Atimia, gemis van enkele (at. kata prostaxeis) of van alle (at. tou

somatos) burgerlijke rechten. Deze rechten konden een burger bij

rechterlijk vonnis ontnomen worden, of zij konden wegens het niet

vervullen van zekere verplichtingen tegenover den staat verloren

gaan. Hij die alle burgerlijke rechten mist (atimos), mag bijv. niet

in rechten optreden, de volksvergadering of de markt niet bezoeken,

enz. Hiermede ging soms nog verbeurdverklaring van goederen gepaard

(at. tou somatos kai ton chrematon), vooral tegenover hen, die aan

den staat verschuldigde gelden niet betaalden. Deze toestand van

atimia hield op, zoodra de schuld betaald werd, maar ging anders bij

den dood van den schuldenaar ook op zijne kinderen en kleinkinderen

over. Te Sparta werden de burgerlijke rechten o.a. aan hen ontnomen,

die zich uit lafheid aan een gevecht onttrokken hadden (tresantes).

Atina, volscische stad hoog in de bergen, ten N. van Casinum, in

Latium, later rom. municipium.

Atinia (lex), van 197, een plebisciet van den volkstribuun C. Atinius

Labeo, ut quinque coloniae in oram maritimam deducerentur, n.l. naar

Puteoli, Vulturnum, Liternum, Salernum, en naar Buxentum.

Atinia (lex), een plebisciet (± 102), waardoor de volkstribunen

zitting kregen in den senaat.

Atinia (lex), de rebus furtivis, onzeker van wanneer, bepaalde,

dat verjaring geen eigendomsrecht opleverde van gestolen zaken.

Atintanes, Atintanes, volksstam in het N.-W. van Epirus.

Atlantes, Atlantes, volksstam in Africa bij het Atlasgebergte, het

verst af wonende volk, dat bij Herodotus bekend was. Zij hadden in

hun gebied zoutgroeven, en bouwden volgens het verhaal zelfs hutten

van zout, daar in hun gebied nooit regen viel.

Atlantiades, Hermes en Hermaphroditus, kleinzoon en achterkleinzoon

van Atlas.

Atlantides, Atlantiades, Atlantides, de Pleiaden en Hyaden, dochters

van Atlas.

Atlantis, Atlantis. De overlevering bij de ouden gewaagde van een groot

en heerlijk eiland ten Westen van de zuilen van Heracles, waarnaar de

Atlantische oceaan zijn naam droeg. De vorsten van dit eiland zouden

eenmaal zegevierend tot bij Griekenland zijn doorgedrongen. Om het

zedenbederf der inwoners echter was het eiland door eene hevige

aardbeving geteisterd en in één etmaal door de zee verzwolgen.

Atlas, Atlas, een Titan, zoon van Iapetus en Clymene of Asia, die

met de andere Titanen de goden beoorloogde en tot straf daarvoor

veroordeeld werd met hoofd en handen den hemel te steunen of de zuilen

te dragen waarop de hemel rust.--V. a. een afrikaansch koning, die

weigerde Perseus te ontvangen en wegens zijn gebrek aan gastvrijheid

versteend en in den berg Atlas veranderd werd. V. a. een zeer oud

arcadisch sterrenkundige die de eerste hemelglobe maakte.

Atlas, Atlas, (Adtla = sneeuwgebergte), het nog aldus genoemde

noordafrikaansche hooggebergte.

Atossa, Atossa, dochter van den ouden Cyrus, eerst met Cambyses,

later met Darius Hystaspis gehuwd.

Atrae, Hatra, Atrai, ta Atra, sterke vesting in een oase van

Zuid-Mesopotamië door Traianus (117 n. C.) en Alexander Severus (198

n. C.) tevergeefs belegerd. De stad lag in eene woestijn; de inwoners,

van arabischen stam, heetten Atreni.

Atratini, familienaam in de gens Sempronia z. Sempronii no. 1-5.

Atrax, Atrax, thessalische stad aan den Peneus, nabij Larissa. Atracius

= thessalisch; atracia ars = tooverkunst.

