die met Rome de punische oorlogen (z. a.) heeft gevoerd. De stad
was ± 800 door tyrische uitgewekenen gesticht, volgens de sage
onder aanvoering van Dido of Elissa, zuster van den dwingeland
Pygmalion. De stad lag op een schiereiland, door eene niet breede
landengte met het vasteland verbonden. Zij had twee havens; de grootste
diende voor de handelsvloot, de andere, Kothon (= beker) geheeten,
was de oorlogshaven, door 220 scheepskappen omringd. De acropolis
der stad heette Byrsa, Byrsa (= burcht), en lag op een heuvel van
60 meter hoog. Op den top stond de prachtige tempel van Esmûn of
Aesculapius. Aan den burg sloten zich de muren der zoogenaamde
oude stad aan, 50 voet hoog en 30 voet breed, verdiepingsgewijze
gebouwd, zoodat beneden stalling voor 300 olifanten, daar boven voor
4000 paarden was, en wederom hierboven ruimte voor de soldaten. De
hoofdstraten liepen recht op den burg aan en hadden hooge huizen, tot
zelfs van zes verdiepingen. Later werd ook de meer noordelijk gelegen
voorstad, Megara, Magalia (= hoogte) of Neapolis geheeten, binnen de
muren getrokken, en dit gedeelte werd het fraaiste en rijkste der stad,
met tempels en prachtige lustverblijven voorzien. Eene waterleiding,
13 uur gaans lang, voorzag Carthago van water. Tot aan de 5de eeuw
was het vastelandsgebied van Carthago zeer klein. Eerst in de 5de
eeuw onderwerpt en onderdrukt het de omliggende libysche stammen, en
verkrijgt het de heerschappij over alle phoenicische nederzettingen
en faktorijen in het Westen. Het heeft verscheidene malen getracht
Sicilië te veroveren; de eerste poging mislukte in 480 (slag bij de
Himera); dan volgen de veldtochten van 409-404, waarbij Selinus en
Himera te gronde gegaan zijn. Dan volgen de oorlogen met Dionysius en
de andere tyrannen van Syracusae, en eindelijk de oorlogen met Rome,
die aan haar bestaan een einde hebben gemaakt.--Na de verwoesting
in 146 bleef de stad in puin liggen, tot C. Sempronius Gracchus
er in 121 de colonia Junonia stichtte; deze werd het volgend jaar
weer opgeheven, maar de coloni mochten blijven wonen. Daarop heeft
Caesar in 44 er eene nieuwe kolonie Carthago gesticht, die in 29 door
Augustus versterkt is. Daarnaast bestond een punische stad Carthago,
met een afzonderlijk gemeentebestuur, tot nog onder Augustus beide
steden samengroeiden. Dit nieuwe Carthago, Colonia Iulia Carthago,
ontwikkelde zich snel en werd nog grooter dan het oude, zoodat het na
Rome en Constantinopel de meest bevolkte stad van het rijk werd. In
439 na C. werd het de hoofdstad der Vandalen, en na den val van het
vandaalsche rijk weder de residentie der oost-rom. stadhouders. De
regeeringsvorm van het oude punische Carthago, dat eenmaal 700000
inwoners telde, was oligarchisch. Aan het hoofd der zaken stond een
senaat, terwijl de uitvoerende macht aan twee suffeten of rechters
was opgedragen. Volksvergaderingen werden alleen in hoogen nood
bijeengeroepen.--2) Carthago in Hispania, tot onderscheiding dikwijls
Carthago nova genoemd, thans Carthagena, was ± 228 gesticht door
Hasdrubal en werd in 209 door Scipio, den lateren Africanus maior,
veroverd en tot rom. kolonie gemaakt. In de nabijheid lag de Campus
Spartarius.
Cartismandua, koningin der Brigantes in Britannia, die Caractacus
aan de Romeinen overleverde.
Carus (M. Aurelius), bevelhebber der praetorianen onder keizer
Probus, werd na diens dood in 282 na C. door de troepen tot keizer
uitgeroepen en verhief toen zijne beide zoons Carinus en Numerianus
tot Caesars. Hij was een bekwaam veldheer. Op een tocht tegen de
Perzen in 283 werd hij òf door den bliksem getroffen òf door Aper,
den bevelhebber zijner lijfwacht, vermoord.
Carventum, oude stad in Latium, met een sterk kasteel. De stad was
oorspronkelijk één van de 30 gemeenten van den albaanschen bond (zie
Albenses), en later één van de leden van den ouden latijnschen bond,
waarvan Aricia en Tusculum de leiding hadden.
