Berosus, Berossus, Berosos, Berossos, babylonisch priester, geboren

ten tijde van Alexander den Grooten. Zijne babylonische geschiedenis,

in het Grieksch geschreven (Babylonika e Chaldaïka), waarvan nog

enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, stond bij de Grieken hoog

aangeschreven.

Berytus, Berytos, ten Z. van het tegenwoordige Beiroet, overoude

havenstad aan de phoenicische kust, tusschen Byblus en Sydon. Het wordt

eerst belangrijk in den Romeinschen tijd. Sedert het midden van de

3de eeuw n. C. was hier een beroemde hoogeschool voor Romeinsch recht.

Bes, 2/3 deel van den as. Een muntstuk van deze waarde was er niet.

Bessi, Bessoi, machtig thracisch volk langs de geheele uitgestrektheid

van den Haemus. Door M. Terentius Varro Lucullus (zie Licinii no. 25)

werden zij in 72 en 71 aan de Rom. onderworpen. Ze stonden echter

herhaaldelijk op, en werden eerst definitief door L. Piso in 11

onderworpen.

Bessus, Bessos, satraap van Bactrië onder Darius Codomannus. Toen

deze na den slag bij Gaugamela voor Alexander vluchtte, werd hij

door Bessus en eenige anderen, die den oorlog wilden voortzetten,

gevangen genomen, en daar zij aan de snelle vervolging van Alexander

niet konden ontkomen, brachten zij den koning een doodelijke wonde

toe en lieten zij hem op weg achter. Bessus vluchtte nu verder naar

de noordelijke provinciën en liet zich als Artaxerxes IV tot koning

uitroepen, maar eindelijk werd hij door Alexander ingehaald, in

Sogdiana door Ptolemaeus Lagi gevangen genomen, door eene rechtbank

van Perzen en Meden ter dood veroordeeld en gevierendeeld (329).

Bestia, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 14-16).

Bestiarii werden zij genoemd, die zich verhuurden om in het

amphitheater met wilde dieren te vechten. In het eerst bestonden

hunne wapenen uit zwaard en schild, doch onder keizer Claudius

werd het gebruikelijk, dat de bestiarii slechts met een jachtspriet

gewapend waren en een hooggekleurden doek in de hand hadden, zooals

in Spanje bij de stierengevechten het geval is. Zij, die tot straf

aan de wilde beesten voorgeworpen werden, ad bestias damnati,

waren in den regel ongewapend. Voor vrijen was deze straf in het

republikeinsche tijdperk onbekend, doch onder de keizers werd zij

vooral op de Christenen toegepast.

Betasii, germaansch volk in Belgica, in den omtrek van het

tegenw. zuid-brabantsche dorp Beetz.

Betriacum = Bedriacum.

Bianor, zoon van Heracles of van Tiberis en Manto, de mythische

stichter van Mantua.

Bias, Bias, 1) z. Melampus.--2) van Priene, en van de zeven wijzen. Hij

hield Croesus terug van een zeeoorlog tegen de ionische steden;

zijn raad, aan de Ioniërs bij de aanvallen der Perzen gegeven, om

hunne steden in Azië te verlaten en een groot rijk op Sardinië te

stichten, werd niet opgevolgd. Zijn spreuk was: hoi pleious kakoi,

de meeste menschen deugen niet.

Bibaculus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 15).

Bibracte, later Augustodunum, thans Autun, groote volkrijke hoofdstad

der Aeduers in Gallia Transalpina.

Bibrax, stad der Remi in Gallia Transalpina, waarschijnlijk Vieux-Laon

bij Laon.

Bibulus, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 17 en 18).

Bidental. Wanneer bij de Romeinen de bliksem ergens in den grond

was geslagen, dan moest de daar als het ware gestorven bliksemstraal

plechtig ter aarde worden besteld. De aarde der getroffen plek werd

dan begraven met een stuk vuursteen, als zinnebeeld van den bliksem,

er bij. De getroffen plek was door den bliksemstraal tot een templum

gewijd en werd met een muurtje omringd, doch van boven opengelaten,

zoodat het geheel op een put geleek en ook puteal genoemd werd met

het opschrift: fulgur conditum. Dan werd er een tweejarig offerdier,

bidens, geofferd, en hiernaar heette de plek een bidental. Een bidens

is een rund of zwijn, doch meestal een schaap, dat beide rijen tanden

vol heeft, wat het geval is, als het twee jaar oud is.

Bideoi, Bidyoi, Bidiaioi, een collegie van vijf mannen te Sparta,

die den paidonomos ter zijde stonden.

Bigati, de gewone benaming voor de Romeinsche zilverstukken (denarii)

uit den tijd der Romeinsche republiek. Ze ontleenen hun naam aan het

tweespan (bigae) van den beeldenaar; de godheid op het tweespan is

eerst Luna (Diana), later gewoonlijk Victoria (Victoriati), maar men

vindt ook andere goden. Sommige van deze munten hadden een kartelrand

(serrati), om het snoeien tegen te gaan. Soms komt op de denarii een

vierspan voor (quadrigati).

Bigerra, stad der Oretani in Hispania Tarraconensis.

Bigerriones, volk in Aquitania, welks naam nog voortleeft in de

pyreneesche badplaats Bagnères de Bigorre.

Bilbilis, Bilbilis, in Hispania Tarraconensis, geboortestad van den

dichter Martialis, in het gebied der Celtiberiërs aan een zijtak van

den Iberus (Ebro). De stad lag op eene rots en had eene belangrijke

nijverheid van wapenfabrieken en goudsmidswerk.

Bilechas, zijrivier van den Scirtus.

Bingium, stad in Belgica, thans Bingen aan den Rijn.

Bion, Bion, 1) van Smyrna, navolger van Theocritus als bucolisch

dichter, dien hij echter niet kon evenaren. Hij stierf omstreeks het

einde van de 2de eeuw te Syracuse door vergift. Er zijn nog enkele

gedichten in dorisch dialect van hem over.--2) van Borysthenes,

beoefende in het laatst der derde eeuw te Athene de cyrenaeische

wijsbegeerte en bracht langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas

door. Hij is een leerling van Theophrastus. Hij was bekend om zijn

vinnige uitvallen; den godsdienst verklaarde hij op dezelfde wijze

als Euhemerus (z.a.).

Bisaltae, Bisaltai, thracisch herdersvolk in het macedonische landschap

Bisaltia, ten W. van den Beneden-Strymon.

Bisanthe, Bisanthe, volkplanting van Samus aan de Noordkust der

Propontis.

Bistones, Bistones, thracische volksstam tusschen den berg

Rhodope en de zee, in den omtrek der stad Abdera, aan het meer

Bistonis. Dichterlijk bistonisch = thracisch, Bistonides = Bacchanten,

omdat de Bacchusdienst in Thracia te huis behoorde.

