waren drie graden. De cap. dem. minima had plaats, wanneer een
romeinsch burger, die sui iuris was, zich tot zoon liet aannemen
(arrogatio) en dus alieni iuris werd. Hij verloor dan den status
familiae, daar hij ophield pater familias te zijn en als filius
familias in de patria potestas van een ander trad.--De cap. dem. media
sloot het verlies van het burgerrecht in zich. Zij had plaats
door vrijwilligen afstand, reiectio civitatis of door aqua et igni
interdictio. Een gewoon exsilium hief den status civitatis niet op,
maar schorste dezen slechts. Hij die door deze deminutio getroffen
was, kon door eene wet in zijne vorige rechten hersteld worden,
restitutio in integrum.--De cap. dem. maxima was het verlies van den
status libertatis; men werd dan slaaf. Zij werd o. a. toegepast op de
incensi, d.w.z. op hen, die verzuimden zich bij de censoren aan te
geven, met het doel, krijgsdienst en belasting te ontduiken, op den
fur manifestus, den op heeterdaad betrapten dief, tenzij deze zich
vrijkocht, op den schuldenaar (den addictus, niet den nexus, z. a.),
die door zijne schuldeischers werd verkocht, in den tijd toen men nog
met zijn lijf voor zijne schulden aansprakelijk was, wat in 326 door
de lex Poetelia Papiria werd afgeschaft, op den veroordeelden burger,
die gegrepen en ter dood gebracht werd, enz.
Capito, familienaam, zie Ateii en Fonteii.
Capitolinus, familienaam, zie Manlii no. 2, 6-10.
Capitolinus mons, een der bergen van het oude Rome. In het midden was
deze berg lager dan aan de beide uiteinden. Op den Z.W. top was het
Capitolium, op den N. top de arx met den tempel van Juno Moneta. Bij de
derde uitbreiding der stad (zie Roma), toen de latijnsche gemeente van
den Palatinus zich met de sabijnsche van den Quirinalis vereenigde,
werd met het Forum ook de mons Capitolinus bij de stad getrokken en
versterkt. Hij lag echter buiten het pomoerium. Op het Capitolium
stond de groote driedubbele tempel van Jupiter Capitolinus, Juno en
Minerva. Het was een tempel met drie cellae; die van den god was in
het midden. Deze tempel werd door Tarquinius Priscus begonnen, door
Tarquinius Superbus voltooid en in 509 door den consul M. Horatius
Pulvillus ingewijd. Hij brandde driemaal af, in 83, 69 na C. en 80
na C., doch werd telkenmale herbouwd, de laatste maal door keizer
Domitianus, die er 12000 talenten aan besteedde; z. Templum. Het
Capitool was het heilige middelpunt van het rom. gebied; dáár
brachten de nieuwe consuls hun eerste offer en deden geloften voor het
welzijn van den staat; dáár offerde de zegepralende imperator, dáár
waren de orakelboeken, de wettafels, de veroverde vaandels geborgen,
enz. Behalve den reeds genoemden tempel worden op de daaromheen gelegen
ruimte, area Capitolina, nog een aantal andere heiligdommen vermeld:
de curia Calabra, vanwaar de pontifices maandelijks op de Kalendae
den feestkalender afkondigden, de tempels of tempeltjes van Jupiter
Feretrius, van Fides, Mens, Venus Erycina, Ops en andere, terwijl het
aantal beelden en gedenkteekenen zóó groot was, dat het heette: in
Capitolio deorum omnium simulacra colebantur. De inzinking tusschen
de beide toppen wordt een asylum genoemd. Sedert 192 was hier een
heiligdom van Veiovis, en aan de zijde van het forum vond men hier
later het Tabularium (z. a.). Naar het Capitool voerde een oploopende
weg, clivus Capitolinus, van het forum uit; doch men kon er ook van
den zuidwestkant komen langs een trap, in den berg uitgehouwen en
de centum gradus geheeten. Deze trap voerde naar een uitspringend
gedeelte, saxum Tarpeium, of rupes Tarpeia genoemd, waar oudtijds de
plebejische doodstraf werd voltrokken door de veroordeelden van de
rots in eene daaronder liggende diepte te werpen.
Capitolium. Zie Capitolinus mons.
Cappadocia, Kappadokia, gewest van Asia minor. Het oudste Cappadocia
strekte zich uit van den Halys tot aan Armenia langs den Pontus
Euxinus. Onder het perzisch bestuur werden de landstreken Garsauritis
en Cataonia er aan toegevoegd, zoodat het zich ten Z. tot aan het
Taurusgebergte uitstrekte; doch daarentegen werd het noordelijke deel
als afzonderlijke satrapie er af genomen, onder den naam Cappadocia
ad Pontum, waaruit later het koninkrijk Pontus is ontstaan. Het
binnenlandsche Cappadocia wist tijdens Alexander d. G. eene zekere
onafhankelijkheid te handhaven en bleef als koninkrijk bestaan, tot
het door Mithradates den Grooten, koning van Pontus, veroverd werd;
doch Pompeius gaf het in 65 aan Ariobarzanes terug. Het werd nu een
vasalstaat van Rome, tot Tiberius in 17 na C. er eene rom. provincie
van maakte. Tot welken stam de Cappadociërs behooren, is nog niet
uitgemaakt. Slechts weten we, dat reeds omstreeks 1800 de Cheta
(Chatti), de Hittiten van het Oude Testament, in Cappadocië, in het
tegenwoordige Boghazköi, ten O. van den Halys, het middelpunt van
hun rijk hebben gehad. Het noordelijkste distrikt van C., aan de
oevers van de rivieren Thermodon, Iris en Lycus, is door Assyriërs
gekoloniseerd, bij de Grieksche schrijvers Syrioi of Syroi, of ook
wel Leucosyriërs, Leukosyroi, genoemd, wegens hunne blanke kleur,
terwijl de eigenlijke Syriërs bruin van tint waren. Aan de kust lagen
vele grieksche volkplantingen, nederzettingen van Milete of faktorijen
van Sinope; de voornaamste zijn van W. naar O.: Amisus, Themiscyra,
Side (later Polemonium geheeten), Cotyora, twee steden Cerasus,
Tripolis en Trapezus. Zie verder Pontus. Het eigenlijke Cappadocië
was, evenals Armenia, een feudaalstaat. De hoofdstad was Mazaca aan
den berg Argaeus; ter eere van Tiberius werd de naam veranderd in
Caesarea (ad Argaeum).
Caprae of Capreae palus, de plaats op het Campus Martius, waar Romulus,
terwijl hij bezig was een contio te houden, onder storm en onweer
van de aarde was weggenomen (z. Quirinus). Ook later werden hier
contiones gehouden.
Capraria, het geiteneiland, nabij de etruscische kust, thans Capraja.
Capreae, Kapreai, thans Capri, eil. ten Z. van den sinus Cumanus
(golf v. Napels), het verblijf van keizer Tiberius in zijne laatste
levensjaren. Volgens de sage is het oudtijds bewoond geweest
door Teleboërs, onder koning Telon. Grieken uit Cumae hebben het
gekoloniseerd, en tot diep in den keizertijd sprak de bevolking
Grieksch.
Capricornus, Caper, Aigokeros, Pan, het sterrenbeeld de Steenbok,
voorbode van storm, oorspronkelijk een afstammeling van Aegipan met
horens, bokkepooten en een vischstaart, die met Zeus opgevoed was en
hem later in den strijd tegen de Titanen hielp door in een schelp
te blazen en zulk een vreeselijk geraas te maken, dat de vijanden
verschrikt op de vlucht gingen.
Caprotina, Capratina, bijnaam van Juno, waaronder zij te Falerii
e.e. vereerd werd. Te harer eere vierden de vrouwen op den 7den
Juli (Nonae Caprotinae, ancillarum feriae) een feest, waaraan ook de
slavinnen deelnamen, die zich daarbij vele vrijheden veroorloofden. Ter
verklaring van dit feest dient het volgende verhaal, dat aan een
fabula praetexta ontleend is: Kort na den gallischen oorlog trokken
de Latijnen tegen de Romeinen op en eischten van hen vrouwen ten
huwelijk. De Romeinen zonden hun slavinnen als vrije vrouwen gekleed,
die nu de vijanden bij een feestmaal dronken maakten en daarna van
den top van een wilden vijgeboom (Caprificus) een teeken gaven,
waarop de Romeinen de legerplaats overvielen en de vijanden doodden.
