Auguria. Wat de Grieken betreft, verwijzen wij naar het artikel

manteia. Bij de Romeinen heeft zich de leer der voorteekenen op

een geheel andere wijze, veel kunstmatiger, ontwikkeld dan bij

de Grieken. Er zijn ongezochte voorteekenen, die zich van zelf

voordoen, auguria of auspicia oblativa, en andere, die men van de

goden afsmeekt, impetrativa. Tot de eerste soort behooren de ostenta,

prodigia, monstra, portenta, omina. Hoewel het verschil niet altijd

in acht wordt genomen, beteekenen prodigium en monstrum buitengewone

verschijnselen in de menschen- en dierenwereld, portentum en ostentum

in hetgeen daarbuiten ligt. Een monstrum is een verschijnsel, dat met

de wetten der natuur in strijd is. Staan prodigia en omina tegenover

elkander, dan is een prodigium een zichtbaar, omen een hoorbaar

teeken. Doch de algemeene naam voor alle teekenen is signa. Hadden

er nu buitengewone verschijnselen plaats, die de gemoederen

verontrustten, dan bepaalde de senaat, wat behoorde te gebeuren;

hij liet door de decemviri sacris faciundis (z. decemviri no. 4) de

heilige orakelboeken raadplegen; hij ontbood uit Etruria buitengewone

haruspices (z. a.) om de ingewanden der offerdieren te onderzoeken,

enz. Doch zulke buitengewone voorvallen en verschijnselen worden niet

tot de eigenlijke auguria gerekend. Hieronder verstaat men de teekenen,

die niet buiten den gewonen kring der gebeurtenissen vallen.--1)

