Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd
werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij
tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden
Arius uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na 's keizers dood
keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer
Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van
den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch
later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Jovianus,
voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij
heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis
van zijn tijd belangrijk zijn.
Athanatoi, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger,
zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder
voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren
aangewezen.
Athena, Athenaia, Athena, Pallas Athene, Minerva, oorspronkelijk
waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband
stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton
ontstaan was (Tritogeneia). Volgens de gewone voorstelling was zij
de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te
voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden
had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op
velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst
is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Atrytone), die
staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft
haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning
verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls
zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs
andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar
moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de
steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Rhysiptolis,
Promachos, Polias, Akraia). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans
Pyrriche zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van
alle wetenschappen, kunsten en handwerken (Ergane), en bevordert zij
landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de
hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij
het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den
wagen spannen (Hippia), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede
hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van
de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het
grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een
kunstig bewerkt kleed (peplos). Alles wat eene beschaafde maatschappij
kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en
grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken
en volksvergaderingen (Boulaia, Agoraia, Phratria); zij zelve heeft te
Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.--Over het algemeen is
zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg
uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar
zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.--Eindelijk
geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert
zij ziekten af (Hygieia, Paionia).--De dienst van Athena was door
geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd
dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of
van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden
werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin
beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt,
maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene,
die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het
paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning
toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd,
van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.--Zij
wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte,
met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild,
helm en lans en is zij met de Aegis bekleed.
Athenae, Athenai, hoofdstad van Attica, door de Atheners to asty
geheeten, tegenover he polis (akropolis), de burcht. De oudste
nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar
zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den
Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit
onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit
ten Zuiden (Kydathenaion), en ten Westen (z. Pelasgikon, Pelargikon,
(teichos)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de
Acropolis, in den Kerameikos, waar door Pisistratus de nieuwe markt
ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten
Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen
uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene
niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet
breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige
gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te
zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in
onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de akropolis,
de oude burcht, oudtijds Kranae, de ruwe rots, later Kekropia,
vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet
hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil
en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische
muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op
de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan
stond men voor de prachtige Propylaea, ta Propylaia, op voorstel van
Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep
een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64
treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel
van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische
zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den
middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. Vijf deuren
scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en
kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en
zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel
van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op
het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den
tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles
door Callicrates en Ictinus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet
breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange
zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk
beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den
grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier
bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des
tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, peristasis,
(B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht
waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld,
(C) is de 100 voet lange cella, hekatompedos neos waar in (a) het
beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange
zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven)
ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der
godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk
van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet
hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin
werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens
tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren,
op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk)
was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon
(D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van
de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos
(E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het
christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken
in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de
Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel,
door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de
venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant
bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering,
het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere
kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der
schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het
overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over,
waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het
Parthenon ligt het Erechtheum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd,
met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het
oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal 's jaars gereinigd
werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena
Polias, (B) de cella; aan de andere zijde kwam men langs een trap in
het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal,
waarvan het dak door caryatiden (Korai) werd gedragen; (D) is de
pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke
uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt;
(G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron,
en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde
standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias
gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium
kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het
tempeltje der Nike apteros lag wel op de acropolis, doch buiten de
Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen
dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft,
die gewoonlijk Hecatompedon of archaios neos genoemd wordt. Wanneer
men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op
de markt, agora, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel,
die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen
zuilengangen, waarvan de stoa poikile of beschilderde galerij de
meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag
bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem
hadden ingeoogst. Aan de markt lag het bouleuterion, waar de raad,
de boule, zitting hield, benevens de tholos of rotonde, waar de
prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief
zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Areios pagos. Onder
de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding:
het Prytaneum, het theater van Dionysus, dat tegen de Zuidzijde van
de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van
Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd
was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates,
van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes
bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes,
die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen,
met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het
gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (choregikos tripsys)
te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd
had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten,
omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der
winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was
aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de
1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae
praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken.
Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia,
Akademeia of -mia, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn
onderwijs gaf, het Lyceum, ook een park met een tempel van Apollo
Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel
Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes,
de stichter der cynische school, als leeraar optrad.
Ten Westen van de stad stroomde de Cephisus, in het Z.O. de
Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, ta makra teiche, ook wel
de beenen van Athenae genoemd, ta skele ton Athenon, ter lengte van
omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalerus
en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Peiraieus) vormde eene
kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen,
handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren
waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon
worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee
muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de
geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae
nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied,
waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden
behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en
tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding
te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla's belegering; bij
die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadrianus zocht in
later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel
ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het
einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat;
bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking
van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen
was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden.
Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden
vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden.
Athenaeum, Athenaion, in het algemeen elke aan Athena gewijde
plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer
Hadrianus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel
enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasianus
eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen
bizonder onderwijs; Hadrianus voerde het openbaar onderwijs in met
onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed
op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet
gewenschte republikeinsche richting te keeren.
Athenaeus, Athenaios, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van
Archimedes.--2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C.,
die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk
Deipnosophistai, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in
den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch
leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke
aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn.
Athenagoras, Athenagoras, van Athene, leeraar der academische
wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het
Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde.
Athenais, Athenais, 1) bijgenaamd Philostorgos, gemalin van den
cappadocischen koning Ariobarzanes II.--2) dochter van den sophist
Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II;
na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij
heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische
en christelijke onderwerpen behandelen.
Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in
102 en 101. De consul M.' Aquillius versloeg hem in 100 met eigen
hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius
(Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan
het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte.
Athenis, z. Bupalus.
Athenodorus, Athenodoros, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met
eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning
wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.--2) bijgenaamd
Kordylion, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek
te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen
te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg
werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar
hij stierf.--3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling
van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te
Apollonia in Epirus, waar Octavianus hem leerde kennen. Deze nam hem
mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij
de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde
en de wetten verbeterde.--4) een van de drie beeldhouwers van de
Laocoongroep z. Laocoon.
Athesis, Atesinos, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen
ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt
hij (bij Bozen) den Atagis Atagis, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is
Atagis een andere naam voor den Athesis.
Athletae, athletai, athleteres, werden bij de Grieken diegenen
genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den
wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning
dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men
athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke
worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden
leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare
spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog
loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen,
dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de
tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte
te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen.
Athlothetai, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen
uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters
en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd,
ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden
voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een
plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende
het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook
werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (rhabdouchoi). Te
Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen,
die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden
en uitspraak deden over de wedstrijden.
Athos, Athos, naam van een der Giganten, die den hemel wilden
bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar
de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed
den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog
als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische
landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den
hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg
een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal
grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude
handschriften zijn.
Atii, zie Attii.
Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór
188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden
geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament
was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door
den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen.
Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en
C. Marcius, dat van de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier
legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen.
Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus,
Calatinus, Longus, Regulus, Serranus.--1) A. Atilius Calatinus,
consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en
veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op
Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene
rom. legermacht aanvoerde.--2) M. Atilius Regulus werd als consul in
294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf
gevierd.--3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul
in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentini in
Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal;
in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den
overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht
naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot
van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche
vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa,
en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea
werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa
en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid
zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste
te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden
zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen
sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar
Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den
senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig
een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago
terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het
geheele verhaal van Regulus' zending naar Rome en zijn marteldood is
onhistorisch.--4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus
(Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot
bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten
tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de
stad niet innemen.--5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul
in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij
het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer
streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad,
Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal's
gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de
laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst
hadden onttrokken.--6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van
no. 5, was consul in 225.--7) C. Atilius Serranus streed in 218 als
praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpina en vereenigde
zich vóór den slag aan den Ticinus met den consul P. Cornelius
Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.--8) A. Atilius Serranus,
praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria
voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15)
het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak
met Perseus te maken.--9) C. Atilius Serranus Gavianus, uit de gens
Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57
Cicero's terugroeping te verhinderen.--10) M. Atilius, middelmatig
tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra.