae werden deze coloniae
latinae populi romani geheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum,
Brundisium, Cremona, Placentia, en hadden het ius Latii.--Een andere
soort van coloniae waren die, welke nu en dan werden uitgezonden om
Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit
waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van
den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de
overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet
slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht
waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van
verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig
uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octavianus in 41 en 40
acht steden in Gallia Transpadana, tot straf voor hunne gehechtheid
aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke
gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijn
coloniae veteranorum.--De uitzending van koloniën had volgens eene
speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen
commissarissen, meestal drie, III viri coloniae deducendae.
Colonia Agrippina, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50
n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus' dochter Agrippina. Het was
de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de
stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den
keizer. Thans Keulen aan den Rijn.
Colonus, Kolonos, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats
van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden
en het graf van Oedipus.
Colophon, Kolophon, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium
door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke
ruiterij. Vandaar het spreekwoord Kolophona epitithenai = eene zaak
haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het
nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was
de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook
aanspraak op Homerus.
Colossae, Kolossai, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van
Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd,
in Strabo's tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste
christelijke gemeenten.
Colosseum, zie Amphitheatrum.
Colotes, Kolotes, leerling van Epicurus, verdedigde in verscheiden
werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren
soms hevig aan.
Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin
men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd
slechts voor slaven gebezigd.
Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van
nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op
bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene
vermeld. Er waren algemeene columbaria, waarin men eene plaats kon
koopen.--Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.
Columella (L. Iunius Moderatus) geboren te Gades, leefde in het midden
der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven
werk de re rustica in 12 boeken; hiervan is het 10de boek, over den
tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.
Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende
vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche
en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische,
ionische en corinthische zuilen. Bij de grieksch-dorische orde
rijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem
op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven,
cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal
hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel,
capitulum, kephalaion. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals,
hypotrachelion, een voortzetting der schacht door eene insnijding
of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen
versierd. Daarop rust de eierlijst, echinus, echinos, en op deze
weder de vierkante dekplaat of abacus, abax. Op de dekplaten rust dan
de draagbalk of architraaf van den bovenbouw. Bij de rom.-dorische
zuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd
is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste
tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust
de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met
bolronde kanten, torus.--De grieksch-ionische zuil bereikt gemiddeld
eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de
schacht rust op een voet van kussens, door holle randen, trochiloi,
gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en
niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het
kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met
figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als
een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen,
zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt den abacus en
deze wederom den architraaf. De rom.-ionische krul mist de welving
in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht,
dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid
der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende:
De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de
binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze
was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den
bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer
zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan
de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil is in den regel van
steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden
tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het
gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in;
men noemt dit de peristasis.--De corinthische zuil onderscheidt zich
van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van
variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening
op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de
Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de
Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd,
bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden
de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.
Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van de
Columna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking
zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven
door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt het bellum
Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172-173 n. C.),
de bovenste helft het bellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten,
Iazygen en Quaden (174-175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld
van den apostel Paulus.
Columna bellica, kleine zuil voor den Bellona-tempel te Rome,
ten N.W. van den mons Capitolinus. Bij deze zuil werd oudtijds het
formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.
Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op,
genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven,
dieven en gemeene misdadigers gestraft.
Columna rostrata, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter
eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.
Columna Traiani. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral
die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117 voet hoog
en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop
stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel
Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijze en relief tafereelen uit den
dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.
Columnae Herculis, twee bergen aan het fretum Gaditanum (straat
v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens
de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te
vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het
toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.
Colyttus, Kolyttos = Collytus.
Comaetho, Komaitho, dochter van Pterelaus, koning der Taphiërs. Uit
liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar
vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing;
Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl. Nisus.
Comana, ta Komana, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den
Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden
een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen
wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000
hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er
van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende
vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermodon
de woonplaats der Amazonen te stellen.
Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats-
en hofbeambten, als: comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester,
comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ook
Illustres. Er waren comites in actu, in dienst, vacantes, buiten
dienst, en ook honorarii.
Cominii, plebejisch geslacht.
Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atina,
door de Romeinen verwoest (293).
Comissatio, een drinkgelag als voortzetting der coena, meestal tot
diep in den nacht.
Comitia zijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen
der auspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam
en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen
te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij de
com. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.
Comitia curiata calata zijn volksvergaderingen, die vroeger door den
koning, later door den pontifex maximus werden bijeengeroepen (calare)
tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het
volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen
voor de Curia Calabra op het Capitool, en werden in de oudste tijden
gehouden tot inauguratie van den koning, de flamines en later van den
rex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis
calatis factum), bij arrogatio uithoofde der detestatio sacrorum,
tot afkondiging van den feestkalender, bij de transitio in plebem, enz.
Comitia curiata waren de oudste soort van volksvergadering op
het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën,
zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op
de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten,
die het noodig hadden, het imperium door eene curiaatvergadering
verleend (lex curiata de imperio).
