Etruria, eene der 12 etruscische bondssteden, reeds vroeg machtig en
bloeiend. Toen de Galliërs in 390 op Rome lostrokken, verleende Caere
een wijkplaats aan de vestaalsche maagden en de romeinsche priesters
en verkreeg daarvoor het rom. gastrecht. In 353 evenwel met Rome in
onmin geraakt, verloor het de helft van zijn gebied, terwijl aan de
inwoners het mindere burgerrecht, zonder het ius suffragii en het ius
honorum, opgedrongen werd. Zie ook het volgend artikel. Onder Sulla
werd Caere eene soldatenkolonie.
Caerites, inwoners van Caere. Toen hun het mindere burgerrecht
gegeven werd (zie Caere), werden zij in den toestand van aerarii
gebracht. Vandaar zijn de uitdrukkingen in tabulas Caeritum referri, op
de lijst der Caeriten gebracht worden, en aerarium fieri synoniem. De
Caerites behoorden tot de minste klasse der municipes (zie Municipium),
daar ze geen eigen bestuur en eigen ambtenaren hadden.
Caerosi, germaansche volksstam aan de Maas in Belgica.
Caesar, Kaisar, familienaam in de gens Iulia, zie Iulii. Na Augustus
evenwel wordt deze naam een titel van de prinsen der keizerlijke
familie, hetzij zij er door geboorte of adoptie toe behoorden. Hoewel
de eerste keizers tot en met Nero door adoptie tot de gens Iulia kunnen
gerekend worden, werd toch de gentielnaam Iulius slechts zelden door
hen gebruikt. Tiberius begon er mede, den naam Caesar als titel te
dragen en weigerde alle andere titels. Na Vitellius, die den titel
Caesar weigerde, werd Caesar de vaste keizerstitel, die dan vóór den
eigennaam werd geplaatst, terwijl de vermoedelijke erfgenaam van den
troon sedert Hadrianus den titel achter zijn eigennaam voerde. Sedert
de staatsregeling van Diocletianus (z. a.) is Caesar de naam van den
onderkeizer (hulpkeizer).
Caesaraugusta, vroeger Salduba, thans Saragossa, stad der Edetani,
aan den Iberus (Ebro), sedert Augustus rom. kolonie.
Caesarea, Kaisareia, naam van een aantal steden, ter eere van dezen
of genen romeinschen keizer aldus genoemd. De voornaamste zijn: 1)
Caesarea ad Argaeum, vroeger Mazaca, oude residentie der cappadocische
koningen en door Tiberius tot hoofdstad der rom. provincie Cappadocia
verklaard. Het lag aan den mons Argaeus.--2) Caesarea Palaestinae,
op de kust gelegen, vroeger Stratonis turris, door Herodes vergroot
en verfraaid en ter eere van Augustus Caesarea genoemd (10 of 9). Het
was de zetel der romeinsche stadhouders en sedert de verwoesting
van Jerusalem hoofdstad der provincie Judaea.--3) Caesarea Paneas
of Philippi, door den viervorst Philippus, zoon van Herodes, nabij
de bron van den Jordaan uitgebreid en vergroot, en sedert naar hem
genoemd.--4) Caesarea ad Libanum, zie Arca.--5) Caesarea Mauretaniae,
vroeger Iol, door koning Juba herdoopt ter eere van Augustus, later
rom. kolonie en hoofdstad der provincie Mauretania Caesariensis.--6)
Caesarea in Phrygia, vroeger Antiochia ad Pisidas (z. Antiochia no. 3).
Caesarion, Kaisarion, zoon van C. Julius Caesar en Cleopatra, in 47
geb. Toen Antonius hem tot zoon en erfgenaam van Caesar had verklaard
en tot mederegent van Aegypte had benoemd, liet Octavianus na den
slag bij Actium den jongen Caesarion ombrengen (30).
Caesarodunum, thans Tours, hoofdst. der Turones aan den Liger (Loire).
Caesennius Paetus (L.), veldheer van Nero, streed ongelukkig tegen
de Parthen (62 n. C.).
Caesetius Flavus (L.), volkstribuun in 44. Hij was een tegenstander
van Caesar, die hem hierom met zijn ambtgenoot L. Epidius Marullus
uit den senaat stiet en uit zijn ambt ontzette.
Caesia silva, een bergachtige streek in Germania tusschen de Luppia
(Lippe) en de Isala (Geld. IJsel).
Caesii. Uit de gens Caesia zijn geen beroemde mannen bekend. De
lierdichter Caesius Bassus was een vriend van den satirendichter
A. Persius Flaccus.
Caestus, lederen riemen met looden knoppen er in, waarmede men zich
de handen omwond voor het vuistgevecht.
Caetra, zie Cetra.
Caicus, Kaikos, rivier in Mysia, ontspringt op den Temnus, stroomt
op niet grooten afstand voorbij de stad Pergamus en valt in de
Aegaeïsche zee.
Caieta, thans Gaëta, kaap en zeestad van Latium in het land der
Aurunci, genaamd naar Caieta, Aeneas' voedster, die daar begraven
werd. Hier had Cicero een villa.
Calabra (curia), z. Curia Calabra.
Calabria, Kalabria, niet het thans onder dezen naam bekende gewest,
maar het zuidoostelijke schiereiland van Italia, tegenwoordig Terra d'
Otrante genoemd. Iapygia Messapia, Sallentina zijn oude namen voor
deze streek. De naam Calabria komt eerst op na de verovering door
de Romeinen. Brundisium en Tarente zijn de noordelijkste steden. In
ouden tijd was deze thans zoo verwaarloosde uithoek niet onvruchtbaar,
hoewel men dikwijls met gebrek aan water had te kampen. Sedert de
verovering door de Romeinen neemt de bevolking af. Augustus vereenigde
Calabria met Apulia tot de tweede regio Italiae.
Calacte, Kale akte, stad op de Noordkust van Sicilia.
Calagurris Nasica, thans Calahorra, stad in Tarraconensis aan
den Iberus (Ebro) in het land der Vascones, geboorteplaats van
Quinctilianus.
Calais, Kalaïs, en Zetes, de gevleugelde zonen van Boreas en
Orithyia (Boreadae, Boreadai). Op den Argonautentocht kwamen zij
te Salmydessus en bevrijdden daar hunne zuster Cleopatra, die met
hare kinderen door haar gemaal, koning Phineus, gevangen gehouden
werd. V. a. bevrijdden zij Phineus van de Harpyiën en kwamen zij
om terwijl zij deze vervolgden. Of zij werden door Heracles gedood,
omdat zij voornamelijk bewerkt hadden, dat hij op den Argonautentocht
in Mysië werd achtergelaten.
Calamis, Kalamis, beroemd atheensch beeldhouwer omstreeks 460; zijne
beelden stelden zoowel goden als menschen en dieren voor, en muntten
uit door kracht en tevens bevalligheid.
Calantica, calautica of calvatica, kredemnon, vrouwenmuts, voornamelijk
gedragen door oude dames, die niet veel haar meer hadden.
Calanus, Kalanos, een gymnosophist, dien Alexander uit Indië medenam;
toen hij te Susa ziek werd, maakte hij vrijwillig op den brandstapel
een einde aan zijn leven. Zooals hij voorspeld had, stierf Alex. kort
daarna.
Calaris = Caralis.
Calatia, stad in Campania tusschen Capua en Beneventum.
Calatores, eigenlijk roepers om iemand te ontbieden, in het bizonder
dienaren der pontifices, die bij de godsdienstige plechtigheden de orde
moesten handhaven en bij de comitia calata het volk opriepen. Later
werden ze pontifices minores.
Calauria, -rea, Kalauria, -reia, eiland op de kust van Argolis,
tegenover Troezen, met een beroemden Poseidon-tempel, waar de redenaar
Demosthenes in 322 zich door vergif van het leven beroofde.
Calautica = Calantica.
Calchas, Kalchas, zoon van Thestor uit Mycenae of Megara, beroemd
vogelwichelaar die de Grieken naar Troje vergezelde. Ingevolge
zijne uitspraken werd Iphigenia aan Artemis geofferd en Chryseis aan
haar vader teruggegeven, ook had hij den langen duur van den oorlog
voorspeld. Na den oorlog ontmoette hij te Colophon Mopsus, die hem
als wichelaar overtrof, waarom hij van verdriet stierf of zich uit
spijt doodde. In Apulië had hij een heiligdom met een orakel.
Calchedon = Chalcedon.
