Autololes, Autololai, gaetulische volksstam op de Westkust van Afrika,

buiten de zuilen van Heracles en ten Zuiden van den Atlas.

Autolycus, Autolykos, zoon van Hermes en Chione, van moederszijde

grootvader van Odysseus, de sluwste dief en bedrieger der oudheid. Hij

woonde op den Parnassus en ondernam van daar uit verscheiden

rooftochten, van welke hij altijd rijken buit medebracht, terwijl

hij nooit ontdekt werd, daar hij het vermogen bezat zichzelven en

de gestolen goederen onzichtbaar te maken of van gedaante te doen

veranderen. Maar de runderen van Sisyphus, die hij ook gestolen had,

moest hij teruggeven, daar deze aan den hoef gemerkt waren en dus

gemakkelijk herkend werden.--Autol. was ook zeer bekwaam in het

worstelen en leerde Heracles deze kunst.

Automedon, Automedon, zoon van Diores, wagenmenner en strijdmakker

van Achilles; de naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wagenmenner

gebruikt.

Autonoe, Autonoe, dochter van Cadmus en Harmonia, moeder van Actaeon.

Autonomia, het recht van een staat om zichzelf wetten te geven,

voornaamste kenmerk van politieke onafhankelijkheid; onder de Romeinen

was hiermede verbonden het recht om eigen munten te slaan.

Autonous, Autonoos, een heros, die te Delphi vereerd werd en den

delphischen tempel tegen de troepen van Xerxes verdedigde.

Autrigones, volksstam in Hispania Tarraconensis tusschen den Iberus

(Ebro) en het mare Cantabricum (golf v. Biskaye).

Autronii.--P. Autronius Paetus, in 65 met P. Cornelius Sulla wegens

ambitus veroordeeld, redenaar met sterke stem. Hij nam deel aan de

Catilinarische samenzwering en werd in 62 volgens de lex Plautia de

vi veroordeeld, en ging in ballingschap naar Epirus. Dit geslacht

heeft bovendien een paar consuls opgeleverd.

Auxesia, Auxesia, godin van den wasdom, waarschijnlijk een bijnaam

van Demeter. Z. Damia.

Auxilia, troepen, die door de Romeinen uit de provinciën werden

getrokken of door verbonden volken en vorsten geleverd werden. De

italische volken leverden geene auxilia; zij waren socii, omdat Italia

geen provincie was. Toen Italia het burgerrecht kreeg, waren er geene

socii meer in het leger.

Auximum, aanzienlijke stad, sedert 157 rom. kolonie, in Picenum,

ten zuiden van Ancona.

Auxo, Auxo, eene van de Gratiën.

Auxume, Auxoume of Axome, Axome, thans Axoem, in Aethopia, nabij

de bronnen van den Astaboras (Atbara), in den keizertijd hoofdstad

van een machtigen handelsstaat. Volgens het geschiedverhaal zou

onder de regeering van koning Psamtik of Psammeticus een deel van de

kaste der krijgslieden, ten getale van 240000 man, Aegypte verlaten

hebben en zich zóóver van Meroë gevestigd hebben, als Meroë van Syene

ligt. Vermoedelijk is hierdoor het rijk van Auxume ontstaan. De bloei

dateert eerst uit den tijd na den val van Meroë.

Avaricum, thans Bourges, ten Z. van den Liger (Loire) in Gallia,

hoofdstad der Bituriges, in den grooten gallischen opstand (52) door

Caesar veroverd, waarbij van de 40000 menschen, die er een toevlucht

hadden gezocht, slechts 800 aan het bloedbad ontkwamen. Later was

het de hoofdstad van Aquitania I.

Avella = Abella.

Avenio, aanzienlijke stad in Gallia Narbonensis, in het gebied der

Cavari, thans Avignon, aan den Rhodanus (Rhone).