Comitia centuriata waren die, waarin het volk naar classes en
centuriae stemde. Zie centuria. Het kwam dus op den census aan,
niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren
derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18
riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet
meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden
bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere
ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in
den loop der tijden gedeeltelijk op de comitia tributa, gedeeltelijk
op het concilium plebis over. Consuls brachten hun wetsvoorstellen
steeds (behalve als ze in de oppositie waren) ex auctoritate senatus
voor de com. cent. Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven
uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om
oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º. het recht om aan de
censores na hun benoeming de potestas te verleenen (lex de censoria
potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken,
die haar echter sedert 149 door de quaestiones perpetuae meer en meer
werd onttrokken.--Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk
tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der
tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers
van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën
gesplitst, van elke klasse een cent. seniores boven 45 jaar, en
een cent. iuniores van 17-45 jaar. Dit gaf voor de 35 tribus 350
centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders,
2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt
men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij
volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse
en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de
derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid
te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die
allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen
steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eerste classis in
elke tribus in een centuria seniorum en een c. iuniorum gesplitst was.
Comitia tributa. Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle
stemgerechtigde burgers tributim kunnen stemmen en elke tribus
ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder
voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikel concilia plebis. Op
het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van
de gelegenheid gebruik, het volk tributim op te roepen, omdat de
tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën
gebonden waren en dus minder omslag vereischten. De lex Aternia
Tarpeia droeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken
boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus
minores opgedragen. De eerste wet in comitiis tributis aangenomen was
de lex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius,
in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen
(Zie lex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in
de com. trib. slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest
bekend zijn de leges tributae praetoriae, wetten tot regeling van
het privaatrecht, die ex auctoritate senatus door den praetor urbanus
werden ingediend. De lex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der
priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het
lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor
de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten
worden gecoöpteerd. Dit zijn de comitia sacerdotum.
Comitiales dies, de dagen, waarop comitia mochten gehouden worden
(quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de
republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren de dies nefasti, de dies
fasti, en de nundinae. In den kalender worden ze aangeduid met een
C. Op de nundinae mochten wel vergaderingen van de plebs (concilium
plebis) gehouden worden.
Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde,
waar oudtijds de comitia curiata plaats hadden en, voor het Forum
ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan
het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er
de ambtszetels van de tribuni plebis. Later werd een groot gedeelte
van het plein ingenomen door de nieuwe Curia Julia.
Commagene, Kommagene, het noordelijk gedeelte van Syria met de
hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar
was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den
Amanus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der
Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het
in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasianus maakte het weder
tot rom. provincie. Onder Diocletianus en Constantijn droeg het,
met Cyrrhestice vereenigd, den naam Euphratensis of Augustophratensis.
Commeatus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van
levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het
recht om commeatus te verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer
toekomt, schijnen de centuriones, evenals bij het verleenen van
vacationes munerum (zie Beneficiarius miles), hierin handel gedreven
te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio's
eene jaarlijksche toelage te geven.
Commentarii, apomnemoneumata of hypomn., fr. mémoires,
gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices,
die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten,
commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige
geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van
den Gallischen en den burgeroorlog.
Commercium is de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom
te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het
testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van
een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon
ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel
voor, dat de civitates (z. a.) in de onderworpen gewesten onderling
geen commercium hadden.
Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem
diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den
grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.
Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180-192 n. C., zoon van
Marcus Aurelius en diens gemalin Faustina, hoewel sommigen hem voor
een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste
vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten
aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij
zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het
rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op
aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met
groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij
eindelijk zelf vermoord werd.
Commodus (L. Ceionius), zie Verus.
Comoedia, komodia. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de
Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in
kunstelooze liederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen,
elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden
en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder
de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat
in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan
waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het
afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde,
waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp
is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne
wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst,
of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten
toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer
overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een
middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over
personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt
het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken;
met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte
wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid
vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot
het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben
de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige
strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot
wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek,
het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf,
door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en
hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In
het bizonder dient daartoe de parabasis (parabasis), een intermezzo,
dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste
aantrekkelijkheid der oude comedie (archaia kom.) ging verloren, toen
omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door
wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen
te noemen (onomasti komodein), tevens werden de stukken met veel minder
luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen
leggen de dichters der nieuwe komedie (nea kom.) zich meer op de
eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de
handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping,
in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche
leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden,
enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt
men den tijd der mese kom.--De rom. comedie is eene navolging van de
nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude
attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was,
bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn
meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in de fabulae palliatae
komen zelfs grieksche, in de veel minder talrijke fabulae togatae
romeinsche toestanden en kleederdrachten voor.
Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden
afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening
den tweeden) dag daarna, in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede
termijn van een proces comperendinatio genoemd, ook al viel deze niet
op den derden dag.
Compitalia, feesten 3-5 Januari ter eere der Lares compitales,
beschermgoden der compita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag
voor de familia, de slaven, en op dien dag mag de vilicus offeren. Een
compitum is een punt, waar twee of meer straten of wegen zich
vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel
of een altaar. De landelijke dienst der Lares compitales ging ook op
de stad over, waar zich uit de wijken collegia compitalicia voor de
viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven
en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan,
en werd de Genius Augusti tusschen de twee Lares compitales vereerd.
Compluvium, vierkante opening in het dak van het atrium, waardoor het
licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar
de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat
dan beneden in het impluvium of den regenbak werd opgevangen. Zie de
afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling
geeft, onder domus.
Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende
partijen, om hunne zaak aan de beslissing van een arbiter te
onderwerpen.
Compsa, stad der Hirpini in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den
Aufidus.
Comum, Komon, stad in Gallia Transpadana aan den lacus Larius (meer
v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen
de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had
beroemde ijzerfabrieken.