Calceus. De ouden kenden sandalen, pantoffels, schoenen en laarzen. De
calceus is een schoen, die vastgestrikt of geregen wordt. De calceus
senatorius had kruisbanden, die om den voet en de kuit werden
gebonden. Men vindt de uitdrukking calceos mutare wel gebruikt voor:
senator worden. Vóór op den senatorsschoen was een halfmaantje van
ivoor, lunula, aangebracht. De calceus behoorde bij de toga; wanneer
men deze laatste aflegde en tegen huiskleeding verwisselde, trok men
ook de schoenen uit en deed sandalen of pantoffels aan.
Calculus Minervae, de stem waarmede Athena, toen Orestes voor den
Areopagus terechtstond en de stemmen staakten, zich ten gunste van
den aangeklaagde verklaard had. Vandaar werd de uitdrukking gebruikt,
wanneer een aangeklaagde bij staking van stemmen werd vrijgesproken.
Calda, warm water, dat, evenals frigida, koud water, steeds gereed
gehouden werd, om onder den wijn te mengen.
Caldarium, de zweetkamer in eene badinrichting. Zie Balneum.
Cale, stad der Gallaeci aan den mond van den Durius (Duero), thans
Oporto.
Caledonia, oude naam voor Schotland. Alleen het zuidelijke deel is
eenigen tijd in het bezit der Romeinen geweest. Zie Britannia.
Calendae, meer gewoon Kalendae, de eerste dag der maand. Zie annus.
Calendarium, het renteboek, waarin de bankiers en geldschieters de
renterekeningen met hunne klanten boekten. Hoewel de Romeinen ook
kalenders of almanakken hadden, is het woord calendarium in deze
laatste beteekenis niet klassiek.
Calenus, familienaam in de gens Fufia.
Cales, oude stad in het N. van Campania, latijnsche kolonie sedert
334. De wijn, vinum Calenum, die in de omstreken der stad, den ager
Calenus, geteeld werd, behoorde tot de voortreffelijkste van Italië.
Caletes of Caleti, een volk aan de kust van Belgica, aan den mond
der Sequana (Seine), met de steden Carocotinum (Hâvre de Grace)
en Juliobona (Lillebonne).
Calidia (lex), 99, van den volkstribuun Q. Calidius (z. Calidii no. 1).
Calidii, plebejisch geslacht. 1) Q. Calidius bewerkte in 99 als
volkstribuun de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus
(Caecilii no. 13) uit de ballingschap. Uit dankbaarheid steunde de
zoon van Numidicus, Metellus Pius, met alle kracht later (in 80) de
candidatuur van Calidius voor het praetorschap.--2) M. Calidius, zoon
van no. 1, ijverde als praetor in 57 voor de terugroeping van Cicero
uit de verbanning. Later (begin 49) werd hij door Caesar aangesteld
tot stadhouder in Gallia Cisalpina, waar hij weldra gestorven is. Hij
was een zeer bekwaam redenaar.
Caligae, soldatenlaarzen, met dikke zolen met spijkers. Zij waren op
den voet geheel gesloten.
Caligula, romeinsch keizer, 37-41 na C. Zijn eigenlijke naam was
Gaius Caesar, maar van jongs af werd hij Caligula genoemd, omdat hij
als kind in de legerplaats zijns vaders soldatenlaarsjes droeg. Zijn
vader was de beroemde Germanicus, de zoon van Drusus; zijne moeder
Agrippina was de dochter van M. Vipsanius Agrippa, die met Augustus'
dochter Julia was gehuwd. Caligula regeerde gedurende de eerste acht
maanden zacht en rechtvaardig, doch vervolgens als een waanzinnige
wreedaard. Hij omgaf zijn lievelingspaard met een hofstoet en wilde
het tot consul doen verkiezen, hij beschouwde zichzelf als een god,
gaf zich aan dierlijken wellust over, moordde en plunderde rechts en
links, tot hij eindelijk met zijne booze gemalin Caesonia en zijne
dochter door Cassius Chaerea werd omgebracht (24 Jan. 41).
Callaïci = Gallaeci.
Callatis, Kallatis, grieksche volkplanting in Moesia aan den Pontus
Euxinus (Zwarte zee).