Avens (t.g.w. Velino), riviertje in het Sabijnsche land, zijtak

van den Nar. In de nabijheid van Reate vormde het groote moerassen,

paludes Reatinae, die de consul M.' Curius Dentatus in 290 grootendeels

drooglegde door het dóórsteken van een berg (zie Reate), zoodat slechts

een meertje, lacus Velinus, overbleef. Even beneden dien doorsteek

stort de Avens zich langs den beroemden waterval van Terni (oudtijds

Interamna), in het italiaansch le Cadute of le Cascate delle Marmore

geheeten, in den Nar (t.g.w. Nera) uit.

Aventicum, hoofdstad der Helvetiërs, in de 4de eeuw n. Chr. reeds

verlaten. Thans Avenches aan het meer v. Neufchâtel.

Aventinus (mons), een der zeven heuvels van het oude Rome, die, evenals

de mons Capitolinus, wel binnen den stadsmuur, doch buiten het pomerium

lag. Op dezen heuvel lag een tempel van Diana, door Tarquinius Priscus

als gemeenschappelijk rom.-latijnsch heiligdom gesticht.

Avernus (lacus), Aornos limne, aan den sinus Cumanus (golf v. Napels),

een uitgebrande krater, waarin zich een meer gevormd had, omgeven door

een donker cypressenwoud. Zwaveldampen verpestten de lucht boven dit

meer, waar geen visch in leefde en geen vogel over heen vloog (vandaar

de naam). Bij Vergilius woont hier de sibylle van Cumae in eene grot,

waardoor Aeneas in het schimmenrijk afdaalt. Onder de regeering van

Augustus legde Agrippa hier in 37 de oorlogshaven portus Julius aan,

die later vervangen werd door den portus Misenus. Sinds dien tijd

behoort de lacus Avernus met den lacus Lucrinus tot de luxebadplaats

Baiae. Aardbevingen hebben aan deze streek een ander voorkomen gegeven.

Averruncus, Apotropaios, bijnaam van iederen god, die onheil of gevaar

afwendt, bijv. Apollo.

Avianus Flavius, rom. fabeldichter uit den tijd van Theodosius den

Grooten.

Avidius (Cassius), z. Cassii no. 18.

Avienus (Rufus Festus), rom. dichter uit den tijd van Theodosius den

Grooten, heeft vertalingen in dichtmaat geleverd van oude grieksche

leerdichten. Vooral belangrijk om den inhoud is zijn ora maritima,

een bewerking van een griekschen periplous uit de 4de eeuw v. C.,

waarvan echter slechts de grootste helft van het eerste boek over is.

Aviones, volk in Noord-Germania over den Albis (Elbe), een van de

volkeren, die de godin Nerthus vereerden.

Axamenta, oude liederen in saturnische maat, die door de Salii bij

hunne optochten werden gezongen. Zie ook ancile.

Axia, kasteel in Etruria, in het gebied van Tarquinii.

Axierus, Axiocersa en Axiocersus, Axieros, Axiokersa en Axiokersos,

samothracische Cabiren, geïdentificeerd met Demeter, Persephone

en Hades.

Axius, Axios, thans Vardar, voorname rivier van Macedonia, die zich

in de Thermaeische golf ontlast.

Axona, rivier in Gallia, thans Aisne, zijtak van den Isara (Oise). Aan

den Axona lag Augusta Suessionum (Soissons).

Axones, ook kyrbeis genoemd, witgemaakte houten borden, die om een as

kunnen draaien, waarop de wetten van Solon geschreven waren. Zij waren

opgesteld in het Prytaneum te Athene, v.s. hadden zij oudtijds op den

burcht gestaan en waren zij eerst door Ephialtes verplaatst. V.a. zijn

de kyrbeis te onderscheiden van de axones en zijn kyrbeis van boven

afgestompte pyramiden van steen in de stoa basilike, waarop de

voornaamste wetten ingebeiteld waren.

Axume of Axome = Auxume.

Axus, Axos, z. Oaxus.

Azan, Azan, zoon van Arcas en Erato; naar hem was Azania, een deel

van Arcadië, genoemd.

Azania, Azania, 1) kustland van Afrika, bezuiden kaap Aromata

(Guardafui), thans de kust der Somali.--2) zie Azan.