Capsa, stad in Numidia midden in eene zandwoestijn. Hier waren
Jugurtha's schatten geborgen. De plaats werd door Marius verwoest,
doch later herbouwd en behoorde sedert tot Byzacium.
Capua, Kapye, vroeger Vulturnum geheeten, voornaamste stad van
Campania. Door de Samnieten bedreigd, onderwierp het zich aan Rome
(zie Campania). De burgers kregen toen de civitas sine suffragio,
terwijl een gedeelte der rechtspraak in handen kwam van de praefecti
Capuam Cumas (sedert 318). Na den slag bij Cannae (216) verbond het
zich met Hannibal, doch werd na de inname (211) door de Romeinen
bloedig gestraft. Zeventig der aanzienlijkste burgers werden ter dood
gebracht, honderden in de gevangenis geworpen of als slaven verkocht,
een deel der bevolking werd over andere steden verdeeld, en alle
rechten en vrijheden aan de stad ontnomen. Het gemeentebestuur
werd opgeheven, het grondgebied verbeurd verklaard; op het land
langs zee werden twee col. civium Romanorum, Volturnum en Liternum,
gesticht, het andere land, de ager Campanus (zie Agrariae leges)
tot 59 geregeld verpacht. Door haar gunstige ligging bleef de stad
een van de bloeiendste en grootste steden van Italië. Sedert 58 had
zij weer een gemeentebestuur.
Caput is de rechtspersoonlijkheid van den rom. burger (zie capitis
deminutio). Deze beteekenis heeft dit woord ook in de uitdrukking
capite of capitis damnari.
Capys, 1) grootvader van Aeneas (z. Aeneas).--2) tochtgenoot van
Aeneas, volgens de sage stichter van Capua.
Caracalla (M. Aurelius Antoninus Bassianus), sedert zijn benoeming tot
Caesar in 196 n. C. ook M. Aurelius Antoninus geheeten, zoon van keizer
Septimius Severus en Julia Domna, volgde met zijn broeder P. Septimius
Antoninus Geta zijn vader in 211 op. Het leger had beide broeders
slechts te zamen als keizers willen erkennen, hoewel reeds bij huns
vaders leven een doodelijke haat tusschen hen heerschte. In 212 stak
Caracalla zijn broeder in de armen hunner moeder dood, en veroordeelde
den beroemden rechtsgeleerde Papinianus, die zijne afkeuring te
kennen gaf, ook ter dood. Vervolgens trok hij op dolzinnige wijze het
rijk door, hier oorlogende (z. Alemanni), daar zijn eigen onderdanen
uitplunderende, tot hij eindelijk in 217 door zijn praefectus praetorio
Macrinus te Edessa in Mesopotamia werd omgebracht. Caracalla gaf
in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht, ten einde ook in de
provinciën de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pct.,
te kunnen innen en aldus de ontvangsten der keizerlijke schatkist
te verhoogen. De bijnaam Caracalla is ontleend aan het kleedingstuk
van dien naam, een gallischen mantel, dien de keizer droeg. Door
Caracalla zijn de beroemde Thermae Antoninianae aangelegd, waarvan
nog belangrijke ruïnen over zijn (zie Thermae).
Caractacus, een dapper vorst der Silures in Britannia, zoon van
koning Cunobelinus, voerde oorlog met de Romeinen, en werd door
de met hen bevriende Cartismandua, koningin der Brigantes, aan hen
uitgeleverd. Keizer Claudius liet hem naar Rome voeren, doch schonk
hem toen de vrijheid terug, 51 na C.
Caralis, Karalis, thans Cagliari, hoofdstad van het eiland Sardinia,
aan den Zuidkant gelegen.
Carambis, Karambis, stad en kaap in Paphlagonia.
Caranus, Karanos, 1) Heraclide uit Argos, die omstreeks 750
met eene argivische kolonie Edessa innam en de stichter van het
macedonische rijk werd; de latere koningen van dit rijk noemden hem
hun stamvader.--2) zoon van Philippus en Cleopatra, die door Olympias
gedood werd.--3) veldheer van Alexander in den oorlog tegen Perzië.
Caratacus = Caractacus.
Carausius, door Diocletianus belast met eene vloot de gallische kust
tegen frankische en saksische zeeroovers te verdedigen, voer naar
Britannia en liet zich daar tot Augustus uitroepen, 286 na C. Hij
handhaafde zich, tot hij in 293 vermoord werd.
Carbatinae of Carpatinae, Karbatinai, Karpatinai, grove schoenen, uit
één stuk leder vervaardigd en met kruisbanden om het been bevestigd.
Carbo, familienaam in de gens Papiria. Zie Papirii no. 11-14.
Carcaso, stad van de Volcae Tectosages in Gallia Narbonensis, thans
Carcassonne.
Carcer. De carcer Mamertinus, te Rome aan het forum gelegen, bestond
uit drie verdiepingen, waarvan slechts ééne boven den beganen grond
was. Hier werden de licht gestrafte gevangenen in hechtenis gehouden
(custodia communis). De middelste verdieping was een onderaardsch
gewelf, waartoe slechts eene opening in de zoldering toegang verleende
en waarin men geketend de zware gevangenisstraf onderging (custodia
arcta). Daaronder lag een nog afgrijselijker kerkerhol, evenzeer alleen
met eene opening van boven, waarin de doodstraf werd voltrokken. Dit
gedeelte, dat het oudste was, werd ook Tullianum geheeten, omdat het
vroeger gediend had als vergaarbak voor het water, dat daar uit de
rotsen zijpelde. Dáár stierf Jugurtha den hongerdood. Daar werden ook
Lentulus (Cornelii no. 48) en de 4 andere Catilinarii gewurgd. Ook in
andere plaatsen schijnen de kerkers op deze wijze ingericht geweest
te zijn; althans in dien van Herculaneum heeft men de sporen van twee
ondergrondsche verdiepingen ontdekt.
Carceres, de stallen aan den ingang van den circus, waarin de
wagenmenners, op de bespannen wagens staande, het sein tot den wedren
afwachtten. Figuurlijk beteekent carceres ook het begin van iemands
loopbaan: a carceribus = van den beginne af. Zie ook calx.
Carcinus, Karkinos, van Agrigentum, vestigde zich te Athene als
treurspeldichter; zijne werken vonden echter evenmin bijval als die
van zijne vier zonen. Zijn kleinzoon, de jongere Carcinus, leefde
langen tijd aan het hof van Dionysius van Syracusae; met zijne 160
stukken behaalde hij elf maal een prijs.
Cardamyle, Kardamyle, 1º. stad aan de Oostzijde van de golf van
Messene.--2º. stad in het N. van Chius.
Cardea, Carda, eene nimf die door Janus bemind werd, en door hem
tot godin der deurhengsels, dus ook van huis en huisgezin, verheven
werd. Ook beschermde zij kleine kinderen tegen den invloed van booze
geesten.
Cardia, Kardia, stad van de thracische Chersonesus, aan den sinus
Melas, kolonie van de Milesiërs, geboorteplaats van koning Eumenes. De
bewoners werden met die van Pactye in 309/308 door Lysimachus naar
zijn nieuwe hoofdstad Lysimachia (z. a.) overgebracht.
Cardo. De deuren der rom. huizen hingen niet in scharnieren, maar
draaiden op uitstekende pennen, die in bussen sloten, welke in den
boven- en den onderdorpel van het deurkozijn waren ingelaten. Deze
pennen heetten cardines.--Cardo heet ook de lijn, die de augur bij
het nemen der auspiciën van het N. naar het Z. trok. Zie auguria. De
Rom. hadden ook eene godin der deurhengsels, Cardea.
Carduchi, Kardouchoi, thans Koerden, een machtig en krijgshaftig
armenisch bergvolk, in welks bergen de Perzen zich niet waagden,
toen de 10000 Grieken er binnentrokken.
Carfulenus (D.), rom. senator, aanhanger van Caesar en tegenstander
van Antonius; hij streed samen met Pansa in den mutinensischen oorlog
bij Forum Gallorum tegen Antonius; of hij, zooals het eerste bericht
luidde, daar gesneuveld is, is niet zeker.
