Boule, raad, een lichaam dat in democratische staten in de eerste

plaats de staatsaangelegenheden aan eene voorafgaande behandeling heeft

te onderwerpen, alvorens ze in de volksvergadering te brengen. Te

Athene had de raad volgens de instellingen van Draco 401 leden, zij

werden bij loting aangewezen uit de burgers, die ouder dan 30 jaar en

in het volle bezit hunner burgerrechten waren. Niemand mocht voor de

tweede maal lid van den raad zijn, voordat allen die ertoe gerechtigd

waren een beurt gehad hadden. Onder de wet van Solon waren er 400,

100 per phyle, door loting aangewezen uit candidaten die door de

phylen gekozen waren. Clisthenes vermeerderde het aantal leden tot 500

(vandaar de gewone naam he boule hoi pentakosioi), nl. 50 uit elke van

de nieuwe 10 phylen; waarschijnlijk liet hij ook de verkiezing door

loting (apo kyamou lachein) bestaan. De loting had ook toen plaats

uit hen, die door de phylen als candidaten waren aangewezen. Bij de

ontwikkeling der democratie werd ook aan de theten het recht toegekend

om tot den raad te behooren. Met de vermeerdering van het aantal phylen

in den macedonischen tijd vermeerderde ook het aantal raadsleden;

Hadrianus verminderde het echter weder tot 500.--Tot de bevoegdheden

van den raad behoorde o. a. dat de veldheeren hem verslag gaven van

hunne verrichtingen, dat hij vreemde gezanten ontving en ze bij de

volksvergadering inleidde, enz. Voorts had de raad het oppertoezicht

over het beheer der financiën en beheerde ze gedeeltelijk zelf,

leidde hij het onderzoek naar de bevoegdheid der archonten en van

andere verkozen ambtenaars (dokimasia), en had hij in sommige minder

belangrijke gevallen rechtspraak. De raad kon geldboeten opleggen en

had het toezicht op alles wat tot de marine behoorde en op de openbare

gebouwen. Dikwijls werd hem bovendien door het volk het afdoen van

eene of andere aangelegenheid opgedragen; de besluiten, die hij

zonder zulk een opdracht neemt, zijn slechts gedurende het loopende

ambtsjaar geldig. Z. ook probouleuma en ekklesia.--De raad vergaderde

dagelijks, behalve op feestdagen, in het raadhuis (bouleuterion),

zijne vergaderingen waren gewoonlijk openbaar. Met het dagelijksch

bestuur was echter altijd slechts eene bij loting aangewezen afdeeling

van 50 raadsleden belast (z. Prytanis).--De leden van den raad waren

vrijgesteld van den krijgsdienst, hadden een afzonderlijke plaats

in den schouwburg en ontvingen, waarschijnlijk sedert de tijden van

Pericles, een drachme of vijf obolen voor iedere vergadering (misthos

bouleutikos). Wanneer de raad bij zijn aftreden voldoende rekenschap

van zijne verrichtingen gegeven had, vereerde het volk hem met een

gouden krans, die in een of anderen tempel bewaard werd. Ook in vele

andere staten en statenbonden wordt eene boule vermeld, over welker

samenstelling en bevoegdheden echter weinig of niets bekend is.

Bouphonia, z. Diipolia.

Bovianum, Boïanon, hoofdstad der Pentri in Samnium.

Bovillae, Boïllai, stadje in Latium aan de via Appia, bekend door

de ontmoeting tusschen Milo en Clodius Pulcher, die Clodius het

leven kostte.

Braccae. De Romeinen en Grieken omwonden wel de beenen met lange

strooken lijnwaad (fasciae), en ook kousen waren in de oudheid niet

onbekend, doch broeken waren eene kleederdracht der barbaren, o. a. van

de oostersche volken en van de transalpijnsche Galliërs. Naar deze

kleederdracht werd Gallia Transalpina dikwerf in de wandeling Gallia

braccata genoemd. Hoewel in het tijdperk der keizers deze dracht

ook tot Rome doordrong, is zij er nimmer nationaal geworden. Bij

de Grieken heette het kleedingstuk anaxyrides, terwijl meer in het

bizonder voor wijde broeken de naam thylakoi in gebruik was.