Callias, Kallias, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch
geslacht, dat van Triptolemus heette af te stammen en waarin de
waardigheid van fakkeldrager (dadouchos) bij de eleusinische mysteriën
erfelijk was. Hiertoe behooren o. a. 1) Callias, zoon van Hipponicus
no. 2, de rijkste Athener van zijn tijd; hij streed bij Marathon en
onderhandelde in 449 met Perzië over den zgn. cimonischen vrede.--2)
zijn kleinzoon Callias, zoon van Hipponicus no. 3, een lichtzinnig
mensch, berucht door zijne zedelooze leefwijze, waardoor hij zijn
groot vermogen verkwistte en in zijne laatste jaren gebrek leed. Ook
aan het huisvesten en gastvrij onthalen van de sophisten, die Athene
bezochten, moet hij veel geld besteed hebben. Hij diende in 391 onder
Iphicrates en werd later (371) als gezant naar Sparta gezonden.--Niet
tot dit geslacht behooren: 3) Callias, zoon van Calliades, die in 432
als veldheer voor Potidaea sneuvelde.--4) tyran van Chalcis omstreeks
350. Om zich van geheel Euboea meester te maken, wendde hij zich eerst
om hulp tot Philippus van Macedonië, later tot Thebe, eindelijk tot
Athene, waarmede hij vroeger in oorlog was geweest. Hier vond hij
steun bij Demosthenes en inderdaad werd hem hulp gezonden, doch het
plan gelukte niet. Later leefde hij te Athene, waar hij het burgerrecht
kreeg.--5) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Cratinus,
schrijver van zes blijspelen, waarvan enkele fragmenten bewaard
zijn. Dezen Callias of een naamgenoot wordt een werk toegeschreven,
grammatike tragodia genoemd, over welks inhoud niets bekend is.--6)
van Syracusae, schrijver van een werk over het leven van Agathocles.
Callibius, Kallibios, bevelhebber der Spartanen, die tijdens de
regeering der dertig te Athene in bezetting lagen.
Callicles, Kallikles, beroemd atheensch beeldgieter, tijdgenoot
van Pericles.
Callicrates, Kallikrates, 1) een der bouwmeesters van het
Parthenon. Ook de lange muren naar den Piraeus zijn door hem
gebouwd.--2) syracusaansch veldheer, die in 415 in den oorlog tegen
Athene sneuvelde.--3) van Tyrus, beschreef omstreeks 280 na C. het
leven van keizer Aurelianus.
Callicratidas, Kallikratidas, volgde in 406 Lysander als
opperbevelhebber der spartaansche vloot op. In karakter en in zijne
opvatting van de wijze, waarop de oorlog behoorde gevoerd te worden,
verschilde hij van zijn voorganger, daarom vond hij bij diens vrienden,
ook bij Cyrus, in het begin veel tegenwerking. Toch wist hij spoedig
de algemeene achting te verwerven en middelen te vinden om zijn
vloot uit te breiden. Het gelukte hem, Conon met veertig schepen in
de haven van Mytilene in te sluiten, nadat hij hem dertig ontnomen
had. De Atheners zonden daarop honderd vijftig schepen om Conon te
ontzetten, en in den beroemden slag bij de Arginusische eilanden viel
Callicr. van zijn schip en verdronk.
Callicula, niet hooge berg in Campania, bij Casilinum, ten Z. of
Z. O. van Cales.
Callidromus, Kallidromos, oostelijke tak van het Oeta-gebergte,
met den bergpas Thermopylae.
Callifae, stad der Hirpini in Samnium, tegelijk met Rufrae en Allifae
door Livius vermeld, maar verder niet bekend.
Callimachus, Kallimachos, 1) van Aphidnae, sneuvelde als polemarch
bij Marathon.--2) van Corinthe, beroemd beeldhouwer, bouwmeester
en schilder (omstreeks 400 of vroeger). Hem wordt de uitvinding van
het corinthisch kapiteel toegeschreven.--3) van Cyrene (± 310-235),
afstammeling der Battiaden, studeerde te Athene en leefde daarna
te Alexandrië, waar hij waarschijnlijk gedurende eenigen tijd
hoofd der koninklijke bibliotheek was. Door zijne veelomvattende
geleerdheid en groote werkzaamheid heeft hij grooten invloed op de
studiën zijner tijdgenooten en navolgers uitgeoefend; de voornaamste
taalkundigen, Eratosthenes, Aristophanes van Byzantium, e. a.,
waren zijne leerlingen en het aantal zijner werken in proza en
poëzie wordt op 800 geschat. Hoewel zijne gedichten vooral door de
Romeinen ten zeerste bewonderd en dikwijls nagevolgd werden, toonen
de weinige die overgebleven zijn meer geleerdheid dan kunst. Tot de
meest bekende gedichten behoorden de Atia, waarin o. a. de beroemde
roman van Acontius (z.a.) en Cydippe, nu gedeeltelijk teruggevonden,
de Hecale, waarvan ook fragmenten gevonden zijn, en de coma Berenices,
dat door Catullus vertaald is; geheel bewaard gebleven zijn 6 hymnen
en vele epigrammen, opgenomen in de Anthologia Palatina. Onder
zijn prozawerken is van beteekenis een beredeneerde catalogus der
alexandrijnsche bibliotheek (Pinakes), waardoor de grondslag gelegd
werd voor de beoefening van de geschiedenis der letterkunde.
