bandelier, hetzij om het lijf of over den schouder gedragen, om zwaard
of schild of pijlkoker of wat dan ook te dragen. Ook wordt het woord
gebezigd voor de ringmuren, die in een theatrum of amphitheatrum
de drie rangen van elkander scheidden. Bijgaande teekening stelt
een stuk voor van een theater in Pompeji. Men denke zich de muren
met den overdekten gang onafgebroken doorloopende zoover als de
zitplaatsen gaan.
Bambyce, Bambyke, oude naam van Hierapolis in Syria (Cyrrhestice),
nabij den Euphraat, een van de fraaiste steden van Syrië.
Bandusia, bron in Apulia, nabij Venusia, de geboortestad van
Horatius. Op diens landgoed Sabinum bevond zich ook eene bron, door
den dichter Bandusia gedoopt.
Bantia, stadje in Apulia, nabij Venusia, in een boschrijke streek aan
den mons Vultur. In de nabijheid zijn in 1793 fragmenten gevonden
van een bronzen plaat, die aan beide zijden een opschrift heeft,
de tabula Bantina. Het ééne opschrift is in het oscisch, het andere
in het latijn.
Baphyras of -rus, Baphyras, riviertje in Pieria, dat op den Olympus
ontspringt en langs Dium (z. Dium no. 3) stroomend, in de golf van
Thermae valt.
Baptai heetten zij die deelnamen aan de feesten van Cotytto.
Barathrum, Barathron, een afgrond bij Athene, waarin sommige
misdadigers geworpen werden.
Barbari, barbaroi, bij de Grieken alle volken die een vreemde taal
spraken, en daar de Grieken zich als het voortreffelijkste volk
beschouwden, dat geschikt was over alle andere te heerschen, hechtte
men aan dit woord licht de beteekenis van laag, slaafsch. Toen de
Romeinen het overnamen, zonderden zij zichzelf van de barbaren uit;
bij hen beteekent het woord die volken, die de grieksche en romeinsche
beschaving missen, het komt dus meer overeen met ons barbaarsch. Later
werd het vooral van de Germanen en van de volken over den Euphraat
gebruikt.
Barbaria (Barbarica), de noordelijke kust van Somali-land.
Barbitos, Barbiton, barbitos, barbiton, een muziekinstrument met
zeven snaren, in vorm gelijk aan de lier, maar grooter; het werd met
de vingers of met een plectrum bespeeld.
Barca, Barke, stad in Cyrenaïca, omstreeks 550 als mededingster van
Cyrene gesticht door broeders van den cyrenaeïschen koning Arcesilas
II, die zich aan het hoofd der opgestane Barcaeërs hadden gesteld. Na
de verovering door de Perzen in 512 kwam Barca in verval. De Perzen
brachten een gedeelte der inwoners naar Bactria over en de latere
Ptolemaeën verhieven Barca's havenplaats tot eene zelfstandige stad
Ptolemaïs.
Barcaei, Barkaioi, paardenfokkende nomadenstam, die het land van
Barca bewoonde.
Barcani(i), parthische stam op de grenzen van Hyrcania, waarover
Cyrus zijn grootvader Astyages, dien hij onttroond had, tot landvoogd
aanstelde.
Barcas = de bliksem, bijnaam van Hannibals vader Hamilcar.
Barcino, aanzienlijke stad der Lacetani in het N.O. van Tarraconensis,
later rom. kolonie, thans Barcelona.
Barcini, aanzienlijk karthaagsch geslacht, waartoe o.a. Hasdrubal en
Hannibal behoorden. Ook de partij, waarvan deze familie het hoofd was,
wordt zoo genoemd.
Bardi, Bardoi, dichters en zangers bij de Galliërs.
Bardiaei, Vardaei, Bardyaioi, illyrische slaven, berucht om hun
bloeddorst, waarvan Marius zich bediende om de vogelvrijverklaarden
uit den weg te ruimen. Toen zij in hun overmoed niets meer ontzagen,
liet Sertorius na Marius' dood 4000 van hen neersabelen.