Brachmanae, Brachmanes, de priesterkaste bij de Indiërs, ook de

stammen die den godsdienst van Brahma beleden. De Grieken hebben van

deze zaken kennis gekregen door de expeditie van Alexander naar Indië;

de Grieksche schrijvers uit dien tijd geven zeer betrouwbare berichten.

Bradanus, grensrivier tusschen Lucania en Apulia, die dicht bij

Metapontum in de golf van Tarente uitloopt.

Branchidae, Branchidai, 1) afstammelingen van Branchus, een zoon van

Smicrus of van Apollo, die uit Delphi naar Miletus verhuisde en te

Didyma een tempel van Apollo stichtte. De Branchidae beheerden dezen

later zeer rijken tempel, waarvan niet lang geleden belangrijke

overblijfselen zijn opgegraven, en het daarmede verbonden orakel;

daar zij echter aan Xerxes bij zijn tocht naar Griekenland de groote

schatten van den tempel uitgeleverd hadden, verzochten zij hem na

afloop van den veldtocht, uit vrees voor de wraak der Grieken, hun

een andere woonplaats aan te wijzen. Sedert dien tijd woonden zij

in Bactriana, waar Alexander hen vond, die hen, tot straf voor de

misdaad hunner voorouders, allen liet dooden en hun stad met tempels

en heiligdommen geheel liet verwoesten.--2) = Didyma.

Brannovices Aulerci, z. Aulerci.

Brasidas, Brasidas, zoon van Tellis, de dapperste en bekwaamste

veldheer der Spartanen in den peloponnesischen oorlog. Nadat hij in

het eerste jaar van den oorlog een aanval der Atheners op Methone

had afgeslagen en zich sedert meermalen had onderscheiden, wist hij,

gesteund door gezantschappen van Perdiccas en van eenige steden op

Chalcidice, de ephoren te overreden dat men de Ath. in hun kolonies

en bondgenooten moest aanvallen; in 424 trok hij aan het hoofd van

een klein leger door Griekenland, en maakte hij, meer door overreding

dan door geweld, vele belangrijke steden in Macedonië en Thracië,

o. a. Amphipolis, van de Atheners afvallig. Wel heroverden zij, nadat

onderhandelingen over een wapenstilstand mislukt waren, verscheiden

steden, maar toen Cleon in 422 bij Amphipolis een slag waagde, behaalde

Brasidas een schitterende overwinning, waarbij hijzelf echter doodelijk

gewond werd. Hij werd na zijn dood te Amphipolis als heros vereerd.

Bratuspantium, hoofdst. der Bellovaci, tusschen de Sequana (Seine)

en de Samara (Somme).

Brauron, Brauron, aanzienlijke plaats op de Oostkust van Attica,

met een tempel van Artemis. Brauron en Eleusis maakten aanspraak op

den naam van polis.

Brauronia, Brauronia, feest ter eere van Artemis Brauronia, dat om

de vijf jaren gevierd werd en waarbij alle meisjes van vijf tot tien

jaar aan de godin gewijd werden; waarschijnlijk een overblijfsel van

vroegere menschenoffers.

Brenni of Breuni, Breunoi, volksstam in de Raetische Alpen, nabij

den tegenw. Brenner.

Brennus, Brennos, naam van verschillende Gallische vorsten: 1) het

opperhoofd der senonische Galliërs, die in 389 de Romeinen bij den

Allia versloegen, Rome innamen en het Capitool belegerden. Volgens het

verhaal was hij het, die bij het afwegen van het goud zijn zwaard in

de weegschaal wierp, en het beroemde vae victis sprak. Het geheele

verhaal omtrent hem is onhistorisch, en zijn naam ontleend aan den

onder no. 2 genoemden.--2), die in 279 met 65000 of 40000 Galliërs

in Macedonia viel, verwoestend tot in Griekenland doordrong, maar,

toen hij op Delphi lostrok, door een grieksch legertje van 4000 man

verslagen werd en zichzelf om het leven bracht. Een hevig onweder,

met aardbeving gepaard, waardoor geheele rotsblokken op de Galliërs

neerstortten, deed het verhaal ontstaan, dat de delphische god zelf

voor zijn heiligdom gestreden had.

Bretones of Britones. Zie Britannia.

Briareos, Briareos, z. Aegaeon.

Brigantes, Brigantes, het machtigste volk van Britannia, ten oosten van

den Abus (Humber), met de hoofdstad Eburacum of Eboracum (York). Zij

werden door Cerealis onderworpen.

Brigantinus lacus, thans Bodensee of meer van Konstanz, door den Rijn

gevormd. Het werd ook lacus Rheni, l. Venetus, l. Aeronius genoemd. In

een scheepsgevecht op dit meer versloeg Tiberius de Vindeliciërs. De

naam l. Brigantinus is ontleend aan de stad Brigantia (Bregenz).

Brilessus, Brilessos, berg in Attica = Pentelicus.

Briniates of Friniates, ligurische volksstam aan de N.-zijde van

de Apennijnen, ten Z. van Mutina. Ze werden in 187 door de Romeinen

onderworpen.

Brinio of Brinno, aanvoerder der Canninefaten bij den opstand van

(Claudius) Civilis tegen Rome in 69 n. C.

Briseis, Briseis, dochter van Briseus, een priester in Lyrnessus;

haar eigenlijke naam was Hippodamea. Zij was gehuwd geweest met

koning Mynes, maar bij de verovering van Lyrnessus werd zij door

Achilles gevankelijk medegevoerd. Zij was de oorzaak van zijn twist

met Agamemnon, die in de Ilias beschreven wordt, want toen Agam.,

op aandringen van Achilles, genoodzaakt werd zijne slavin Chryseis

(z. a.) vrij te laten, ten einde het leger van de pest te bevrijden,

liet hij Briseis met geweld uit de tent van Achilles halen, en gaf

haar eerst terug toen deze na den dood van Patroclus besloot weder

aan den oorlog deel te nemen.

Britannia, Bretannia, het tegenw. Engeland en Schotland, met Hibernia

(Ierland) en de kleinere bijliggende eilanden samen onder den naam

insulae Brittannicae begrepen. Vóór Caesar kenden de Romeinen deze

eilanden slechts bij geruchte, en deze geheimzinnigheid prikkelde

hem om naar Britannia over te steken; doch zijne beide tochten (55

en 54) hadden weinig gevolg. Eerst ten tijde van keizer Claudius

(sedert (43 n. C.) kregen de Romeinen vasten voet in het Zuiden van

Engeland; doch er moest nog veel strijd gevoerd en meer dan één opstand

gedempt worden (zie o. a. Boadicca), eer Iulius Agricola (78-85) er

in slaagde, Engeland geheel tot een wingewest te maken. Daarnaar werd

Engeland Britannia Romana, Schotland of Caledonia Britannia barbara

geheeten. De naam Albion beteekent bergland. Ten einde de invallen der

woeste bergstammen uit Caledonia te keeren, werden er in verschillende

tijden twee versterkingsliniën dwars over het eil. aangelegd van den

Oceanus Hibernicus (Iersche zee) naar den Oc. Germanicus (Noordzee). De

oudste linie, meestal vallum Hadriani geheeten, liep van de Solway

Firth in het W. naar de Tyne in het O., en werd aangelegd 122 n. C.;

