Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonesus
Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones
of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner
landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een
langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan
voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen
en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en
eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113
versloegen zij bij Noreia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo
(Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke
verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop
trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw
grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef,
eerst in 109 den consul M. Junius Silanus (Junii no. 16), en in 107
den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio
(Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus
en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den
laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door
de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug,
en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun
weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae
Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar
Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte
binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door
C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam
was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont
er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van
Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.
Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten
Z.O. van het Volsinische meer.
Cimmerii, Kimmerioi, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het
uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles
in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking
Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs
woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus
Maeotis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië,
drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650
Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.
Cimolus, Kimolos, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos,
met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta
fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals
bij ons de zeep).
Cimon, Kimon, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd
door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen
hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia
behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.--2)
zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als
schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het
burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde;
daarvoor stond C. hem de schoone Elpinice af, die zijne halfzuster en
tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de
Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door
zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige
niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij
de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee
(468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond
los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonesus in het bezit
der Atheners (476-468). Door deze overwinningen had hij ook in het
staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen
en Aristides gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij
wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om
schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten
met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van
zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta
stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij,
en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd
hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de
Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was
teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek
om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen,
werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en
in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene
en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de
Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De
zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle
grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich
verbond geene oorlogsschepen in de Aegaeische zee te zenden, wordt
alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid
door Callias gesloten (z. Callias no. 1).--Behalve Cimon's groote
talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid
tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote
sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.
Cinado, Kinadon, een Spartaan, die in het begin der regeering van
Agesilaus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te
werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden
ter dood gebracht.
Cinara, Kinara, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos,
beroemd om zijne artisjokken, kinarai.
Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten
geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet,
204.
Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti
bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op
Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii
in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is
de schrijver van annales in het Grieksch.--2) M. Cincius Alimentus,
volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia.
Cincinnatus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 2-5.
Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus.
Cineas, Kineas, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de
Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene
wilden verjagen.--2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den
koning van Epirus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid
groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar
Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning
van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te
onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus' overwinning bij Ausculum
(279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat,
die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen,
zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt,
gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van
werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.
Cinesias, Kinesias, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415,
dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.
Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.
Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar,
vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen
stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden
tijd.
Cingulum, bergvesting in Picenum, in 63 door Labienus aangelegd.
Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39-42) en de
gens Helvia.
Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.
Cinyps, gen. -phis, Kinyps, rivier op de kust van Africa tusschen
de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor
zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is
cinyphius = afrikaansch.
Cinyras, Kinyras, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van
Aphrodite. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te
kennen, den schoonen Adonis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich
in zijn zwaard.
Cios = Cius.
Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering
onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats
vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen,
van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem
der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt
voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium,
de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen.
Circe, Kirke, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland
Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen
had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone
nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde
zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid,
dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand;
zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante
terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij
haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum,
Agrius en Latinus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers
wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere
lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus.
Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door
de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette
promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in
de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche
kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia
bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe).
Circesium, Kirkesion, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de
samenvloeiing van den Chaboras en den Euphraat. Hier was in 604 koning
Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.
Circius, Thraskias, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius
of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een
wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis,
en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In
andere streken heet hij Corus of Caurus.
Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die
Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken
en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en
tegen de bezittende klassen.
Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der
Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de
stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen
boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt
van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus
afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers,
op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene
verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke
versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de
metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene
meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op
de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene
lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote
marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een
ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie
bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte,
was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier
wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden.
De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatinus en den
Aventinus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en
150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve
dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus
Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius
ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben
hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus
Rome verdeelde.
Cirphis, Kirphis, zie Parnassus.
Cirrha, zie Crissa.
Cirta, Kirta, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke
residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantina genaamd;
tgw. Constantine.
Cisalpina (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de
Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk
bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit
verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadana,
Gallia Transpadana, Venetia, Histria.
Cispadana (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden
den Padus (Po).
Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma;
hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons
Oppius en den Collis Viminalis.
Cisseis, Kisseis, 1) Theano, dochter van den thracischen koning
Cisses.--2) Hecabe, dochter van Cisseus.
Cissia, Kissia, oude naam voor de landstreek Susiane aan den Choaspes,
met eene zeer heldhaftige bevolking.
Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater;
open vergaarbakken heeten lacus.
Cistophorus, kistophoros, 1) degene, die bij sommige godsdienstige
plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin
zich offergereedschappen, enz. bevonden.--2) aziatische munt ter
waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist,
waaruit een slang te voorschijn kwam.
Cithaeron, Kithairon, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en
Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe's kinderen,
Oedipus te vondeling gelegd).
Cithara, kithara, kitharis, een muziekinstrument, door Amphion of
Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar
en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk
15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl
men het op den linkerarm liet rusten.
Citium, Kition, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust
gelegen. Cimon stierf hier (449).
Cius of Cios, Kios, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan
den Cianus Sinus, kolonie van Miletus, door de Macedoniërs verwoest,
maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te
verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa.
Civilis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in
de jaren 69-70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen
Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met
andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer
dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij
ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit,
maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak,
dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer
Cerealis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van
hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen
(z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen
vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome
werd hersteld.
Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius
Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger
van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door
verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden
verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling
niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar
de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was
burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten,
die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in
iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het
conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het
ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de
volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek
vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij
tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het
ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van
het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die
het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in
212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk,
ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele
rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en politeia.
Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende
volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk
met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de
grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën
afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan,
en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het
land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging,
blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder
door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder
conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht
van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een
aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester,
en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft.
Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook
vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak,
waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der
provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de
iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf
civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus
met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van
rechten,--òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door
eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde
trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan
geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij
civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone
gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas
foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer
men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de
eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia
verstaan worden. Zie echter socii.
Cladeus, Kladeos, beek die langs Olympia stroomend in den Alpheus valt.
Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.
Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn
monding ook Liternus geheeten.
Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.
Clarus, Klaros, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en
een orakel van Apollo Clarius.
Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan
de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii
navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen
genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt.
Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de
uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook
= classiarii.
Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen
der comitia centuriata.
Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld
(zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis
geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager
stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen
manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook =
vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende
te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in
394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen
een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri
navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den
eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men
ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst
door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een
voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote
rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden
een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misenum, één
te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte,
en op den Donau en den Rijn.
Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadana, nabij
den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie
Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs
en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomarus.
Claternae, stad in Gallia Cispadana aan de Via Aemilia ten O. van
Bononia (Bologna).
Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen
senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300
amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren
onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt
het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren
voortaan hun geld in land belegden.
Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de
Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en
naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking
der latijnsche steden te voorkomen.
Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen
geld te leenen.
Claudianus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk,
± 400 na C., geb. te Alexandria, bezong in latijnsche verzen den lof
en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten,
brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet
zonder talent en kracht.