Clytius, Klytios, 1) een van de Giganten.--2) zoon van Alcmaeon en

de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis

vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden,

een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.--3) naam van eenige Trojanen.

Cnemides, Knemides, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied

der Locriërs.

Cnemis, Knemis, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs.

Cnidia, Knidia, bijnaam van Aphrodite naar de stad Cnidus, waar een

beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor

een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold.

Cnidus, Knidos, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende,

op de uiterste punt van de Chersonesus Cnidia; de stad lag tusschen

twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste

punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar

de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun

gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele

oudheid beroemd om den tempel van Aphrodite Euploia, met het door

Praxiteles vervaardigde beeld der godin.

Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Knosos, stad op

de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400-1200) de

koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog

ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten

we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van

de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks

1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den

historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnisus en

Heracleum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere

heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen

van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus

en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias =

Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De

opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van

Cnosus blootgelegd.

Coactores. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen

desertie uit de gelederen moesten waken,--Coactores exactionum,

of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde

gelden te innen. De vader van Horatius was coactor.

Cocalus, Kokalos, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam

toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam

opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele

kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze

's konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte.

Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1)

L. Cocceius Nerva, vriend van Octavianus, voerde de onderhandelingen

tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecenas en Asinius

Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen

Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar

Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en

Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van

Tarente tot stand.--2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der

weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over

diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).--3) M. Cocceius

Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva.

Coche, Koche, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon.

Cocles, zie Horatii.

Cocosates, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour).

Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om

b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet

ligula (z. a.).

Cocylium, Kokylion, aeolische stad in Mysia.

Cocytus, Kokytos, rivier in Epirus, tak van den Acheron. In de

voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de

Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocytus

een arm van de Styx.

Codanus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo

genoemd.

Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling

wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals

onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament,

ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianeus. Codex

accepti et expensi = kasboek.

Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje

vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te

worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera.

Codrus, Kodros, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij

een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning

voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het

kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs

trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap

af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was.

Coela (plur.), ta Koila tes Euboias, het vlakke gedeelte van Euboea

langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonesus.

Coele, he Koile, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de

lange muren.

Coelesyria, he koile Syria, sedert de macedonische verovering de

dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van

den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk

breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den

Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmyra.

Coelii = Caelii no. 1-3.

Coelius mons = Caelius mons.

Coelossa, Koilossa, berg in Sicyonia.

Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden

gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om

zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een

libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan

den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen

de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den

koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar

echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio

plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot

haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen

slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de

coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela.

Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der

hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze

van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur;

het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den

ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping,

die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men

aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze

aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van

de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen,

algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee

gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis

fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una

epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van

den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht,

gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs,

olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den

eetlust op te wekken;--2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie

gangen bestaande;--3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat

uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen

burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool

en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen

de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die

besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van

muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook

tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig

was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de

mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius

van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat

in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet

zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen,

die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. deipnon.

Coenus, Koinos, een van de dapperste generaals van Alexander d. G.,

schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326).

Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben,

om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te

dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae

dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum

imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten

hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren

en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De

magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier

imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De

tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen

den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren.

Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich

door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio)

ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën

berust op het ius coërcitionis.

Coës, Koes, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darius op zijn tocht tegen

de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau

niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie

over Mytilene. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd

hij gedood.

Coetae, Koitai, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing

voor Taochoi.

Coeüs, Koios, een van de Titanen.

Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke

afstamming. Zie agnati.

Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak,

ook wel de beslissing.

Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een

vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks

een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.--2o

zaakwaarnemer in privaatzaken.--3o in later tijd degene, aan wien de

cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie.

Cognomen. Zie nomen.

Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging

van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde

wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog

vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale

sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te

versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie

vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilani. Ten gevolge van

verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van

Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke

cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij

de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet

medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet

men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal

van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati

bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op

de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100

onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria

genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500

soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren

132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.--In lateren

tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.--Ook van

de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het

woord cohortes gebruikt.

Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder,

ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van

officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio

Africanus minor in den numantijnschen oorlog zoo'n lijfwacht opgericht.

Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten,

elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in

garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten

dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae

worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan

de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht,

de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seianus liet keizer

Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra

praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de

praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden,

en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van

Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door

hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C.,

verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer

L. Septimius Severus ontbond de garde in 194 en verving ze door een

andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats

afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio,

tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie.

Cohortes urbanae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht,

om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3;

Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus

urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen.

Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene

soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden

onder een praefectus vigilum.

Colchis, Kolchis, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxinus

(Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den

Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een

deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar

en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en

linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten,

aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere

huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus

vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust

lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradates VI

maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan

Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden

ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iason

en Medea. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw,

d. i. Medea.

Colias, Kolias, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalerum, waar

fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodite.

Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus

veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatinus en Lucretia.

Collatinus, zie Tarquinii no. 3.

Collegae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder

gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores

der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op

de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze

tegenover elkaar kunnen uitoefenen.

Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.--2)

corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum,

begrafenisfondsen.--3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum.

Collina, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome

verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinalis en den collis

Viminalis.

Collina (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van

Servius Tullius.

Collybus, kollybos, agio bij de geldwisselaars.

Collytus, Kollytos, demus in Attica tot de phyle Aegeis behoorende.

Colonae, Kolonai, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van

Neandria, en eene in Mysia.

Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later

gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes

zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls

stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft,

wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich

sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia),

lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken

(z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije

daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen

echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal

ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer

een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam

echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia

en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over

hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het

best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de

groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den

keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer

uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte

ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is,

langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae

adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten

(tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe

ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten,

waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in

Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae

Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of

117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid

ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld

op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte,

of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers

werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door

dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun

toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den

oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige

geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid

zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de

hellenistische wereld gezocht moet worden.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 41 / 150 段