van Sparta (520-491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en
stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien
hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd
omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij
het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden
was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van
het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter
wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval
in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd
hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger
terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand
van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demaratus onverrichter zake
aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen,
zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor
dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen
Aegina gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische
orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de
zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd
en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend
en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in
Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge
van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan
zijn leven (489).--2) broeder van den spartaanschen koning Plistoanax
en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger
dat in 427 in Attica viel.--3) Cl. II, koning van Sparta, zoon en
opvolger van Cleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371-310) zonder
dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.--4) Cl. III, koning
van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen
leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man,
vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd
door zijne moeder Cratesiclea en zijne gemalin Agiatis, de weduwe van
Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo
hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij
dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond,
en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, de
Achaeërs bij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum
te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden;
door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren,
verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn
broeder Euclidas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde
schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het
aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad,
en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette
hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne
zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van
Sparta in de Peloponnesus erkend werd, maar Aratus, vreezend dat het
achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de
hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en
over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor,
zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen
tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen
gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde
hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en
ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om
hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger
Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden
Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar
wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand
onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond,
doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen
en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.--5) van
Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw
van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht
en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood
brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.--6)
atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de
Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van
Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.
Cleon, Kleon, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij
het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd
na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in
427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was,
doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilene zouden gedood worden,
een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat
alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven
berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in
425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten
hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat
het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen
afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig
volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop
der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de
vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich
ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht
deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias,
die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne
betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod
van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde
hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken,
en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor
kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door
verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den
oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië
gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag
bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de
vlucht gedood werd. Zie ook dikastikon. Cl. wordt beschreven als een
onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten
van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs
meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men
heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken,
in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun
oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt;
toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen
worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en
vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele
politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat
tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat
hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger
Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.
Cleonae, Kleonai, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus
leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos
op Chalcidice, met een gemengde bevolking.
Cleonymus, Kleonymos, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door
Aristophanes bespot wordt.--2) zoon van Cleomenes II, werd bij den
dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen
koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een
troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de
Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met
geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcyra en viel
hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door
de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de
kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed
hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcetes en in 272 trachtte hij
met Pyrrhus van Epirus zich te vergeefs van Sparta meester te maken.
Cleopatra, Kleopatra, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.--2)
dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij
zich van verdriet ophing.--3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië,
na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.--4)
dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epirus,
na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij
onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen,
Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet
haar waarschijnlijk vermoorden (308).--5) dochter van Antiochus III,
z. Ptolemaeus no. 9 en 10.--6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met
haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus
VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.--7) dochter van Ptolemaeus VI
Philometor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den
troon gestooten was, met Demetrius Nicator, en nadat deze door de
Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidetes. Toen Demetrius
terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet
lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te
drinken.--8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6,
gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.--9)
dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.--10) dochter
van Ptolemaeus Auletes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus
XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en
Pothinus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte
zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië
kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden
regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en
kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in
een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar,
die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij
met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome,
waar Caesar's liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte,
dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette
zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor
zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten
door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar
broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar
invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste
van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de
oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood
had en Cl. zag, dat Octavianus ongevoelig was voor hare schoonheid,
en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij
zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).--11)
bijgenaamd Selene, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader
met Cyrenaica begiftigd en door Octavianus aan Juba uitgehuwd.--12)
dochter van Mithradates, gehuwd met Tigranes van Armenië.
Cleophantus, Kleophantos, een van de oudste grieksche schilders,
de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht.
Cleophon, Kleophon, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste
jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen
den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of
ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter
dood veroordeeld (404).--2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde
als de vorige.
Clepsydra, klepsydra, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan
onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden
zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het
gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia),
die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den
verloopen tijd aanwezen.--2) bron op de acropolis te Athene.--3)
bron op den berg Ithome.
Cleruchia, klerouchia, eigenlijk een land, waar volgens het
oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen
en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder
atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche
burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne
burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere
lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl
volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën,
waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen
staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men klerouchoi; dit zijn
actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk
bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook katoikoi genoemd.
Cleta, Kleta, bij de Spartanen eene van de Chariten.
Clidemus, Clitodemus, Kleidemos, (Kleitodemos), schreef in de 4e eeuw
eene attische geschiedenis (Atthis) e. a. geschiedkundige werken.
Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van
hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch
gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en
daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patroni
hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men
het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen,
moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid
bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen
(applicatio), en derhalve zich in clientela begeven, indien zij
de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd
loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk
aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal
volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij
verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning
Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden
zoowel van slaven als van plebejers.--In lateren tijd komt de naam
cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten,
bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor
hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren
(sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën
zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten.
Climax, Klimax, "trap", een berg in het O. van Lycia, het begin van
den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor
(ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs
voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is
uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax.
Climberris = Elimberris.