Carvilii, 1) Sp. Carvilius Maximus, consul in 293 en 272, overwon de
Samnieten in 293, de Lucaniërs en Tarentijnen in 272 en hield twee
triumftochten. Van den op de Samnieten behaalden buit bouwde hij een
tempel voor de godin Fortuna.--2) Sp. Carvilius Maximus was consul in
234 en 228 en zegevierde over de Corsen en Sarden. Hij was ook augur.
Caryae, Karyai, stad in Laconica, door de Spartanen aan de Arcadiërs
ontnomen en bekend door een tempel van Artemis Caryatis, wier
priesteressen, Caryatides genaamd, eigenaardige dansen uitvoerden.
Caryanda, Karyanda, kuststad van Caria.
Caryatides, Karyatides, 1) zie Caryae.--2) zuilen in den vorm van
vrouwenbeelden, die op het hoofd een kapiteel droegen, waarop de
balken rustten. De Caryatiden van het Erechtheion op de Acropolis te
Athenae worden gewoonlijk Korai genoemd.
Carystus, Karystos, stad der Dryopes in het Z. van Euboea, beroemd
door haar voortreffelijken wijn en door eene groene marmersoort.
Casca, familie in de gens Servilia. Z. Servilii no. 22.
Cascellius (A.), uitstekend jurist in den eersten tijd van Augustus'
regeering en voorstander der republiek.
Casilinum, stad van Campania op beide oevers van den Volturnus gelegen,
verdedigde zich met heldenmoed tegen Hannibal, totdat de honger zóó
nijpend werd, dat de verdedigers zelfs het leder hunner schilden als
voedsel trachtten te gebruiken. Eindelijk (215) viel het Hannibal in
handen. Later rom. kolonie.
Casinum, volscische stad in Latium, aan de via Latina; op den berg
daarboven ligt het beroemde klooster Monte Cassino.
Casiotis, Kasiotis, streek tusschen Arabia en Aegyptus, nabij Pelusium,
met het graf van Pompeius.
Casius, Kasion oros, 1) berg in Casiotis.--2) gebergte aan de kust
van Syria, ten Z. van Antiochia.
Casmena, Kasmene, stad op Sicilia, kolonie van Syracusae, ligging
onzeker.
Casperia, oud stadje der Sabijnen.
Caspiae portae, Kaspiai pylai, bergpas ten Z. der Caspische zee, ten
O. der stad Rhagae, in het N. van Media. De pas, die 8000 schreden lang
en niet breed was, was door de Perzen met ijzeren poorten gesloten en
werd door wachtposten bewaakt. Deze pas was van groot belang, omdat
de verbindingsweg tusschen het N.W. en het N.O. van het perzische
rijk er door liep.
Caspii, Kaspioi, volksstam aan de Westkust der Caspische zee, ten
N. van den Cyrus. Ook meer in het algemeen de kustbewoners dezer zee.
Caspii montes, Kaspia ore, een deel van den Caucasus, tusschen Colchis
en de Caspische zee.
Caspium mare, he Kaspia thalatta, de Caspische zee. Het zuidelijk
deel heet Hyrcanum mare. Omtrent de ware ligging en de grootte dezer
zee heerschten bij de ouden zeer uiteenloopende meeningen. Enkelen
hielden haar zelfs voor een golf van den Oceaan.
Cassander, Kassandros, oudste zoon van Antipater, geb. omstreeks
350. Kort voor den dood van Alexander werd hij door zijn vader naar
Azië gezonden, waar hij tot 319 bleef; toen keerde hij naar Europa
terug om zich van het regentschap meester te maken, dat Antipater bij
zijn sterven aan den ouden Polyperchon had opgedragen. Door de hulp
van Ptolemaeus en Antigonus gelukte het hem vasten voet in Griekenland
te krijgen; daarop deed hij een inval in Macedonië, wist het leger van
Polyperchon afvallig te maken, liet Olympias, die met dezen verbonden
was, dooden, hield Roxane met haar zoontje gevangen en huwde met
Thessalonice, de zuster van Alexander. Na dien tijd voerde hij, met
Ptolemaeus e. a. veldheeren van Alexander verbonden, bijna voortdurend
oorlog tegen Antigonus, die hem belette zich van Griekenland meester
te maken; hij had in dien oorlog echter weinig geluk en werd zelfs
in Macedonië door Demetrius aangevallen, totdat de slag bij Ipsus
(301) hem van dezen lastigen vijand bevrijdde. De vrouw en kinderen
van Alexander had hij reeds vroeger laten vermoorden, en toen hem nu
bij de nieuwe verdeeling der provinciën Macedonië toegewezen werd,
kon hij zich tot aan zijn dood (296) ongestoord in het bezit ervan
handhaven. In 306 had hij in navolging van Antigonus den titel van
koning aangenomen.
