zou Byzas, een zoon van Poseidon, van het delphische orakel den
last hebben gekregen, eene stad te stichten tegenover de stad der
blinden. Tegenover Chalcedon gekomen, stichtte hij toen Byzantium,
omdat de stichters van Chalcedon blind waren geweest, toen zij
voor hunne stad den aziatischen oever kozen. Byzantium was dan ook
overheerlijk gelegen aan de zee en aan den inham die nog den naam van
gouden hoorn draagt (chrysoun keras). Het was een dorische kolonie;
gewoonlijk neemt men aan, dat de stad door Megarensers gesticht is. De
stad was in de macht der Perzen sedert Darius' tocht naar het land
der Scythen, en nam deel aan den Ionischen opstand, maar niet aan
den slag bij Lade. Na de onderdrukking van den opstand, legden de
inwoners van Byzantium samen met de Chalcedoniërs de stad Mesambria
(Mesembria) aan (z. a.). Byzantium werd door de Perzen verwoest, maar
later herbouwd. In 478 viel de plaats in handen van Pausanias, die haar
7 jaar in zijn macht hield. Nadat deze door de Atheners verdreven was,
sloot B. zich aan bij den delisch-attischen bond, en kwam tot grooten
bloei. In 411 viel de stad van Athene af, en werd in den winter
van 409/408 door Alcibiades hernomen. Na den slag bij Aegospotamos
werd ze door Lysander bezet, en bleef in de macht der Spartanen tot ±
390. In de 4de eeuw is Byz. vaak met Athene verbonden, vaak ook Athene
vijandig gezind, tot het, door Philippus van Macedonia aangevallen,
in den zomer van 341 zich in de armen der Atheners wierp, die de stad
en het nabijgelegen Perinthus krachtdadig bijstonden. De stad dreef een
uitgebreiden handel, vooral in koren. Onder de rom. heerschappij bleef
B. eene civitas libera en nam nog in bloei toe; maar in den strijd
tusschen keizer Septimius Severus en zijn tegenstander Pescennius
Niger werd het na een belegering van 3 jaren (193-196 n. C.) door
den eersten grootendeels verwoest. Onder Constantijn den Grooten
herrees het met nieuwen luister. Het was op twee heuvels gebouwd;
door er nieuwe heuvels aan toe te voegen, wilde de keizer het tot eene
tweede stad der zeven heuvelen maken. Hij bracht er zijne residentie
over en noemde het nova Roma (330), welke naam evenwel spoedig in
Constantinopolis, Konstantinou polis, veranderd werd. De stad had
toen een omvang gekregen van twee uren gaans, en werd met hooge muren
versterkt en evenals Rome in 14 regiones verdeeld.
Byzas, Byzes, Byzas, zie Byzantium.
C.
C, aanwijzing in den rom. kalender van een dies comitialis.
Cabalia, Kabalia, klein gewest in Asia minor, ingesloten tusschen
Caria, Lycia, Phrygia en Pisidia, en onder de perzische heerschappij
ingedeeld bij de lydische satrapie. De Romeinen deelden het noordelijke
deel bij Phrygia, het zuidelijke bij Lycia in. De voornaamste der vier
steden was Cibyra, waarnaar het landschap ook Cibyratis werd genoemd.
Cabillonum, Kabyllinon, handelsstad der Aeduers in Gallia aan den Arar
(Saône), thans Chalons-sur-Saône.
Cabira, ta Kabeira, later Diospolis of Sebaste, stad in oostelijk
Pontus. Mithradates werd hier in 71 door Lucullus verslagen en redde
ter nauwernood zijn leven door de vlucht.
Cabiri, Kabeiroi, "machtigen", goddelijke wezens, wier eeredienst in
zeer oude tijden uit het Oosten is ingevoerd, doch die later op den
achtergrond geraakt zijn en over wier aard en beteekenis dus weinig
met zekerheid te zeggen is. Zij werden voornamelijk vereerd op Lemnus,
Imbrus en Samothrace, waar hun dienst met dien van Hephaestus verbonden
was, en ook in Boeotië; verder vindt men hen te Pergamus, in Phoenicië
en in Aegypte. Later werden de drie Cabiri voor dezelfden gehouden
als Demeter, Persephone en Hades, waarschijnlijk omdat zij eveneens
met geheime plechtigheden (mysteriën) vereerd werden. Ook met de
Corybanten, de Cureten en de Dioscuren worden zij in verband gebracht,
en bij de Romeinen met de Penaten. Op hunne afbeeldingen hebben zij
gewoonlijk een hamer in de hand. Zie Axierus. Met hen verbonden komt
als vierde godheid voor Cadmilus of Casmilus, Kadmilos, Kasmilos.