de latere linie, vallum Antonini genaamd, was veel kleiner, liep van

Firth of Clyde (Clotae aestuarium) naar de Firth of Forth (Bodotriae of

Boderiae aestuarium). Deze had keizer Antoninus Pius door zijn legaat

Lollius Urbicus in 142 n. C. laten aanleggen. Onder keizer Septimius

Severus werd het land tusschen de beide liniën weder prijs gegeven

en trok men zich op de zuiderlijn terug, die nu versterkt werd door

eene buitenlinie, uit een gemetselden muur bestaande, met poorten,

torens en forten. De Romeinen hadden omtrent de ware ligging van

Britannia geene juiste voorstelling en meenden, dat de Oostkust vrij

wel evenwijdig aan de belgisch-nederlandsche kust liep. De bevolking

was van keltischen oorsprong en werd Bretones of Britanni genoemd,

doch was op sommige punten door belgische nederzettingen naar het

binnenland teruggedrongen. De Britten waren gewoon lang hoofdhaar

en knevels, doch geen baard te dragen en zich blauw te verven. Onder

Constantijn vormde Britannia Romana vier provinciën: Britannia I en II

in het Noorden, Maxima Caesariensis in het midden, Flavia Caesariensis

in het Zuiden. Theodosius de Groote veroverde nogmaals Zuid-Schotland

en maakte daarvan de provincie Valentia. Toen in den tijd der groote

volksverhuizing de rom. legers uit Britannia teruggetrokken werden,

waren de Britten niet meer tegen de Schotten opgewassen en riepen

zij in 447 n. C. de hulp der Saksers en Angelen in, die het land wel

van de Schotten verlosten, maar het tevens vermeesterden. In de 5de

eeuw n. Chr. gaat de naam Britannia over op Bretagne, waar de door

de Angelsaksen verdreven Britanni hun toevlucht zochten.

Britannica (arx), de Brittenburg, thans door de zee verzwolgen, een

kasteel in het land der Batavieren, aan den middelsten Rijnmond (ten

W. van Katwijk). Misschien heette de sterkte zoo, omdat men gewoon

was van dáár naar Britannia over te steken.

Britannicus, eigenlijk Claudius Tiberius Britannicus Caesar,

stiefbroeder van Nero. Zie Claudius (keizer) en Iulii aan het slot

onder f 3.

Britomaris, opperhoofd der senonische Galliërs, liet, uit verbittering

over zijns vaders dood, in 283 de rom. gezanten ombrengen en hunne

ledematen verstrooien. Toen hij in handen van den consul P. Cornelius

Dolabella (Cornelii no. 35) was gevallen, liet deze hem ter dood

martelen. De Senones werden uit hun land verdreven, en op den ager

Gallicus werd de kolonie Sena (Gallica) gesticht. Het verhaal zelf

omtrent Britomaris (Brittomaris) is misschien verzonnen.

Britomartis, Britomartis, cretensische nimf, dochter van Zeus en

Carme, gunstelinge van Artemis. Minos vervolgde haar negen maanden

lang met zijn liefde, zij stortte zich eindelijk in zee, maar werd in

visschersnetten gered. Daarop werd zij onder de godinnen opgenomen en

onder den naam Dictynna vereerd.--V. a. vluchtte zij voor Minos naar

Aegina, maar toen de visscher, die haar had overgezet, haar zelf wilde

geweld aandoen, verdween zij in het heilige bosch van Artemis; hier

kreeg zij den naam Aphaea.--Evenals Aphaea (z. a.) zijn waarschijnlijk

ook Britom. en Dictynna andere namen voor Artemis.

Brixellum, stad aan den Padus (Po) dicht bij Parma, waar keizer Otho

zich om het leven bracht.

Brixia, thans Brescia, hoofdstad der Cenomani, in Gallia Transpadana,

later rom. municipium.

Brizo, Brizo, godin die op Delus, vooral door vrouwen, vereerd

werd. Zij beschermde de schippers en gaf orakels.

Brogitarus, schoonzoon van den galatischen tetrarch Deiotarus,

kocht van den volkstribuun P. Clodius (58) den koningstitel en het

priesterschap van de Magna Mater te Pessinus voor geld.

Bromius, Bromios, bijnaam van Dionysus.

Bronteion, eene machine, waarmede men achter het tooneel het gerommel

van den donder nabootste.

Brontes, Brontes, een der Cyclopen.