Aziris, Aziris, stad op de libysche kust, ten O. van Cyrene.

Azotus, Azotos, eene der vijf hoofdsteden van de Philistijnen, dicht

bij de kust, tusschen Ascalon en Iamnia, in het O.T. Asdod.

B.

Babrius, Babrios, grieksch dichter, die de fabels van Aesopus in verzen

bracht. Hij leefde onder Domitianus of later, in elk geval vóór het

einde van de 2de eeuw n. C. Van de 224 fabels, die overgebleven zijn,

wordt een groot gedeelte door sommigen niet als het werk van Babrius

beschouwd.

Babylon, Babylon, 1) stad in Aegypte, stroomafwaarts van Memphis.--2)

hoofdst. van Babylonia, zeer oude stad; in de 23ste eeuw maakt

Chammurabi (Hammurabi), de beroemde wetgever, haar tot de hoofdstad

van het nu geheel semietische Babylonia. Van de latere, lotgevallen

weten we weinig, totdat Nebukadnesar I (omstreeks 1150) het wederom

tot bloei bracht. In 728 nam Tiglathpilesar III van Assyria er

bezit van, en in 689 werd het door Sanherib gesloopt, maar door

zijn zoon Asarhaddon, die zijne residentie hierheen wilde verleggen,

weer opgebouwd. In 648 werd de stad weer ingenomen en gedeeltelijk

verwoest, doch herrees na den ondergang van het assyrische rijk

door de zorg van den eersten koning van het nieuw-babylonische rijk,

Nabopalassar, en vooral van zijn grooten opvolger Nebukadnesar II,

die in 604 aan de regeering kwam, als eene stad, die hare wedergade

niet had. Zij vormde een kwadraat, waarvan elke zijde 120 stadiën

of 4 uren gaans lang was, en was omringd door een muur van gebakken

steen van 100 koninklijke elleboogslengten (± 45 meter) boven den

beganen grond en half zoo breed. Daaromheen liep eene gracht met

gemetselde wanden, even zoo diep als de muur hoog was, en waarvan

de uitgegraven klei de steenen had geleverd voor den muur. In den

muur, die met 200 torens versterkt was, waren 100 poorten, waarvan

de deuren, stijlen en bovendorpels van koper waren. De Euphraat, die

de stad doorsneed, was ook ter weerszijden ingesloten door muren,

waarin de zoogenaamde waterpoorten waren. In de stad vond men het

koninklijk paleis, met drie muren omgeven, die een omtrek van 20,

40 en 60 stadiën hadden, alles in kwadraatvorm. Dáár waren ook de

oploopende, op gewelven rustende terrassen, die onder den naam van

hangende tuinen bekend zijn en die zoo dik met aarde bedekt waren,

dat boomen er in konden wortelen. De beroemde tempel van Belus was

een vierkante toren op een grondvlak van twee stadiën lang en even

breed. Daarboven verhief zich een tweede kleinere toren, en zoo verder

tot acht torens toe. In den bovensten toren was het slaapvertrek

van den god met een gouden legerstede en een gouden tafel. De groote

ruimte binnen de muren was natuurlijk niet geheel met huizen bebouwd,

maar bevatte ook de noodige akkers en weidegronden, zoodat de bijna

onneembare stad niet kon worden uitgehongerd. In 538 viel de stad in

handen der Perzen. Darius Hystaspis liet na een opstand (519 of 516)

een gedeelte der muren sloopen; toch bleef Babylon groot en schoon tot

het uiteenspatten van het macedonische rijk, toen de nieuw gestichte

steden Seleucia en Ctesiphon de bewoners tot zich trokken.