Bardylis, Bardylis, Illyrisch koning, die in 359 een groot deel
van Macedonië veroverde, maar het volgende jaar in een slag tegen
Philippus sneuvelde.
Barea Soranus, proconsul in Asia onder Nero. Door zijne
rechtvaardigheid maakte hij zich zeer bemind, doch hij werd van
eerzuchtige bedoelingen beschuldigd en met zijne dochter Servilia
ter dood veroordeeld, 66 na C. Aanklager was zijn cliënt en vroegere
leermeester, de stoicus P. Egnatius Celer uit Berytus.
Bargusii, volk in Tarraconensis tusschen den Iberus (Ebro) en de
Pyrenaeën.
Bargylia, ta Bargylia, stad in Caria ten N. van Halicarnassus. In
de nabijheid vond men een beroemd beeld van Artemis, dat nooit door
regen nat werd, hoewel het onder den blooten hemel stond.
Barium, Barion, stad der Peucetii in Apulia aan de Adriatische zee,
met veel vischvangst, thans Bari.
Barsine, Barsine, 1) ook Statira of Arsinoë genoemd, dochter van
Darius Codomannus, huwde in 324 met Alexander d. Gr. en werd na diens
dood door Roxane vermoord. Haar juiste naam was Statira; Barsine heet
ze slechts door een vergissing van een der schrijvers, die haar met
Barsine no. 2 verward heeft.--2) dochter van Artabazus, gehuwd met
Memnon den Rhodiër. Bij Alexander d. Gr. werd zij moeder van Heracles.
Basanistes, een ambtenaar te Athene, ten overstaan van wien slaven als
aangeklaagden of getuigen verhoord werden. De verklaringen van slaven
waren alleen dan geldig, wanneer zij op de pijnbank (basanos) afgelegd
waren. In vele gevallen lieten de partijen, na afloop van het verhoor,
de beslissing over de zaak aan den basanist als scheidsrechter over.
Basileus, koning, in oude tijden de algemeene naam voor het hoofd
van een griekschen staat; bij het toenemen van de macht van den
adel werden ook de hoofden der adellijke geslachten zoo genoemd. In
de historische tijden vindt men dien titel alleen nog te Sparta,
waar twee koningen regeerden, een uit het geslacht der Procliden of
Eurypontiden, een uit dat der Agiden. Zij waren voorzitters van den
raad, opperpriesters, aanvoerders in den oorlog en in enkele zaken
ook rechters; hun macht was echter zeer beperkt.--Te Athene, waar de
koninklijke waardigheid sedert den dood van Codrus afgeschaft was,
bleef de tweede archont den titel van basileus behouden (z. Archontes).
Basilicae waren ruime gebouwen voor het handelsverkeer, overdekte
markten of beursgebouwen, groote rechthoekige zalen met of zonder
halfrond aan de einden. Soms werd het dak door twee rijen zuilen
gesteund, en vormden deze dus een middenschip en twee zijschepen. Ook
werden de basilicae veel gebruikt voor rechtszittingen. Onder
Constantijn den Grooten werden eenige basilieken aan de Christenen
ingeruimd voor hunne godsdienstige bijeenkomsten. Vandaar dat de
oudste christenkerken dezen vorm hadden.
Basilius de Groote, 329 na C. te Caesarea in Cappadocia geb., was
eerst pleitbezorger, ging toen tot den geestelijken stand over en werd
in 370 bisschop van Caesarea. Hij was een groot weldoener der armen,
stichtte een groot hospitaal en besteedde zijn geheel vermogen tot
weldadige doeleinden, terwijl hij zelf in armoede leefde. Hij was een
groot voorstander der grieksche letterkunde. Behalve andere geschriften
heeft hij ook brieven nagelaten, uitmuntende door stijl en logica. Hij
bestreed het Arianisme. Het door hem gestichte klooster aan den Iris
in Pontus werd een model voor latere inrichtingen van deze soort.