Brucheum of -ium, deel van Alexandrië in Aegypte. Z. a.

Bructeri, Broukteroi, machtig germaansch volk aan de Amisia (Eems)

en de Luppia (Lippe). Tot dit volk behoorde de profetes Velleda. De

Bructeren sloten zich in 69 n. C. bij den opstand der Batavieren aan.

Brundisium, minder juist Brundusium, Brentesion, thans Brindisi,

belangrijke havenplaats aan de Adriatische zee, vanwaar men gewoonlijk

naar Griekenland overstak. De stad, op de kust van Calabria gelegen,

had eene voortreffelijke, altijd toegankelijke haven, door twee

landtongen beschermd; vandaar waarschijnlijk de naam, die oud-italisch

hertekop beteekent. Sedert 245 was het lat. kolonie.

Bruttii, ager Bruttius, Brettia, Z.W. uithoek van Italia, een

bergachtig en ten deele boschrijk gewest, van de riviertjes Laüs en

Sybaris tot aan het fretum Siculum (straat v. Messina). Alleen deze

streek werd oorspronkelijk Italia geheeten (z. a.). Tegenwoordig heet

het Calabrië. Het was sterk bezet met grieksche volksplantingen. In den

tweeden punischen oorlog sloten de inwoners zich (in 214) meerendeels

bij Hannibal aan. Later moesten zij dit ontgelden en het land geraakte

in verval.

Brutus, familienaam in de gentes Iuniae, z. Iunii no. 2 en Iunii

no. 1-9.

Bryges, Bryges, Brygoi, thracische volksstam in Emathia (Macedonië),

verwant met de Phrygiërs. Ze komen ook in andere deelen van het

Balkan-schiereiland, vooral in Epirus en Illyria voor.

Brygus, Brygos, beroemd Atheensch vazenschilder uit het begin van

de 5de eeuw. Hij schildert in strengen roodfigurigen stijl. Zijn

schoonste vazen heeft hij met zijn naam geteekend.

Bubassus, Bybassos, oude kustst. in Caria ten O. van Cnidus, op de

Cnidische Chersonesus.

Bubastis, Boubastis, aegyptische godin, misschien zinnebeeld van het

vuur, dochter van Osiris en Isis, door de Grieken voor dezelfde als

Artemis gehouden. Hare beelden hadden een kattekop. Haar voornaamste

tempel was te Bubastis, waar jaarlijks een feest gevierd werd, dat

soms door 700000 vreemdelingen bezocht werd.

Bubastis of -tus, Boubastos, distrikt en hoofdstad in de Nijldelta,

aan den oostelijken Nijlarm, de hoofdzetel van den dienst der

godin Bubastis. Beneden deze stad woonden de karische en ionische

huurtroepen, die door koning Psammetichus in dienst genomen waren.

Buccina, gebogen hoorn, door herders gebezigd en ook in gebruik bij

het romeinsche leger tot het geven van signalen.

Bucephala, Boukephala, -lia, stad aan den Hydaspes, een der takken van

den Indus, door Alexander gesticht ter gedachtenis aan zijn beroemd

strijdros Bucephalus. In den slag tegen Porus (326) had dit paard,

schoon zwaar gewond, Alexander, die zich te ver had gewaagd, behouden

bij de zijnen teruggebracht, en was toen neergestort.

Bucolici, z. Theocritus.

Budini, Boudinoi, scythisch nomadenvolk, ten O. van den Tanaïs,

volgens Herodotus met blauwe oogen en vuurroode kleur en in eene

houten stad wonende.

Budorum, Boudoron, N.W.-kaap en kasteel op het eiland Salamis.

Bulgari, een onderafdeeling der Hunnen, die in de 5de eeuw n. C. voor

het eerst optreedt.