Caca, zuster van Cacus. Wegens den dienst, dien zij Hercules
bewezen had, genoot zij goddelijke eer (z. Cacus). In haar heiligdom
brandde een eeuwig vuur. In werkelijkheid is Caca (evenals Cacus)
een oud-italische godheid, van denzelfden aard als Vesta, maar ze is
vroeg in vergetelheid geraakt.
Caci scalae, een oude steenen trap, die van uit het dal van den
Circus Maximus naar één van de poorten van Roma quadrata op den
Palatinus voerde.
Cacus, zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus, die in een hol
van den Aventijnschen berg woonde en de omstreken door roof en
moord teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar
aangekomen en van vermoeidheid in slaap gevallen was, ontstal Cacus
hem eenige runderen, die hij, om den eigenaar het spoor bijster te
maken, achterwaarts in zijn hol dreef. Toch ontdekte Hercules hun
verblijfplaats, hetzij doordat hij ze in het voorbijgaan binnen
hoorde loeien, hetzij door verraad van Caca, de zuster van Cacus,
die liefde voor den vreemdeling had opgevat. Na een verschrikkelijk
gevecht versloeg hij den roover. Uit dankbaarheid richtte koning
Euander van Pallantium, die veel van Cacus te lijden had gehad, een
altaar voor den held op, en zoo ontstond de dienst van Hercules,
die later door de Romeinen overgenomen werd en aan de zorg van de
Potitii en Pinarii toevertrouwd was. Z. Caca.
Cadi, Kadoi, stad in westelijk Phrygia, dicht bij den berg Dindymus.
Cadmea, Kadmeia, burcht van Thebae.
Cadmus, Kadmos, 1) zoon van den phoenicischen koning Agenor en
Telephassa. Toen zijn zuster Europa door Zeus geschaakt was, zond
zijn vader hem uit om haar te zoeken, met uitdrukkelijk bevel, niet
zonder haar terug te komen. Na lang zwerven kwam hij te Delphi en
kreeg daar een orakel, dat hij zijne zuster niet verder zoude zoeken,
maar dat hij een koe moest volgen en op de plaats, waar zij zich zoude
neerleggen, een stad moest stichten. In Phocis vond hij de bedoelde
koe, hij volgde haar tot in Boeotië en stichtte op de aangewezen
plaats de stad Thebae. Nu wilde hij de koe offeren en zond eenige van
zijne tochtgenooten om water te halen uit eene naburige bron, die aan
Ares gewijd was; zij werden echter gedood door een draak, die de bron
bewaakte. Toen zij niet terugkwamen, ging Cadmus zelf naar de bron,
hij vond den draak en doodde hem met de hulp van Athena. Op bevel der
godin zaaide hij de tanden van het monster in den grond, uit dit zaad
kwamen gewapende mannen te voorschijn, die elkander doodsloegen op vijf
na, die Sparten (Spartoi) genoemd werden en de stamvaders der Thebanen
werden. Wegens het dooden van den draak moest Cadmus acht jaar lang
Ares dienen, daarna was de god bevredigd en gaf hij hem zijn dochter
Harmonia (z. a.) ten huwelijk. Cadmus regeerde daarna vele jaren over
Thebae; later trok hij met Harmonia naar Illyrië, waar hij koning der
Encheleers werd; op hoogen leeftijd werden beide echtgenooten in draken
veranderd en naar het Elysium overgebracht. De latere Grieken geloofden
dat Cadmus de eerste was die vreemde beschaving in Griekenland had
overgebracht; hij zou het phoenicisch letterschrift ingevoerd hebben,
het bewerken van metaal geleerd en de eerste waterleiding aangelegd
hebben.--2) van Miletus, een der oudste logografen; of hij werkelijk
bestaan heeft, wordt echter betwijfeld.
