Charis, Charites, Charis, Charites, Gratiae, dochters van Zeus en

Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionysus

en Aphrodite. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier

medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot

schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen

der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en

Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in

dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels

hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners

vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee,

Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne,

Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het

boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te

harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.--Te Athene werden

zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het

weder toegeschreven.--In lateren tijd golden zij ook voor godinnen

van dankbaarheid en weldoen.--Gewoonlijk worden de drie Charites met

elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met

muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen.

Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver

van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog

gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde

waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C.

Charistia, z. Caristia.

Charito, Chariton, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een

griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk

uit de 2de eeuw n. C.).

Charmadas, Charmadas, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades,

omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene,

v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid

en zijn merkwaardig geheugen.

Charmande, Charmande, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den

rechteroever van den Euphraat.

Charmides, Charmides, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van

403 in een gevecht tegen Thrasybulus.

Charminus, Charminos, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen

oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus

en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus.

Charoeades, Charoiades, atheensch veldheer, ondersteunde Leontini

met eene vloot in den oorlog tegen Syracusae, maar sneuvelde (427).

Charon, Charon, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld,

die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze

over Styx, Cocytus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot

betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den

mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven

of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de

oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet

wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het

veroorloofden.--Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig

gekleed man.--2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw.

Charondas, Charondas, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550),

wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van

Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng,

doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin

eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om

terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens

van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan

te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op

de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij

zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het

zwaard in de borst te stooten.

Charta, chartes, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der

papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne

lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken,

die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar

uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan

werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de

verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden

tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant,

die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt

acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana,

de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt

men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk

olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula,

een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men

ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de

papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten

eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina)

er voor in de plaats komt.

Charudes, Charoudes = Harudes.

Charybdis, Charybdis, z. Scylla.

Chasuarii of -ri, Chattouarioi, vermoedelijk dezelfden als

de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan

het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJsel

woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken.

Chatti = Catti.

Chauci, Chaukoi, onderscheiden in maiores en minores, een machtige

germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den

Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met

de Batavieren onder Claudius Civilis. Later gaan ze op in de Saxones

(z. a.).

Cheironomia, de beweging der handen, in het algemeen de mimische

beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook

een soort spiegelgevecht.

Cheirotonia, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze

van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze

gekozen magistraten werden cheirotonetoi (ook hairetoi) genoemd.

Chelidoniae insulae, Chelidoniai nesoi = zwaluweilanden, vijf eilandjes

tegenover kaap Chelidonium.

Chelidonium promunturium, Chelidonia akra ook Promunturium Sacrum

genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phaselis, uitlooper van den Taurus.

Chelonatas, Chelonatas, kaap in Elis, westelijkste punt der

Peloponnesus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene.

Cheops, Cheops, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500,

liet de grootste pyramide bouwen.

Chephren, Chephren, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene

pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte

werd overtroffen.

Chersonesus, Chersonesos, schiereiland, van chersos of cherros, vast,

en nesos, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica,

dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland

tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van

het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd

tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche,

vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder

de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen kwamen. Onder Augustus

was de geheele Chersonesus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en

na diens dood van Augustus.--Ook een atheensche stad op de Chersonesus

heet Chersonesus (of Agora).--2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit

Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica

of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri;

in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de

tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden

(mythe van Iphigenia en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust

der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van

Heraclea Taurica gesticht.--3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel

Ch. Cnidia of apo Knidou, het oostelijk X. tes Bybassies heet.--4)

Ch. Thrachea of Rhodia tegenover Rhodus.--5) Ch. magna, op de kust van

Cyrenaïca.--6) Ch. aurea, chryse, thans Malakka, in Achter-Indië.--7)

Ch. Cimbrica, thans Jutland.--8) landtongen: in Argolis naar het

N. gekeerd, tegenover Aegina (hierop lag Methana); verder: van Athos,

bij Sinope, bij Carthago, enz.

Cherusci, Cherouskoi, machtig germaansch volk in den omtrek van

het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis

(Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen

zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van

Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius

en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met

de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en

de Marcomannen. In Tacitus' tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige

twisten zeer verzwakt.

Chiliarchus, Chiliarchos, Chiliarches, aanvoerder eener chiliarchia,

eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16

diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij

de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht,

de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt

ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum.

Chilo, Cheilon, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch

staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien

de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven

wijzen wordt hem de spreuk gnothi sauton of telos horan makrou biou

toegeschreven.

Chimaera, Chimaira, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en

Echidna, door den lycischen koning Amisodarus opgevoed, dat in Lycië

groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van

Athena gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw,

in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had

zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren.

Chione, Chione, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van

Eumolpus.--2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind

en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood.

Chionides, Chionides, 1) Eumolpus, zoon van Chione.--2) dichter der

oude comedie, omstreeks 450.

Chiridota, cheiridotos, sc. chiton, tunica met lange mouwen, eene

dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast

voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen

zeer veel voor.

Chirisophus, Cheirisophos, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa

onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun

terugtocht.

Chiron, Cheiron, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste

der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en

kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne

beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iason,

Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van

hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een

zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij,

opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken,

zijne onsterfelijkheid aan Prometheus af, zoodat deze tevens, volgens

eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron

werd als boogschutter onder de sterren geplaatst.