Cassandra, Kassandra, of Alexandra, de schoonste van Priamus'
dochters. Apollo verleende haar uit liefde het vermogen de toekomst
te voorspellen, maar daar zijne liefde onbeantwoord bleef, wreekte hij
zich door te veroorzaken, dat men haar algemeen voor krankzinnig hield
en niemand hare voorspellingen geloofde. Bij de verovering van Troje
zocht zij bescherming in den tempel van Athena, maar Aiax, de zoon
van Oileus, die haar daar vond, onteerde en mishandelde haar. Bij de
verdeeling van den buit werd zij aan Agamemnon toegewezen, die haar
naar Mycenae medenam; na zijn dood werd zij met hare beide kinderen
ook vermoord. Cass. had te Leuctra in Laconica een tempel, haar graf
was te Mycenae of te Amyclae.
Cassandrea, Kassandreia, het vroegere Potidaea, door Philippus van
Macedonia verwoest, door Cassander herbouwd.
Cassia (lex) agraria, van den consul Sp. Cassius Viscellinus, 468,
zie Agrariae leges.
Cassia (lex) de senatu, van den volkstribuun L. Cassius Longinus,
104, dat zij, die door het volk veroordeeld of van hun imperium ontzet
waren, geen zitting mochten hebben in den senaat.
Cassia (lex) tabellaria, van den volkstribuun L. Cassius Longinus,
137. Door deze wet werd de geheime stemming ingevoerd bij de iudicia
populi, behalve in zaken van perduellio. Zie Tabellariae leges.
Cassia Terentia (lex) frumentaria van de consuls C. Cassius Longinus
(Cassii no. 7) en M. Terentius Varro Lucullus, 73, tot herstel der
korenuitdeelingen, die door Sulla waren opgeheven. Zie annona.
Cassia (via), van Rome over Clusium en Arretium naar Florentia. Van
hier gaat een andere weg over de Apennijnen naar Bononia.
Cassii, 1) Sp. Cassius Viscellinus, voor zoover bekend de éénige
patriciër onder de Cassii, was in 502 consul en hield als zoodanig
een triumftocht over de Sabijnen. In 501 (v.a. 498) was hij magister
equitum onder den eersten dictator, T. Larcius Flavus. Toen hij in
493 ten tweeden male consul was, hielp hij, volgens de traditie, de
verzoening tot stand brengen tusschen de patriciërs en de uitgeweken
plebejers. Hij heeft in dat jaar ook den tempel van Ceres, Liber
en Libera in Aventino (z. Ceres) gewijd. Hij heeft toen ook het
bondsverdrag met de Latijnen tot stand gebracht. In 486 was hij
ten derden male consul en stelde toen de lex Cassia agraria voor,
volgens welke de tot ager publicus gemaakte grond der Hernici zou
verdeeld worden onder de behoeftige plebejers en de latijnsche
bondgenooten. Deze laatste bijvoeging ontstemde de plebs, en het
viel den adel niet moeielijk, Cassius verdacht te maken van naar
het koningschap te streven; hij werd ter dood veroordeeld en van de
Tarpejische rots geworpen, of volgens eene andere overlevering door
zijn eigen vader ter dood gebracht. Het verhaal omtrent de akkerwet
is onhistorisch, en is afkomstig uit den tijd na C. Gracchus
(123-121) en M. Drusus (91). Vast staat alleen het feit, dat
Cassius wegens het streven naar de heerschappij ter dood gebracht,
en zijn huis afgebroken werd. De latere plebejische Cassii zijn als
cliënten te beschouwen van de vroegere patricische gens Cassia.--2)
Q. Cassius Longinus bracht als praetor in 167 koning Perseus als
gevangene naar de bergvesting Alba Fucentia. Hij stierf als consul
in 164.--3) L. Cassius Longinus, kleinzoon van no. 2, bracht in 111
als praetor koning Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome als getuige
in zake de gepleegde omkoopingen. Als consul sneuvelde hij in 107
in Aquitanië tegen de Cimbren en de Helvetiërs (de Tigurini).--4)
L. Cassius Longinus Ravilla (= grijsoog), volkstribuun in 137,
was de vader der lex Cassia tabellaria. Hij was censor in 125. Als
rechter was hij zeer gevreesd, en bekend om zijn: "Cui bono?"--5)
L. Cassius Longinus, zoon van no. 4, kenmerkte zich als tegenstander
der optimaten en bracht o. a. in 104 als volkstribuun de lex Cassia
de senatu tot stand.--6) C. Cassius Longinus was consul in 171 en
censor in 155/4, en wilde een vast theater bouwen; doch P. Scipio
Nasica, die in 155 consul was, belette dit, en een senaatsbesluit
van 154 verbood zelfs, de tooneelstukken anders dan staande te
aanschouwen.--7) C. Cassius Longinus, consul in 73, hernieuwde de door
Sulla gestaakte korenuitdeelingen (lex Cassia Terentia frumentaria). In