Atrebates, Atrebatioi, belgische volksstam in het latere Artois. Hunne

hoofdstad was Nemetacum of Nemetocenna, thans Arras.

Atreus, Atreus, zoon van Pelops en Hippodamea. Hij en zijn broeder

Thyestes vermoordden hun stiefbroeder Chrysippus en werden daarom door

Pelops weggejaagd. Zij werden opgenomen door hun zwager Sthenelus,

koning van Mycenae, en nadat diens zoon Eurystheus in den strijd tegen

de Heracliden gevallen was, volgde Atreus hem op. Hierop naijverig,

verleidde Thyestes de vrouw van Atreus, Aërope, ten einde in het

bezit te komen van het gouden lam, met welks bezit de heerschappij

over Mycenae verbonden was. Hij werd uit het land verjaagd, maar om

zich te wreken zond hij Plisthenes, een zoon van Atreus, die door

Thyestes opgevoed was, naar Mycenae terug om Atreus te vermoorden,

deze verijdelde echter dien aanslag door Plisthenes, dien hij niet

herkende, te dooden. Thyestes werd nu teruggeroepen en schijnbaar

weder in vriendschap opgenomen, maar bij een gastmaal liet Atreus

diens beide zonen slachten en zette hij hun vader het vleesch en bloed

als spijs en drank voor. Toen Thyestes deze gruwelijke daad vernam,

vervloekte hij zijn broeder en verliet hij het land, dat na dien tijd

door pest en hongersnood bezocht werd. Op bevel van een orakel gaat

Atreus op reis om Thyestes terug te halen, en bij koning Thesprotus

vindt hij Pelopea, de dochter van Thyestes, en neemt haar zonder haar

te kennen tot vrouw. De zoon van Thyestes en Pelopea, Aegisthus, werd

door Atreus als zijn eigen zoon opgevoed en later overgehaald Thyestes,

die door Agamemnon en Menelaus teruggehaald en in de gevangenis gezet

was, te vermoorden, maar vader en zoon herkenden elkander nog bij

tijds en doodden nu te zamen Atreus, terwijl hij aan het offeren was.

Atria, zie Adria.

Atrides, Atreides, Agamemnon en Menelaus, zonen van Atreus.

Atriensis, slaaf, wien de zorg voor het atrium was opgedragen, en die,

omdat het eene betrekking van vertrouwen was, tot de bevoorrechte

slaven van het huis behoorde.

Atrium, eene der onmisbare deelen van een romeinsch huis, het

woonvertrek, oudtijds het middelpunt van het huiselijk leven, waar

het huwelijksbed, de huiselijke haard en de geldkist zich bevonden,

alsmede de weefstoelen, waaraan de huisvrouw en hare slavinnen

arbeidden. Met het toenemen der weelde evenwel werden deze voorwerpen

naar andere gedeelten van het huis verbannen en werd het atrium meer

eene receptiezaal. Het atrium was het eerste vertrek, als men den gang

doorkwam (z. domus). Rondom waren kleine vertrekken of kabinetjes

aangebracht, die licht en lucht alleen uit het atrium ontvingen,

en cubicula heetten, wanneer zij door deuren, en alae, wanneer zij

alleen door gordijnen waren afgesloten. Een dezer vertrekjes was het

lararium, de huiskapel, waar het altaar der huisgoden stond en bij

de nobiles de imagines maiorum bewaard werden. In het midden der

zoldering was eene vierkante opening gelaten, waardoor het licht

naar binnen viel en de rook van den haard naar buiten trok, en die

compluvium werd geheeten, omdat zij ook den regen doorliet. Daaronder

was in den vloer een soort regenbak, impluvium. Soms was het atrium

met bloemen en beelden versierd. Op de eerste teekening ziet men

achter het atrium een vertrek, dat aan de voorzijde open is, het

tablinum, de werkkamer of het bureau van den heer des huizes, en

daarachter een met eene gaanderij omgeven binnenplaats of cavaedium,

ook peristylium geheeten. De tweede teekening stelt het atrium voor

van een oud-italisch huis zonder peristylium; door het tablinum en de

aansluitende porticus ziet men in den tuin. Oorspronkelijk behoorde het

atrium geene zuilen te hebben, doch toen de afmetingen grooter werden,

werd het dak aan de hoeken van het impluvium door kolommen gedragen.