Chiton, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door

mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was

van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met

mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den

linkerarm een mouw was, (heteromaschalos, daarentegen wordt de gewone

ch. amphimaschalos genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de

twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (exomis). De

dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang;

de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan

elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken

(peronai) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang,

wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam

gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (chitonion).

Chius, Chios, Chios, thans Scio, groot en machtig eiland op de

ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers

en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië

en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het

honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar

schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd

(477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In

413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode

van oorlog, binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377-357 is het

lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was

afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausolus. Het

eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne

porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter

Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland

van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette

ook Chius of Chios.

Chlamys, Chlamys, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg,

oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche

jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon

los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd

voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.

Chloe, Chloe, bijnaam van Demeter.

Chloris, Chloris, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door

de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.--2) dochter van

Amphion en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door

Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders

en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam

Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.--3) dochter van een anderen

Amphion, gehuwd met Neleus.--4) dochter van Tiresias.

Choaspes, Choaspes, 1) rivier in Susiane, die langs Susa stroomt,

beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne

reizen in zilveren kruiken medenamen.--2) stroom in het Indusgebied,

zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës

genoemd.

Choerades, Choirades, sc. nesoi, rotseilandjes voor de haven van

Tarentum.

Choerilus, Choirilos, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters

(omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.--2) van

Samus, dichter van een historisch epos, Perseis (omstreeks 400).--3)

van Iasus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een

episch gedicht verheerlijkte.

Choes, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).

Chones, Chones, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri

behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de

kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.

Choragus, choregos, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken,

muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het

koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën

(z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander

trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000

drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der

choreuten en van den chorodidaskalos, iemand die het koor oefende en

de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen,

enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won,

richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op,

dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.

Chorasmii, Chorasmioi, een arische volksstam, die de oase van Chiwa

reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd,

gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te

irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland

van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.

Choraules, choraules, iemand die den zang en dans van een koor op

de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen

tijd voor.

Choregia, z. Choragus.

Chorizontes werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd,

die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter

waren.

Chorus, choros, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige

feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later

werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen,

en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor,

zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en

begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen,

aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten

in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband

staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens,

die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het

koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit

24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere

of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van

het koor (choryphaios), of in enkele gevallen door de leiders der beide

koorhelften (parastatai). De plaats van het koor was in de orchestra.

Chremonideïsche oorlog (± 265-263), zoo genoemd naar Chremonides,

die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd

door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten

gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog

eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonatas

had moeten overgeven.

Chrysa of -e, Chrysa, -e, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de

Adramyttische golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje

is vroeg verwoest.

Chrysaor, Chrysaor, 1) zoon van Poseidon en Medusa, die te voorschijn

kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.--2)

"met een gouden zwaard", bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.

Chrysas, Chrysas, rivier op Sicilia nabij Assorus, een zijrivier van

den Symaethus.

Chryse promunturium, Chryse cherronesos, het schiereiland Malakka.

Chryseis, Chryseis dochter van Chryses, den priester van Apollo te

Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en

bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader

haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was,

zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield

voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Briseis).

Chrysippus, Chrysippos, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne

stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.--2) van Soli of Tarsus

(282-206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens

dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de

leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin

hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als

het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord:

ei me gar en Chrysippos, ouk an en Stoa.

Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche

aanklager bekend uit Cicero's oratio pro S. Roscio Amerino.

Chrysopolis, Chrysopolis, versterkte havenstad in het gebied van

Chalcedon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.

Chrysothemis, Chrysothemis, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.

Chthonius, Chthonios, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven

bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).--2)

Chthonios, Chthonia, is een bijnaam van godheden, die met de

onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demeter, Persephone

e. a. Zeus Chthonios = Hades.

Chytroi, de derde dag der Anthesteria (z. a.).

Chytri, Chytroi, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.

Cia = Ceos.

Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen

Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager

Licinius versloeg.

Cibyra, Kibyra, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyratis, 2 1/2

uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra

werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia.

Cicereius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was

stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van

een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den

Albaanschen berg.

Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3-9.

Cicones, Kikones, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdera

en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is

vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de

ionische stad Maronea, ook Orthagorea geheeten.

Cidaris, kidaris, kitaris, het hooge en stijve hoofddeksel der

perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.

Cierium, Kierion, stad in Thessaliotis, vroeger Arne geheeten.

Cilicia, Kilikia, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd

door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amanus. Het

westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, tracheia,

geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, pedias,

ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de

grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het

rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken

van den Amanus, onder den naam Eleutherokilikes. In de westelijke

bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute

zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De

hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de

perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den

naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders

verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in

het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl

het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie

heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en

verschillende indeelingen gehad.

Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene

rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam

men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de

portae Amanides verleenden toegang uit het O.

Cilix, Kilix, zoon van Agenor, die door zijn vader uitgezonden werd

om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden,

keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde,

werd Cilicia genoemd.

Cilla, Killa, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt

van Antandros.

Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe

behoorde C. Cilnius Maecenas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en

is Maecenas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman

van Octavianus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer

van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31,

droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome

en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als

privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed

heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als

onderhandelaar bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij

was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan

Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed

zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman

nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer

in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.

Cimber, familienaam in de gens Tillia.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 37 / 150 段