Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37.

Catreus, Creteus, Katreus, Kreteus, zoon van Minos en Pasiphaë,

vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.

Catti of Chatti, Chattoi, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot

de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij

wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer

in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de

aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).

Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38.

Catulus, familienaam in de gens Lutatia.

Caturiges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia

(Durance). Hoofdst. Eburodunum, thans Embrun.

Caucasa, ta Kaukasa, stad in het Z. van Chius.

Caucasus, Kaukasos, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden

slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Kaukasiai pylai,

waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare

vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae

portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Prometheus

door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken

de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen

reikten tot aan den hemel.

Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen

naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander

dezen naam aan den Paropanisus.

Cauchi = Chauci.

Caucones, Kaukones, oud pelasgisch volk, later verdwenen,

in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De

aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.

Caudex = Codex.

Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe

planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar

Rome te vervoeren.

Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid,

tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudinae, waar

in 321 de consuls T. Veturius Calvinus en Sp. Postumius Albinus door

de Samnieten werden ingesloten.

Caulon of Caulonia, Kaulonia, stad aan de Oostkust van het land der

Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit

het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg

een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In

389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar

Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den

oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg

vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds

Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.

Caunus, Kaunos, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria,

geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef

grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae.

Caupona, kapeleion. In de steden en langs de groote wegen vond men

oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch

deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor

lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek

werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona

gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms

ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae.

Caurus = Corus.

Causia, kausia, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.

Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving,

schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een

waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde

verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.

Cayster of -trus, Kaystros, rivier van Klein-Azië, die voorbij

Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke

zwanenvluchten, die er zich ophielden.

Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever

van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).

Cavarinus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones

aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).

Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats

van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met

de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen

in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en

regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen

en beelden versierd.

Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering,

meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater

voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld:

ima, media en summa cavea. Zie ook balteus.

Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos.

Ceadas, Keadas, Kaiadas, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers

(later hunne lijken) geworpen werden.

Cebenna mons, to Kemmenon oros, het woeste gebergte der Cévennes,

in Gallia.

Cebes, Kebes, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam

draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Pinax, bevattende een

allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw

na C. dateert.

Cebren, Kebren, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen

Scepsis en Neandria.

Cebrenis, Kebrenis, Oenone, dochter van den riviergod Cebren.

Cebriones, Kebriones, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner

van Hector, viel door de hand van Patroclus.

Cecides, Kekeides, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste

helft van de vijfde eeuw.

Cecropia, Kekropia, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters

ook de stad zelve.

Cecropides, Kekropides, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in

het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.

Cecropis, Kekropis, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomela,

de kleindochters van Cecrops.--2) = Attica.--3) een van de 10 phylae,

waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Cecrops, Kekrops, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van

Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele

land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf

gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door

het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende

godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en

Athena (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader

van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen

wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus,

diphyes), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die

uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.

Cecryphalea, Kekryphaleia, eilandje in de Saronische golf, tot

Argolis behoorende.

Cedalio, Kedalion, dienaar van Hephaestus.

Cedides, Kedeides = Cecides.

Cedreae, Kedreai, of Kedreiai, stad in Caria aan de Ceramische golf.

Cedrus, kedros, 1) de cederboom.--2) de olie of harst, die uit

cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze

cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te

vrijwaren tegen mot.

Celaenae, Kelainai, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia,

aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd

was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en

een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.

Celaeno, Kelaino, eene van de Harpyiën.

Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus

(Drau) en den Savus (Sau).

Celelates, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).

Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het

verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd

door 3 tribuni celerum. Z. verder equites.

Celetrum, Keletron, stad in het macedonische landschap Orestis.

Celeüs, Keleos, koning van Eleusis, die Demeter gastvrij ontving toen

zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te

Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader

van Demophon en Triptolemus.

Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van

kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de

tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen,

die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor

reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten

derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella

voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het

inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid

stond.--Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de

stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers

hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.

Celox, keles, keletion, snelvarend schip met eene sterke bemanning

roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.

Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.--2)

A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de

schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan

nog 8 de medicina bestaan.--3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon,

waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasianus en Hadrianus.--4)

Celsus, schrijver van den alethes logos (± 180 n. C.) de eerste,

zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De

tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes,

waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).

Celtae, Keltoi, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste

gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam

van Galli, Galatai, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter

zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten

van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpina,

in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen

genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote

volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en

gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van

Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische

gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche

schrijvers staat Keltoi vaak voor Germani, tegenover Galatai = Galli.

Celtiberi, Keltiberes, dapper en vrijheidslievend volk, half van

keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding

tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de

Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden

zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72

hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143-133)

was een hunner steden.

Cena, zie Coena.

Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas.

Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den

maaltijd gebruikt, zie Coena.

Cenaeum, Kenaion akron, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae,

met een tempel van Zeus.

Cenchreae, Kenchreai, een der drie havens van Corinthus, aan de

Saronische golf.

Cenomani, Kenomanoi, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw

in Cisalpina vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander

gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van

de Loire, zie Aulerci.

Cenotaphium, Kenotaphion, ook wel tumulus honorarius of inanis,

grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk

men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.

Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden,

waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het

plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel

in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canuleia

(lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in

het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van

tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand

promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op,

dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum

zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw

patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker

is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden

wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die

dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum

condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de

censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van

Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren

L. Papirius Mugillanus en L. Sempronius Atratinus. Eerst in 351

komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In

339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo,

dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna

in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen,

Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was

de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het

door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercinus tot

1 1/2 jaar beperkt, zoodat de staat dan 3 1/2 jaar zonder censoren

was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk

éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census

verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze

waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had

in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden

voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas

nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun

door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de

werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden

van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.),

vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf

jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht,

uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe

de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia

publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken

(opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen

belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht

op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde

tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers

hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten

schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping

heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende

schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van

alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de

schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het

licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld,

doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te

oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene

wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten,

die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig

bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en

vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over.

Censorinus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8-10.

Censorinus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog

een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van

sterren en geesten op 's menschen geboorte en levenslot handelt. Het

werk berust op goede bronnen.

Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren

aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting

hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn

eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom

en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven,

waartoe men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier

aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men

ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione

was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie

verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was

verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften

waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende

burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een

lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden

der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent

tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de

lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar,

tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing

van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers

straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te

brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging

ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en

de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een

plechtig offer (zie lustrum) besloot den census.

Centauri, Kentauroi, een woest ruitervolk, dat in de bergen van

Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar

de grenzen van Epirus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat

zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij

afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun

strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren

eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van

Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.--Ook in Arcadië

woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden,

omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem

bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron.

Centimani, Ekatoncheires, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon,

Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den

Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den

strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne

overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den

Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.

Centrites, Kentrites, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen

Armenia en het land der Carduchen.

Centrones, min juiste lezing voor Ceutrones.

Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar

Traianus eene villa had.

Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de

Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.

Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden

van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond

en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral

in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus,

werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen,

later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting

aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in

decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later

oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis.

Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen,

waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de

legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam

van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of

hoogste klasse werden 18 centuriën ridders gekozen, elke van 100

man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in

den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige

burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000

as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum

(onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede

klasse (75000-100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae

seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde

(25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15

centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en

werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse

geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde,

bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er

twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne

uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van

hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines,

en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent

de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het

stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie

onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig

gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite

censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende,

dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk

iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust

en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden

ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede,

98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De

iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor

de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata.

Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden

de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde

van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:

1200 hastati, flos iuvenum pubescentium,

1200 principes, robustior aetas,

600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis,

terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende

afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers

der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris

aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes

gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene

centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man,

met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond

een centurio.

Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden

één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel

was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond

boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de

volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel

zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang

waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden,

enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en

daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio

posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de

centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus

pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in

10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In

iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior,

princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes

centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als

teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien

hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links,

terwijl de soldaten het rechts droegen.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 35 / 150 段