Atropatene, Atropatene, het noord-westelijke deel van Media, dat

door Alexander den Grooten in handen van den satraap Atropates werd

gelaten. Hoofdstad Gazaca, nabij een groot zoutwatermeer.

Atropates, Atropates, satraap van Medië onder Darius Codomannus

en later ook onder Alexander d. G. Zijne nakomelingen regeerden

onafhankelijk in het N.W. van het land (Atropatene).

Atropus, Atropos, de onafwendbare, eene der drie Moerae.

Attalia, Attaleia, stad aan de kust van Pamphylia, door Attalus II

gesticht, tgw. Adalia.

Attalus, Attalos, 1) veldheer van Philippus van Macedonië. Bij diens

dood stond hij met een leger aan den Hellespont om den veldtocht

tegen Perzië te beginnen. Maar Alexander, die hem niet vertrouwde,

liet hem, terstond na het aanvaarden der regeering vermoorden.--2)

zoon van Andromenes, veldheer van Alexander den G., werd verdacht

van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas (330), maar

vrijgesproken. Na Alex. dood sloot hij zich bij Perdiccas aan, en

toen deze vermoord was, ging hij met de vloot naar Tyrus om troepen

te werven; hij werd echter door Antigonus verslagen (320) en sedert

dien tijd gevangen gehouden, drie jaar later werd hij gedood.--3)

Attalus I, regeerde 241-197 over Pergamus en nam na eene overwinning

op de Galliërs den koningstitel aan. Hij vergrootte zijn rijk ten

koste van Syrië, doch moest weldra de gemaakte veroveringen weder

afstaan. Om zich tegen dit machtige rijk te kunnen verdedigen,

verbond hij zich met de Romeinen en ondersteunde hen vooral met

zijne vloot in den oorlog tegen Philippus van Macedonië. Hij stierf

72 jaar oud aan eene beroerte. Hij was een beschermer van kunsten en

wetenschappen en stichtte met groote kosten de beroemde bibliotheek

van Pergamus.--4) Attalus II, Philadelphos, zoon van den vorigen,

nam na den dood van zijn broeder Eumenes II (159), dien hij sedert

167 te Rome vertegenwoordigd had, als voogd over diens kinderen

de regeering in handen en behield die tot zijn dood (138). Hij

ondersteunde de Romeinen in hunne oorlogen tegen Macedonië en het

achaeïsch verbond en trachtte Alexander Balas te helpen in zijn

streven naar de regeering over Syrië. Van de Romeinen ontving hij

hulp in zijne oorlogen tegen Bithynië. Ook hij was een beschermer

van kunsten en wetenschappen.--5) Attalus III, Philometor, zoon van

Eumenes II en Stratonice, opvolger van den vorigen, was te zwak van

geestvermogens om zelf te regeeren; hij leefde in afzondering en bracht

zijn tijd met tuinbouw en beeldhouwen door. Hij stierf in 133 en liet

bij testament zijn rijk en zijne bezittingen aan de Romeinen na.--6)

romeinsch praefect, die tweemaal (409, 414 na C.) door de Westgothen

tegenover Honorius tot keizer uitgeroepen werd. Hij werd beide keeren

echter spoedig door zijne aanhangers verlaten en viel eindelijk in de

handen van zijne vijanden, waarop hij naar Lipara verbannen werd.--7)

stoicijnsch wijsgeer, leermeester van Seneca.

Atthis, geschied- en aardrijkskundige beschrijving van Attica, zooals

in de vierde en derde eeuw in groot aantal geschreven werden. Van de

meeste schrijvers zijn slechts fragmenten over. De bekendste zijn:

Philochorus, Hellanicus, Clitodemus, Androtion, Phanodemus en Demon.