Baskania, fascinatio, betoovering door woord of blik. In
overeenstemming met de bekende meening der ouden, dat de goden geen
al te groot of al te langdurig geluk duldden, geloofde men ook dat
hun aandacht op zulk een gelukkig persoon door een overmoedig woord of
afgunstigen blik gevestigd konden worden, of dat zij daardoor bewogen
konden worden aan den gelukkigen toestand een einde te maken. Daarom
placht men, wanneer men zichzelf of zijn geluk prees, door bepaalde
formules het vermoeden van overmoed van zich af te werpen, of driemaal
te spuwen; tegen het "kwaadoog" vond men bescherming door het dragen
van een talisman (probaskanion, fascinum).
Bassae, Bassai, een vlek in het Z. van Arcadia, in het gebied der stad
Phigalia, met een tempel van Apollo Epicurius (den helper tegen de
pest), door den beroemden Ictinus gebouwd. Met den Athena-tempel
te Tegea gold deze Apollo-tempel voor den schoonsten van de
Peloponnesus. Zie verder Phigalia.
Bassania, stad in Illyria in de nabijheid van Lissus.
Bassareus, Bassareus, bijnaam van Dionysus, naar het vossevel
(bassara), waarmede hij omhuld was.
Bassaris, Bassaris, Bacchante.
Bassus, familienaam in de gentes Caecilia (Caecilii no. 28), Caesia,
Pomponia (Pomponii no. 8), Ventidia.
Bastarnae, Bastarnai, een machtig, roofziek volk van Germaanschen stam
tusschen den Vistula (Weichsel), den Tyras of Danastris (Dniester) en
den Ister (Beneden-Donau), dat Perseus met 7000 strijdbare mannen had
willen helpen, zoo hij niet te karig ware geweest (168). Herhaaldelijk
deden zij strooptochten in Thracia. Een onderafdeeling van hen vormen
de Peucini.
Basterna, gesloten draagstoel, door muilezels gedragen, voornamelijk
ten gebruike van vrouwen.
Bastetani, iberische volksstam in het zuiden van Hispania
Tarraconensis, verwant met de
Bastuli, een in het Oosten van Baetica aan zee wonende sterk met
Phoeniciërs gemengde iberische stam. Bij oudere gr. schrijvers heeten
ze met de Bastetani Mastiani (Mastianoi).
Batava castra, in Vindelicia op de grenzen van Rhaetia, thans Passau.
Batavi, de ons bekende Batavieren, omstreeks 40 uit Germania den Rijn
afgezakt. Ze stammen af van de Chatten. De insula Batavorum strekte
zich uit tusschen den Rhenus (Rijn) ten N., den Vahalis (Waal) en de
monden van de Mosa (Maas) ten Z. en de zee ten W. Ze wonen ook ten
Z. van den Rijn en de Waal. Batavodurum (z. a.), later vervangen door
Ulpia Noviomagus, z. Noviomagus, en Forum Hadriani zijn de voornaamste
plaatsen in hun gebied. De Romeinen sloten met hen een bondgenootschap,
en in de germaansche oorlogen bewees vooral de uitstekende bataafsche
ruiterij voortreffelijke diensten. Keizer Augustus nam de Batavieren
onder zijne lijfwacht op. Zie Corporis Custodes. In 69 na C. echter
barstte een opstand der Batavieren onder Claudius Civilis uit, daar de
Romeinen hen meer als overwonnenen dan als bondgenooten behandelden. De
opstand breidde zich ook buiten het eiland uit in zulk eene mate,
dat hij voor de rom. heerschappij in het Noorden gevaarlijk dreigde
te worden. De Romeinen wisten echter tusschen de Batavieren en hunne
bondgenooten tweespalt te verwekken, zoodat de laatsten Civilis
in den steek lieten, waarop deze met den rom. veldheer Cerealis
vrede sloot. Het oude bondgenootschap werd hernieuwd. In de 3de eeuw
n. C. dienen ze veel onder de equites singulares. In 300 n. C. wordt
hun land overstroomd door de (Salische) Franken, en wat er van hen
overschiet, zal zich wel bij de Franken hebben aangesloten.