Babylonia, Babylonia, het land van Babylon, was de landstreek

tusschen den Tigris ten O., de woestijnen van Arabië ten W. en den

zoogenaamden medischen muur ten N. De bodem bestond uit aangeslibden

kleigrond en was uiterst geschikt voor graanbouw. Het land was

doorsneden door bevaarbare kanalen, die den Euphraat met den Tigris

verbonden, en onderling weder verbonden waren door smallere vaarten,

die weder door sloten met elkander gemeenschap hadden. Boomen vond

men er bijna niet. De oudste bewoners zijn de Sumeriërs, op wie

reeds kort na 4000 de Accadiërs, een semietische stam, volgen,

die zich met de oorspronkelijke bevolking na veel strijd gemengd

hebben. De bloeitijd van dit volk valt tusschen 3800 en 3700 en

de meest bekende koning is Sargon. Later valt het rijk uiteen in

verschillende stadstaten, die elk een afzonderlijke godheid vereeren,

tot ± 2300 de stad Babylon (z.a.) op den voorgrond treedt. De

babylonische nijverheid had een hoogen trap bereikt en bestond vooral

in tapijtweverijen, lijnwaadweverijen, goudsmidswerk en het snijden

in edelgesteenten. De godsdienst was het sabaeïsme, de vereering van

zon, maan en sterren. Vooral de stam der Chaldaeërs, die zich in het

zuid-oostelijk deel, Akkad, gevestigd hadden, had het ver gebracht in

sterrenkunde en tijdrekenkunde en wiskunde, en verhief zich daardoor

tot priesterkaste. Sterrenwichelarij ging daarmede hand aan hand. De

Chaldaeërs waren oorspronkelijk een herdersvolk, dat bij den helderen

babylonischen sterrenhemel, terwijl zij 's nachts wacht hielden bij

hunne kudden, ruime gelegenheid had gehad den loop der sterren gade te

slaan. Nadat het babylonische rijk in de 13de eeuw eene assyrische

provincie was geworden, stond het meermalen op, doch werd weder

onderworpen, totdat in 606 Nabopolassar het weder vrij maakte en

Assyria eene provincie van Babylonia werd. In 538 veroverde Cyrus

de stad Babylon, en het gewest werd nu perzisch, later macedonisch

en daarna syrisch. Het babylonische stelsel van munten, maten en

gewichten werd door verscheidene andere volken der oudheid overgenomen.

Babylonii numeri of Chaldaïcae rationes. Tegen en in den

rom. keizerstijd kwamen dikwerf oosterlingen naar Rome als

sterrenwichelaars en horoscooptrekkers. Bij hunne voorspellingen

speelden kaarten met cijfers en getallen eene hoofdrol. Men heeft dus

te denken aan iets als het kaartleggen in lateren tijd. Wel trachtte

men dit soort menschen te weren, doch het bijgeloof te Rome was zóó

sterk, dat men in weerwil van de verbodsbepalingen gretig van hunne

zoogenaamde kunst gebruik maakte.

Bacchae, Bakchai, Bacchanten, vrouwen, die bij sommige feesten van

Dionysus met geschreeuw en gegil, onder begeleiding van muziek, in de

grootste opgewondenheid heinde en ver rondliepen om, zoo het heette,

den god te zoeken. Zij waren in dierenhuiden gehuld en zwaaiden

een thyrsusstaf; zij stelden het geleide voor, dat Dionysus op zijn

veroveringstochten vergezeld had.

Bacchanalia heeten in Italië geheime feesten ter eere van Bacchus,

die uit de grieksche steden ingevoerd waren. Zij werden met de

luidruchtigheid der Dionysusfeesten gevierd, maar gingen hier met

zulke schandalen, ja zelfs misdaden, gepaard, dat de senaat in 186

meende hieraan te moeten paal en perk stellen en elken nieuwen dienst

van Bacchus verbood.

Bacchiadae, Bakchiadai, een adellijk geslacht, dat langen tijd te

Corinthe regeerde en in 657 door Cypselus verdreven werd.

Bacchium, Bakchion, eiland tegenover de aziatisch-ionische kuststad

Phocaea, welks prachtige tempels in den syrischen oorlog door de

Romeinen en hunne bondgenooten in 190 geplunderd werden.

Bacchus, Bakchos, andere naam voor Dionysus, waarschijnlijk betrekking

hebbend op het luidruchtige van zijn eeredienst. Door de Romeinen

werd deze naam aan den god Liber gegeven.