Caduceus of caduceum, uit het aeolische karykeion = kerykeion ontstaan,
in het algemeen de herautenstaf, een olijftak met een witten band
omwonden. In het bizonder wordt daarmede de staf bedoeld, dien
Hermes of Mercurius als bode der goden droeg. Deze staf was met twee
slangen omstrengeld en wordt somtijds van boven met een paar vleugels
voorzien. Mercurius wordt bij de dichters vaak caducifer genoemd.
Caducifer, bijnaam van Mercurius, als drager van den vredestaf
(caduceus).
Cadurci, volk in Gallia Transalpina, met de hoofdstad Divona (Cahors)
aan den Oltis (Lot), een zijtak van den Garumna.
Cadusii, Kadousioi, krijgszuchtig bergvolk in Media, ten Z.W. der
Caspische zee.
Cadytis, Kadytis, de zuidelijkste van de vijf bondsteden van Syria
Palaestina (het land der Philistijnen) = Gaza.
Caeadas = Ceadas.
Caecilia (lex), van den volkstribuun L. Caecilius Rufus (Caecilii
no. 29) einde 64 voorgesteld, doch vóór de stemming weder ingetrokken,
om aan P. Cornelius Sulla en P. Autronius Paetus, die in 65 wegens
ambitus veroordeeld waren, amnestie te verleenen en hen weder in den
senatorenstand te herstellen.
Caecilia (lex), van den consul Caecilius Metellus Pius Scipio (Caecilii
no. 18) van 52, tot opheffing der lex Clodia de censoria notione,
z. Clodiae (leges) no. 4.
Caeciliae (leges), van den volkstribuun Q. Caecilius Metellus Nepos,
62 (Caecilii no. 16). De wetsvoorstellen gingen echter niet door. Het
waren de volgende: 1) dat Pompeius, die toen in Azië was, in zijne
afwezigheid tot consul mocht verkozen worden;--2) dat Pompeius zou
teruggeroepen worden om de beweging van Catilina te onderdrukken.
Caecilia Cornelia (lex) van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos
(Caecilii no. 16) en P. Cornelius Lentulus Spinther (Cornelii no. 50),
57, waarbij aan Pompeius voor een tijdperk van vijf jaar de cura
annonae werd opgedragen.
Caecilia Didia (lex) de modo legum promulgandarum van de consuls
Q. Caecilius Metellus Nepos en T. Didius (98), dat 1º een wetsvoorstel
ten minste drie nundina (24 dagen) vóór de stemming moest worden bekend
gemaakt, 2º men geen twee verschillende zaken in één wetsvoorstel
mocht vereenigen (de duabus rebus non una lege coniungendis), hetgeen
gewoonlijk heet: per saturam ferre. V. a. zijn dit twee wetten.
Caecilii. De gens Caecilia, waarvan de familie Metellus de voornaamste
is, was plebejisch. 1) Caecilius Metellus Denter, consul in 284.--2)
L. Caecilius Metellus, zoon van no. 1, consul in 251 en 247, was
in 251 op Sicilia aan het hoofd van het rom. leger, doch durfde
tegen Hasdrubal geen slag wagen uit vrees voor diens olifanten,
maar Hasdrubal viel hem het volgend jaar bij Panormus aan, en werd
verslagen, waarbij zijn olifanten in handen des overwinnaars vielen,
en bij den triumf aan het volk getoond werden. In 249 was hij magister
equitum van den dictator A. Atilius Calatinus. In 247 was hij voor
de tweede maal consul, wederom op Sicilië. In 243 werd hij pontifex
maximus; toen hij in 241 bij het afbranden van den Vesta-tempel Rome's
penaten had gered en daarbij volgens de overlevering het gezicht had
verloren, werd hem de onderscheiding toegekend, zich in een draagstoel
naar den senaat te mogen begeven.--3) Q. Caecilius Metellus, oudste
zoon van no. 2, was consul in 206, dictator comitiorum habendorum
causa in 205, vervulde later (186-184) gezantschappen bij Philippus
van Macedonia en bij de Achaeërs, en wordt door Cicero als redenaar
geprezen. Hij is het, die zich op den dichter Naevius (z. a.) om
diens vrijmoedigheid gewroken heeft.--4) L. Caecilius Metellus,