Batavodurum of Oppidum Batavorum, stad der Batavi op het plateau boven
Ubbergen, ten O. van Nijmegen gelegen, door Civilis in 70 n. C.,
vóór hij zich naar de Betuwe terugtrok, in brand gestoken. De stad
is niet herbouwd. Zie Noviomagus no. 4.
Bathycles, Bathykles, van Magnesia, beeldhouwer omstreeks 550; van
hem was de troon van Apollo te Amyclae, waarop in 42 vakken in relief
verschillende mythen waren voorgesteld.
Bathyllus, Bathyllos, 1) schoon samisch jongeling, door Anacreon
bemind.--2) van Alexandrië, vrijgelatene van Maecenas, beroemd als
kluchtig balletdanser (pantomimus); zijne bekwaamheid in het nabootsen
van teedere en vrouwelijke standen en gebaren gaf hem den bijnaam
mollis. Hij is de eigenlijke stichter van den pantomimus.
Bato, naam van twee aanvoerders, een Pannoniër en een Dalmatiër,
in den opstand dezer beide volken tegen Rome, 6-10 n. C.
Battiadae, Battiadai, afstammelingen van Battus, die 631-450 te
Cyrene regeerden.
Battiades, Battiades, de dichter Callimachus, afstammende van het
geslacht der Battiaden.
Battus, Battos, 1) van Thera, zoon van Polymnestus, uit een oud
adellijk geslacht. Toen hij eens het orakel van Delphi om raad kwam
vragen tegen het stotteren, kreeg hij bevel eene volksplanting naar
Libye te voeren, waar hij genezing zou vinden; en inderdaad zoodra
hij geland was, zag hij een grooten leeuw, van schrik begon hij te
schreeuwen, en zijn gebrek was genezen. Hij vestigde zich toen met
de zijnen op het eiland Platea, waar het hun echter niet goed ging,
zoodat zij na twee jaar naar Griekenland terugkeerden; het delphische
orakel beval hun echter opnieuw naar Libye te gaan. Zij bezetten nu de
kust tegenover het eiland en zes jaar later stichtten zij, bij de aan
Apollo gewijde bron Cyre of Cyrene, de stad Cyrene, waarover Battus
(631-591) als een rechtvaardig en bemind vorst regeerde.--Volgens
Herodotus is Battus het libysche woord voor koning.--2) Battus II
Eudaimon, kleinzoon van den vorigen. Onder zijne regeering (575-570)
werd het aantal inwoners door eene menigte Peloponnesiërs, Cretensers,
e. a. vermeerderd, zoodat zij met goed gevolg weerstand konden bieden
aan het groote leger, dat de aegyptische koning Apriës den Libyers
tegen hen te hulp gezonden had.--3) Battus III Cholos, onder wiens
regeering (550-530) de koninklijke macht aanmerkelijk beperkt werd.--4)
herder van Neleus; hij had Hermes de runderen van Apollo zien stelen,
maar beloofd dit te verzwijgen, toen echter Hermes zelf in eene
andere gedaante tot hem kwam en naar de runderen vroeg, vertelde hij
het gebeurde, waarop hij tot straf voor zijne trouweloosheid in een
steen veranderd werd.
Batulum, stad in Campania, ligging onbekend.
Baucis, Baukis, z. Philemon.
Bauli, liefelijk oord tusschen Baiae en Misenum, met tal van
buitenplaatsen. De redenaar Q. Hortensius had hier een landgoed,
dat later in het bezit van de keizerlijke familie gekomen is. Hier
werd Agrippina, de moeder van Nero, door haar zoon vermoord (Maart
59 n. C.).
Bavius en Maevius, twee rom. pruldichters, benijders en bedillers
van Horatius en Vergilius.
Baxea of Baxa, meestal plur. baxeae, soort van schoeisel, soms als een
sandaal, soms als een schoen, doch van zeer lichte stof vervaardigd,
b.v. van papyrus of van palmbladeren.
Bazira, Bazira, vesting op den Paropamisus ten W. van de bergvesting
Aornus.
Bebriacum = Bedriacum.
Bebryces, Bebrykes, mythisch volk in Bithynië, door de Argonauten
bezocht. Het volk is ongeveer in de 8ste eeuw door de Bithyniërs
uitgeroeid. Naar hen heette Bithynia vroeger Bebrycia.
Bedriacum, Betriakon, vlek in Gallia Cisalpina tusschen Verona en
Cremona, waar in 69 n. C. eerst keizer Otho door de troepen van
Vitellius verslagen werd, terwijl weinige maanden later tusschen
Bedriacum en Cremona in een dubbelen slag het leger van Vitellius
door Antonius Primus, veldheer van Vespasianus verslagen werd.
Belbina, Belbina, eilandje tusschen Attica en Argolis.
Belesys, Belesys, chaldeeuwsch priester, satraap van Babylon;
z. Arbaces.
Belgae, Belgai, gezamenlijke naam voor de volksstammen, die ten tijde
van Caesar het noordelijk gedeelte van Gallia Transalpina bewoonden,
ten N. van den Matrona (Marne) en de Sequana (Seine). Ook in Britannia
vindt men een volksstam van dien naam, die van de vastelandsche
Belgae afstamt. Gedeeltelijk waren zij van germaanschen oorsprong. De
Belgen waren krijgshaftiger dan de meer zuidelijk wonende gallische
stammen, omdat zij in gedurigen strijd met de Germanen van over den
Rijn leefden en door het weren van vreemde handelaars zich zochten te
vrijwaren tegen den ontzenuwenden invloed der rom. weelde. Na zeven
jaren strijds slaagde Caesar er in ze te onderwerpen.
Belgica, het land der Belgae, door den Rhenus van Germania, door
Matrona en Sequana van eigenlijk Gallia gescheiden. Als provincie onder
Augustus strekte Belgica (hoofdstad Durocortorum, thans Rheims) zich
in zuidoostelijke richting over het gebied der Sequani en Helvetii
heen tot aan de Alpen uit. Na de terugroeping van Germanicus (17
n. C.) werden de streken langs den Rijn, waar de legioenen lagen, van
Belgica gescheiden, en in Germania Superior en Inferior ingedeeld. Toen
in het tijdperk van Constantijn Gallia Transalpina in 17 kleinere
provinciën was verdeeld, had men Belgica I met de civitas Trevirorum
(Trier) en Belgica II met de civitas Remorum (Rheims) tot hoofdstad.
Belgium, het land der Belgae = Gallia Belgica.
Belias = Bilechas.
Belides, Beleides, Aegyptus en Danaüs, zonen van Belus; Lynceus,
zijn kleinzoon; Palamedes, een van zijne afstammelingen.
Belides, Belides, de Danaïden, kleindochters van Belus.
Bellerophon, Bellerophontes, Bellerophon, Bellerophontes, zoon
van Glaucus, koning van Corinthe, of van Poseidon. Zijn naam was
oorspronkelijk Hipponoüs, en werd veranderd toen hij bij ongeluk
zekeren Bellerus in een wedstrijd gedood had. Wegens dezen moord
vluchtte hij naar Argos, waar hij door koning Proetus gastvrij
ontvangen werd, maar diens gemalin Antea (of Stheneboea) vatte een
hevige liefde voor hem op, en daar die liefde niet beantwoord werd,
belasterde zij hem bij Proetus, als had hij haar tot ontrouw willen
verleiden. Deze zond hem naar zijn schoonvader Iobates, koning van
Lycië, met een brief, waarin de opdracht stond Bell. te dooden. Voordat
Iobates echter den brief las, had Bell. zich reeds zoo bemind gemaakt,
dat de koning hem niet zelf dooden wilde; hij gaf hem daarom last de
Chimaera te gaan bestrijden, denkende dat hij bij die onderneming den
dood wel vinden zou. Maar Athena stond Bell. bij, en zond hem uit den
hemel het gevleugelde paard Pegasus, terwijl zij hem in den droom
leerde hoe het te beteugelen. Op zijn paard gezeten doodde hij het
monster uit de hoogte met zijne pijlen. Nog was Iobates niet tevreden,
maar toen Bell. op zijn opdracht nog de Solymers en de Amazonen had
overwonnen, en eindelijk bij zijn terugkomst de beste soldaten van
Lycië verslagen had, die in hinderlaag gelegd waren om hem te dooden,
erkende de koning in hem een gunsteling der goden; hij gaf hem zijne
dochter tot vrouw en deelde zijn rijk met hem. Maar door zijn geluk
overmoedig geworden en steunende op zijn wonderbaar paard, waagde
Bell. nu ook eene poging om den Olympus te bestijgen, en dit was zijn
ongeluk. Want Zeus maakte zijn paard door een bliksemstraal of door
een paardenvlieg schichtig, zoodat het zijn ruiter afwierp, die nu
blind en kreupel op de aarde neerviel, terwijl Pegasus naar den Olympus
terugkeerde. Sedert dien tijd dwaalde Bell. somber en menschenschuw in
de Aleïsche vlakte rond. Te Corinthe werd hij als halfgod hoog vereerd.
Bellocasses, z. Vell(i)ocasses.
Bellona, 1) eene oorlogsgodin, tot de Di Indigetes behoorende,
later vereenzelvigd met de Grieksche Enyo. Zij vergezelt Mars, wiens
zuster, dochter, vrouw, voedster, of wagenmenster zij genoemd wordt,
in den strijd. In 296 werd haar door Ap. Claudius Caecus een tempel
op het Marsveld gewijd. Hier werd vaak senaatszitting gehouden voor
het ontvangen van gezanten van volken, die met Rome geen verbond
hadden gesloten, en voor de onderhandelingen omtrent het toestaan
van een triumphus aan overwinnende veldheeren (zie triumphus). Zij
wordt beschreven als een godin die een speer, een fakkel of een
geesel zwaait en op de trompet blaast.--2) eene aziatische godin,
wier dienst tijdens de oorlogen met Mithradates uit Comana te Rome
ingevoerd werd, en die daar sedert dien tijd op oostersche wijze
vereerd werd. Op hare feesten trokken hare priesters (Bellonarii)
in zwarte kleederen door de stad en brachten zichzelven in heiligen
waanzin wonden aan armen en lendenen toe, waarbij zij onder het geraas
van pauken en trompetten allerlei voorspellingen deden.
Bellovaci, krijgszuchtig volk in Belgica, met de aanzienlijke hoofdstad
Bratuspantium, later Caesaromagus (Beauvais). Zij waren vrienden en
cliënten der Aeduers, op wier bede Caesar hen spaarde.
Bellum sociale, z. Marsicum bellum.
Belus, Belos, 1) zoon van Poseidon en Libye, koning van Aegypte,
vader van Aegyptus en Danaüs.--2) eerste koning van Babylon.--3)
vader van Dido.
Belus, Belos, kustriviertje in Phoenice, op den Carmel ontspringende,
welks fijn zand aanleiding zou gegeven hebben tot de vervaardiging
van glas.
Benacus lacus, het grootste meer in Gallia Cisalpina, thans
Garda-meer. De Mincius (Mincio) stroomt er door.
Bendis, Bendis of Bendis, thracische godin der maan, ook te
Athene en elders in Griekenland vereerd, waar men haar met Artemis
identificeerde. Haar tempel heette Bendideion, haar feest (19 en 20
Thargelion, begin Juni) Bendideia.
Beneficiarius (miles), een soldaat, die, door het beneficium zijner
superieuren, tot belooning of onderscheiding de vacatio munerum
castrensium gekregen had en dus vrijgesteld was van corveediensten,
werken aan de wallen der legerplaats, het betrekken der gewone
wachtposten en derg. De beneficiarii zijn toegevoegd aan de
opperofficieren, en worden voor bureauwerk gebruikt. Onder de keizers
ontaardde deze vrijstelling in misbruik, daar de centuriones door
allerlei plagerij de soldaten zochten te dwingen, zulk een beneficium
van hen te koopen, waardoor de dienst voor hen, die het niet konden
betalen, des te zwaarder werd. Verslapping der tucht en oproeren
waren hiervan het onvermijdelijk gevolg.
Beneventum, vroeger Maleventum geheeten, stad der Hirpini in Samnium,
door Diomedes gesticht. V. s. werd hier Pyrrhus door M'. Curius
Dentatus in 275 verslagen, v. a. werd die slag ergens in Lucanië
geleverd. In 268 werd het latijnsche kolonie, waarop de naam boni
ominis gratia in Beneventum veranderd werd. Onder de keizers werd het
zeer begunstigd. Onder andere oudheden vindt men er nog een zegeboog
van Traianus.
Berecyntus, Berekyntos, naam van een landstreek in Phrygia, op
de grenzen van Caria en Lydia. De Berecyntes waren een phrygische
stam. Bij de dichters is berecyntisch = phrygisch. De mater Berecyntia
was Cybele, de heros Berecyntius was haar zoon Midas, de Berecyntia
tibia is de dwarsfluit.--Ook op Creta wordt een berg Berecyntus
vermeld.
Berenice, Berenike, 1) dochter van Lagus, gemalin van haar stiefbroeder
Ptolemaeus Lagi.--2) dochter van Ptolemaeus II, gehuwd met Antiochus
II (z. a.)--3) dochter van Magas van Cyrene, verloofd met Demetrius,
huwde na diens dood (z. Apama no. 2) met Ptolemaeus III, met wien
zij vroeger verloofd was geweest. Toen Ptolemaeus behouden van den
veldtocht naar Syrië teruggekeerd was, wijdde zij uit dankbaarheid
aan Aphrodite haar om zijn schoonheid beroemd haar; den volgenden dag
was het echter reeds uit den tempel verdwenen, en de sterrenkundige
Conon verklaarde, dat het door de goden als sterrenbeeld aan den hemel
geplaatst was. Haar zoon Ptolemaeus IV liet haar ter wille van zijn
gunsteling Sosibius dooden (220).--4) z. Ptolemaeus no. 15.--5) werd
door het volk van Aegypte tot koningin verheven, toen haar vader,
Ptolemaeus XI verjaagd werd (58). Drie jaar later kwam Ptolemaeus
echter met de hulp der Romeinen terug, en nu werd Berenice gedood
(z. Archelaus no. 5).--6) zuster van Herodes den Grooten, moeder van
Agrippa I.--7) dochter van Agrippa I, werd verdacht van bloedschande
met haar broeder Agrippa II. Later werd Titus op haar verliefd;
zijn plan om haar tot vrouw te nemen moest hij echter wegens de
ontevredenheid der Romeinen opgeven.
Berenice, Berenike, naam van eenige steden uit het tijdperk der
Ptolemaeën, als: 1) in het Zuiden van Aegypte aan de Arabische golf,
eene belangrijke stapelplaats voor den handel tusschen Aegypte en het
Oosten. Ptolemaeus II liet een karavaanweg aanleggen van daar naar
Coptus aan den Nijl. Ter onderscheiding werd dit Berenice Troglodytice
bijgenaamd, naar de half wilde Troglodyten of grotbewoners in den
omtrek.--2) stad in Cyrenaïca, aan de groote Syrte, vroeger Hesperis
of Hesperides; men plaatste hier de tuinen der Hesperiden.--3) stad
in Aethiopia, aan de Arabische golf.
Begistani, een tak van het volk der Ilergetes, tusschen de Pyrenaeën
en den Iberus (Ebro).
Bergomum, in het gebied der Orobii, municipium in Cisalpina, tusschen
Comum (Como) en Brixia (Brescia). Thans Bergamo.
Bermius mons, Bermion oros, in zuidwestelijk Macedonia.
Beroea, Beroia, 1) stad in Syria, tusschen Antiochia en Hierapolis,
door Seleucus vergroot, thans Aleppo.--2) stad in Macedonia, aan den
Mons Bermius.