Bacchylides, Bakchylides, lyrisch dichter van Ceos, neef van Simonides,

met wien hij geruimen tijd te Syracuse aan het hof van Hiero leefde;

later begaf hij zich naar de Peloponnesus. Van zijne gedichten

zijn sedert 1897 ongeveer twintig min of meer in hun geheel bekend;

overigens zijn ervan slechts eenige fragmenten over.

Bacenis silva, waarschijnlijk de Hohe Rhön met zijn uitloopers,

grensscheiding tusschen de Cherusci en de Suebi.

Bacis, Bakis, was de naam voor profeten van wie verzamelingen orakels

afkomstig waren, die in de 7de eeuw in omloop gebracht werden en bij

velen groot gezag hadden, zoodat zelfs de verschillende staten van

Griekenland zich soms bij hunne besluiten er door lieten leiden. Er

was een Attische, Boeotische en een Arkadische Bacis.

Bactra, ta Baktra, vroeger Zariaspa, thans Balkh, hoofdstad van Bactria

(Bactriane) en belangrijke handelsstad.

Bactria, Bactriane, Baktriane, gewest in het N.O. van het perzische

rijk, door den Oxus (Amu-Daria) doorsneden. In overouden tijd bestond

hier een bactrisch rijk, dat door de Mediërs werd veroverd, waarna de

godsdienst van Zarathustra, die in Bactrië heerschte, staatsgodsdienst

werd in Medië. Na Alexander d. Gr. kwam het onder Seleucus, den

stichter van het Syrische rijk; doch in 250 scheurde Bactria zich

van Syrië los onder zekeren Diodotus, een Griek. Onder hem en zijn

opvolger breidde Bactria zich uit tot een grooten, bloeienden staat,

die een duizendtal steden telde. Doch tweespalt werd de oorzaak, dat

omstreeks 150 de Parthen samen met de Hunnen (Phaunoi) zich vóór en

na van de bactrische provinciën meester maakten, en Bactria zelf in

140 door de scythische Sacers vermeesterd werd.

Baduhennae lucus, woudstreek in het land der Frisii, misschien de

tegenw. streek Zevenwolden.

Baebia (lex), een plebisciet van 181 of 180. Het behelsde, dat niet

jaarlijks zes praetoren zouden gekozen worden, zooals sedert 197

geschiedde, doch om het andere jaar slechts vier. De wet is spoedig

weer afgeschaft.

Baebii, 1) M. Baebius Tamphilus, trok als propraetor, met Philippus

van Macedonia verbonden, het eerst den syrischen koning Antiochus

III in Griekenland tegemoet, in 191. In 181 was hij consul, toen de

zoogenaamde 14 boeken van Numa gevonden werden, die echter onecht

bevonden en openlijk verbrand werden. In 180 beoorloogde hij als

proconsul met zijn ambtgenoot P. Cornelius Cethegus een ligurisch

volk (de Apuani) dat zich vrijwillig overgaf en naar Samnium werd

overgebracht.--2) C. Baebius, volkstribuun in 111, belette, toen

Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome was gekomen om getuigenis af

te leggen tegen hen, die zich hadden laten omkoopen, den koning

te spreken.

Baecula of Baecyla, Baikoula, Baikyla, stad in Hispania Baetica, ten

N. van den Baetis, bekend door de wapenfeiten van P. Cornelius Scipio

(den lateren Africanus maior) in den tweeden punischen oorlog. In

het gebied der stad lagen rijke zilvermijnen. Ook schijnt er nog een

stadje Baecula in het N.O. van Spanje te hebben gelegen, in het land

der Ausetani.

Baenis, Bainis, z. Minius.

Baetasii = Betasii.

Baeterrae, thans Béziers, in het gebied der Volcae Arecomici, in

Gallia Narbonensis, dicht bij de kust.

Baetica, Baitike, het zuidelijke en zuidwestelijke gedeelte van

Hispania, aldus genoemd naar den Baetis (Guadalquivir), die er door

stroomde. Het was het welvarendste deel van Hispania, met veel handel

en nijverheid, waarin de vervaardiging van wollen stoffen en wapenen

een hoofdrol speelde.