Clinias, Kleinias, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man,
sneuvelde bij Coronea (447); ook een jongere broeder en een neef van
Alcibiades droegen dien naam.--2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot
van Plato.--3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264
vermoord. Hij was de vader van Aratus no. 1.
Clio, Kleio, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol
papier in de hand.
Clipeus, aspis, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander
gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen
gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.--Ook noemt men in de
badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit
de stookplaats in de heete badkamer stroomde.
Clisthenes, Kleisthenes, 1) tyran van Sicyon (596-565), uit het huis
der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf
behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd
hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken,
die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste
plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van
Dionysus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden,
omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de
namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten
noemde (met toespeling op hys, onos, choiros), terwijl zijn eigen stam
den naam Archelai kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der
Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis
gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze,
waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden,
een jaar lang onthaalde.--2) Athener, kleinzoon van den vorigen,
zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den
val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de
staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn
aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I
hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen
van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig
terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Boule, Demoi, Ostracismus,
Phyle. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding
van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes
betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen
verjaagd hebben (505).
Clitarchus, Kleitarchos, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis
van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige
berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodorus,
Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte,
meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.--2) tyran van
Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de
Atheners onder Phocion verdreven.
Clitodemus = Clidemus.
Clitomachus, Kleitomachos, 1) beroemd om zijne vele overwinningen
in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op
één dag.--2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van
Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der
academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren;
Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione.
Clitor, Kleitor, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia.
Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus.
Clitus, Kleitos, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.--2)
bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het
leven in den slag bij den Granicus en was sedert een van zijne
gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van
Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen
Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.--3) bijgenaamd
de Witte, voerde na Alex.'s dood de veteranen terug, overwon in
den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië,
van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal
van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar
sneuvelde den dag daarna (318).
Clivus Capitolinus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven
leidde naar den Mons Capitolinus.
Cloaca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk
diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog
te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van
een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte
dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in
gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius,
loopt dan onder het Argiletum door naar het Forum, en vervolgens door
het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius
en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid
van cloare = reinigen.
Cloacina, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had
een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds
bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid
is het de godin der Cloaca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus
niets te maken.
Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus
Sabatinus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via
Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via
Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii.
Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex
frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.--2)
lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden
werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene
obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia
et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.--3) lex de collegiis, tot
herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische
genootschappen, collegia compitalicia.--4) lex de censoria notione,
dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen
was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.--5) lex de capite
civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter
dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina's eedgenooten had gedaan),
zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede,
waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400
mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).--6) lex de
provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso
Caesoninus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd
opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet
tegen Cicero's verbanning zouden verzetten.--7) lex de rege Ptolemaeo,
dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en
bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard,
en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het
doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit
Rome te verwijderen.--8) lex de suffragiis libertinorum, dat de
vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze
wet kwam echter niet tot stand.
Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam
met o in plaats van au, zie Claudii no. 17-19.
Clodius Albinus. Zie Albinus.
Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij
den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half
onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero's dood wegens zijne roofzucht
door Galba gevonnisd.
Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1)
C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde
oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende
den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.--2)
Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsena uitgeleverd,
ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar
naar Porsena terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar
een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere
gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een
standbeeld te paard op.--3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498,
benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator.
Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland),
thans Firth of Clyde.
Clotho, Klotho, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld
met een haspel, waarmede zij 's menschen levensdraad spint.
Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den
marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.--2) A. Cluentius
Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio
van Cicero in 66.
Cluilii = Cloelii.
Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a.
Clusium, Klousion, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12
etrurische hoofdsteden, residentie van Porsena, wiens praalgraf in
de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium
door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het
speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer
gezocht.
Clusius, bijnaam van Janus (z. a.).
Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.--1)
Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden
gevangen gehouden, van levensmiddelen.--2) M. Cluvius bestuurde
Cicero's geldzaken.--3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde
onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis
beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem
als bron gebruikt.
Clymene, Klymene, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas,
Menoetius, Prometheus, Epimetheus.--2) bij Prometheus moeder van
Deucalion.--3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met
den aethiopischen koning Merops.--4) dochter van Minyas, bij den
arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.--5) dochter van Catreus,
werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een
zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien
zij moeder werd van Palamedes en Oeax.--6) v. s. een bloedverwante
van Menelaus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging;
na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.--7) bijnaam
van Persephone.
Clymenus, Klymenos, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den
zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.--2) zoon van
Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor,
stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen
wagenmenner werd toegebracht.--3) bijnaam van Hades.
Clypea = Clupea.
Clypeus = clipeus.
Clysonymus, Klysonymos, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus,
die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg.
Clytaemnestra, Klytaimnestra, (waarschijnlijk beter Clytaemestra,
Klytaimestra, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon
(z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycenae en
Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en
beiden doodde.
Clytia, Klytia, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor
Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop
Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo
een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en
drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd.