Calpurnii, een plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën

Piso, Bestia, en Bibulus behoorden. 1) C. Calpurnius Piso overwon

als propraetor (185) in Hispania de Lusitaniërs en Celtiberiërs

en hield in 184 een triumftocht.--2) L. Calpurnius Piso, om zijne

onkreukbare rechtschapenheid Frugi bijgenaamd, volkstribuun in 149,

z. Calpurnia (lex) de repetundis. In 136 streed hij als praetor,

in 133 als consul zonder veel gevolg tegen de opgestane slaven op

Sicilia. Hij schreef annales, die Livius nog gekend heeft, en die

de rom. geschiedenis van Aeneas' aankomst in Italia tot op zijn

eigen tijd behelsden.--3) L. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 2,

diende met eer onder zijn vader in den slavenoorlog (133), en stierf

als stadhouder van Hispania (112).--4) Cn. Calpurnius Piso, aanhanger

van Catilina, in 65 als quaestor pro praetore naar Hispania gezonden,

werd door spaansche ruiters, die in zijn leger dienden, omgebracht

(64).--5) M. Calpurnius Piso streed onder Pompeius tegen Mithradates

en was in 61 consul. Hij was door zekeren Pupius geadopteerd en heette

toen M. Pupius Piso Calpurnianus of M. Pupius Piso Frugi. Hij was een

goed redenaar.--6) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 5, was een echt

republikein en streed na Caesars dood onder Brutus en Cassius. In 23

was hij consul.--7) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 6, had met groote

hardheid het stadhouderschap over Hispania gevoerd, en werd later

(18 n. C.) door keizer Tiberius naar Syria gezonden, waar de dood

van Germanicus (10 Oct. 19) op zijne rekening werd gesteld. Piso,

die het bericht van Germanicus' dood te Cos ontving, keerde naar

Syria terug, en wilde met geweld zich weder van de provincie meester

maken. De beschuldiging, dat hij G. zou vergiftigd hebben, kon hij,

voor den senaat ter verantwoording geroepen, gemakkelijk weerleggen,

niet echter het feit, dat hij met geweld zich van de prov. Syria had

willen meester maken. Derhalve vond men hem met afgesneden hals in zijn

bed.--8) L. Calpurnius Piso Caesoninus, consul in 112, sneuvelde in

107 als legaat samen met den consul L. Cassius Longinus (Cassii no. 3)

tegen de Tiguriners, een deel der Helvetiërs.--9) L. Calpurnius Piso

Caesoninus, kleinzoon van no. 8, werd de schoonvader van Caesar, met

wiens hulp hij in 58 consul werd. Hij was een tegenstander van Cicero,

van wien nog eene redevoering in L. Pisonem bestaat.--10) L. Calpurnius

Piso Frugi, een zeer rechtschapen man, praetor tegelijk met Verres,

wiens tegenstander hij was. Hij was een vriend van Cicero.--11)

C. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 10, verloofde zich in

66 met Cicero's dochter Tullia, en ijverde in 57 voor Cicero's

terugroeping. Hij stierf nog voordat Cicero uit de ballingschap

teruggekeerd was.--12) C. Calpurnius Piso, smeedde eene samenzwering

tegen Nero en bracht zich zelf om, toen zij ontdekt was (65 n. C.)--13)

C. Calpurnius Piso Licinianus, door keizer Galba tot zijn opvolger

bestemd, werd door de lijfwacht vermoord.--14) L. Calpurnius Bestia,

volkstribuun in 121, z. Calpurnia (lex). In 111 was hij consul;

hij voerde in Africa oorlog tegen Jugurtha, maar liet zich weldra

omkoopen, en sloot een onvoordeeligen vrede met hem. Hij werd hiervoor

later veroordeeld.--15) L. Calpurnius Bestia, aanhanger van Catilina

en Cicero's vijand.--16) Een andere L. Calpurnius Bestia werd in 56

door Cicero verdedigd tegen eene aanklacht wegens ambitus. De oratio

pro Bestia is verloren.--17) M. Calpurnius Bibulus was tegelijk met

Caesar aedilis in 65, praetor in 62, consul in 59. Hij was een van de

voorvechters der aristocratie, doch tegen Caesar niet opgewassen. In

51 verwierf hij zich als stadhouder van Syria grooten naam door zijn

uitstekend bestuur. In den burgeroorlog voerde hij het bevel over

Pompeius' vloot.--18) M. Calpurnius Bibulus, jongste zoon van no. 17,

streed bij Philippi onder Brutus, was later legaat van Antonius in

Syria, waar hij stierf (32).

Calumnia, het opzettelijk doen eener valsche aanklacht tegen een

onschuldige. Actio calumniae is de actie, die de vrijgesproken

beklaagde tegen den valschen aanklager kan instellen, iusiurandum

calumniae de eed van den aanklager, dat hij werkelijk zijne tegenpartij

schuldig acht en de aanklacht te goeder trouw doet. Wie van calumnia

overtuigd werd, kreeg een letter (waarschijnlijk K) op het voorhoofd

ingebrand, volgens eene lex Remmia, onzeker van wien en van welk jaar.

Calva, bijnaam van Venus; onder dezen naam werd haar een tempel gewijd,

toen in den gallischen oorlog de rom. vrouwen zich de haren afsneden om

pezen voor de bogen te laten maken. V. a. beteekent Calva de grillige

of bedriegelijke.

Calvatica = Calantica.

Calvinus, familienaam in meer dan ééne gens: 1) Cn. Domitius Calvinus,

tijdgenoot van Caesar, zie Domitii no. 15.--2) C. Sextius Calvinus,

zie Sextii no. 3.--3) T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.--4)

D. Caelius Calvinus Balbinus, zie Balbinus.

Calvisii. 1) C. Calvisius Sabinus was in den burgeroorlog legaat

van Caesar en bestuurde vervolgens Africa (45). Na Caesars dood zond

Antonius hem naar zijn stadhouderschap terug, doch de senaat droeg

Africa op aan Q. Cornificius, zoodat Calvisius van de provincie

geen bezit kon nemen. In 39 was hij consul, in 38 admiraal van de

vloot van Octavianus in den oorlog tegen S. Pompeius, maar werd in

37 afgezet.--2) een andere C. Calvisius Sabinus, oud-consul, komt

onder de slachtoffers van Caligula voor (39 n. C.).

Calvus, familienaam in de gens Licinia. Voor den dichter Calvus

z. Licinii no. 6. Ook komt Calvus (= kaal) als agnomen nog elders voor,

b.v. in de familie der Metelli (Caecilii no. 7 en 12).

Calx, de witte streep in de renbaan, die het einde van den te

doorloopen afstand aanwees. Dit woord wordt veel in figuurlijke

uitdrukkingen gebezigd, b.v. ad calcem pervenire = zijn doel bereiken,

extra calcem excurrere = zijn doel voorbijstreven, a calce ad carceres

revocari = opnieuw van voren af moeten beginnen.

Calycadnus, Kalykadnos, rivier in Cilicia bij Corycus uitmondend.

Calydnae, Kalydnai, twee eilandjes op de kust van Troas. Ook eene

groep eilanden aan de kust van Caria, waarvan het grootste, Calydna,

later Calymna werd geheeten en om zijn geurigen honig bekend was.

Calydnus = Calycadnus.

Calydon, Kalydon, oude stad in Aetolia aan den Euenus, het meest

bekend door de mythe van het calydonische everzwijn en Meleager. Bij

de rom. dichters is Calydonis = Deïanira, de dochter van koning

Oeneus, Calydonius heros = Oeneus' zoon Meleager, Calydonius amnis

= de Achelous, Calydonia regna = Apulia in Italia, omdat Oeneus'

kleinzoon Diomedes daar een rijk stichtte.

Calydonische jacht. Bij gelegenheid van een oogstfeest had Oeneus,

koning van Calydon, aan alle goden en godinnen offers gebracht,

maar Artemis vergeten. Deze zond daarop een reusachtig everzwijn,

dat het land verwoestte en ook voor menschen onveilig maakte. Ten

einde dit monster met vereende krachten te bestrijden, riep Meleager

nu de helden van Griekenland op tot eene gemeenschappelijke jacht,

en onder de velen, die aan zijne uitnoodiging gehoor gaven, waren de

Dioscuren, Theseus met Pirithoüs, Telamon en Peleus, Iason, Atalante,

enz. De eerste wonde werd het dier toegebracht door Atalante, daarna

vielen echter verscheiden helden, totdat Meleager het zwijn door

een speerworp doodelijk trof, waarna de overigen het afmaakten. Aan

Meleager werden als eereprijs de kop en huid toegewezen.

Calymna, zie Calydnae.

Calynda, Kalynda, stad in Caria, dicht bij Lycia.

Calypso, Kalypso, dochter van Atlas of van Oceanus of van Nereus,

eene nimf die ver van goden en menschen op het eiland Ogygia in een

prachtige grot woonde. Aan Odysseus, die na een schipbreuk op haar

eiland landde, beloofde zij de onsterfelijkheid en eeuwige jeugd,

indien hij altijd bij haar wilde blijven, en inderdaad gelukte het

haar hem zeven jaar lang bij zich te houden. Maar eindelijk kregen

de goden medelijden met den held, die door heimwee verteerd werd, en

Hermes bracht aan Calypso het bevel hem te laten gaan. Bij Odysseus

had zij twee zonen: Nausithoüs en Nausinoüs.

Camalodunum (ook Camulod. en Camald.), hoofdstad der Trinobanten en

eerste rom. kolonie in Britannia, thans Colchester.

Camarina, Kamarina, stad op de Zuidkust van Sicilia, kolonie van

Syracusae, gesticht in 599. Aan de eene zijde was de stad gedekt

door een moeras, dat denzelfden naam droeg als de stad. Uithoofde

van de ongezonde uitwasemingen wilden de inwoners dit moeras

droog leggen. Zij raadpleegden echter vooraf het orakel, dat het

volgende antwoord gaf: me kinei Kamarinan, akinetos gar ameinon. De

raad werd in den wind geslagen, en de stad werd spoedig daarna,

juist van den kant waar vroeger het moeras gelegen had, door den

vijand veroverd. Vandaar het spreekwoord me kinei Kamarinan, van

zaken, waaraan men niet moet roeren. De stad is verscheidene malen

vernietigd, maar weder opgebouwd. In 552 door de Syracusanen, omdat

de stad zich onafhankelijk wilde maken; in 492 door Hippocrates van

Gela herbouwd, in 484 door Gelo opgeheven; in 461 werden de verdreven

burgers teruggebracht. Tijdens den Peloponnesischen oorlog verhuisde

het grootste deel van de bevolking naar Leontini. In 399 herbouwd

door Timoleon, werd C. in 258 voor goed vernietigd door de Romeinen.

Cambunii montes, Kambounia ore, bergketen op de grenzen van Macedonia

en Thessalia.

Cambyses, Kambyses, zoon en opvolger van Cyrus, koning van Perzië,

529-522. Terstond na het aanvaarden der regeering trok hij naar

Aegypte, dat hij in 527 onderwierp; op een tocht naar Aethiopië,

dien hij van hier uit ondernam, werd wel Meroë onderworpen, de

eigenlijke onderneming mislukte echter door gebrek aan levensmiddelen,

terwijl een groot deel van zijn leger in de libysche woestijn door

watergebrek omkwam of door zandstormen bedolven werd. Hoewel hij de

Aegyptenaren aanvankelijk zachtmoedig behandeld en hun godsdienst

geëerbiedigd had, kwam na het mislukken van zijne onderneming tegen

Aethiopië zijn achterdochtige en wreede aard boven, en maakte hem

tot een dwingeland, die in Aegypte een waar schrikbewind uitoefende,

in dronkenschap aanzienlijke mannen en vooral priesters liet dooden,

en den godsdienst van het volk voortdurend bespotte. Op het bericht

van een opstand in Perzië, waar een magiër, zich uitgevend voor

Smerdis, den broeder van Camb., dien deze bij het begin zijner

regeering heimelijk had laten dooden, zich van de regeering had

meester gemaakt, nam hij den terugtocht aan, maar te Hamath in Syrië

had hij het ongeluk zich bij het bestijgen van zijn paard met zijn

eigen zwaard een doodelijke wonde toe te brengen. V. a. had hij, bij

het hooren dat de omwenteling in Perzië gelukt was, zichzelven gedood.

Camenae, Casmenae, Carmenae, waarzeggende bronnimfen in Italië, later

geïdentificeerd met de Muzen. Oorspronkelijk schijnen het godinnen

geweest te zijn, die door het zingen van tooverformulieren het baren

der vrouwen gemakkelijk maakten. De dienst der Camenae, die te Rome

samen met Egeria een heilig bosch voor de Porta Capena hadden, was,

naar men meende, door Euander ingevoerd.

Cameria of -rium, oude, verdwenen stad in Latium.

Camerinum, vroeger Camers, Kamarinon, machtige umbrische bergstad op

de grenzen van Picenum. De inwoners heetten Camertes.

Camerinus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius. Ook komt Camerinus als

familienaam voor o. a. in de gens Sulpicia, klaarblijkelijk ontleend

aan Cameria als plaats van afkomst.

Camers = Clusium.

Camicus, Kamikos, stad op Sicilia dicht bij Agrigentum.

Camilla, dochter van koning Metabus uit de volscische stad Privernum,

door haar vader opgeleid als oorlogsheldin en jageres. Zij stond

Turnus bij in den oorlog tegen Aeneas en kwam in den strijd om.

Camilli en -lae, knapen en meisjes van aanzienlijken huize, die bij

godsdienstige plechtigheden den flamen Dialis en misschien ook anderen

priesters ter zijde stonden.

Camillus, familienaam, zie Furii no. 9-14.

Camirus, Kameiros, dorische stad op het eiland Rhodus. Zie ook Ialysus.

Campania, Kampania, landschap van Midden-Italia, aan de Tyrrheensche

zee. De naam Campania beteekent vlakte, evenals in het Fransch de naam

Champagne, en de tegenwoordige Campagna di Roma. Oorspronkelijk was de

naam ager Campanus. Met uitzondering van het moerassige noordwestelijke

kustland was het klimaat zacht en de bodem vruchtbaar. Als oudste

bewoners worden de Osci, Opikoi, genoemd, tot hen hoorden ook de

Aurunci (Ausones) en de Sidicini. Dan zetten Grieken zich neer in

Cumae, Dicaearchia (later Puteoli), Neapolis en Pompeii. In de zesde

eeuw (± 520) werd het land vermeesterd door de Etruscers, die daar een

bond van steden stichtten, waarvan Capua en Nola de voornaamste waren;

doch het heerlijke klimaat en de rijke bodem maakte de veroveraars

verwijfd, en zij moesten zwichten voor de Samnieten, die in het midden

van de vijfde eeuw Campania veroverden (Capua viel in 443, Cumae in 421

in hun handen), en zich met de oorspronkelijke bewoners vermengden. In

de vijfde en vierde eeuw dienen deze Kampanoi als huursoldaten in de

grieksche legers. Aan het hoofd van iedere bondsstad staat een meddix,

aan het hoofd van den bond een meddix tuticus. De voornaamste stad was

Capua. Ook deze veroveraars ondergingen den invloed van het klimaat

en waren op hunne beurt niet meer opgewassen tegen een aanval van

andere samnietische volken, zoodat Capua zich in 338 in de armen

van Rome wierp. Zóó ontstonden de rom.-samnietische oorlogen, die

in 272 met de onderwerping van Samnium eindigden. Vóór dien tijd was

Campania reeds geheel ingelijfd; in 318 werd de ager Falernus onder

rom. burgers verdeeld; verder werden er kolonisten gebracht naar

Cales (334), Suessa (313), Sinuessa (296). Als bondgenoot van Rome

genoot Capua met zijne omstreken, den ager Campanus (ten Zuiden van

de rivier Volturnus), groote voorrechten, doch daar het met andere

campaansche steden in den tweeden punischen oorlog de partij van

Hannibal had gekozen (216), werd het na de herovering (211) uiterst

zwaar gestraft en van alle zelfstandigheid beroofd. Campania telde

een aantal van de fraaiste en schoonst gelegen steden van Italia en

was als bezaaid met lustverblijven van aanzienlijke Romeinen, vooral

aan de golf van Napels, waar men o. a. de steden Baiae, Neapolis,

Herculaneum, Pompeii had, te midden van een lusthof van wijnbergen,

olijfboschjes en korenvelden.

Campanus morbus, hoornachtige uitwassen of groote wratten, vooral aan

het voorhoofd, die, naar het schijnt, in Campania veel voorkwamen en

nog voorkomen.

Campe, Kampe, een monster, dat op bevel van Uranus de Cyclopen in de

onderwereld bewaakte, en later door Zeus gedood werd, toen hij die

gevangenen bevrijdde.

Campi Diomedis, vlakte in Apulia tusschen Arpi en Cannae.

Campi lapidei, vlakte in den omtrek van Massilia (Marseille), met

keisteenen bedekt ter grootte van een vuist. Daartusschen wies gras.

Campi macri, Makroi Kampoi, vlakte in Cisalpina tusschen Parma en

Mutina (Modena).

Campi Phlegraei, vulkanische vlakte in Campania tusschen Capua

en Cumae.

Campi Raudii, vlakte in Transpadana, aan den Padus (Po), bij

Vercellae. Hier versloeg Marius de Cimbren, in 101.

Campus Martius, ook wel kortweg Campus, het veld, genoemd, een groot

veld buiten het oude Rome tusschen den collis Quirinalis, den mons

Palatinus en den Tiber. Het was aan Mars geheiligd en werd gebruikt

voor openbare spelen, monstering van troepen, lichaamsoefeningen,

paardrijden, volksvergaderingen (de comitia centuriata werden hier

gehouden) en dgl. Het lag eerst buiten de stad, doch werd allengs

met prachtige gebouwen en uitspanningsplaatsen versierd, vooral

onder de regeering van Augustus, die er de 9de stadswijk of regio

van maakte. Aurelianus trok het Marsveld binnen den stadsmuur.

Campus Spartarius, de vlakte bij Carthago nova (Carthagena), aldus

genoemd naar het daar groeiende esparto-gras, dat de Carthagers tot

scheepstouw verwerkten.

Camulodunum, zie Camalodunum.

Canabae, de burgerlijke nederzetting die zich bij elk vast Romeinsch

kamp bevindt, en dikwijls, vooral aan den Rijn, tot een stad uitgroeit.

Canace, Kanake, dochter van Aeolus en Enarete, werd door Poseidon

bemind en baarde hem verscheiden zonen. Toen zij echter verliefd

werd op haar eigen broeder Macareus, verliet Poseidon haar en werd

zij door haar vader gedood of tot zelfmoord gedwongen.

Canachus, Kanachos, van Sicyon, beroemd beeldhouwer uit de 6de eeuw,

vooral zijn standbeeld van Apollo te Didyma wordt geprezen.

Canastraeum, Kanastron, kaap op Pallene, de westelijke landtong

van Chalcidice.

Cancer, Karkinos, het sterrenbeeld de Kreeft; deze kreeft was door

Hera onder de sterren verplaatst, omdat zij de hydra van Lerna tegen

Heracles had geholpen, door dezen in den voet te bijten.

Candace, Kandake, koningin van Napata, die in 24 een inval in Aegypte

deed, maar door den romeinschen stadhouder Petronius teruggeslagen

werd. Zie verder Napata.

Candaules, Kandaules, de laatste lydische koning uit het geslacht

der Heracliden, zie Gyges.

Candavia mons, bergstreek op de oostelijke grenzen van Illyria. De

via Egnatia liep er door.

Candela, candelabrum. Voordat olielampen bekend waren, gebruikten de

Romeinen kaarsen, candelae, waarvan de pit uit een bies bestond. De

kandelaar heette candelabrum. Toen echter, althans in de huizen

der gegoeden, de kaarsen door de lampen werden verdrongen, werden

de candelabra ingericht om lampen op te zetten of aan kettinkjes

op te hangen. Zij werden toen zóó hoog, dat men ze niet op tafel,

maar op den grond plaatste. Deze lampenstandaards zijn in groote

verscheidenheid van vorm en versiering bij opgravingen gevonden.

Candidatus. Wie te Rome naar eenig openbaar ambt wilde dingen,

waarvan de begeving aan de volksvergadering stond, begaf zich naar

den overheidspersoon, die de comitiën zou leiden en verzocht dezen,

zijn naam op de lijst der mededingers te brengen. Deze aangifte heette

nomen profiteri. De magistraat behoorde dan te onderzoeken, of de

persoon, die zich aanmeldde, op dat oogenblik verkiesbaar was. Zoo

ja, dan behoorde hij aan diens verzoek te voldoen, rationem eius

habere. Het volk namelijk kon alleen geldige stemmen uitbrengen op hen,

die op de lijst waren opgenomen. Dezen kleedden zich nu in eene toga,

die in krijtwater gewasschen en dus helder wit was, toga candida, en

werden hiernaar candidati genoemd, en bezochten van nu af dagelijks

het forum, om zich bij de kiezers aan te bevelen. Zie ook nomenclator.

Candidatus principis. Evenals vroeger sommige ambtenaren door

aanzienlijke personen werden aanbevolen, zoo placht Augustus sommige

candidaten persoonlijk bij het volk aan te bevelen. Deze gewoonte

werd ook door de volgende keizers in acht genomen; zij wezen dan

onder de candidati enkelen aan, die moesten gekozen worden. De

verkiezingen hadden sedert Tiberius in den senaat plaats. Van de

quaestores wijst de keizer er twee aan, de quaestores Augusti, die

geregeld candidati principis geheeten worden. Deze quaestoren waren

zoo ongeveer secretarissen en adjudanten van den keizer en moesten

o. a. de keizerlijke boodschappen en brieven in den senaat voorlezen.

Canephori, Kanephoroi, jonge meisjes uit de edelste familiën, die te

Athene bij sommige processiën korfjes met heilige offergereedschappen,

enz. op het hoofd droegen.

Canicula, zie Canis Maior.

Canidia, een tooverkol en giftmengster, die door Horatius in zijne

gedichten (vooral de Epoden) bespot en aan de kaak gesteld wordt. Haar

eigenlijke naam is Gratidia.

Canidius Crassus (P.), legaat van Lepidus, wist in 43 na Caesars dood

het leger van Lepidus op de hand van Antonius te brengen. Later diende

hij onder Antonius in Azië en in den slag bij Actium. Octavianus liet

hem in Aegypte, waarheen hij gevlucht was, ter dood brengen.

Caninefates, een stam, die tot de Batavieren behoorde en aan de kust

der tegenw. provincie Noord-Holland woonde, in het tegenwoordige

Kennemerland. Zij namen ook deel aan den opstand onder Civilis. Zij

werden niet tegelijk met de Batavieren in het rijk opgenomen, maar

eerst onder keizer Tiberius onderworpen.

Caninii, plebejisch geslacht. 1) M. Caninius Rebilus was in 170

rom. gezant bij Perseus van Macedonia.--2) C. Caninius Rebilus diende

onder Caesar in Gallia, in Africa, in Hispania. In 45 werd hij tot

consul suffectus gekozen, juist tegen het einde van het jaar, zoodat

hij nog één dag consul kon wezen. Cicero prijst daarom schertsend de

waakzaamheid van Rebilus, die in zijn geheele consulaat niet geslapen

had.--3) L. Caninius Gallus, volkstribuun in 56, komt als aanhanger

van Pompeius voor.--4) Caninius Satrius, huisvriend van Cicero.

Canis, de vier éénen, de slechtste worp in het dobbelspel. Zie alea.

Canis Maior, Canicula, Sirius, Seirios, Kyon, het sterrenbeeld de

Groote Hond, de voorbode der grootste zomerhitte; oorspronkelijk was

deze hond een van de bewakers van Europa geweest, later kwam hij in

handen van Cephalus en van Amphitryo (z. a.).--V. a. een hond van

Orion of van Icarius.

Canis Minor, Antecanis, Prokyon, het sterrenbeeld de Kleine Hond,

oorspronkelijk een van de honden van Orion, na diens dood onder de

sterren geplaatst.

Cannae, Kannai, vlek in Apulia, aan den Aufidus, bekend door de

vreeselijke nederlaag, die de rom. consuls C. Terentius Varro en

L. Aemilius Paullus er in 216 leden. Of de slag op den noordelijken

(rechter) oever of op den zuidelijken (linker) oever van den Aufidus

heeft plaats gehad, daarover is men het niet eens. De rechtervleugel

der Romeinen, en de linkervleugel der Carthagers sloot aan de rivier

de Aufidus aan. Neemt men nu aan, dat de slag op den zuidelijken oever

geleverd is, dan waren de Romeinen benedenstrooms van de Carthagers

opgesteld. Plaatst men den slag op den noordelijken oever, zooals

gewoonlijk geschiedt, dan komt voor het slagveld in aanmerking een

veld, dat nu nog "Pezzo del Sangue" heet; de Romeinen hadden dan

hun kleine legerplaats en verder de rivier in den rug. Een bezwaar

tegen deze opvatting is, dat dan de Romeinen met het gezicht naar

het N. staan, hetgeen met sommige berichten in strijd is.

Canobus, Kanobos, aanzienlijke, weelderige stad in de Nijldelta,

aan den westelijken of canobischen hoofdmond der rivier. Vóór de

stichting van Alexandria was Canobus de grootste koopstad van het

westelijke deltagebied. Er was een beroemde Serapis-tempel.

Canon, Kanon, z. Alexandria no. 1 aan het slot.

Cantabri, Kantabroi, woest, oorlogzuchtig volk in Hispania, in het

tegenw. Biscaye, eerst door Augustus (26-19) tot onderwerping gebracht.

Cantharus, Kantharos, drinkbeker met ooren; de beelden van Dionysus

hebben meestal zulk een beker in de hand.

Cantium, gewest in het Z. O. van Britannia, thans Kent. De Cantii

waren van de Britten het meest beschaafde volk.

Cantium promunturium, het zuidoostelijkste punt van Britannia, thans

kaap Paperness in Kent.

Canuleia (lex), plebisciet van den volkstribuun C. Canuleius,

445. Het bepaalde, dat er conubium zou zijn tusschen patriciërs en

plebejers. Een ander voorstel van denzelfden, dat één der consuls een

plebejer zou kunnen zijn, werd ter zijde geschoven door de instelling

van tribuni militum consulari potestate. Dit tweede wetsvoorstel is

waarschijnlijk verzonnen, om de instelling van het krijgstribunaat

te verklaren. Zie tribuni militum consulari potestate.

Canuleii, plebejisch geslacht. 1) C. Canuleius, volkstribuun in 445,

de vader der lex Canuleia de conubio.--2) L. Canuleius Dives, praetor

in Hispania in 171, vervolgde op last van den senaat eenige vorige

stadhouders van dit gewest wegens afpersingen.

Canusium, Kanousion, stad in Apulia aan de via Appia nova, nabij den

Aufidus, bekend door den driedaagschen strijd tusschen M. Marcellus

en Hannibal (209), waaromtrent de berichten echter geen vertrouwen

verdienen. De roode wol en de muilezels van C. waren beroemd. Horatius

noemt de Canusiners bilingues, omdat in de stad een sterk grieksch

element aanwezig was en men er dus zoowel Grieksch als Latijn sprak.

Capaneus, Kapaneus, zoon van Hipponoüs, een van de zeven vorsten die

met Adrastus tegen Thebae ten strijde trokken. Om hem te straffen

voor zijne overmoedige bewering, dat hij zelfs tegen den wil der

goden den muur zou bestijgen, doodde Zeus hem, toen hij reeds op den

stormladder stond, met den bliksem.

Capella, Capra, Aix, het sterrenbeeld de Geit, dat in het najaar met

storm en onweder opkomt; oorspronkelijk de geit Amalthea, door Zeus

onder de sterren geplaatst, omdat hare huid hem in den strijd tegen

de Titanen tot schild gediend had.

Capena, oude stad in het Z.O. van Etruria, later rom. municipium,

met een tempel en een grot van Feronia. De porta Capena te Rome

voerde niet naar deze stad; ze was waarschijnlijk genoemd naar Capua,

en heeft dus haar naam gekregen, toen de via Appia aangelegd is,

die langs deze poort de stad verlaat. De overeenkomstige poort van

Capua heet porta Romana.

Caphareus, Kaphereus, noordelijkste kaap aan de Zuidoostkust

van Euboea, waar de grieksche vloot op haren terugkeer van Troje

schipbreuk leed, en in 480 eene perzische vloot van 200 schepen,

die Euboea wilde omvaren om de Grieken in den rug aan te vallen.

Capita aut navia, een spel, gelijk aan ons "kruis of munt", waarbij

een geldstuk omhoog werd geworpen. De naam is hieraan ontleend,

dat de oudste stempel van den as aan de eene zijde een Januskop,

aan de andere de voorsteven van een schip was.

Capite censi. Zóó werden bij de indeeling van het rom. volk in klassen

en centuriën diegenen genoemd, die òf niets bezaten òf te weinig

om het bij den census in rekening te brengen en die dus alleen hun

caput konden aangeven. Ze waren vrijgesteld van krijgsdienst. Zie

ook proletarii.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 32 / 150 段