Baetis, Baitis, rivier in Baetica, thans Guadalquivir.

Baeturia, Baitouria, het gedeelte van Baetica, dat aan Lusitania

grenst, tusschen den Baetis en den Anas (Guadiana).

Bagaudae, gallische boeren, die in 285 na C. wegens onderdrukking in

opstand kwamen en een bloedigen boerenoorlog voerden.

Bagienni = Vagienni.

Bagistanus mons, Bagistanon oros (Baghastân = godenoord), beroemd om de

verrukkelijke natuur, aan den heerweg van Ecbatana naar Babylon. Op

de afgehakte en gladgeschuurde rotswanden waren in beeldwerk en

spijkerschrift de wapenfeiten van Darius Hystaspis vermeld.

Bagoas, Bagoas, een Aegyptenaar, gunsteling van Artaxerxes Ochus, dien

hij ten slotte vergiftigde. Daarna zette hij diens jongsten zoon Arses

op den troon, doch ook dezen vermoordde hij na eenige jaren. Darius

Codomannus, die eveneens door hem de regeering verkregen had, liet

hem dooden (330).

Bagradas, Bagradas, 1) rivier in Africa, die tusschen Carthago en

Utica in zee valt.--2) rivier aan de Zuidkust van Persis, dicht bij

de grens van Carmania.

Baiae, Baiai, Baïai, beroemde rom. badplaats met warme zwavelbronnen,

aan een inham van den sinus Cumanus (golf v. Napels) gelegen, een waar

lustoord. De kust was als bezaaid met prachtige villa's en lusthuizen

van aanzienlijke Romeinen. Zie ook Avernus (lacus) en Lucrinus

(lacus). Er heerschte ontzaggelijke weelde en tevens eene groote

losheid van zeden. Keizer Hadrianus is te Baiae gestorven. Thans is

de plek door aardbevingen geheel verwoest, zoodat er slechts weinig

sporen van de oudheid over zijn.

Baitylos, Baitylion, ook met den phoenicischen naam Abadir genoemd,

uit den hemel gevallen steenen, die op vele plaatsen het voorwerp

van bijgeloovige vereering waren. Bij den tempel van Delphi stond

zulk een steen, die dagelijks met olie gezalfd en op feestdagen met

wol omwonden werd. Men geloofde dat dit de steen was, dien Cronus

(z. a.) in plaats van Zeus verslonden had.

Baius, Baios, de stuurman van Odysseus. De stad Baiae, waar hij

begraven is, is naar hem genoemd.

Balbinus (D. Caelius Calvinus), romeinsch keizer in 238 n. C. samen met

M. Clodius Pupien(i)us Maximus. Zij benoemden den jongen Gordianus

(III) tot Caesar. Na drie maanden werden zij vermoord, en werd

Gordianus keizer.

Balbus (= stotteraar), een rom. familienaam, die in de gentes Ampia,

Attia, Cornelia, Lucilia, Octavia en Thoria voorkomt. De voornaamste

Balbi zijn: 1) T. Ampius Balbus, een der makers van de lex Ampia

Labiena.--2) M. Attius Balbus, grootvader van Augustus. Zie Attii

no. 5.--3) L. Cornelius Balbus, z. Cornelii no. 28.--4) L. Cornelius

Balbus minor, z. Cornelii no. 29.

Baleares insulae, Balearides nesoi, de bekende Balearische

eilanden nabij de spaansche kust, maior en minor, thans Majorca en

Minorca. De inwoners, ook Baleares geheeten, Baleares, waren bekend

als uitstekende slingeraars. De hoofdplaatsen waren Palma en Mago

(Port-Mahon). De naam Baleares beteekent volgens Grieksche schrijvers

slingeraarseilanden; de Grieken noemden ze vroeger ook wel Gymnesiai,

of naaktlooperseilanden. Wegens hun heulen met de zeeroovers werden

zij in 123 door de Rom. onderworpen onder Q. Caecilius Metellus,

die hiernaar den bijnaam Balearicus kreeg, z. Caecilii no. 8.