Callimedon, Kallimedon, Athener, om zijne leelijkheid en zwelgerij
dikwijls bespot. Hij behoorde tot de macedonische partij en vluchtte
daarom na den dood van Alexander uit Athene, maar werd na afloop
van den lamischen oorlog door Antipater teruggebracht. Toen Phocion
veroordeeld werd, vond hij het echter geraden de stad voor goed
te verlaten.
Callinicus, Kallinikos, bijnaam van Heracles, hem door Telamon gegeven
toen zij te zamen Troje veroverd hadden.
Callinus, Kallinos, van Ephesus, de oudste elegische dichter
der Grieken uit de eerste helft der zevende eeuw. Hij dichtte
krijgsliederen.
Calliope, Kalliope, oudste der Muzen, godin der epische poëzie. Zij
wordt afgebeeld met wastafeltjes in de eene en een schrijfstift in
de andere hand.
Calliphon, Kalliphon, grieksch wijsgeer, die als het doel van het leven
beschouwde, de vereeniging van genot en zedelijkheid. Hij leefde in
de tweede eeuw en behoorde waarschijnlijk tot de peripatetische school.
Callipolis, Kallipolis, 1) stad op de Oostkust van Sicilia, nabij den
Aetna, ten N. van Tauromenium.--2) stad op de thracische Chersonesus
tegenover Lampsacus, thans Gallipoli. Nog meer steden droegen dezen
naam. Zie ook Callium.
Callippus, Kallippos, Athener, vriend van Plato, was aanvankelijk
een van de partijgenooten van Dio; later liet hij hem, steunend op de
algemeene ontevredenheid met zijne regeering, verraderlijk vermoorden
(353). Daarna nam hij zelf de regeering in handen, die hij echter
slechts een jaar behield. Z. Dio.
Callipygus, Kallipygos, "met schoone billen", bijnaam van Aphrodite. De
beelden van deze godin hadden de kleederen tot boven de heupen
opgeschort.
Callirrhoë, Kallirroe, 1) dochter van Oceanus, moeder van Echidna
en Geryon.--2) dochter van Achelous, z. Alcmaeon.--3) dochter
van Scamandrus, moeder van Ilus. Assaracus en Ganymedes.--4) een
calydonisch meisje; daar zij de liefde van Coresus, een priester van
Dionysus, versmaadde, strafte deze god alle calydonische vrouwen met
waanzin. Om deze ramp af te wenden moest Call. volgens een orakel door
Coresus geofferd worden, doch deze doodde zichzelf in hare plaats,
waarop Call. zich in eene bron stortte, die sedert haar naam droeg.--5)
bron te Athene, in de nabijheid van het Olympieum, aan de overzijde van
den Ilisus, die, sedert Pisistratus hier een brongebouw stichtte met
9 afzonderlijke waterkranen, ook Enneakrounos genoemd wordt. Anderen
nemen aan, dat de Enneakrounos onderscheiden moet worden van de
Callirrhoë, en aan de W.-zijde van de Acropolis gelegen heeft. Uit
de Callirrhoë werd het water voor het bruidsbad gehaald.
Calliste, Kalliste, oude naam van het eiland Thera.