tweede zoon van no. 2, deed in 216 na den slag bij Cannae het
voorstel, Italië te verlaten, waarvoor hij door de censoren van het
jaar 214 onder de aerarii werd gebracht.--5) M. Caecilius Metellus,
derde zoon van no. 2, werd in 205 naar Azië gezonden om het beeld der
Magna Mater uit Phrygia naar Rome over te brengen.--6) Q. Caecilius
Metellus Macedonicus wordt gewoonlijk beschouwd als de oudste zoon,
maar is misschien de kleinzoon van no. 3, consul in 143, overwon
in 148 als propraetor den macedonischen kroon pretendent Andriscus,
richtte Macedonia tot provincie in (147) en versloeg vervolgens in
146 de Achaeërs bij Scarphe (Scarphea) in Locris, en streed als
consul en proconsul tegen de Celtiberiërs. Over Andriscus hield
hij een zegetocht. In 131 werd hij de eerste plebejische censor,
doch maakte zich door zijne gestrengheid vele vijanden, zoodat zelfs
de volkstribuun C. Atinius Labeo, dien hij van de senaatslijst had
geschrapt, hem van de tarpejische rots wilde laten werpen. Hij was ook
in onmin met Scipio Africanus minor. Hij bestreed Tib. Gracchus in een
heftige redevoering, en nam de wapenen op tegen C. Gracchus (121). Hij
stierf in 115.--7) L. Caecilius Metellus Calvus, broeder van no. 6,
consul in 142.--8) Q. Caecilius Metellus Balearicus, consul in 123,
oudste zoon van no. 6, overwon de zeeroovers der Balearische eilanden,
waar hij een groot bloedbad aanrichtte, en bracht rom. kolonisten
daarheen. In 121 hield hij zijn zegetocht; in 120 was hij censor.--9)
L. Caecilius Metellus Diadematus, aldus genaamd naar den haarband,
dien hij droeg om een gezwel aan het hoofd te verbergen, tweede zoon
van no. 6, was consul in 117.--10) M. Caecilius Metellus, derde zoon
van no. 6, consul in 115, zegepraalde in 111 over de Sardiniërs.--11)
C. Caecilius Metellus Caprarius, vierde zoon van no. 6, consul in 113,
censor in 102, zegepraalde in 111 over de Thraciërs.--12) L. Caecilius
Metellus Calvus Dalmaticus, oudste zoon van no. 7, consul in 119,
hield in 117 een zegetocht over de Dalmatiërs en was in 115 censor
met Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 4).--13) Q. Caecilius
Metellus Numidicus, tweede zoon van no. 7, consul in 109, voerde den
oorlog tegen Jugurtha en zou dezen vermoedelijk tot de overgaaf hebben
genoodzaakt, zoo niet Marius uit Rome ware gekomen om het bevel over te
nemen. De senaat kende Metellus de eer van een zegetocht toe. In 102
was hij censor, tegelijk met no. 11. Toen in het jaar 100 Appuleius
Saturninus de bezwering zijner wetten door de senaatsleden eischte
(zie Appuleiae leges), weigerde Numidicus en ging in ballingschap,
waaruit hij evenwel een jaar later werd teruggeroepen door de lex
Calidia. Hij stierf in 90, naar vermoed werd door vergif.--14)
Q. Caecilius Metellus Nepos, zoon van no. 8, was consul in 98. Zie
Caecilia Didia (lex).--15) Q. Caecilius Metellus Celer, zoon van
no. 14, was in 66 legaat van Pompeius in den mithradatischen oorlog,
in 63 praetor, in 60 consul. Als praetor redde hij Rabirius (zie
Rabirii no. 1) van eene veroordeeling en vervolgde hij Catilina. Hij
behoorde tot de tegenstanders van Pompeius en verzette zich tegen
de akkerwetten van dezen, door L. Flavius voorgesteld (zie Agrariae
leges), en van Caesar. Ook kantte hij zich tegen de adoptie van zijn
zwager P. Clodius Pulcher door een plebejer. Hij stierf plotseling
in 59, naar men vermoedde vergeven door zijne vrouw Claudia maior,
zie Claudii no. 18.--16) Q. Caecilius Metellus Nepos, jongere broeder
van no. 15, was in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Hij
