Athanasius, geb. te Alexandrië in 295 n. C., nam aan het concilie van

Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd

werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij

tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden

Arius uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na 's keizers dood

keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer

Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van

den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch

later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Jovianus,

voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij

heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis

van zijn tijd belangrijk zijn.

Athanatoi, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger,

zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder

voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren

aangewezen.

Athena, Athenaia, Athena, Pallas Athene, Minerva, oorspronkelijk

waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband

stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton

ontstaan was (Tritogeneia). Volgens de gewone voorstelling was zij

de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te

voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden

had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op

velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst

is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Atrytone), die

staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft

haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning

verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls

zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs

andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar

moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de

steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Rhysiptolis,

Promachos, Polias, Akraia). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans

Pyrriche zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van

alle wetenschappen, kunsten en handwerken (Ergane), en bevordert zij

landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de

hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij

het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den

wagen spannen (Hippia), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede

hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van

de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het

grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een

kunstig bewerkt kleed (peplos). Alles wat eene beschaafde maatschappij

kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en

grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken

en volksvergaderingen (Boulaia, Agoraia, Phratria); zij zelve heeft te

Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.--Over het algemeen is

zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg

uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar

zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.--Eindelijk

geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert

zij ziekten af (Hygieia, Paionia).--De dienst van Athena was door

geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd

dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of

van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden

werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin

beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt,

maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene,

die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het

paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning

toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd,

van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.--Zij

wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte,

met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild,

helm en lans en is zij met de Aegis bekleed.

Athenae, Athenai, hoofdstad van Attica, door de Atheners to asty

geheeten, tegenover he polis (akropolis), de burcht. De oudste

nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar

zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den

Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit

onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit

ten Zuiden (Kydathenaion), en ten Westen (z. Pelasgikon, Pelargikon,

(teichos)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de

Acropolis, in den Kerameikos, waar door Pisistratus de nieuwe markt

ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten

Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen

uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene

niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet

breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige

gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te

zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in

onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de akropolis,

de oude burcht, oudtijds Kranae, de ruwe rots, later Kekropia,

vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet

hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil

en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische

muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op

de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan

stond men voor de prachtige Propylaea, ta Propylaia, op voorstel van

Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep

een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64

treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel

van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische

zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den

middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. Vijf deuren

scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en

kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en

zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel

van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op

het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den

tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles

door Callicrates en Ictinus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet

breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange

zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk

beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den

grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier

bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des

tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, peristasis,

(B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht

waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld,

(C) is de 100 voet lange cella, hekatompedos neos waar in (a) het

beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange

zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven)

ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der

godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk

van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet

hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin

werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens

tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren,

op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk)

was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon

(D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van

de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos

(E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het

christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken

in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de

Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel,

door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de

venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant

bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering,

het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere

kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der

schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het

overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over,

waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het

Parthenon ligt het Erechtheum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd,

met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het

oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal 's jaars gereinigd

werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena

Polias, (B) de cella; aan de andere zijde kwam men langs een trap in

het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal,

waarvan het dak door caryatiden (Korai) werd gedragen; (D) is de

pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke

uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt;

(G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron,

en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde

standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias

gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium

kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het

tempeltje der Nike apteros lag wel op de acropolis, doch buiten de

Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen

dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft,

die gewoonlijk Hecatompedon of archaios neos genoemd wordt. Wanneer

men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op

de markt, agora, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel,

die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen

zuilengangen, waarvan de stoa poikile of beschilderde galerij de

meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag

bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem

hadden ingeoogst. Aan de markt lag het bouleuterion, waar de raad,

de boule, zitting hield, benevens de tholos of rotonde, waar de

prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief

zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Areios pagos. Onder

de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding:

het Prytaneum, het theater van Dionysus, dat tegen de Zuidzijde van

de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van

Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd

was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates,

van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes

bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes,

die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen,

met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het

gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (choregikos tripsys)

te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd

had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten,

omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der

winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was

aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de

1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae

praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken.

Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia,

Akademeia of -mia, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn

onderwijs gaf, het Lyceum, ook een park met een tempel van Apollo

Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel

Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes,

de stichter der cynische school, als leeraar optrad.

Ten Westen van de stad stroomde de Cephisus, in het Z.O. de

Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, ta makra teiche, ook wel

de beenen van Athenae genoemd, ta skele ton Athenon, ter lengte van

omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalerus

en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Peiraieus) vormde eene

kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen,

handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren

waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon

worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee

muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de

geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae

nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied,

waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden

behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en

tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding

te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla's belegering; bij

die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadrianus zocht in

later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel

ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het

einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat;

bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking

van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen

was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden.

Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden

vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden.

Athenaeum, Athenaion, in het algemeen elke aan Athena gewijde

plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer

Hadrianus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel

enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasianus

eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen

bizonder onderwijs; Hadrianus voerde het openbaar onderwijs in met

onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed

op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet

gewenschte republikeinsche richting te keeren.

Athenaeus, Athenaios, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van

Archimedes.--2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C.,

die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk

Deipnosophistai, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in

den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch

leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke

aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn.

Athenagoras, Athenagoras, van Athene, leeraar der academische

wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het

Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde.

Athenais, Athenais, 1) bijgenaamd Philostorgos, gemalin van den

cappadocischen koning Ariobarzanes II.--2) dochter van den sophist

Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II;

na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij

heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische

en christelijke onderwerpen behandelen.

Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in

102 en 101. De consul M.' Aquillius versloeg hem in 100 met eigen

hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius

(Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan

het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte.

Athenis, z. Bupalus.

Athenodorus, Athenodoros, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met

eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning

wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.--2) bijgenaamd

Kordylion, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek

te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen

te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg

werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar

hij stierf.--3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling

van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te

Apollonia in Epirus, waar Octavianus hem leerde kennen. Deze nam hem

mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij

de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde

en de wetten verbeterde.--4) een van de drie beeldhouwers van de

Laocoongroep z. Laocoon.

Athesis, Atesinos, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen

ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt

hij (bij Bozen) den Atagis Atagis, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is

Atagis een andere naam voor den Athesis.

Athletae, athletai, athleteres, werden bij de Grieken diegenen

genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den

wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning

dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men

athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke

worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden

leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare

spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog

loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen,

dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de

tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte

te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen.

Athlothetai, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen

uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters

en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd,

ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden

voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een

plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende

het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook

werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (rhabdouchoi). Te

Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen,

die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden

en uitspraak deden over de wedstrijden.

Athos, Athos, naam van een der Giganten, die den hemel wilden

bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar

de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed

den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog

als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische

landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den

hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg

een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal

grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude

handschriften zijn.

Atii, zie Attii.

Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór

188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden

geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament

was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door

den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen.

Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en

C. Marcius, dat van de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier

legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen.

Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus,

Calatinus, Longus, Regulus, Serranus.--1) A. Atilius Calatinus,

consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en

veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op

Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene

rom. legermacht aanvoerde.--2) M. Atilius Regulus werd als consul in

294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf

gevierd.--3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul

in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentini in

Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal;

in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den

overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht

naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot

van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche

vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa,

en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea

werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa

en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid

zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste

te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden

zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen

sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar

Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den

senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig

een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago

terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het

geheele verhaal van Regulus' zending naar Rome en zijn marteldood is

onhistorisch.--4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus

(Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot

bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten

tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de

stad niet innemen.--5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul

in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij

het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer

streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad,

Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal's

gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de

laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst

hadden onttrokken.--6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van

no. 5, was consul in 225.--7) C. Atilius Serranus streed in 218 als

praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpina en vereenigde

zich vóór den slag aan den Ticinus met den consul P. Cornelius

Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.--8) A. Atilius Serranus,

praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria

voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15)

het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak

met Perseus te maken.--9) C. Atilius Serranus Gavianus, uit de gens

Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57

Cicero's terugroeping te verhinderen.--10) M. Atilius, middelmatig

tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 23 / 150 段