Attia (lex) of lex Labiena van den volkstribuun T. (Attius) Labienus,

63, tot wederinvoering der lex Domitia de sacerdotiis, die door eene

lex Cornelia van L. Cornelius Sulla was opgeheven.

Attica, Attike, het oostelijkste landschap van Midden-Griekenland

of Hellas, werd oudtijds Acte of Actica (Akte, Aktike) geheeten,

omdat het zulke uitgebreide kusten bezit. Volgens Strabo is de naam

Attica uit Actica ontstaan. Ook werd het vroeger wel Ionia genoemd. De

natuur verdeelde het in drieën: 1) Diacria, het hoog- of bergland, het

noordoostelijk gedeelte, waarin men den mons Pentelicus of Brilessus

en den Parnes vond,--2) Pedias, het noordwestelijk vlakland,--3)

Paralia, het westelijk en zuidelijk kustland. De Pentelicus leverde

eene beroemde, witte marmersoort (pentelesios lithos), de Hymettus,

meer naar het Zuiden, ten O. van Athenae, was met geurigen tijm

begroeid en vermaard om zijn voortreffelijken honig. Ten Oosten van den

Hymettus lag nog eene kleine binnenvlakte, Mesogaea en ten N. daarvan,

in de Diacria, de vlakte van Marathon. De berg Laurium, geheel in het

Zuiden, leverde zilvererts. Ook het attisch zout was beroemd, zoowel

in letterlijken, als in overdrachtelijken zin. Over het algemeen was

het land berg- en heuvelachtig; de vlakten, zooals die van Eleusis

en van Athenae, waren niet groot. Koren werd er weinig verbouwd;

de olijfboom en de vijg tierden er echter welig. Er werd veel aan

schapen- en geitenfokkerij gedaan; voor de teelt van rundvee was de

steenachtige bodem minder geschikt.

De bevolking van Attica was ionisch, doch vermengd met een oudere

bevolking, die gewoonlijk als "pelasgisch" aangeduid wordt; maar

tot welken stam die behoort, weten we niet. In elk geval heeft ook

hier de "myceensche" beschaving geheerscht. De Atheners beschouwden

zich als autochthonen wegens hun pelasgische afkomst, terwijl de

Ioniërs ongeveer in 1000 over zee, waarschijnlijk uit het Noorden

het land binnengetrokken zijn, en hun taal en eerediensten aan de

oorspronkelijke bevolking hebben opgedrongen. Als stichter van den

atheenschen staat geldt Theseus, die de twaalf verschillende gemeenten

of demoi tot één geheel vereenigde, met Athenae als hoofdstad, ter

gedachtenis waarvan het feest der Panathenaeën werd ingesteld. Athenae

was to asty; twee andere plaatsen, Eleusis en Brauron, maakten

aanspraak op den naam van polis. De bevolking was eerst verdeeld

in 4 phylae (Geleontes, Argadeis, Aigikores, Hopletes) totdat door

Clisthenes eene verdeeling in 10 phylae en meer dan 100 (later 174)

demi werd ingevoerd (± 508). Na Theseus heerschten in Attica koningen,

van welke Codrus de laatste was. Toen volgden er archonten, eerst één

voor zijn leven, daarna één voor tien jaar, sedert 683 jaarlijks

negen archonten (zie Archontes). Door Solon werden de burgers

naar hunne inkomsten in vier klassen verdeeld: pentakosiomedimnoi,

triakosiomedimnoi of hippes, zeugitai, en thetes. De volksvergadering

bestond uit de burgers boven 20 jaar. De senaat, boule, bestond eerst

uit 400 leden, 100 uit elke phyle, doch sedert Clisthenes uit 500

leden, n.l. uit elke der nieuwe phylae 50. De areopagus, he boule

he en Areio pago, was door Solon ingesteld als wachter der wetten

en als hoogste gerechtshof, doch werd later teruggebracht tot een

gerechtshof in zaken van moord. De heliaea, heliaia, was een rechtbank

van gezworenen, uit 6000 door het lot gekozen burgers bestaande. Meer

bizonderheden zal men in de afzonderlijke artikels vinden.