Bulis, Boulis. Toen de Spartanen door het vermoorden van perzische

gezanten den toorn van den heros Talthybius op zich geladen hadden en

bij het offeren geen gunstige voorteekenen konden krijgen, boden Bulis

en Sperthias zich aan om aan Xerxes uitgeleverd te worden, ten einde

Talthybius te bevredigen. Xerxes zond hen echter terug en nu bleef de

toorn van Talthybius op de geslachten van Bulis en Sperthias rusten,

wier zonen Nicolaus en Anaristus in den peloponnesischen oorlog in

handen der Atheners vielen en gedood werden.

Bulla, medaillon, dat door de kinderen aan een snoer om den hals werd

gedragen en een amulet tegen betoovering bevatte. Bij de rijken was

de bulla van goud, bij de armeren van leder.

Bulla regia, vesting in Numidia, in het dal van den Bagradas, later

tot Africa proconsularis behoorend.

Bupalus, Boupalos, zoon van Archermus, beroemd beeldhouwer van

Chius. Hij en zijn broeder Athenis stelden een beeld ten toon van

Hipponax, waarin de kleine en leelijke man bespottelijk gemaakt werd;

uit wraak hekelde Hipponax hen in zijne iamben zoo onbarmhartig,

dat zij zich ophingen.

Buprasium, Bouprasion, eene stad uit het homerische tijdperk,

later verdwenen. Zij lag in Elis aan den Larisus, en werd bewoond

door Epeërs.

Bura, Boura, eene der twaalf oude achaeïsche steden, in 373 door

aardbeving verwoest, maar later op een andere plaats herbouwd. De

nieuwe stad, waarvan nog belangrijke stukken van den vestingmuur over

zijn, lag ten Z. van Helice.

Burchana, Bourchanis, oudtijds het voornaamste der Noordzee-eilanden,

tgw. Borkum. Het wordt reeds in de 4de eeuw als barnsteeneiland

vermeld, onder den naam Abalus; het komt ook voor onder den naam

Baunonia of Fabaria, boonen-eiland; zie verder Glaesariae insulae.

Burdigala, thans Bordeaux, aan den Garumna, in het gebied der Bituriges

Vibisci, later hoofdstad der provincie Aquitania II. Het was eene

aanzienlijke handelsplaats en een zetel der wetenschappen. Ausonius,

de dichter der Mosella, was hier geboren.

Burgundi of Burgundiones, vandaalsche of gothische stam, die

oorspronkelijk tusschen de Vistula (Weichsel) en de Viadus (Oder)

woonde, later westelijk trok, in de 4de eeuw n. Chr. ten oosten van

de Alamannen, buiten den vroegeren limes woonde, en zich omstreeks

465 tusschen den Rhodanus (Rhône) en Italië vestigde, waar Lugdunum

(Lyon) en Genava (Genève) hunne hoofdsteden werden.

Burgus is de naam van een klein kasteel, dat tusschen de

grootere Castra en Castella gelegen, met deze dient voor de

grensverdediging. Het is een oud-germaansch woord, dat in de 2de eeuw

n. C. in de latijnsche taal is opgenomen.

Burii, Bouroi, germaansch volk, waarschijnlijk in het tegenw. Moravië

en Silezië gevestigd. Zij komen als bondgenooten van Traianus, Marcus

Aurelius en Commodus voor, doch later met de Marcomannen en Quaden

als vijanden der Romeinen.

Burrus (Afranius). Zie Afranii no. 3.

Bursa (T. Munatius Plancus), zie Munatii no. 3.

Busiris, Bousiris, zoon van Aegyptus of van Poseidon en Libye; hij

was koning van Aegypte, en zooals de Grieken verhaalden, placht hij

de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, te offeren, totdat hij

door Heracles gedood werd.

Bustum, bustuarii. Bustum is eigenlijk de uitgebrande brandstapel, doch

beteekent ook de plaats, waar hij is opgericht, alsmede het graf of de

begraafplaats. Wanneer het lijk op den brandstapel was neergelegd, werd

deze door een der bloedverwanten met afgekeerd gelaat aangestoken. Was

het lijk verteerd, dan werd het vuur met wijn en melk gebluscht en

de beenderen werden in eene urn verzameld. Rijken wikkelden vaak de

lijken hunner afgestorvenen in een kleed van asbest, opdat de asch

zich niet met die van het hout zou vermengen. Evenals men bij vele

oude en nog heden bij sommige wilde volken de gewoonte aantreft, op

het graf menschen te offeren, hadden bij de Rom. dikwijls rondom den

brandstapel gladiatorengevechten plaats. Zulke zwaardvechters die dáár

op leven en dood met elkander streden werden bustuarii genoemd. Ten

slotte zij opgemerkt, dat in de oudheid zoo wel begraven als verbranden

gebruikelijk was.

