den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij
de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele
eiland hadden.
Ceos, Keos, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia,
geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord
op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in
zwang. Van de vier steden was Iulis de voornaamste.
Cephallenia, Kephallenia, bij Hom. ook Same of Samus genoemd
en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische
eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin
van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.
Cephaloedis of -dium, Kephaloidis, -oidion, stad op de N.-kust van
Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.
Cephalus, Kephalos, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon
en Diomede, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd,
toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar
verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde
der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar
eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom
besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin
te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en
zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was
zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd
vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare
werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen
konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit
begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij
zich op haar beurt bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar
door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot
heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij
door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te
hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door
den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog
tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning
ontving.--2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447
op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van
den redenaar Lysias.
Cepheis, Kepheis, Andromeda, dochter van Cepheus.
Cepheus, Kepheus, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië,
vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de
sterren verplaatst.--2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de
calydonische jacht.--3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van
de Argonauten.
Cephisodotus, Kephisodotos, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot
naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidemus liet overhalen
tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter
dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten
beboet.--2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien
nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat.
Cephis(s)us, Kephisos, ook wel Kephissos, naam van verscheidene
rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het
meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Kephisis. De
riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.--2) riv. in
Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.--3) rivier in
Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt.
Cephren, = Chephren.
Cera, keros, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden
gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop
men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae
ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje
vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een
boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de
eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten
worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen,
had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding
blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste
en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat
door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd
is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven
zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje
staat een korte opgave van den inhoud van het document.--Ook werd het
was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever
maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.--Ook schilderde
men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking
encaustiek heet, enkaustike, (z. encaustica).
Ceramicus, Kerameikos = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad
van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den muur
gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen
waren, van staatswege begraven.
Ceramus, Keramos, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus
Ceramicus wordt genoemd.
Cerasus, Kerasous = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van
Pontus, een kolonie van Sinope, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de
eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk
gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.).
Ceraunii montes, Keraunia ore, gebergte op de kust van Epirus,
berucht door de vele onweders (keraunos). Zie ook Acroceraunia.
Cerberus, Kerberos, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie,
vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart
met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van
de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom
moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster
bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door
de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken
van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht,
wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe
gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen.
Cercasorum, Kerkasoron, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in
verschillende armen begint te splitsen.
Cercina, Kerkina of Kerkinna, twee door eene brug verbonden eilandjes
met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine
Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinitis genoemd.
Cercine, Kerkine, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar)
en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt.
Cercinium, Kerkinion, sterkte in Thessalia aan het meer Boebeis.
Cercius = Circius.
Cercopes, Kerkopes, een soort kabouters, die bij de Thermopylae,
op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen
en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw
vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.--V.a. een volk
dat het eiland Pithecusa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand
tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen
hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen
veranderd.--Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht
werd, heette Kerkopon agora. Cercyon, Kerkyon, zoon van Poseidon
of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong
alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de
overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te
overwinnen en te dooden.
Cerdiciates, volk in Liguria, ten Z. van den Padus.
Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd,
met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds
den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit
gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd.
Cerealis, familienaam in de gens Petillia.
Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus
(z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd
werd met Demeter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome
ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in 493 gedurende een door
misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius
Viscellinus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionysus)
en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris
Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van
griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis,
dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op
Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina
herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de
maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische
mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef
echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der
plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en
afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in
een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus
aan den kant van den Aventinus), haar dienst stond onder toezicht
der aediles plebeii.
Cerinthus, Kerinthos, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis
afhankelijk.
Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatinus. Het was een onderdeel
van het Septimontium, zie Roma.
Cerretani, Kerretanoi, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen
der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne.
Cersobleptes, Kersobleptes, zoon van Cotys, werd in 358 koning der
odrysische Thraciërs. De thracische Chersonesus, die door zijn vader
veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam
Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor
hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen.
Cersus, Kersos = Carsus, Karsos.
Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters,
uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken
had laten zitten als het gewei van een hert.
Cerynia, Keryneia, stad op de N.-kust van Cyprus.
Ceryx, Keryx, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het
atheensche priestergeslacht der Ceryces (Kerykes of Kerykidai).
Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio
is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook
bonorum cessio.
Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug,
pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina
verbindt.--2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor,
tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43
omgekomen.--3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door
eenige zijner erfgenamen de "pyramide van Cestius" werd opgericht,
37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het
gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene
kleine lijkenkamer.--4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van
Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de
rom. onderdrukking moede waren.
Cestrine, Kestrine, landschap in Epirus tegenover Corcyra.
Cestus, kestos, de geborduurde gordel van Aphrodite, die
onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf.
Cetei, Keteioi, oude stam in Mysia aan de rivier Ceteus, die bij
Pergamum in den Caïcus valt.
Cethegus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30-34.
Ceto, Keto, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder
Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters.
Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen
oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen
gebruikt.
Ceutrones, alpenvolk in de provincia Alpes Poeninae. De weg van Italia
naar Lugdunum liep door hun gebied.
Cevenna, = Cebenna.
Ceyx, Keyx, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen
werd.--2) zoon van Hesperus en Philonis, gemaal van Alcyone (z. a.).
Chaboras, Chaboras, ook Aborras, rivier in Mesopotamia, ontspringt
bij Resaïna, stroomt door Gauzanitis, neemt den Mygdonius en den
Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat.
Chabrias, Chabrias, atheensch veldheer, die het bevel voerde over
de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden
(388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen
in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op
verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde
hij (378) een inval van Agesilaus in Boeotië door goed bedachte
en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten
roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen
had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij
vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdera tegen
de aanvallen van Charidemus. Na afloop van den thebaanschen oorlog
voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens
oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij
het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot
afgesneden en bijna reeds gezonken was.
Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15.
Chaeremon, Chairemon, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken,
in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid
meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij
leefde omstreeks 375.--2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd
der bibliotheek aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders
van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts
weinig over.
Chaerephon, Chairephon, Athener, een van de vurigste vereerders van
Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den
wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel
wordt hij genoemd.
Chaeronea, Chaironeia, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus,
bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de
Atheners in 447;--2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde
Atheners en Thebanen in 338;--3) van Sulla op Mithradates' veldheer
Archelaus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later
werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia).
Chalaeum, Chalaion, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van
de Crisaeïsche golf.
Chalastra, Chalastra, stad in Macedonia aan den mond van den Axius
(Vardar).
Chalce, Chalke, eilandje ten W. van Rhodus.
Chalcedon, Chalkedon, megarensische kolonie op de kust van Bithynia
tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In
haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad
van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene
andere schrijfwijze is Calchedon, Kalchedon.
Chalcidice, Chalkidike, groot schiereiland aan de macedonische kust,
bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad
Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met
den berg Athos, Sithonia en Pallene.
Chalcidicum, chalkidikon, overdekt, van voren open voorportaal of
portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen.
Chalcioecus, Chalkioikos, bijnaam van Athena te Sparta, naar haar met
koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond
en waar op de Chalcioecia (Chalkioikia) gewapende jongelingen offerden.
Chalcis, Chalkis, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte
van den Euripus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland
van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een
groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia,
Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis
ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700-± 650) strijd gevoerd
om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte
(zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In
dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete
en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de hippobotai,
een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest
de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten,
klerouchoi, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen
op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van
Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis
een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht
van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den
vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door
de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de
geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar
Isaeus.--Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea),
vond men eene stad Chalcis.
Chaldaea, Chaldaia, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook
wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens
Babylonia en Chalybes.
Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri.
Chaleium, Chaleion = Chalaeum.
Chalus, Chalos, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis
lagen en dat in de woestijn wegsterft.
Chalybes, Chalybes, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus,
onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, chalyps,
is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden,
die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook
wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze
niets te maken.
Chalybon, Chalybon, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De
stad was beroemd om haar wijn.
Chamavi, Chamauoi, Chamaboi, germaansche stam, eerst aan den
Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw
n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen
Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken.
Chaones, Chaones, ruwe volksstam in Epirus, wier land, Chaonia,
zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de
Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona,
en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona.
Chaos, Chaos, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond
voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa,
waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward
dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus
en Nyx voort.
Characene, dat gedeelte van Susiana, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax
(zie Charax no. 1) ligt.
Charadra, Charadra, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea,
aan het riviertje Charadrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en
in Zuid-Epirus vond men eene stad van dezen naam.
Charax, Charax (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden
steden. 1) stad in Susiane aan de monding van den Tigris, door
Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt
in Antiochia naar den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en
ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst
Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming
beveiligde.--2) stad op Corsica.--3) stad in Media, nabij de Caspiae
portae.
Chares, Chares, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en
onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den
oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door
kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen
hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een
aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door
valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs,
die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen
hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen
eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen
satraap Artabazus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op
verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige
malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat
hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te
ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronea.--2)
bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van
den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld,
dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en
zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen
tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor
het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten.
Charicles, Charikles, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog,
later een van de dertig.--2) schoonzoon van Phocion, liet zich door
Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319).
Charidemus, Charidemos, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen
in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne
verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch
werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en
van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners
het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel
vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen
te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke
wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen,
welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen
waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in
351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronea. Hij
was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen
van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op
verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte
hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de
maatregelen van Darius, door dezen ter dood gebracht werd (333).
Charietto, Charietton, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier
uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna
door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt
werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen
Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358
n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als
comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen,
die wederom in Gallië waren ingevallen.
Charilaus, Charillus, Charilaos, -leos, Charillos, nageboren zoon
van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van
Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door
laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun
beloofd had hen niet weder te bestrijden.