Signa ex avibus. Wanneer een magistraat spectio wilde houden, begaf

hij zich omstreeks middernacht met een der augurs naar het auguraculum

of waarnemingspunt op den burg. Dáár gekomen trok de augur met zijn

kromstaf of lituus op den grond een streep van het Noorden naar het

Zuiden, cardo genoemd en een anderen van het Oosten naar het Westen,

decumanus geheeten. Om het kruispunt heen beschreef hij een kwadraat

en maakte door een formulier de ruimte daarbinnen tot eene gewijde

plaats, een templum. Op dit templum nu sloeg hij een linnen tent op

(tabernaculum capere) met de opening naar het zuiden. Dan ging hij

in de opening staan, teekende met zijn staf vier denkbeeldige lijnen

aan den hemel af, als het templum, waarbinnen hij zijne waarnemingen

zou doen. Intusschen zat de overheidspersoon binnen in de tent, met

een doek om de ooren gebonden, capite velato. Ook de augur omwond zich

het hoofd, want het minste geraas--altijd, als men het hoorde--stoorde

de waarneming. Zoo was de stoel, waarop de overheidspersoon zat, uit

één stuk, opdat hij niet zou kraken. Wat nu de waarneming zelve der

vogels betreft, die zich binnen het aan den hemel afgebakende templum

vertoonden, had de augur te letten op de soort van vogels, de hoogte

waarop, de richting waarin, en de wijze waarop zij vlogen. Vogels,

die door hun geschreeuw of gezang den wil der goden uitdrukten, werden

oscines genoemd; die het door hunne vlucht deden, alites. In den

regel was wat van het Oosten, d.i. van de lichtzijde, dus van links,

kwam, gunstig, wat van de Westzijde kwam, ongunstig. Niet voor alle

vogels evenwel golden dezelfde regels; de kraai b.v. moest van de

linkerzijde, de raaf van den rechterkant krassen. Sommige vogels

waren bepaald ongeluksvogels; andere golden alleen voor bepaalde

gevallen. Men kan hieruit zien, dat de leer der vogelwichelarij vrij

ingewikkeld was. Waren nu de teekenen gunstig, dan zei de augur: aves

addicunt; zoo niet, dan bezigde hij de woorden: alio die.--2) Signa

ex caelo. Dit waren bliksem, fulmina--weerlicht, fulgura--donder,

tonitrua. In de taal der augurs werden deze natuurverschijnselen

manubiae geheeten. Zij werkten storend op volksvergaderingen,

zóó zelfs, dat reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se

servaturum de caelo esse, d. i. dat hij zou zoeken, of niet ergens

een bliksemstraal of weerlicht te zien was, voldoende werd om de

volksvergadering te storen. De leer van den bliksem was vooral in

Etruria sterk ontwikkeld, waar men zelfs twaalf verschillende soorten

er van onderscheidde.--3) Signa ex tripudiis. Bij de romeinsche legers

voerde men in den regel een mand of hok heilige hoenders mede. Werden

deze losgelaten en aten zij het toegeworpen voeder gretig op, zoo

was dit een gunstig voorteeken; vielen zij er zóó gulzig op aan, dat

de brokken hun uit den bek vielen, dan was het teeken zeer gunstig

(tripudium sollistimum). Wilden zij echter niet vreten, dan was het

voorteeken slecht.--4) Signa ex quadrupedibus. Deze behoorden tot de

oblativa, de ongezochte voorteekenen, en konden slechts in zooverre

tot de auguria behooren, als de augurs ze volgens vaste regels

verklaarden. Wanneer men b.v. met eenig plan uitging en een hond,

een vos of eenig ander viervoetig dier over den weg zag loopen, dan

kon men dit als een voorteeken beschouwen.--5) Signa ex diris. Deze

bestonden in het breken van een schoenriem, het stooten van den voet,

het gekras van een uil en dergelijke toevalligheden. De augurs hadden

er dan slechts mede te maken, wanneer ze hun ter verklaring werden

medegedeeld.--6) Hoewel elk toevallig voorteeken een omen kan genoemd

worden, verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voorteekenen,

en daarom vermeed men zooveel mogelijk onheilspellende woorden,

vooral bij gewichtige gelegenheden, bij feesten, plechtigheden,

enz. De eerst uitgebrachte stem bij eene verkiezing, het gevoelen

van den eersten spreker in den senaat gold voor een omen. Men offerde

met omwonden hoofd (capite velato), om niet toevallig een ongunstig

woord, door een der omstanders onvoorzichtig uitgesproken, te moeten

hooren. Hoewel ongezochte voorteekenen slechts waarde hadden voorzoover

men ze zelf aannam, en men ze kon afwenden door woorden als: omen non

accipio, non pertinet ad me, waren de Romeinen veel te angstvallig

en bijgeloovig om dit middel dikwijls toe te passen. Dit bijgeloof

heeft ook tot naamsveranderingen aanleiding gegeven. Evenals de

Grieken pontos Axeinos in Euxeinos veranderden, hebben de Romeinen

Maleventum in Beneventum veranderd en aan Epidamnus zijn ouden naam

Dyrrhachium teruggegeven.

Augurinus, familienaam in de gens Genucia en de gens Minucia.

Augusta, naam van een aantal steden, hetzij op last van Augustus

gesticht, hetzij door hem verfraaid of uitgebreid, o. a.:

Augusta Emerita, in Lusitania, aan den Anas (Guadiana), thans Merida.

Augusta Iulia Gaditana, vroeger Gades, in Baetica, thans Cadix.

Augusta Nemetum, vroeger Noviomagus, aan den Rhenus (Rijn), thans

Spiers.

Augusta Praetoria, gesticht door de praetoriaansche bezetting in het

land der Salassiërs, aan de Poenische Alpen, thans Aosta.

Augusta Rauracorum (Rauricorum), in Belgica, thans Augst bij Basel.

Augusta Suessionum, in Belgica, thans Soissons.

Augusta Taurinorum, vroeger Taurasia, aan den Padus (Po), thans Turijn.

Augusta Trevirorum, aan de Mosella, thans Trier.

Augusta Vindelicorum, aan den Licus (Lech), thans Augsburg.

Augusta Viromanduorum, in Belgica, thans St. Quentin.

Augustales, zie municipium.

Augustamnica. Verschillende beheerschers van Aegypte--Ramses II of

Sesostris, Necho, Darius Hystaspis, Ptolemaeus I en II--hebben

pogingen aangewend om de Arabische golf met de Nijldelta te

verbinden. Telkens echter werd het kanaal aan zijn lot overgelaten

en verzandde het weder. Onder Traianus werd het op nieuw uitgegraven

en amnis Augustus genoemd, waarnaar de landstreek onder Diocletianus

den naam Augustamnica kreeg.

Augustinus (Aurelius), de grootste kerkvader van het Westen, geboren

te Tagaste (Thagaste) in Numidia in 354 n. C., zoon van Patricius

en Monica, ontving zijne opvoeding te Madaura en te Carthago, was

eerst leeraar te Tagaste, daarop leeraar in de welsprekendheid te

Carthago, daarna te Rome (383) en te Milaan (384), waar hij onder

invloed van Ambrosius tot het Katholicisme overging en zich in 387 liet

doopen. Daarop keerde hij naar Africa terug, werd in 391 presbyter te

Hippo Regius, en was van 396 tot zijn dood (430) bisschop van Hippo

Regius. Van zijne theologische geschriften zijn de meest bekende:

Confessionum libri XIII en de civitate Dei libri XXII.

Augustobona, stad der Tricassers in Gallia, aan de Sequana (Seine),

thans Troyes.

Augustodunum, vroeger Bibracte, groote, volkrijke stad der Aeduers

in Gallia, thans Autun.

Augustonemetum, vroeger Nemetum, Nemossus, hoofdstad der Arverners

in Gallia, thans Clermont, naar een nabijgelegen berg, clarus mons.

Augustoeuphratensis of Euphratensis, naam van de onder Diocletianus

en Constantijn tot ééne provincie vereenigde gewesten Commagene

en Cyrrhestice.

Augustoritum, stad der Lemovicers in Gallia, thans Limoges.

Augustus, Augoustos, Sebastos, "de gewijde", ons "Majesteit", door

de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met

augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van "Mehrer des

Reiches" voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octavianus,

nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin

van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel

van L. Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne

gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer

tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige

menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst

bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke

waardigheid behoorde. Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers

gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.--Over het

leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14.

Aula, Aule, z. andron en gynaikeion.

Aulaeum, he aulaia, voorscherm van een tooneel. Wanneer de voorstelling

begon, werd het scherm niet, zooals bij ons, opgehaald, doch men liet

het omlaag zakken in eene sleuf, waaronder het dan tegelijkertijd

op eene rol werd opgerold. Was de voorstelling ten einde, dan werd

het scherm omhooggehaald.--Ook verstaat men onder aulaea tapijten,

die als tochtschermen tusschen de zuilen eener galerij of van het

atrium werden opgehangen, of dienden om in plaats van een deur een

vertrek af te sluiten, en bij dichters ook wel de dekkleeden, die

over de aanligsofa's bij den maaltijd werden uitgespreid.

Aulerci, voorname gallische volksstam, in vier takken verdeeld,

waarvan drie tusschen Sequana (Seine) en Liger (Loire) woonden, n.l. de

Aulerci Eburovices, z. Eburovices;--de Aul. Cenomani, met de hoofdstad

Suindinum of Subdinum, thans Mans,--de Aul. Diablintes. Een vierde tak,

de Aul. Brannovices, cliënten der Aeduers, woonde zuidelijk van deze

laatsten, tusschen den Boven-Liger en den Arar (Saône). De Cenomani

(z. a.) komen ook in Gallia Cisalpina voor.

Aulis, Aulis, havenstad in Boeotia aan den Euripus, verzamelplaats

der grieksche vloot voor den trojaanschen oorlog.