Callisthenes, Kallisthenes, 1) van Olynthus, bloedverwant van
Aristoteles, die hem tegelijk met Alexander onderwijs gaf; later
leefde hij te Athene, waar hij geschiedenis en natuurlijke historie
beoefende. Hij voegde zich later bij Alexander op diens tocht
door Azië, maar nam hem door zijne vrijmoedigheid zoo tegen zich
in, dat deze hem zelfs van medeplichtigheid aan eene samenzwering
betichtte en gevangen liet zetten (327) en hem v. s. liet ter dood
brengen. Hij beschreef in verscheiden werken, waarvan de bekendste
waren de Hellenika, de geschiedenis van zijn tijd en werd door latere
schrijvers dikwijls geraadpleegd. Het eenige overgebleven werk dat
zijn naam draagt, de bekende Alexanderroman, is zeker onecht.--2)
atheensch redenaar van de anti-macedonische partij, die bij het
einde van den heiligen oorlog (z. Phocis) maatregelen nam om de
stad te verdedigen; hij was een van de redenaars, wier uitlevering
door Alexander geëischt werd. Later werd hij genoemd als een van de
personen, die zich door Harpalus hadden laten omkoopen.
Callisto, Kallisto, dochter van den arcadischen koning Lycaon, trouwe
jachtgezellin van Artemis. Bij Zeus, die haar onder de gedaante van
Artemis bezocht, werd zij moeder van Arcas, waarop zij in een berin
veranderd werd, hetzij door Hera uit wraak, hetzij door Zeus om haar
voor Hera te verbergen. Zie Arcas.--Ook Artemis zelve had in Arcadië
den bijnaam van Callisto.
Callistratus, Kallistratos, 1) een tooneelspeler, die in de stukken van
Aristophanes optrad. Onder zijn naam liet Arist. twee van zijn eerste
stukken opvoeren. Vgl. Philonides.--2) van Aphidnae, een redenaar, die
bij de Atheners in hoog aanzien stond en wiens roem Demosthenes bewoog
zich op de studie der welsprekendheid toe te leggen. Hij was vooral
werkzaam bij de organisatie van den tweeden attischen zeebond; zijne
bekwaamheid als staatsman toonde hij ook in de tijden van de opkomst
der thebaansche hegemonie. Als strateeg was hij in 377 de ambtgenoot
van Timotheüs en Chabrias, in 373 van Chabrias en Iphicrates, ook
was hij de voornaamste bewerker van den vrede, die in 371 tusschen
de Atheners en Lacedaemoniërs gesloten werd. Later is hij door de
Atheners ter dood veroordeeld, in ballingschap gegaan en bij zijne
terugkomst ter dood gebracht (± 355).--3) leerling van Aristophanes
van Byzantium, schrijver van eenige met roem genoemde werken over
Homerus, Euripides, e. a. oude dichters. Hij leefde omstreeks 150.--4)
sophist uit de derde eeuw na C., die in een smakeloos geschreven werk,
ekphraseis, beschrijvingen gaf van eenige standbeelden.
Callistus (C. Julius), vrijgelatene van keizer Caligula, nam deel aan
de samenzwering tegen hem, en was onder keizer Claudius een van de
invloedrijke vrijgelatenen (a libellis). Hij was een tegenstander van
Messalina. Een vermakelijk verhaal vertelt Seneca, hoe de vroegere
eigenaar van Callistus, een aanzienlijk Romein, bij den nieuwen
minister op audientie ging, maar aan de deur afgewezen werd.
Callium, Kallion, ook Callipolis geheeten, stad in het N. O. van
Aetolia.
Calor, rivier in Samnium, waaraan Beneventum lag, zijtak van den
Vulturnus.
Calpe, Kalpe, tgw. Gibraltar, kaap aan het fretum Gaditanum (straat
van Gibraltar), met den tegenoverliggenden berg Abyla, de zuilen van
Hercules genoemd. Beide zijn oud-phoenicische nederzettingen.
Calpurnia (lex) van 121, van den volkstribuun L. Calpurnius Bestia
(Calpurnii no. 14) tot terugroeping van P. Popillius Laenas uit
zijne ballingschap.
Calpurnia (lex) de repetundis van 149, van den volkstribuun
L. Calpurnius Piso Frugi (Calpurnii no. 2), de eerste wet tegen
afpersingen, door rom. overheden in de provinciën gepleegd. Tevens
werd door deze wet de eerste quaestio perpetua ingesteld.
Calpurnia (lex) de ambitu, van den consul C. Calpurnius Piso (67),
bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting van ambten. Zie
ook Acilia Calpurnia (rogatio).