was een vinnig vijand van Cicero en dwarsboomde dezen zooveel mogelijk,
o. a. door als volkstribuun (10 Dec. 63-10 Dec. 62), hem te beletten,
op den laatsten dag van zijn consulaat, de gebruikelijke redevoering te
houden; Cicero mocht alleen den gewonen eed afleggen, waarop hij zwoer,
dat hij de republiek van den ondergang gered had. Zie verder Caeciliae
(leges). Toen hij zijn voorgestelde wetten door den tegenstand van
Cato (Porcii no. 8), die ook volkstribuun was, niet doorvoeren kon,
begaf hij zich naar Azië tot Pompeius, waarop hij van zijn ambt
ontzet werd. Als consul stemde hij in 57 er in toe, dat Cicero
uit zijne ballingschap zou worden teruggeroepen. Zie ook Caecilia
Cornelia (lex).--17) Q. Caecilius Metellus Pius, zoon van no. 13, aldus
bijgenaamd om zijne ouderliefde, daar hij door zijne dringende beden de
terugroeping van zijn vader uit de ballingschap bewerkte, versloeg in
den bondgenootenoorlog den aanvoerder der Marsi, Q. Pompaedius Silo
(88). Tijdens den burgeroorlog behoorde hij tot de senaatspartij;
hij voegde zich bij Sulla, toen die uit het Oosten terugkeerde,
en was met hem consul in 80; daarna werd hij naar Spanje tegen
Sertorius gezonden, waar hij tot 72 bleef, sedert 76 door Pompeius
ondersteund.--18) Caecilius Metellus Pius Scipio, aangenomen
zoon van no. 17 (zie Cornelii no. 25), bij de schrijvers nu eens
P. Scipio Nasica, dan weer Q. Metellus Scipio, ook wel P. Scipio
Metellus genoemd. Zijn werkelijke vader was P. Cornelius Scipio
Nasica, praetor in 94. Metellus Scipio was volkstribuun in 59. Zijne
poging om zich voor 52 tot consul te doen verkiezen, mislukte, daar
Pompeius consul zonder ambtgenoot werd. Toen echter Metellus aan
Pompeius zijne dochter tot vrouw gaf, werd hij gedurende nog vijf
maanden diens medeconsul. Later streed hij bij Pharsalus (48) en
bij Thapsus (46) tegen Caesar. Bij Thapsus was hij opperbevelhebber,
maar hoogst onbekwaam. Op de vlucht gevangen genomen, doodde hij zich
zelf. Hij was roofzuchtig van karakter, zelfs tempels waren voor hem
niet veilig.--19) Q. Caecilius Metellus Creticus, zoon van no. 11,
was een van de drie gebroeders Metellus, die in het proces van Cicero
tegen Verres den beklaagde steunden. Hij was het, die voor het jaar
69 met den redenaar Q. Hortensius tot consul werd gekozen. In 68 werd
hij uitgezonden om Creta te onderwerpen, dat een broeinest was van
de zeeroovers. Hij versloeg de Cretensers bij Cydonia, en nam daarop
Cydonia, Cnossus, Lyctus en andere vestingen in en streed met veel
geluk en volharding; hij legde hierbij echter zooveel wreedheid en
ruwheid aan den dag, dat de inwoners hunne onderwerping aan Pompeius
aanboden, die destijds, als opperbevelhebber in den zeerooveroorlog,
in Azië was. Metellus ging koelbloedig zijn gang, behandelde de
door Pompeius gezonden troepen als vijanden, onder wierp het eiland
na vijf jaren strijds, en richtte het in als provincie (64). Door
de catilinarische woelingen te Rome kon hij echter eerst in 62 zijn
zegetocht houden.--20) L. Caecilius Metellus, broeder van no. 19, was
Verres in 70 als stadhouder van Sicilia opgevolgd en trachtte wel,
zooveel hij kon, den Siciliërs het doorgestane leed te vergoeden,
maar bemoeielijkte toch Cicero's onderzoek op Sicilia. Hij was consul
in 68.--21) M. Caecilius Metellus, broeder van no. 19 en 20, was
voor het jaar 69 tot praetor gekozen. Daarom was er Verres zooveel
aan gelegen, dat zijn proces op de lange baan geschoven werd tot in
69.--22) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 20, wilde als volkstribuun