Aulon, Aulon, 1) landstreek en stad in Messenia, n.m. het dal van

de Neda, die Messenia van Triphylia scheidt, met een tempel van

Asclepius.--2) vruchtbare, druivenrijke streek nabij Tarentum.--3)

stad en dal in Macedonia, aan de strymonische golf.--4) havenstad in

Illyria ten N. van Acroceraunia.

Aurelia (lex), iudiciaria van den praetor L. Aurelius Cotta (Aurelii

no. 7), 70. Volgens deze wet moesten de gerechtshoven, die sedert Sulla

alleen uit senatoren bestonden, samengesteld worden uit senatoren,

ridders en tribuni aerarii (z. a.).

Aurelia (lex), tribunicia van den consul C. Aurelius Cotta (Aurelii

no. 5), 75. Deze wet veroorloofde aan gewezen volkstribunen wederom

naar hoogere ambten te dingen, wat hun door Sulla verboden was.

Aurelia (via). Deze weg liep van Rome uit langs de etruscische

kust. Hare voortzetting vormt de via Aemilia Scauri.

Aureliani (civitas), latere naam voor Genabum, thans Orleans.

Aurelianus (L. Domitius), uit geringen stand geboren, werd in 270

n. C. door de legioenen aan den Donau tot keizer uitgeroepen, in een

tijdperk, toen het romeinsche rijk door legeroproeren tot ontbinding

dreigde over te gaan. Reeds had M. Aurelius Claudius Gothicus (268-270)

de Gothen en Alemannen teruggeslagen; na zijn dood zette Aurelianus

het werk voort, verdreef de Alemannen, Iuthungen en Marcomannen uit

Italië, waarin zij een inval hadden gedaan, omringde Rome met een

nieuwen vestingmuur, heroverde vervolgens de oostelijke gewesten,

die door Zenobia, koningin van Palmyra, van het rom. rijk waren

losgescheurd (272 n. C.), versloeg daarna den tegenkeizer Tetricus

in Gallia en voerde hem en Zenobia als gevangenen mede naar Rome,

waar zijn zegewagen door vier olifanten werd getrokken. Hij herstelde

de krijgstucht in het leger, strafte nog eenige oproeren en werd met

recht restitutor imperii genoemd. Hij was hard en ruw, doch met hart

en ziel soldaat, en daardoor juist een geschikt keizer voor zijn

tijd. Dacia, dat door Traianus veroverd was, werd door Aurelianus

prijsgegeven, daar hij het veiliger achtte, den Donau als grensrivier

te behouden. De rom. bevolking uit Dacia verplaatste hij naar een deel

van Moesia, dat hiernaar den naam kreeg van Dacia Aureliani. In 275

werd Aurelianus, terwijl hij tegen de Perzen optrok, vermoord door

een zijner vrijgelatenen.

Aurelii. De gens Aurelia was een plebejisch geslacht, waartoe

o.a. de familiën der Scauri en der Cottae behoorden.--1) C. Aurelius

Cotta, consul in 252 en 248, streed voorspoedig op Sicilia tegen de

Carthagers.--2) C. Aurelius Cotta, consul in 200.--3) L. Aurelius

Cotta, volkstribuun in 154, consul in 144, twistte met zijn ambtgenoot

Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) heftig over de vraag, wie als

veldheer tegen Viriathus naar Lusitania zou gezonden worden. Scipio

Africanus minor (Aemilianus) bewerkte toen, dat geen van beiden werd

gezonden, maar zijn eigen broeder Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii

no. 18), die reeds in Spanje was, het commando behield.--4) L. Aurelius

Cotta, consul in 119, verzette zich te vergeefs tegen de lex Maria

de suffragiis ferendis (z.a.).--5) C. Aurelius Cotta, consul in 75,

maker van de lex Aurelia tribunicia, door Cicero als redenaar geprezen,

wordt door dezen sprekende ingevoerd in zijne boeken de oratore en de

natura deorum. In 91 was hij na den moord van zijn vriend M. Livius

Drusus in ballingschap gegaan, tengevolge der lex Varia de maiestate,

die den bondgenooten-oorlog deed uitbarsten.--6) M. Aurelius Cotta,

broeder van no. 5, consul in 74, voerde met L. Licinius Lucullus

den oorlog tegen koning Mithradates VI van Pontus, door wien hij

echter bij Chalcedon te land en ter zee verslagen werd. Cotta had het

bestuur over Bithynië en het opperbevel ter zee, terwijl Lucullus

met Asia en Cilicië het opperbevel te land had.--7) L. Aurelius

Cotta, broeder van no. 5 en 6, opende als praetor in 70 door zijne

lex iudiciaria voor de ridders weder den toegang tot de iudicia en

nam ook de tribuni aerarii onder de rechters op. In 65 werd hij

met L. Manlius Torquatus consul, daar de eerst gekozenen wegens

ambitus veroordeeld werden.--8) M. Aurelius Cotta Maximus Messalinus,

een sterk aanhanger van keizer Tiberius. Hij was een zoon van den

redenaar M. Valerius Messala Corvinus (z. Valerii no. 28 en 29),

doch door de familie Cotta geadopteerd. Hij was een doorbrenger, die

de rol van verklikker speelde. Ovidius heeft uit Tomi minstens drie

gedichten tot hem gericht.--9) L. Aurelius Orestes, consul 126, ook

als redenaar niet zonder naam, ging als consul naar Sardinia, en hield

in 122 een zegetocht over de Sarden.--10) M. Aurelius Scaurus, consul

in 108, streed in 105 als legatus van den consul Cn. Mallius Maximus

ongelukkig tegen de Cimbren en viel door de hand van hun aanvoerder

Boiorix.--11) L. Aurelius Verus, z. Verus.--12) S. Aurelius Victor,

geschiedschrijver uit de vierde eeuw n. C., onder keizer Julianus

stadhouder van Pannonia. Van hem bestaat nog een beknopt en zaakrijk

werkje de Caesaribus, dat tot op Constantius loopt. Een paar andere

werkjes (epitome de Caesaribus, origo gentis Romanae, en de viris

illustribus) staan ten onrechte op zijn naam.--13) Aurelia, uit de

familie Cotta, moeder van C. Julius Caesar.

Aurelius (Marcus), meer volledig M. Aurelius Antoninus, bijgenaamd

Philosophus, was de zoon van den praetor L. Annius Verus (Annii no. 6),

doch werd door keizer Antoninus Pius als zoon aangenomen, wiens dochter

Faustina hij ook huwde. Hij was in 121 na C. te Rome geboren, had eene

zeer zorgvuldige opvoeding genoten en kwam in 161 aan de regeering,

waarop hij zijn jongeren broeder L. Aurelius Verus tot mederegent

aannam. Terwijl Verus door zijne legaten de Parthen liet beoorlogen,

waarbij Seleucia en Ctesiphon den Romeinen in handen vielen (164),

had M. Aurelius te kampen met invallen der Marcomannen, Quaden

en Sarmaten (Iazygen), die nu en dan ook nog door andere stammen,

zooals de Hermunduren, Vandalen en Langobarden ondersteund werden. De

barbaren drongen zelfs tot Aquileia door, terwijl nog daarenboven

het leger van den keizer door pest werd geteisterd. Onderwijl stierf

Verus in 169. In 175 trok M. Aurelius naar Azië, om den opstand te

bedwingen van zijn stadhouder Avidius Cassius, die echter door zijn

eigen officieren werd vermoord. In 179 en 180 streed hij wederom

met geluk aan den Donau tegen de Marcomannen, toen hij onverwachts

te Vindobona (Weenen) stierf. Zijne zedekundige geschriften, ta eis

heauton, ademen een stoicijnschen geest, doch zijne zachtmoedigheid

van karakter drong hem, de strengheid dezer leer tegenover anderen

te verzachten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Commodus.