In Attica behooren de mythen te huis van Cecrops en diens dochters

Pandrosus, Herse en Aglaurus, van Erechtheus en vooral de sagen van

Theseus. Ook Pandion, de vader van Philomele en Procne, wordt een

Athener genoemd.

Atticistae, Attikistai, heeten de latere grieksche schrijvers, die

niet in het toen gebruikelijke dialect (koine dialektos) schreven,

maar zooveel mogelijk de oude attische schrijvers navolgden,

bijv. Lucianus. Deze richting in de Grieksche literatuur begint

ongeveer 200, als reactie tegen de willekeur der Aziatisch-Grieksche

schrijvers, en bereikt haar hoogtepunt in den tijd van Cicero; men

legt zich nu toe op de mimesis ton archaion. Ook worden zoo genoemd

taalkundigen, die lijsten van echt attische woorden en uitdrukkingen

gemaakt hebben.

Atticus, Cicero's vriend. Zie Pomponii no. 5.

Atticus Herodes (Tiberius Claudius), een schatrijk Marathoniër,

leermeester van keizer Marcus Aurelius, een hooggeprezen redenaar,

die veel heeft bijgedragen tot verfraaiing van Athene en o.a. een

Odeum stichtte.

Attii, 1) Attius (of Attus) Navius, augur tijdens koning Tarquinius

Priscus, verzette zich tegen de verdubbeling van het getal

riddercenturiën en sneed, om zijne onfeilbaarheid te bewijzen,

een slijpsteen met een scheermes door. Er stond een standbeeld van

hem met omhuld hoofd (capite velato) op het Comitium, en daarbij

de ficus Navia of Ruminalis, z. Rumina.--2) T. (Attius) Labienus

zie Labieni no. 1).--3) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 2, zie

Labieni no. 2).--4) P. Attius Varus, propraetor van Africa in ± 51,

koos de partij van Pompeius, voor wien hij vruchteloos het landschap

Picenum zocht te behouden, stak vervolgens naar Africa over, waar hij

echter door Caesars legaat Curio (z. Scribonii no. 6) verslagen werd,

en sneuvelde later bij Munda.--5) M. Attius Balbus, praetor vóór het

jaar 59, gehuwd met Julia, de zuster van C. Julius Caesar, gaf zijne

dochter Attia tot vrouw aan Cn. Octavius, den vader van den lateren

keizer Augustus.--6) L. Attius (Accius), zoon van een vrijgelatene,

beroemd rom. treurspeldichter, schrijver van talrijke stukken, ook

nationale (als Decius, Brutus), naar grieksch model gevormd. Er zijn

slechts fragmenten van overgebleven. Hij leefde van 170 tot ongeveer

94.--7) Attia, moeder van Octavianus, zie no. 5.

Attila, koning der Hunnen, bijgenaamd de geesel Gods, regeerde eerst

(434 na C.) met zijn broeder Bleda, dien hij echter liet ombrengen

(444). In 441 en 442 en later in 447 en 448 verwoestte hij het

oost-romeinsche rijk en noodzaakte hij keizer Theodosius II hem om

vrede te verzoeken en schatting te betalen. Vervolgens richtte hij

zich naar het Westen, drong met een leger van 500000 man in Gallia

door, doch werd in de Catalaunische velden (bij Châlons-sur-Marne,

v.a. bij Troyes) verslagen door de vereenigde legers van den

romeinschen veldheer Aëtius, den frankischen koning Meroveüs en den

westgothischen koning Theodorik (451). Attila verloor in dezen slag

een vierde van zijn leger. Met het overschot viel hij in Italië,

veroverde en verwoestte o.a. het sterke Aquileia, doch spaarde Rome

op de bede van paus Leo I (452). Naar Pannonia teruggekeerd, stierf

hij in 453, waarop het rijk der Hunnen te niet ging.

Attuarii, germaansch volk aan den Rijn. Zie Chasuarii.

Attus Navius, z. Attii, no. 1.

Aturus, riv. in Aquitania, thans de Adour.