Balesium = Valentia no. 3.

Balius, Balios, en Xanthus, de onsterfelijke paarden van Achilles, die

door Poseidon aan Peleus bij zijn huwelijk ten geschenke gegeven waren

en die hij na den dood van Achilles terugnam. Zij waren gesproten uit

de verbintenis van Zephyrus en Podarge. V. s. waren het oorspronkelijk

Titanen geweest, die Zeus in den strijd tegen de andere Titanen

hadden geholpen, en verzocht hadden in paarden veranderd te worden,

om door hunne verwanten niet herkend te worden.

Ballista, lithobolos, een werptuig, waarmede zware steenen binnen

eene belegerde stad werden geslingerd. De ballistae wierpen in

boogvormige richting. Juiste duidelijke beschrijvingen van dit

werpgeschut ontbreken.

Balneum, saamgetrokken uit balineum, badkamer. Om een badhuis aan

te duiden gebruikte men oudtijds het plurale balneae, doch daar dit

woord in de dactylische maat niet paste, ontstond in het augusteïsche

tijdperk het plurale balnea. In zulk eene openbare badinrichting

onderscheidde men: het apodyterium of (ont)kleedkamer, het frigidarium

of vertrek voor koude baden, soms met kuipen, soms met een zwembassin

of natatio,--het tepidarium, eene verwarmde ruimte, die tot overgang

diende,--de ruimte voor het warme bad, caldarium. Deze laatste had een

verwarmden bodem, terwijl later ook de zijwanden verwarmd werden door

het inrichten van spouwmuren, die men vormde door het aanbrengen van

tegulae mammatae, of het aanleggen van buizen, tubuli. Het verwarmen

van den vloer bracht men tot stand door die op gemetselde porren of

stutten te plaatsen, waaronder dan de heete lucht kon circuleeren. Men

kan dit nog goed zien aan de overblijfselen van de Romeinsche baden

te Trier (suspensura). Eene groote kuip voor warm water (alveus),

vlak boven of dicht bij den haard, was in den vloer gemetseld. Aan

de overzijde had men dan het labrum, een kuip met lauw water, om

na te spoelen. Somwijlen komt ook nog een aparte zweetkamer voor,

sudatorium of laconicum geheeten, voor het zweetbad, assa sudatio. Na

een zweetbad werd men door de badslaven (aliptae), die men gewoonlijk

zelf medebracht, met eene soort krabbers (strigiles) van zweet

gereinigd, afgewreven, gezalfd. Dit laatste schijnt in het tepidarium

verricht te zijn. Een goed voorbeeld van een eenvoudige badinrichting

in den eersten keizertijd levert bijgaande plattegrond van de Thermae

Stabianae te Pompeii. A hoofdingang van de afdeeling voor mannen,

B zuilengangen, C palaestra met rechts een soort kegelbaan voor een

spel met steenen ballen, F natatio. I-VIII afdeeling voor warme baden,

waarvan IV doorgang, V frigidarium, VI apodyterium, VII tepidarium,

VIII caldarium, IX stookplaats (praefurnium), die zoowel de mannen-

als de vrouwenafdeeling van heet, lauw en koud water voorzag. 1-6

afdeeling van vrouwen, 1 en 5 ingangen, 2 apodyterium, 3 tepidarium,

4 caldarium; een frigidarium ontbreekt hier. De ruimten E en G,

die aan de natatio aansluiten, dienden voor douchebad. D diende voor

apodyterium of destrictarium. Nadat men zich uitgekleed had, hield men

zich bezig met gymnastische oefeningen, dan keerde men naar D terug,

waar olie en stof afgewreven werden, vervolgens reinigde men zich in

E of G, en gebruikte dan de natatio. Onder de rom. keizers verrezen

prachtige badhuizen, met wandelgalerijen, gymnastiekzaal, kaatsbaan,

conversatiezalen, bibliotheken en derg. Zie thermae. De inrichting

van een grieksch badhuis (balaneion) was over het geheel aan dat van

het rom. gelijk.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 26 / 150 段