Aureus, nummus aureus of solidus, rom. gouden munt van 25 denariën of

100 sestertiën. Onder Augustus, toen de munt nog onvervalscht was,

had de aureus eene innerlijke waarde van ruim f12,50 van onze munt;

men moet echter in het oog houden, dat destijds de waarde van het

goud tegenover het zilver geringer was dan thans, hetgeen ook uit de

gelijkstelling met 100 sestertiën = f10.--zilver blijkt. Sedert de

derde eeuw na C. nam de vervalsching sterk toe.

Auriga, heniochos. Bij de Perzen, Aegyptenaren, Trojanen, Grieken,

komen in den oorlog strijdwagens voor, waarop de eigenaar van

het span als krijgsman staat, terwijl een mindere de paarden

bestuurt. Natuurlijk moest dan de andere zijn wagenmenner met zijn

schild dekken. Daarom trof het de Romeinen bij de verovering van

Britannia, dat bij de Britten de hoofdpersoon zijn span mende en

een dienaar voor zich liet vechten.--Bij wedrennen droeg elke wagen

slechts één persoon. Bij de nationale spelen in Griekenland treden

niet de eigenaars der paarden als menners op; zij lieten hunne

twee- of vierspannen besturen door vrienden of door geoefende

jongelingen, en niemand behoefde het zich tot oneer te rekenen,

als wagenmenner dienst te doen. Anders was het bij de Romeinen. De

aurigae of agitatores waren menschen, die van hunne kunst een beroep

maakten. In den beginne waren het slaven of vrijgelatenen of menschen

uit lageren stand; eerst toen een keizer als Nero het niet beneden

zich achtte zelf als menner in het strijdperk te verschijnen, ging

de slaafschheid zóóver, dat ook aanzienlijken als menners van hun

eigen paarden optraden. De aurigae vormden vier clubs of factiones:

alba, wit--russata, roodachtig,--veneta, blauw--prasina, zeegroen. Zij

droegen eene tunica zonder mouwen en hadden het bovenlijf met riemen

omsnoerd. Hun uniform, hun wagen, het tuig der paarden droeg de

kleur hunner factio. Om de handen vrij te hebben tot het aanzetten

der paarden, bonden de menners zich de teugels om het lichaam

vast; om te vieren of strak te houden, hadden zij zich dus slechts

vóór of achterover te buigen. Om ingeval van een ongeluk zich te

kunnen vrijmaken, droegen zij een kort mes tot het doorsnijden der

teugels. Bij elken wedren reed één wagen van elke factio mede. Keizer

Domitianus voegde aan de vier bestaande factiones twee nieuwe toe:

eene aurata en eene purpurea, die echter na zijn dood weder werden

opgeheven. Over de wedrennen zelve zie men het artikel circus.

Aurora, z. Eos.

Aurunci, een der oude volken van Latium en Campania. In de laatste

helft der vierde eeuw waren zij beperkt tot het zuidelijk deel

van Latium, en in 314 werden zij door de Romeinen zoo goed als

uitgeroeid. In hun land werden door de Romeinen aangelegd de

Latijnsche coloniae: Cales, Suessa Aurunca en Pontia, en de coloniae

civium Romanorum: Sinnessa en Minturnae. In hun gebied lagen de mons

Massicus en de ager Caecubus, beide beroemd om den wijn, die er werd

geteeld. Zie ook Ausones.

Ausci, Auskioi, volksstam in Aquitania, met de hoofdstad Elimberris,

later Augusta, thans Auch.

Ausculum = Asculum Apulum.

Ausenses, Auseis, libysche stam, ten Zuiden van Numidia bij het

meer Tritonis.

Ausetani, volksstam in het Noordoosten van Hispania Tarraconensis,

met de stad Gerunda (Gerona).