Atys, Atis, Attys, Attis, Attes, Attin, Atys, Attys, Attis, Attes,

1) een schoon jongeling, die door Rhea bemind werd, en toen hij

eene sterfelijke vrouw wilde huwen, door haar razend gemaakt werd,

zoodat hij zichzelven gruwelijk verminkte en aan zijne wonden stierf;

na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen. De dienst van Atys,

die meer aziatisch dan grieksch was en altijd met dien van Rhea nauw

verbonden bleef, geleek door buitensporige vertooning van droefheid

en vreugde veel op dien van Adonis; de pijnboom was het zinnebeeld

van zijn sterven, het viooltje dat van zijn herleven.--2) stamvader

van de lydische dynastie der Atyaden.--3) zoon van Croesus, die door

Adrastus (no. 2) bij ongeluk op de wilde zwijnenjacht gedood werd.

Auctio, in algemeenen zin elke openbare verkoop bij opbod;

vandaar de naam, afgeleid van augere, omdat elke volgende

bieder het bod verhoogt. In engeren zin is auctio eene private

verkooping, in tegenstelling van sectio, verkooping bij executie

van staatswege. Aanslagbilletten en catalogussen (album, tabula,

libellus auctionis) had men oudtijds evengoed als thans. Men had ook

venduhuizen, atria auctionaria. Een omroeper, praeco, vervulde de rol

van afslager. Bieden was liceri, supra adicere. Het toeslaan van den

koop heette addictio. De betaling geschiedde contant.

Auctor is zoowel degene, die eene zaak in het leven roept, als hij,

die ze steunt en bevordert. Auctor legis kan dus synoniem zijn met

lator legis, maar ook met suasor legis. Ook het bekrachtigen eener wet,

b.v. door de patres is auctorem esse. In het ius civile is auctor de

lastgever, de raadsman, de uitvoerder en dgl.

Auctoritas (patrum), zie Patres.

Aufidena, 1) stad in Noord-Samnium nabij de bronnen van den Sagrus.--2)

stad in Apulia aan den mond van den Aufidus.

Aufidia (lex) de ambitu, plebisciet van Aufidius Lurco, 61, eene der

vele wetten tot bestrijding van dit euvel, waarbij het beloven van

geld niet strafbaar werd gesteld, doch het geven van geld met zware

levenslange jaarlijksche geldboete werd gestraft. Dit wetsvoorstel

is niet aangenomen.

Aufidia (lex) de feris Africanis, onzeker van welk jaar, waarbij

de invoer van wilde dieren uit Africa voor de openbare spelen werd

toegestaan.

Aufidii, 1) Cn. Aufidius, praetor in 104, schreef eene

rom. geschiedenis in het grieksch. In zijn ouderdom was hij

blind, doch bleef zich toch met staatszaken bemoeien.--2) Aufidius

Lurco, volkstribuun in 61, bracht de gewoonte in zwang, pauwen te

mesten.--3) Aufidius Bassus, onder Augustus en Tiberius, beschreef

de burgeroorlogen en de oorlogen in Germania. Zijne werken zijn

verloren.--4) Aufidius Luscus, hoogste magistraat te Fundi, door

Horatius bespot.

Aufidum = Aufidena no. 2.

Aufidus, snelstroomende rivier van Apulia, waaraan Horatius'

geboorteplaats Venusia lag. Ten Zuiden v. a. ten N. van deze rivier

is de slag bij Cannae (z. a.) geleverd.

Auge, Auge, Augeia, dochter van Aleüs, koning van Tegea, en Neaera,

werd bij Heracles moeder van Telephus. Daar een orakel voorspeld

had dat haar kind de zonen van Aleüs zoude dooden, gaf deze haar,

toen hij hare zwangerschap bemerkte, aan Nauplius over, met last om

haar in zee te werpen; deze echter, getroffen door hare schoonheid,

vluchtte met haar en bracht haar naar Teuthras, koning van Mysië,

die haar tot vrouw nam. V. a. werd zij door Teuthras als dochter

aangenomen en later door Telephus naar haar vaderland teruggebracht.