in 49 Caesar beletten het aerarium open te breken. Caesar liet hem
later uit Rome verwijderen.--23) Caecilia Metella, dochter van no. 8,
huwde met App. Claudius Pulcher (Claudii no. 14), en werd de moeder
van den beruchten volkstribuun P. Clodius Pulcher.--24) Caecilia
Metella, dochter van no. 12, huwde eerst met M. Aemilius Scaurus en
hertrouwde als weduwe met L. Cornelius Sulla, die echter, toen zij ziek
werd, van haar scheidde.--25) Caecilia Metella, dochter van no. 6,
huwde met P. Cornelius Scipio Nasica Serapio (Cornelii no. 22).--26)
Caecilia Metella, ook Cornelia Metella genaamd, dochter van no. 18,
werd de vijfde vrouw van Cn. Pompeius.--27) Caecilia Metella,
dochter van no. 19, echtgenoote van M. Crassus (Licinii no. 16). Van
haar is het beroemde grafmonument aan de Via Appia, nu Capo di bove
geheeten.--28) Q. Caecilius Bassus, vurig aanhanger van Pompeius,
die na den slag bij Pharsalus naar Asia vlood en daar jaren lang te
Apamea den strijd tegen de troepen van Caesar volhield. Na Caesar's
dood sloten zijne troepen zich bij Cassius aan.--29) L. Caecilius
Rufus, halfbroeder van P. Cornelius Sulla (Cornelii no. 54),
trachtte dezen in zijne vorige rechten te herstellen; zie Caecilia
(lex). Hij ondersteunde Cicero in diens verzet tegen de akkerwet van
P. Servilius Rullus en werkte mede tot Cicero's terugroeping uit de
ballingschap.--30) Q. Caecilius Niger, uit Sicilia, quaestor onder
Verres. Tegen hem sprak Cicero zijne bekende divinatio uit.--31)
Statius Caecilius, een Insubriër van groot talent, als slaaf naar
Rome gekomen, was een beroemd blijspeldichter (180). Hij bewerkte
Grieksche stukken (palliatae) vooral van Menander. Cicero, Horatius
en Quinctilianus prijzen hem zeer. Wij hebben van zijne blijspelen
slechts fragmenten.--32) Caecilius uit Calacte op Sicilia, beroemd
grieksch rhetor en criticus ten tijde van Augustus.
Caecinae, eene gens, uit de etruscische stad Volaterrae afkomstig. 1)
A. Caecina, door Cicero in 69 in een proces over de erfenis van
een landgoed verdedigd.--2) A. Caecina, een zoon van no. 1, was
bevriend met Pompeius en Cicero. Een beleedigend geschrift tegen
Caesar was oorzaak van zijne verbanning, doch later verzoende hij
zich met Caesar.--3) Caecina Volaterranus een vriend van Octavianus,
werd door dezen gebruikt als onderhandelaar met Antonius (44).--4)
A. Caecina Severus, een beproefd en dapper veldoverste, die met goed
gevolg tegen de Bato's in den pannonisch-dalmatischen opstand streed
(6 en 7 na C.). In 14 n. C. was hij legatus van Germania Inferior
onder het opperbevel van Germanicus, en wist hij het oproer van
het leger niet te beteugelen; eerst aan Germanicus gelukte dit door
toegevendheid. Hij neemt deel aan alle veldtochten van Germanicus
(14-16), en verwerft in 16 de triumphalia insignia.--5) A. Caecina
Alienus, quaestor in Baetica (68 n. C.), sloot zich bij Galba aan, maar
weldra wegens een veroordeeling op hem verbitterd, wist hij (Jan. 69)
met Fabius Valens te bewerken, dat Vitellius door de soldaten aan
den Rijn tot keizer werd uitgeroepen. Hij trekt daarop met 30.000 man
naar Italia, terwijl hij onderweg de Helvetiërs tuchtigt. Bij Cremona
wordt hij eerst door de Othoniani onder Suetonius Paulinus verslagen;
toen later Fabius Valens met een ander leger zich bij hem gevoegd had,
versloegen ze samen de Othoniani bij Bedriacum. Van Vitellius liep
hij tot Vespasianus over, doch werd later, wegens samenzwering tegen
dezen in 75 op last van Titus ter dood gebracht.--6) Caecina Paetus,
zie Arria.