den zwaardvechtersoorlog werd hij in 72 door Spartacus verslagen.--8)
C. Cassius Longinus was quaestor van Crassus, toen deze in 53 tegen
de Parthen omkwam, en redde door zijn beleid het overschot van het
leger. Hij verdedigde Syria tegen de Parthen en bracht hun in 51 eene
groote nederlaag toe. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos
hij de partij van den laatsten en versloeg zelfs Caesars vloot bij
Sicilia; doch na den slag bij Pharsalus verzoende hij zich met Caesar,
die hem tot zijn legaat aanstelde, zonder hem echter een commando te
geven, en hem in 44 de praetuur verschafte. Niettemin stelde Cassius
zich met M. Junius Brutus aan het hoofd der samenzwering, die aan
Caesar het leven kostte. Uit de briefwisseling tusschen Cicero en
Cassius maakt men op, dat Cicero op de stemming van Cassius, en dus
indirekt ook op het moordplan invloed heeft geoefend. Hierop vertrok
hij naar de provincie Syria, hem door Caesar voor het volgende jaar
toegezegd, verdreef den stadhouder Dolabella, aan wien de senaat
Syria had toegewezen, nam bloedige wraak op de aanhangers van Caesar
in Asia en trok, met Brutus vereenigd, naar Macedonia, waar beiden,
na de nederlaag van Philippi (herfst van 42), zich om het leven lieten
brengen. Juist zijn samengaan met den onbeduidenden Brutus schijnt zijn
verderf geworden te zijn. Zie Junii no. 9.--9) Q. Cassius Longinus,
berucht door zijne afpersingen in Hispania als legaat van Pompeius
(54), was een der beide volkstribunen (de andere was Antonius),
die 7 Jan. 49 uit Rome naar Caesar vluchtten. Caesar nam hem mede
naar Hispania en liet hem daar achter als propraetor van H. ulterior,
waar echter zijne willekeur een oproer onder het leger verwekte. Toen
hij nu met zijne geroofde schatten naar Italië wilde oversteken, leed
hij aan den mond van den Iberus schipbreuk en kwam om (begin 47). Hij
heeft door zijn optreden Caesar's zaak zeer benadeeld, en den grond
gelegd voor den opstand der Pompeiani, die in den slag bij Munda
onderdrukt werd (45).--10) L. Cassius Longinus, broeder van no. 8,
was legatus van Caesar in den oorlog tegen Pompeius, doch als broeder
van den moordenaar van Caesar was hij bij Antonius verdacht. Deze
belette hem dus het bezoek van de senaatszitting van 28 Nov. 44,
waarin A. tegen Octavianus wilde optreden. Hij ging in 43 naar Azië,
maar nam geen deel aan den oorlog, zoodat A. hem in 41 toestond in het
vaderland terug te keeren.--11) L. Cassius Longinus, zoon van no. 10,
sneuvelde bij Philippi in het leger van zijn oom.--12) L. Cassius
Longinus, Cicero's mededinger naar het consulaat en deelgenoot van
Catilina's samenzwering.--13) C. Cassius Parmensis (van Parma), een der
deelnemers aan Caesars moord, vervolgens legaat van no. 8, vereenigde
zich na den slag bij Philippi met Sex. Pompeius, ging na diens dood tot
Antonius over en werd na den slag bij Actium op last van Octavianus ter
dood gebracht. Hij schreef treurspelen en epigrammen.--14) C. Cassius
Longinus, proconsul van Asia 40-41 n. C., stadhouder van Syria onder
keizer Claudius tusschen 44 en 49, werd in 65 door Nero verbannen,
omdat hij in zijn huis de beeltenis van no. 8 had. Vespasianus riep
hem terug. Hij had grooten naam als rechtsgeleerde.--15) C. Cassius
Chaerea, krijgstribuun bij de praetorianen onder Caligula en door
dezen beleedigd, was het hoofd der saamgezworenen, die in 41 na
C. den keizer om het leven brachten. De nieuwe keizer Claudius
liet Chaerea terstond ter dood brengen.--16) L. Cassius Hemina,
annalenschrijver omstreeks 150, schreef, naar het voorbeeld van Cato,
in het Latijn.--17) T. Cassius Severus, redenaar van grooten naam
onder de eerste twee keizers.--18) Cassius Avidius of Avidius Cassius,
waarschijnlijk uit Syria afkomstig, streed onder Marcus Aurelius en
L. Verus met veel beleid en geluk tegen de Parthen en elders. Hij
veroverde in 163 n. C. Edessa, en joeg de Parthen over den Tigris
terug, en zuidelijk trekkende veroverde en verwoestte hij Seleucia
en Ctesiphon (164), maar moest later, door honger en pest gedwongen,
terugkeeren. In 175 wierp hij zich zelf tot keizer op, doch werd
drie maanden later door een zijner onderbevelhebbers vermoord.--19)
Cassius Dio, geschiedschrijver, zie Dio Cassius.