Augias, Augeias, zoon van Phorbas of van Helius, koning der Epeërs

in Elis, had in een stal 3000 runderen staan, en daar deze stal in

30 jaren niet gereinigd was, scheen het onmogelijk den mest er uit

te verwijderen. Daarom droeg Eurystheus aan Heracles op, die taak

in één dag te volbrengen, en deze kweet zich van die opdracht door

het water van de rivieren Alpheus en Peneus door den stal te leiden,

zoodat de mest van zelf weggespoeld werd. Augias, die niet gedacht had

dat de onderneming zoude gelukken, had eerst aan Heracles het tiende

gedeelte zijner kudde beloofd, indien hij zoude slagen, maar toen hij

later vernomen had dat de held op last van Eurystheus gehandeld had,

weigerde hij zijne belofte te vervullen. Daarom deed Heracles hem

later den oorlog aan, en ofschoon zijn leger eerst, terwijl hijzelf

ziek was, door de Molioniden werd verslagen, verwoestte hij later,

toen hij hersteld was, het land en doodde hij Augias met al zijne

zonen, behalve Phyleus, die zijn goed recht erkend had en tot loon

daarvoor met de regeering begiftigd werd.--Bij deze gelegenheid

stichtte Heracles de olympische spelen.

Augila, ta Augila, oase in de libysche woestijn ten W. van Aegypte,

met veel dadelpalmen, door een stam der Nasamones bewoond.

Augures, oionoskopoi, romeinsch priestercollegie, welks taak het

was, volgens vaste regelen den wil der godheid op te sporen en als

deskundigen voorteekenen te verklaren. Wanneer een der magistraten

eene gewichtige handeling wilde verrichten, b. v. wanneer een consul

de centuriaatcomitiën wilde bijeenroepen, dan moest hij zich vooraf

vergewissen, of de goden zijn plan goedkeurden. Het recht om dit

onderzoek te gelasten, heette spectio en kwam den overheidspersoon

toe; het onderzoek zelf en de mededeeling van den uitslag heette

nuntiatio en kwam den augur toe. Daar het den augurs niet verboden

was, overheidsambten te bekleeden, kon zich het geval voordoen, dat

spectio en nuntiatio in ééne hand waren, zonder eenige contrôle. De

augurs konden aan vele zaken godsdienstige belemmeringen in den weg

leggen, ja zelfs konden zij gehouden verkiezingen vernietigen door

de verklaring, dat er bij de waarneming der teekenen een vitium, een

verzuim of eene fout, had plaats gehad en dat dus de gekozenen vitio

creati waren, hetgeen ten gevolge had, dat zij hun ambt weder moesten

neerleggen en anderen gekozen moesten worden. De eenige waarborg tegen

misbruik was, dat alle uitspraken door het geheele collegie éénstemmig

moesten geschieden. Het augursambt was oorspronkelijk patricisch,

eerst waren er drie, later vijf (v. a. zes). De keuze had plaats door

coöptatie. In 300 evenwel bracht het plebisciet van de volkstribunen

Q. en Cn. Ogulnius het getal op negen, en wel vier uit de patriciërs en

vijf uit de plebejers. Het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius

Ahenobarbus van 104 bracht de keus aan het volk, en wel zoo, dat het

lot de kleinste helft (17 van de 35) tribus zou aanwijzen, en dat hij,

die door deze bij meerderheid van stemmen zou worden voorgedragen,

door het collegie zou worden gecoöpteerd. Deze coöptatie was voor het

leven. Al de priesters, die tot de sacerdotes populi Romani gerekend

werden, en dus ook de augurs, moesten vóór de aanvaarding van hun ambt

geïnaugureerd, d. i. door een augurium gewijd worden; doch hoe deze

inauguratio plaats had, wordt niet in bizonderheden vermeld. Bij elke

wijding, zoowel van personen als van plaatsen, was de hulp der augurs

noodig. Tot de insignia der augurs behoorden de trabea, en de lituus.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 24 / 150 段