verhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had,
met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs
werd opgenomen en met de zijnen eene eigene tribus Claudia vormde. Te
Rome werd zijn naam veranderd in Appius Claudius met den bijnaam
Sabinus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat
door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne
schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.--2)
App. Claudius Crassus Inregillensis Sabinus, zoon van no. 1, was
consul in 471 en in 451, maar trad toen af, om decemvir legibus
scribundis te worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471,
en zijn tegenwerking van de volkstribunen en de lex Publilia, zijn
verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451-449
zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde
met Verginia (zie Verginii no. 6) in de gevangenis ter dood gebracht
zijn of zich zelven het leven benomen hebben.--3) C. Claudius Sabinus,
ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den
plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.--4) App. Claudius
Crassus of Crassinus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers
tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in
349.--5) App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als
zoodanig de beroemde via Appia en eene waterleiding, aqua Claudia,
aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (zie Plautii
no. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in
den Herculesdienst zie men Pinarii. Overigens is deze censuur bekend
geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet
meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als
grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de
vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven,
alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischende lectio
senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den
senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in
democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten,
de patricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar
hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of
280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte
dat de vredesvoorslagen van Pyrrhus van de hand werden gewezen.--6)
App. Claudius Caudex streed als consul in 264 tegen de Carthagers op
Sicilia.--7) P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in
249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders,
die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij
werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk
veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.--8)
App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij
Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne
wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en
proconsul een werkzaam aandeel had. Z. Fulvii no. 4.--9) App. Claudius
Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius
Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta,
in 191 onder M'. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in
185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende
gezantschappen waar.--10) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8,
consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den
oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij
zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur
door den tribunus plebis P. Rutilius van perduellio aangeklaagd,
en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius
Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is de lex Claudia
de sociis Latinis.--11) Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter
van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zie Rhea)
uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar
Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta
door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip,
en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in
den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal
ongeschonden.--12) App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst
door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene
overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat,
een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia,
vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om
haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende
Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij was III vir agris
iudicandis adsignandis (zie Agrariae leges), en wordt als zoodanig
ook genoemd III vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij
was princeps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met
lof genoemd.--13) C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend,
tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus in het jaar
100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen
in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een
nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op
Sicilië.--14) App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den
burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd
in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79;
later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de
Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15-19) in armoede achter.--15)
App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager
L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradates in 74-72, en
eischte in 72 van Tigranes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering
van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te
lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul
was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest,
in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem
zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van
Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later
haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten
en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland
aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den
slag bij Pharsalus.--16) C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14,
propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel
hij zijn aanklager omgekocht had.--17) P. Clodius (= Claudius) Pulcher,
derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun en doodsvijand van
Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van
geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradates ruide hij ten
bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij
weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van
het feest der Bona Dea, dat in het huis van den pontifex maximus Caesar
gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn,
in vrouwenkleederen Caesar's woning binnen, maar werd ontdekt. Hij
werd in 61 wegens incestus aangeklaagd, maar tengevolge van omkooping
der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap
met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar,
die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had,
door een lex curiata, waarbij Clodius door een plebejer als zoon
werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem,
zie Comitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tot tribunus
plebis kon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in
ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit
Rome had verwijderd (zie Clodiae leges no. 7), ontzag hij niets of
niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van
slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in
52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg van
zijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verder
Clodiae leges.--18) Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met
Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero,
dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijne oratio pro Coelio, die
door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van
Q. Valerius Catullus (zie Valerii no. 38) en daarna van M. Caelius
Rufus (Caelii no. 4).--19) Clodia minor, dochter van no. 14, was
gehuwd met L. Licinius Lucullus.--20) C. Claudius Centho, komt in
200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.--21)
App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen
de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.--22)
C. Claudius Nero streed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia,
veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul
met zijn ambtgenoot M. Livius Salinator bij den Metaurus Hannibals
broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls
censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide
censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere
wijze kibbelden.--23) Tib. Claudius Nero was in 202 consul met Scipio
Africanus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.--24)
Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield
het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius,
en stond vervolgens (38) aan Octavianus zijne vrouw Livia Drusilla
af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den
bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).--25) Tib. Claudius Nero, zoon
van no. 24, rom. keizer 14-37 na C. Zie Tiberius.--26) Nero Claudius
Drusus, gewoonlijk Drusus genoemd, jongere zoon van no. 24 en dus
broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octavianus
getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij
in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de
Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot
stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincie
Raetia et Vindelicia gevormd, waarbij de reeds onderworpen Vallis
Poenina gevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13 legatus Augusti van de
Tres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren
(12-9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over
den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegraven fossa
Drusiana (z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp
de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri,
en legde twee castella aan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In
9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis
(Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn
veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk
gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger
van Varus (9 n. C.). Drusus' dood werd algemeen betreurd. Daar
hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was,
behoort zijn zoon Germanicus onder de Caesares, zie Iulii en
Germanicus.--27) Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van
Germanicus, rom. keizer, 41-54 na C. Zie Claudius (keizer).--28)
Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27),
geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalina. Hij
werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zie Claudius (keizer).--29)
Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer,
55-68 na C. Zie Nero (keizer).--30) M. Claudius Marcellus, een der
uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia
Cisalpina, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen
aanvoerder Virdumarus de spolia opima behaalde. Na den slag bij
Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger
en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een
eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking
was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hij vitio
creatus zijn ambt neder, maar bleef pro consule in de nabijheid van
Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam
met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctator Casilinum in, waarbij
hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië,
nam Leontini in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van
Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211
door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimedes omkwam. De
stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en
streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208
was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De
Rom. noemden hem "het zwaard van den staat" wegens zijne onversaagde
dapperheid.--De Marcelli waren de eenige plebejische tak der gens
Claudia; zij worden onder de patroni van Sicilia gerekend.--31)
M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan
de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als
consul de Insubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door
eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.--32) M. Claudius
Marcellus, consul in 183.--33) M. Claudius Marcellus, kleinzoon van
no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152,
en behaalde lauweren in Gallia Cisalpina, Liguria en Hispania.--34)
M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat
zijne oratio pro Marcello hield, was een aanhanger van Pompeius,
minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om
vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat
ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome
terug te keeren, doch onderweg werd hij te Athene omgebracht.--35)
C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een
tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.--36)
C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood
aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit,
doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de
zuster van Octavianus.--37) M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36,
werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter
Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men
algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling,
in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn
vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI
861-887) verheerlijkt wordt: "Tu Marcellus eris".--38) Marcella,
dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en
na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den
drieman.--39) Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van
Sisenna (Cornelii no. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van
den gallischen brand tot aan Sulla's dood.--40) Claudius Didymus,
grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de
verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.
Claudiopolis, zie Bithynium.
Claudius, voluit Tib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer,
41-54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudii no. 26) en
Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdunum (Lyon) geboren. Na
de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem
toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na
reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze
Messalina gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk
tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde
hij zijne nicht Agrippina, de dochter van zijn broeder Germanicus,
wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen
zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina's zoon
uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en
opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook
den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede
begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus
was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde
Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg
door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard,
en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem
voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan
zijn: Narcissus, ab epistulis, M. Antonius Pallas, a rationibus,
C. Julius Callistus, a libellis, en Polybius, a studiis. Cl. ondernam
een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering
daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania
(z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan,
en bouwde twee waterleidingen, de Anio novus en de aqua Claudia. Ook
trachtte hij den Fucinus lacus (z. a.) een uitloop te geven. Hij
beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe
letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield
hij gaarne redevoeringen. Zie ook Iulii aan het slot, onder d en f.
Claudius II--M. Aurelius Claudius Gothicus--rom. keizer 268-270 na C.,
opvolger van Gallienus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers
Decius en Valerianus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen,
dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269
versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan
de pest.
Clausus (Atta). Zie Claudii no. 1.
Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool
te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud
gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend
was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig
waren, door een dictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van
Sept. (13 Sept.).
Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst
tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus
clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus,
tunica angusticlavia).
Clazomenae, Klazomenai, eene der 12 ionische steden op de kust van
Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats
van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor
de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een
naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden
werd. De stad bezat fraaie tempels.
Cleander, Kleandros, volksleider te Gela, die zich later tot tyran
opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn
broeder Hippocrates opgevolgd (498).
Cleandridas, Kleandridas, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met
koning Plistoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij
beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos
te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii,
waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn
zoon was de beroemde Gylippus.
Cleanthes, Kleanthes, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche
schilders.--2) van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later
een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud
door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de
lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd
der stoicijnsche school op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar
men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het
werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen,
en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op
Zeus van hem is bewaard gebleven.
Clearchus, Klearchos, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van
den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de
Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij
meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der
ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar
Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den
jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood
van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij
werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en
gedood.--2) leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclea,
werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde
te Heraclea eene bibliotheek.--3) van Soli op Cyprus, een van de beste
leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische
en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.
Clearidas, Klearidas, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de
Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.
Cleides, Kleides, Kleides, oostkaap van het eiland Cyprus, met
voorgelegen eilandjes.
Clemens (T. Flavius) Alexandrinus, presbyter van Alexandrië, waar hij
± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche
geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard
gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche
philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van
Origenes.
Cleobis en Biton, Kleobis, Biton, zonen van Cydippe, priesteres van
Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar
den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren
te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor
hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.
Cleobulus, Kleoboulos, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen
(omstreeks 580); zijn spreuk was: metron ariston.
Cleombrotus, Kleombrotos, 1) Spartaan, jongste zoon van koning
Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder
Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het
bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door
een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna
stierf hij.--2) Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder
Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmea verdreven waren, deed
hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder
iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra,
371.--3) Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II
koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van
Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van
Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot,
zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin
Chilonis, die met hem in ballingschap ging.
Cleomedes, Kleomedes, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens
had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen
prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van
spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor
zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem
vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athena en werd van daar als
de laatste der heroën in den hemel opgenomen.--2) zoon van Lycomedes,
atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.--3) schrijver over
sterrenkunde (1ste eeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.