Caria, het zuidwestelijkste landschap van Klein-Azië, aan de kust
bezet met grieksche volkplantingen, waarvan Halicarnassus en Cnidus
de voornaamste waren. De Cariërs hadden oudtijds een groot gedeelte
der eilanden van de Aegaeïsche zee in bezit en dreven zeeroof,
totdat zij door de Grieken en vooral door koning Minos van Creta uit
de eilandzee verdreven werden. Zij bleven echter een ruw, roofziek
volk, wel geschikt voor huursoldaten, doch omkoopbaar. De Kares,
Kretes, en Kappadokes werden door de Grieken ta tria Kappa kakista
genoemd. De Westkust van Caria is bezet met ionische koloniën, waarvan
Priene en Miletus de voornaamste zijn en Iassus de zuidelijkste is:
de Zuidwestkust en de vóórliggende eilanden hebben een dorische
bevolking. In de 4de eeuw maakte Mausolus, de vorst van Carië, zich
onafhankelijk van Perzië, en verlegde zijne residentie van Mylasa
naar Halicarnassus (z.a.).
Carinae, voorname wijk te Rome, tusschen den mons Esquilinus en den
mons Caelius.
Carinus (M. Aurelius), keizer van Rome, 283-285 na C., zoon en opvolger
van Carus. Hij was om zijne buitensporigheden en wreedheid gehaat
en werd vermoord, na de nederlaag, die hij Diocletianus in Moesia
toegebracht had.
Caristia (Charistia) of Cara Cognatio. Op den 22sten Februari, den dag
na de feesten der Feralia (z. a.) of Parentalia, vierde men te Rome
dit familiefeest, waarbij de bloedverwanten voor een feestmaaltijd
bijeenkwamen.
Carmania, Karmania, thans Kerman, perzisch gewest aan de Perzische
golf. Herodotus noemt de bewoners Germanioi.
Carmelus, Karmelos, thans Carmel = wijnberg, gebergte en kaap op de
kust van Palaestina ten Z. van Ace (Ptolemaïs). Ook de hoogste top
van den Antilibanus droeg dezen naam.
Carmenta, eene van de Camenae, moeder van Euander, wien zij de
toekomstige grootheid van Rome voorspelde. Zij had een heiligdom
aan de Porta Carmentalis, bloedige offers werden haar niet gebracht,
en het was verboden iets van leder in den tempel te brengen. Op haar
feest, de Carmentalia (11 en 15 Januari), werd zij als beschermster
van barende vrouwen onder de namen Postvorta en Antevorta, Porrima
of Prorsa aangeroepen.
Carmentalis (porta), poort te Rome aan den voet van den mons
Capitolinus. Door den rechter doorgang (dexter Janus) van deze poort
zijn de Fabii uitgetrokken naar de Cremera. Daarom gebruikte men
dezen doorgang niet, en heet de poort scelerata.
Carmo of Carmona, stad in Baetica tusschen Hispalis (Sevilla)
en Astigi.
Carna, eene godin, aan wie als doodenoffer boonenmeel geofferd werd op
den 1sten Juni, die daarnaar Kalendae Fabariae genoemd wordt. Het feest
heette Carnaria. Zie omtrent de andere doodenfeesten onder Lemures.
Carnabon, koning der Geten. Toen Triptolemus in zijn rijk kwam om er
den landbouw in te voeren, behandelde C. hem vijandig en doodde hij
een van zijne draken. Daarom veranderde Demeter hem in een slang.
Carneades, Karneades, van Cyrene, 213-129, stichter der derde of
nieuwe academie en hevig bestrijder der stoicijnsche leer, waarvan
hij vroeger een aanhanger was geweest. Volgens hem kan men door
zinnelijke waarneming slechts waarschijnlijkheid, nooit waarheid,
bereiken, en moesten dus de kenmerken der waarheid elders gezocht
worden. In 155 werd hij met Critolaus en Diogenes door de Atheners
naar Rome gezonden, om vrijstelling van eene opgelegde boete te vragen,
en zijne scherpzinnigheid en welsprekendheid vond ook bij de Romeinen
grooten bijval.