Caecubus ager, streek aan de zuidelijke grenzen van Latium, tusschen
den lacus Fundanus en de zee, wel moerassig, doch beroemd om den
voortreffelijken wijn, die er geteeld werd.
Caeculus, italiaansch heros, zoon van Vulcanus, stichter van Praeneste.
Caeles Vibenna, een etruscisch hoofd, die onder de regeering van
Romulus (of later) naar Rome verhuisde en zich op den caelischen
berg nederzette.
Caelia (lex), tabellaria van den volkstribuun L. Caelius, 107,
z. Tabellariae (leges).
Caelii, plebejisch geslacht. 1) L. Caelius Antipater, tijdgenoot der
Gracchen, rom. annalist, beschreef den tweeden punischen oorlog.--2)
C. Caelius Caldus, volkstribuun in 107, was de maker der lex Caelia
tabellaria. In 94 was hij consul. Later streed hij in Hispania
tegen Sulla en Pompeius, die hem versloeg.--3) C. Caelius Caldus,
kleinzoon van no. 2, volgde Cicero op als stadhouder van Cilicia.--4)
M. Caelius Rufus, leerling van Cicero in de welsprekendheid, werd
door dezen tegen eene aanklacht van ambitus met goed gevolg verdedigd
(56). In 52 was hij volkstribuun en verzette zich krachtig tegen de
democratische woelingen; zelfs bewerkte hij de verbanning van den
woelzieken Q. Pompeius Rufus (zie Pompeii no. 5). Toen de burgeroorlog
losbarstte, koos C. de zijde van Caesar; doch toen hij als praetor in
48 zich door dezen verongelijkt achtte, poogde hij in Zuid-Italië een
oproer te verwekken, bij welke poging hij bij Thurii gedood werd. Hij
was iemand van losse zeden (bekend is zijn liaison met Clodia), die
wel eene aangevatte zaak met kracht kon doorzetten, maar verre van
beginselvast was. Zijne briefwisseling met Cicero is zeer belangrijk
voor de kennis van dit tijdperk. Als redenaar was hij niet zonder
naam. Catullus valt hem heftig aan in zijn gedichten.--5) Caelius
Aurelianus, geleerd rom. geneeskundige uit de 5de eeuw na C. te Sicca
in Numidia geboren, van wien nog geschriften bestaan.--6) Caelius
Apicius, zie Apicii.--7) D. Caelius Calvinus Balbinus, z. Balbinus.
Caelius mons, een der bergen, waarop Rome was gebouwd. Het was een der
zeven bergen uit den tijd van het Septimontium, zie Roma. De tweede der
veertien wijken of regiones, waarin Rome door Augustus werd verdeeld,
heette naar dezen berg Caelimontium.
Caena = coena.
Caeneus, Caenis, Kaineus, Kainis, dochter van Elatus en Hippea; zij
werd door Poseidon bemind, en op haar wensch, waarvan de god haar
de vervulling vooraf had toegezegd, werd zij in een man veranderd en
bovendien onkwetsbaar gemaakt. Caeneus was een van de Argonauten en
van de calydonische jagers; in het gevecht tusschen de Centauren en
Lapithen op de bruiloft van Pirithoüs werd hij door de Centauren,
daar zij hem niet konden wonden, onder boomstammen bedolven en zoo
gedood, v. a. vloog hij als een vogel van onder den houtstapel op.
Caeni, Kainoi, thracische volksstam aan de Propontis (zee v. Marmara).
Caenina, oude stad van Latium, tusschen Rome en Tibur, in ouden tijd
bij Rome ingelijfd.
Caeparius (M.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilina, werd 5
Dec. 63 in den kerker ter dood gebracht.
Caepio, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 12-18). Aangaande
Q. Caepio Brutus z. Junii no. 9.