Ausones, Ausonia, Ausones, Ausonia. De Ausoniërs vormden de oude,

voor-rom. bevolking van Midden-Italië, van Apulia, Campania en het

zuidelijk gedeelte van Latium. Zij worden ook Opici, Opikoi, en Osci,

Oskoi, genoemd. De naam Ausones is dezelfde als Aurunci. Waarschijnlijk

was de ausonische stam verwant met den umbrischen. Dichterlijk wordt

Ausonia ook voor Italia gebezigd.

Ausonius (Decimus Magnus), romeinsch dichter uit Burdigala (Bordeaux)

en leeraar in de welsprekendheid. Zijn vader was lijfarts van keizer

Valentinianus I (364-375 n. C.), hij zelf werd de opvoeder van diens

zoon Gratianus. Achtereenvolgens werd Ausonius quaestor, praefectus

praetorio en consul (379) in Gallia; doch na Gratianus' dood (383)

trok hij zich uit het staatsleven terug. Hij overleed in 392, ruim 80

jaar oud. Onder de gedichten van Ausonius is zijn stroomdicht Mosella,

dat hij te Augusta Trevirorum schreef, het meest beroemde.

Auspicia. Oorspronkelijk duidt dit woord de vogelwichelarij aan, doch

werd later ook toegepast op alle andere middelen om te zien of de goden

hunne goedkeuring hechtten aan een beraamd plan. De wijze, waarop dit

geschiedde, is onder het artikel auguria medegedeeld. Auspicia privata

kon ieder voor zich nemen; doch auspicia publica ten behoeve van den

staat konden slechts genomen worden door magistratus populi Romani. De

volkstribunen, tribuni plebis, als zijnde slechts overheden van de

plebs, en niet van den populus, hadden dus geen ius auspiciorum,

en de door hen in het leven geroepen concilia plebis, waren niet

aan voorafgaande auspiciën gebonden, wat met de centuriaatcomitiën

wel het geval was. Toen echter de macht van het volkstribunaat

overwegend werd en plebiscita met leges waren gelijkgesteld, achtte

men het wenschelijk ook aan de volkstribunen auspiciën toe te kennen,

minder als voorrecht, dan wel als middel tot beteugeling. Niet alle

auspicia waren van gelijken rang; zoo stonden die der consuls en

praetoren hooger dan die van andere overheden. Auspicium nu beteekent

zoowel het waarnemen als het waargenomen teeken, doch bovendien ook

het recht om den goden hun ja of neen af te vragen. Dit recht nam de

overheidspersoon van zijn voorganger of van de patres (de patricische

leden van den senaat) over, wanneer hij bij de aanvaarding van zijn

ambt de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden vervulde. Had hij

geen onmiddellijken opvolger, was hij vitio creatus, of kwam hij

in zijn ambt te overlijden, dan keerden de auspicia tot de patres

terug. Ook de veldheer, die met een leger uittrok, moest vooraf

auspicia nemen en zich hierdoor het recht verschaffen, ook in het

veld den wil der godheid uit te vorschen. Door het veronachtzamen

van zekere vormen, b.v. bij het overtrekken eener rivier--want een

water verbrak de auspicia, tenzij men een formulier uitsprak--kon hij

zijne auspicia verliezen. Was hij nu in den strijd bij voortduring

ongelukkig, dan ontstond het vermoeden, dat zijne auspicia door eenig

verzuim vitiata waren, in welk geval hem niets anders restte, dan

naar Rome terug te keeren om nieuwe auspicia te halen. Daar alleen de

veldheer auspicia had, beteekent de uitdrukking sub auspiciis alicuius:

onder iemands opperbevel.

Auster, de Zuidenwind, tgw. Scirocco genoemd, zie Windstreken.

Autariatae, Autariatai, volksstam in Dalmatia.

Autochthones, Aborigines, heetten de grieksche volken, die beweerden

dat hunne voorouders niet uit den vreemde waren gekomen, maar in het

land zelf, als het ware uit den grond (vandaar de spotnaam gegeneis)

waren ontstaan. De Atheners en de Arcadiërs beroemden zich van zulke

autochthonen af te stammen.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 25 / 150 段