Bithynia, Bithynia, land aan de Zuidwestzijde van den Pontus Euxinus

en de Oostzijde der Propontis, begrensd door Paphlagonia, Galatia

en Phrygia. Het draagt zijn naam naar een der beide thracische

stammen, die het bewoonden, de Bithyni ten O. en de Thyni ten W.,

wier gebied door de rivier Sangarius gescheiden was. V.s. zijn

beide namen identisch. Noch aan de Perzen, noch aan Alexander

d. G. gelukte het, Bithynia geheel of duurzaam te onderwerpen. Na

den dood van Alex. behoorde Bithynia tot het gebied van Lysimachus,

doch een der mindere legerhoofden, Nicomedes, slaagde er in, met

behulp van keltische huurtroepen hier een koninkrijk te stichten

(281-246). De zesde koning dezer dynastie, Nicomedes III, liet in 75

zijn land bij testament aan de Romeinen na. In 63 werd eene strook

van Paphlagonia en van Pontus aan de provincie Bithynia toegevoegd,

en in 7 na C. nog een stuk. Sedert 63 na C. komt de provincie voor

onder den naam Bithynia-Pontus. Plinius de jongere, bekend door zijne

Epistulae, werd in 111 door keizer Traianus tot stadhouder van Bithynia

benoemd. Zijne ambtsbrieven aan den keizer en diens antwoorden zijn

leerzaam om ons het destijds heerschende centralisatiestelsel te

doen kennen. Ook geeft één van deze brieven een verrassenden kijk

op de uitbreiding, die het Christendom toen reeds verkregen had. De

oude hoofdstad was Bithynium; onder de grieksche vorsten had men drie

residenties: Nicomedea, door Nicomedes I gesticht, Nicaea en Prusa.

Bithynium, Bithynion, de oudste hoofdstad der Bithyniërs, in het

binnenland gelegen, later Claudiopolis geheeten.

Biton, Biton, z. Cleobis.

Bituriges, aanzienlijk volk in Gallia Transalpina. Zij werden

onderscheiden in Bituriges Vibisci met de hoofdstad Burdigala

(Bordeaux) aan den Garumna, en Bituriges Cubi met de hoofdstad Avaricum

(Bourges).

Blandusia = Bandusia.

Blautai, Blautia, halve schoenen, die met riemen om de beenen

vastgemaakt werden. Het was een voorname dracht.

Blemmyes, Blemmyes, een rooversvolk ten zuiden van Aegypte.

Blosius of Blossius (C.), stoicijnsch wijsgeer uit Cumae, een vriend

van Tib. Gracchus en deelgenoot van diens plannen. Na Gracchus'

dood vluchtte hij naar Asia, waar hij later zichzelf het leven benam.

Boadicca of juister Boudicca, koningin der Iceners in Britannia,

die door de schandelijke hebzucht en handelingen der Romeinen tot

opstand gedreven werd (62 v. a. 60 n. C.). Deze opstand breidde

zich met groote snelheid uit, het belangrijke Londinium (Londen) en

andere plaatsen werden door de woedende Britten veroverd, en meer dan

70000 romeinsche soldaten en burgers kwamen om het leven. Boadicca's

tallooze benden werden echter in hetzelfde jaar door Nero's dapperen

veldheer C. Suetonius Paulinus geheel verslagen, waarop de koningin

zich door vergif het leven benam.

Bocchus, 1) koning in Mauretania, schoonvader van Jugurtha. Eerst

was hij op de hand der Romeinen, tot Jugurtha hem door afstand

van grondgebied voor zich won. Toen zijne troepen evenwel door

Marius bij herhaling verslagen waren, liet hij zich bewegen zijn

schoonzoon aan de Romeinen uit te leveren.--2) Bocchus II regeerde

met zijn broeder Bogudes gezamenlijk over Mauretania. In den oorlog

van Caesar tegen de partij van Pompeius kozen zij Caesars zijde en

kregen tot belooning den titel van koningen. Bogudes droeg er later

veel toe bij, om Caesar den slag bij Munda te doen winnen. In den

strijd tusschen Antonius en Octavianus koos Bocchus de zijde van

dezen, Bogudes die van Antonius. Bocchus kreeg nu geheel Mauretania,

terwijl Bogudes kort na den slag bij Actium sneuvelde. Na Bocchus'

dood (33) werd zijn land eene rom. provincie, maar in 25 werd het

aan den jongen Juba afgestaan. (Zie Juba).

Bodotria of Boderia, Boderia eischysis, inham van de Noordzee tusschen

Caledonia (Schotland) en Britannia, thans Firth of Forth. Vanhier liep

het vallum Antonini tot aan het Clotae aestuarium aan de Iersche zee.

Boebe, Boibe, en Boebeis lacus, Boibeis limne, stad en meer tusschen

de thessalische landschappen Pelasgiotis en Magnesia.

Boëdromia, Boedromia, feest ter eere van Apollo te Athene en Thebe

in de maand Boëdromion gevierd. De Atheners herdachten daarbij de

overwinning van Theseus op de Amazonen, of de hulp, die Ion of Xuthus

hun tegen de Eleusiniërs verleend had, en sedert 490 ook den slag

bij Marathon. In Thebe vierde men het feest ter gedachtenis aan den

oorlog met Erginus, koning van Orchomenus.

Boëdromion, Boedromion, 3de maand van het Attische jaar (Sept.-Oct.),

z. Annus.

Boeotia, Boiotia, landschap van Hellas, voor een groot gedeelte

door bergen ingesloten, rijk aan bronnen en vruchtbare valleien,

en met een aantal meertjes, die zich in den regentijd tot één

groot meer (het meer Copaïs) vereenigden. De bewoners stonden bij

de Atheners niet in den reuk van snuggerheid; men hield het er

voor, dat de vochtige en dompige lucht benevelend op het verstand

der Boeotiërs werkte. De bevolking was uit allerlei oude stammen

dooreengemengd. Tot de oudste steden behooren: Orchomenus, dat reeds

in den myceenschen en vóór myceenschen tijd bestaan heeft, Arne,

dat met een paar andere steden in het meer Copaïs verdronken is,

en Thebae. In historischen tijd bestond Boeotia uit een statenbond

eerst van 7 steden: Acraephium, Coronea, Haliartus, Mycalessus,

Plataeae (dat zich echter reeds vroeg bij Athenae aansloot),

Tanagra, en Thebae, later van 14, na den peloponnesischen oorlog

van 10 staatjes, meest met een aristocratisch bestuur. De jaarlijks

aftredende overheidspersonen heetten Boeotarchen. Als hoofd van den

bond gold Thebae; maar de tweespalt en de somtijds doodelijke haat,

die tusschen de boeotische steden heerschte, verlamden de kracht van

het volk. In Boeotia behooren de mythen te huis van Antiope en Dirce,

van Amphion en Niobe, van Cadmus en diens dochters Ino en Semele en

zijne kleinzonen Actaeon, Melicertes en Pentheus, van Dionysus of

Bacchus, van Oedipus en diens geslacht, van de gebroeders Trophonius

en Agamedes. Aan de Muzen was de berg Helicon gewijd, die met zijne

rijkbegroeide hellingen scherp afstak bij den naakten Cithaeron,

den ongeluksberg in de boeotische mythen.

Boeotus, Boiotos, z. Aeolus no. 2. Naar hem zouden de Boeotiërs

genoemd zijn.

Boethus, Boethos, van Chalcedon, bekwaam beeldhouwer uit het begin van

de 2e eeuw. Beroemd was onder zijne werken het beeld van een knaap,

die een gans den hals omdraait.

Boeum, Boion, stad in het landschapje Doris, tot de dorische tetrapolis

behoorende.

Bogudes, koning in Mauretania. Zie Bocchus II, wiens jongere broeder

hij was.

Boii, Boioi, een groot keltisch volk uit meer dan 100 tribus bestaande,

dat veel gezworven heeft en waarvan verschillende gedeelten in de Po-

en Donaulanden voorkomen, ten N. en ten Z. der Alpen. De Bojers in de

Po-vlakte verdreven de Etrusci en de Umbri uit de streek ten Z. van

de Po, en namen de Etruscische stad Felsina in, die later als hun

hoofdstad Bononia genoemd werd. Na hevigen strijd werden zij in 224

door de Romeinen ten onder gebracht, doch de inval van Hannibal in

Italië bracht hen weder in opstand, en eerst in 191 werden zij door

P. Cornelius Scipio Nasica (Cornelii no. 19) voor goed onderworpen. De

Bojers aan den Donau sloegen een aanval der Cimbren en Teutonen af;

in Caesars tijd sloot zich een gedeelte, dat zijne woonplaatsen in

Boiohaemum (Boheme) verlaten had (± 60) en naar Noricum was getrokken,

bij de Helvetiërs aan.

Boiohaemum, Boheme, het land (die Heimath) der Boii.

Boiorix, 1) misschien slechts een titel = Boiorum of Boius rex, koning

der Bojers, die volgens het niet geheel betrouwbare verhaal in 194

met de Romeinen gestreden heeft.--2) koning der Cimbren, versloeg en

doodde in 105 M. Aurelius Scaurus (z. Aurelii no. 10), maar sneuvelde

in 101 in den slag op de Raudische velden bij Vercellae tegen Marius.

Boiotarchai, de magistraten van het boeotisch verbond, die de

uitvoerende macht hadden, in den oorlog het opperbevel voerden,

en de besluiten der vier boeotische raden ten uitvoer brachten.

Bola, Bola, oude stad in Latium, die langen tijd in het bezit der

Aequi geweest is, en reeds vroeg te gronde is gegaan.

Bolbe, Bolbe, meer in Macedonia, dat in de golf van den Strymon

uitwatert.

Bolbitine, Bolbitine, thans Rosette, stad in de Nijldelta, waarnaar

de westelijke hoofdmonding der rivier ostium Bolbitinum werd genoemd.

Bolissus, Bolissos, stad in het N.W. van Chius.

Bomienses, Bomies, volk in het O. van Aetolia, in het brongebied van

den Euenus.

Bomilcar, Bomilkas, naam van twee carthaagsche veldheeren. De eerste

komt voor in den strijd van Carthago tegen Syracusae, toen Agathocles

omstreeks 310 eene landing in Africa deed en de carthaagsche generaals

Hanno en Bomilcar versloeg. Later deed Bomilcar eene poging om zich te

Carthago van het bewind meester te maken; doch zijn toeleg mislukte en

hij stierf aan het kruis.--De andere komt voor in den tweeden punischen

oorlog. Hij bracht in 215 versche troepen aan Hannibal en ondersteunde

in 214 en 212 Syracusae tegen de Romeinen.--Ook de vertrouwde dienaar

van Jugurtha, die voor dezen te Rome den moord op Massiva pleegde,

heette Bomilcar. Toen hij later zijn meester poogde te verraden,

werd hij door dezen met den dood gestraft (107).

Bomonikai, heetten de spartaansche knapen, die de geeseling voor

het altaar van Artemis Orthia (z. a.) het langst en standvastigst

verdroegen.

Bona Dea, eene godin wier eigenlijke aard reeds den Romeinen

onduidelijk was, en die daarom soms voor dezelfde als Fauna, Maia,

Ops, e. a. gehouden wordt; oorspronkelijk was de naam een attribuut

van Fauna, maar daar deze godin uitsluitend door vrouwen vereerd werd,

werd de Grieksche godin Damia, wier dienst reeds vroeg, waarschijnlijk

272, na de inneming van Tarente, in Rome werd ingevoerd, met haar

vereenzelvigd. De 1e Mei was haar feestdag, maar het voornaamste feest

te harer eer werd in het begin van December des nachts ten huize van

den hoogsten overheidspersoon door voorname vrouwen en vestaalsche

maagden gevierd. Tot beide feesten was de toegang aan mannen ten

strengste verboden.

Bondgenootenoorlog, zie Marsicum bellum.

Bona (fide), te goeder trouw, komt als rechtsterm dikwijls voor. Bonae

fidei possessio is het bezit te goeder trouw van eene zaak, waarvan

men meent de rechtmatige bezitter te zijn.

Bonna, stad in het gebied der Ubii aan den Rhenus, thans Bonn. Drusus

maakte er eene vesting van.

Bononia, Bononia, 1) thans Bologna, zeer oude Stad in Gallia

Cisalpina. Eerst was Bononia de hoofdstad der aan den Po gevestigde

Etruscers, en heette toen Felsina. Toen de Etruscers door de Galliërs

verjaagd waren, werd Bononia de hoofdstad der Bojers. In 189 werd het

lat. kolonie. Onder de keizers werd het eene aanzienlijke stad.--2)

stad der Morini, aan het Kanaal, vroeger Gesoriacus portus, thans

Boulogne.

Bonorum cessio, vrijwillige afstand van zijn vermogen door een

insolventen schuldenaar aan zijne schuldeischers. Zie bonorum emptio.

Bonorum emptio. Wanneer een schuldenaar onwillig bleek zijne schuld

te betalen, of wanneer iemand zich schuil hield om eene dagvaarding te

ontgaan, konden de belanghebbenden van den praetor eene missio in bona,

d. i. eene inbeslagneming van goederen vragen. Werd deze toegewezen,

dan liet men nog een termijn voorbijgaan, om den onwillige in de

gelegenheid te stellen aan zijne verplichtingen of aan het verlangen

der eischers te voldoen; bleef hij in gebreke, dan had ten laatste

de executie plaats. Werden iemands bezittingen voor schuld verkocht,

dan werden zij in haar geheel bij opbod aan hem toegewezen, die aan

de schuldeischers het grootste getal percenten bood. Deze executie

had eerloosheid (infamia) tengevolge, die men kon ontgaan door eene

bonorum cessio. Het oude recht kende echter deze cessie niet; zij werd

eerst wettig ingevoerd onder Caesar, hoewel zij zeker onderhands ook

vroeger zal hebben plaats gehad.

Bonorum possessio. Het oude strenge erfrecht bij de Romeinen sloot de

cognati en de geëmancipeerde kinderen uit; doch het praetorische recht,

dat meer op de aequitas was gegrond, nam deze op. Door dit nieuwe recht

konden op grond van bloedverwantschap ook zij tot de erfenis geroepen

worden, die door uittreding uit de patria potestas hun erfrecht

volgens de lex XII tabularum hadden verloren. Men onderscheidt hierbij

verschillende gevallen. Bonorum possessio contra tabulas (testamenti)

kon door den praetor verleend worden, wanneer b. v. geëmancipeerde

kinderen in het testament waren voorbijgegaan. Bon. poss. secundum

tabulas kon toegewezen worden, wanneer b.v. het testament niet aan

alle wettelijke vormen voldeed en dus strikt genomen niet geldig zou

wezen,--tenzij zich erfgenamen opdeden, die een beter recht konden

doen gelden dan de testamentaire erven. Bon. poss. intestati kon

plaats grijpen, wanneer er geen testament was. De praetor maakte dan

verschillende klassen van erfgenamen. In den eersten graad erfden de

kinderen, ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de legitimi

heredes, bij ontstentenis van deze, de naaste cognaten, enz., tot

zeven graden toe.--Zij, die door het praetorische edict aldus tot

de erfenis geroepen werden, werden nochtans eigenlijk geene heredes,

want de praetor kon geene erfgenamen maken; zij werden loco heredum en

hadden slechts de possessio, daar zij geen wettigen titel van eigendom

konden doen gelden, tenzij later het recht van verjaring (usucapio).

Bonorum sectio, z. Sectio bonorum.

Bonus Eventus, z. Eventus.

Boonai, te Athene door het volk gekozen personen, die te zorgen hadden,

dat het voor de offers en feesten noodige vee in voorraad was.

Bootes, Bootes, sterrenbeeld in de nabijheid van den Grooten Beer,

daarom ook Arcturus of Arctophylax genoemd. Men zag in dit beeld

Icarius of Arcas. V. a. was Bootes een zoon van Demeter en Iasion,

die den ploeg had uitgevonden.

Borbetomagus, stad der Vangiones, aan den Rhenus, thans Worms.

Boreadae, Boreadai, Boreades, Zetes, Calaïs, Chione en Cleopatra,

kinderen van Boreas en Orithyia.