Buteo, familienaam in de gens Fabia, z. Fabii no. 27.

Butes, Boutes, Boutas, 1) zoon van Pandion of Teleon en Zeuxippe,

landman en stierenherder, priester van Athena en Poseidon, na zijn

dood door de Atheners als heros vereerd. Hij was de stamvader van

het geslacht der Butaden of Eteobutaden. Hij nam ook deel aan den

tocht der Argonauten.--2) koning op Sicilië, die door Aphrodite

bemind werd en bij haar een zoon, Eryx, had. Dikwijls wordt hij met

den atheenschen Butes verward, en uit deze verwarring ontstond het

verhaal, dat hij bij de terugreis der Argonauten, bekoord door het

gezang der Sirenen, in zee gesprongen was, maar dat Aphrodite hem gered

en naar Lilybaeum gebracht had.--3) zoon van Boreas, een Thraciër,

die, door zijn broeder Lycurgus verbannen, het eiland Strongyle (oude

naam voor Naxus) bezette. Bij een inval in Thessalië tijdens een feest

van Dionysus roofde hij eene van de feestvierende vrouwen, Coronis,

en dwong haar hem te huwen. Op Coronis' gebed strafte Dionysus hem

met waanzin, zoodat hij zich in een put verdronk.

Buthrotum, Bouthroton, bloeiende zeestad in Epirus, tegenover Corcyra,

volgens de sage gesticht door den Trojaan Helenus.

Buto, Bouto, stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm en

aan eene lagune, Buto lacus genoemd. De stad had een tempel der godin

Buto, met een orakel, dat zeer in eere stond. Buto was de voedster

der beide kinderen van Isis en verborg hen op een drijvend eiland

voor de vervolgingen van Typhon. De Grieken vereenzelvigden haar met

Leto of Latona.

Buxentum, Pyxous, thans Pilocastro, kolonie der Messaners op de kust

van Lucania aan de rivier Buxentius (Busento), gesticht 467, sedert

194 rom. kolonie.

Buzyges, Bouzyges, oud-attisch heros, die het eerst stieren voor den

ploeg spande, v. a. bijnaam van Epimenides of van Triptolemus. Van

hem leidde het geslacht der Buzygae, dat de heilige ploegfeesten te

Athene bestuurde, zijn oorsprong af.

Byblis, Byblis, een meisje uit Miletus, die vurige liefde voor haar

broeder Caunus had opgevat. Toen deze daarom het land verliet, stierf

Byblis van verdriet; uit hare tranen ontstond een bron.

Bybassus = Bubassus.

Byblos, een aegyptische moerasplant, waaruit in de oudheid het papier

vervaardigd werd (z. charta). Het grieksche woord voor boek is hiervan

afgeleid. Een andere naam voor byblos is papyros, waarvan ons woord

papier afgeleid is.

Byblus, Byblos, oude phoenicische zeestad ten N. van Berytus, bekend

als zetel der Adonisvereering. De stad had eigen vorsten, waarvan de

laatste op last van Pompeius werd ter dood gebracht.

Byrsa, waarschijnlijk = burg, Byrsa (vandaar de legende der ossenhuid),

de burg van Carthago, op eene steile rots van omstreeks 60 meter

hoog gebouwd.

Byssa, Byssa, z. Agron.

Byzacium of Byzacena, Byzakion, de zuidelijke helft der provincie

Africa, onder Constantijn eene afzonderlijke provincie, met Hadrumetum

tot hoofdstad.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 29 / 150 段