Cassiope, -opea, -epea, Kassiepeia, -opeia, -ope, 1) moeder van
Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de
sterren opgenomen.--2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcyra.
Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van
den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle
soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.--2) een jachtnet.
Cassiterides insulae, Kassiterides nesoi, de Scilly-eilanden
ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van
Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood,
dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van
Tartessus verkochten.
Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van
Caesar in Britannia.
Cassotis, Kassotis, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook
de nimf van die bron.
Castalia, Kastalia, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen
gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke
geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den
delphischen tempel gebruikt.--Den naam Castalia had deze bron naar
eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo
niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen.
Castalides, Kastalides, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia.
Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de
kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw
de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie
verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding,
dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde
soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende
fonteinen en gebouwen werd geleid.
Castolus, Kastolos, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid
van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende.
Castor, Kastor, 1) z. Dioscuri.--2) schoonzoon van Deiotarus, schreef
een vervolg op de Chronika van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar
61 liep.
Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog
des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd
zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen,
werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop
togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de
aarde naar binnen werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving,
die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats
aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde
een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen
geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het
leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta
decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis
sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide
uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat
ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp,
waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de
vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit
wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der
legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking
der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het
kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c)
naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene
zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover
noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het
forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de
tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der
uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati
et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van
extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten
uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze
aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte
(intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van
brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls
met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra)
werden de tenten door houten barakken vervangen.--Het legerkamp van den
keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende
auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium
bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de
via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De
via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de
via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera
praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae);
het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld,
heet praetentura, het achtergedeelte retentura.
Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn
ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene
stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude
carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africanus maior,
waar hij in den winter van 204-203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra
Batava, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn),
thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii
aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe,
Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in
het N. van Epirus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra
Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam
van het dorp Birten tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra
Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traianus onder
de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van
het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de
4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig
Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in
Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum.
Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in
23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminalis
gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seianus.
Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden
droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum,
naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen
Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picenum, in het land der
Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistani
(z. a.).
Castulo, Kastalon, bloeiende stad der Oretani in Hispania, aan
den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren
zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der
tegenw. Sierra Morena.
Casystes, Kasystes, haven van Erythrae in Ionia.
Catabathmus, Katabathmos, bergstreek en dal aan de kust van Afrika,
de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.
Catabothra, ta Katabothra, onderaardsche afwateringskanalen van
een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen
waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.
Catadromus, katadromos, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers
op- en afliepen.
Catadupa, ta Katadoupa, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische
grenzen.
Catagogia, Katagogia, feest ter eere van Aphrodite op den berg Eryx
gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche
reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia.
Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag
van Attila in 451 na C.
Catamitus = Ganymedes.
Catana, Katane, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725
aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den
bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat
Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontini
overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000
Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna
veranderde. Na Hiero's dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de
door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna
heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403)
en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog
viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten
heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.
Cataonia, Kataonia, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene
bergvestingen, zeer vruchtbaar.
Cataphractus, kataphraktos, ruiter, wiens lichaam en paard met een
schubbenpantser bedekt waren.
Catapulta, katapeltes, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen
en steenen slingerde.
Catarractes of -ta, Katarraktes, ook met één r geschreven, rivier in
Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee
stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom,
vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in
een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.
Catasta, verbastering van katastasis, schavot of planken verhevenheid
tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven
ten verkoop.
Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem
bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe
kon trekken.
Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij
afdeelingen tegen elkander streden.
Cathaei, Kathaioi, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed,
ten O. van den Acesines.
Catharsius, Katharsios, de reinigende, bijnaam van Zeus.
Cathedra, kathedra, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen,
voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in
philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder.
Catilina, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5.
Catilius Severus (L.), staatsman onder keizer Hadrianus, viel in
ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antoninus Pius verklaarde
(138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi.
Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort
en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel
rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.
Catil(l)us, zie Tiburtus.
Catina = Catana.
Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero's
tijd.