Boreas, Boreas, Borras, N. O. of N. wind (zie Windstreken),

mythologisch de zoon van Astraeus en Eos, die een hol van den

thracischen Haemus bewoont. Hij schaakte behalve vele andere vrouwen

Orithyia, de dochter van Erechtheus, daarom baden de Atheners tot

hem, toen een orakel hun bij het naderen der Perzen bevolen had hun

schoonzoon te hulp te roepen, en inderdaad werd een deel van Xerxes'

vloot bij kaap Sepias door storm vernield. Uit dankbaarheid wijdde

men hem een tempel aan den Ilissus.

Boreasmoi, feest ter eere van Boreas te Athene gevierd.

Borsippa, stad aan het Naärsareskanaal, even bezuiden Babylon, met

beroemde linnenfabrieken.

Borysthenes, Borysthenes, rivier in Sarmatia, later Danapris, thans

Dniepr. Aan zijn mond, waar hij zich met den Hypanis (Bug) vereenigt,

lag de milesische kolonie Borysthenis of Olbia.

Bosporanum regnum, zie Bosporus.

Bosporus, Bosporos, naam van twee zeeëngten. De Bosporus Thracius

heet de straat van Constantinopel; de Bosporus Cimmerius is de

straat van Kaffa of Jenikale, de invaart der Palus Maeotis of zee

van Azow. Met de palus Maeotis en den Tanaïs (Don) vormt ze in de

oudheid de grensscheiding tusschen Europa en Asia. Uit de milesische

kolonie Panticapaeum, ook Bosporus geheeten, thans Kertsch, aan de

laatste zeeëngte gelegen, ontwikkelde zich een bosporaansch rijk,

dat door Mithradates VI van Pontus met zijn rijk werd vereenigd en

later door Pompeius aan diens zoon Pharnaces werd afgestaan. Als

rom. vasalstaat bleef het bestaan tot aan de groote volksverhuizing.

Bostar, Bostar, naam van twee carthaagsche bevelhebbers. De eerste,

door Regulus in 256 gevangen genomen, werd later als zoenoffer aan

diens familie overgegeven en zou tengevolge van mishandelingen

gestorven zijn. De andere, die onder Hasdrubal in den tweeden

punischen oorlog in Spanje diende, liet zich door zekeren Spanjaard

Abelux verleiden, om de Spaansche gijzelaar, hem door Hannibal ter

bewaking toevertrouwd, vrij te laten. Een derde Carthager van dien

naam, werd in 215 door Hannibal met een paar anderen als gezant naar

Macedonia afgevaardigd; doch het schip, dat hen vervoerde, werd door

de rom. vloot buit gemaakt.

Bostra, ta en he Bostra, stad ten Zuiden van Damascus, in eene

oase der syrische woestijn. Het was oudtijds de hoofdstad van de

landstreek Auranitis, in het N. O. van Palaestina, later hoofdstad van

het koninkrijk der Nabataeërs, en werd ten slotte, bij de inlijving

(105 of 106 n. C.) door Traianus tot hoofdstad der provincie Arabia

verheven. Zie Arabia.

Bottia of Bottiaea, Bottia, -iaia, -iaiis, landstreek van Macedonia

aan den Axius, (Vardar) en de Thermaeïsche golf. De oorspronkelijke

bewoners, in de 7de of 6de eeuw door de Macedoniërs verdreven,

verhuisden naar het noordelijk gedeelte van het schiereiland

Chalcidice, dat zij Bottice noemden, terwijl de vroegere woonplaats

den ouden naam Bottia of Bottiaea behield.

Bouai, afdeelingen, waarin de spartaansche jongelingschap gedurende

de jaren hunner opvoeding verdeeld was. Aan het hoofd van zulk eene

afdeeling stond een Bouagos of Bouagor.

Boudicca = Boadicca.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 28 / 150 段