Carneus, Karneios, bijnaam van Apollo, onder welken hij bij verscheiden
dorische stammen vereerd werd. De Spartanen geloofden, dat zij door
dezen god naar de Peloponnesus teruggebracht waren en vierden ter
herinnering daaraan jaarlijks in de maand Carneus (Aug.-Sept.) een
groot feest (Karneia), waarbij zij steeds gewapend waren en over het
geheel het leven in den oorlog nagebootst werd.
Carni, Karnoi, keltisch bergvolk in den N. O. hoek van Cisalpina,
aan de Carnische Alpen. In hun gebied lagen de steden Julium Carnicum,
Tergeste en Aquileia.
Carnifex of carnufex, de scherprechter, een servus publicus, die de
doodstraf aan vreemdelingen en slaven voltrok. Aan rom. burgers werd
deze straf voltrokken door een lictor.
Carnuntum, Karnous, Karnouton, aan den Donau, in Pannonia, belangrijk
als vesting, garnizoensplaats en ligplaats der Donau-vloot.
Carnutes of Carnuti, machtige stam in het hart van Gallia, met
de hoofdstad Genabum of Cenabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani
civitas. In het gebied der Carnuten hielden de Druïden jaarlijks
hunne plechtige rechtszitting.
Carocotinum, z. Caletes.
Carpates of Alpes Bastarnicae, thans Karpathen.
Carpathus, Karpathos, eiland in de daarnaar genoemde Carpathische
zee tusschen Creta en Rhodus. De zeegod Proteus hield daar verblijf
en wordt bij dichters wel Carpathius vates genoemd.
Carpentum, een tweewielig rijtuig met een kap of huif voorzien. Een
carpentum funebre was een tweewielige, rondom gesloten lijkwagen.
Carpesii of Carpetani, Karpetanoi, machtig volk in Hispania
Tarraconensis, met de hoofdstad Toletum (Toledo).
Carpi, dacische volksstam tusschen den Donau en het westelijke
gedeelte der Karpathen, die naar dit volk genoemd zijn. In de 3de
eeuw n. C. treden ze meestal op aan den Beneden-Donau, en verwoesten
vaak in vereeniging met de Gothen Moesia en Thracië.
Carrae of Carrhae, Karrai, in het O. T. Charan of Haran, stad in
Mesopotamia, waar Crassus tegen de Parthen sneuvelde (53).
Carrinas, plebejische familie. 1) C. Carrinas komt in den eersten
burgeroorlog 83/82 als een van de aanvoerders der Mariani voor. Na
den slag bij de porta Collina (Nov.82) werd hij gevangen genomen en op
last van Sulla ter dood gebracht.--2) C. Carrinas, consul in 43, zoon
van no. 1, komt in den tweeden burgeroorlog als aanhanger van Caesar
voor; later is hij een aanhanger van Octavianus, en voert o. a. oorlog
tegen S. Pompeius (36); als proconsul van Gallië onderwerpt hij in
30 de Morini.--3) Carrinas Secundus, rhetor door Caligula in 39
n. C. verbannen, pleegde zelfmoord in de ballingschap te Athene,
omdat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.--4) C. Carrinas
Secundus, zoon van no. 3, werd in 64 n. C. door Nero uitgezonden,
om in Griekenland geld in te zamelen.
Carroballista, ballista of blijde op twee wielen en door paarden
getrokken.
Carruca, vierwielig staatsierijtuig, ook wel als reisrijtuig gebruikt
(fr. carrosse).
Carseoli of Carsioli, stad in het land der Aequi, sedert 298 latijnsche
kolonie.
Carsulae, stad in het Zuiden van Umbria bij Ameria.
Carsus, Karsos, riviertje in het O. van Cilicië, bij de Syrische
poorten, tusschen Issi (Issus) en Myriandus.
Carteia, Karteia, belangrijke phoenicische volksplanting nabij het
fretum Gaditanum of Herculis (straat van Gibraltar), sedert 171
lat. kolonie. Bij Carteia versloeg Caesar in 45 de broeders Sextus
en Cn. Pompeius.
Carthaea, Karthaia, stad aan de Z.-zijde van het eiland Ceos.