Aristobulus, Aristoboulos, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr.,

stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste

bronnen waaruit Arrianus geput heeft.--2) joodsch peripatetisch

wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen,

dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen

ontleend was.--3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander

Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met

zijn broeder Hyrcanus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd

ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch

toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en

Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch

hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid

had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren

(49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd.

Aristocrates, Aristokrates, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden

messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de

Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij

door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid

afschaften (668).--2) Athener, een van de admiraals die den slag bij

de Arginusen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger

had hij tot de 400 behoord.--3) Spartaan, schrijver van Lakonika,

phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C.

Aristodemus, Aristodemos, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en

Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnesus te Naupactus door

den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij

nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon

geboren waren.--2) de held van den eersten messenischen oorlog, die

ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later

werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met

groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was,

beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).--3)

tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die

zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.--4) de eenige Spartaan

die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als

een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae.

Aristogiton, Aristogeiton, 1) z. Harmodius.--2) atheensch redenaar,

bijgenaamd kyon, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus

en Hyperides.

Aristoi, een van de namen, waarmede de edele geslachten in

aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op

vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst,

enz.

Aristomachus, Aristomachos, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon

van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om

de Peloponnesus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd

uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de

hand van Tisamenus.

Aristomenes, Aristomenes, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een

opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische

oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens

zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was

hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens

in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar,

driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij

den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den

Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten

nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij

na zijn dood als heros vereerd werd.--2) atheensch blijspeldichter,

tijdgenoot van Aristophanes.--3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus

Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202-192);

aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne

vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd.

Ariston, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen,

later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men 's morgens

vroeg nuttigde, heette akratisma of ariston proinon of ook wel

alleen ariston.

Ariston, Ariston, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks

275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel

van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets

tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het

andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te

onderscheiden wordt hij soms Seiren of Phalanthos bijgenaamd.--2)

van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der

peripatetische school op.

Aristonicus, Aristonikos, 1) atheensch redenaar, aanhanger van

Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.--2) tyran van

Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan

de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden

ondergaan.--3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn

broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde

Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament

te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in

zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.--4)

alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral

met de studie van Homerus bezig hield.

Aristophanes, Aristophanes, 1) de grootste der atheensche

blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over

zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle

op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het

rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de

door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt

hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel

wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte

vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde

naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam

was. Hij werkte voor het tooneel van 427-388, in dien tijd schreef hij

40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door

anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve

een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude

attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Acharnes,

opgevoerd bij de Lenaia (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Hippes (Lenaea

424), Nephelai, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Dionysia van het jaar

423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Sphekes

(opgevoerd Lenaea 422), Eirene (Dionysia 421), Ornithes (Dionysia 414),

Lysistrate (Lenaea 411), Thesmophoriazousai (Dionysia 411), Batrachoi

(Lenaea 405), Ekklesiazousai (389, v. s. 392), Ploutos (388). Zij

munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts

ons dikwijls wat ruw toeschijnen.--2) van Byzantium, geb. omstreeks

260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd

een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homerus en

andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf,

77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië.

Aristophon, Aristophon, 1) atheensch redenaar en staatsman na de

verdrijving van de dertig.--2) ho Azenieus, invloedrijk redenaar en

staatsman, bij wien Aeschines schrijver was.

Aristoteles, Aristoteles van Stagirus, zoon van den arts Nicomachus,

geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato

diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich

naar zijn vriend Hermeas, vorst van Atarneus, en na diens val (345)

naar Mytilene, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië

geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze

toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn

leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder

opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook

bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den

koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In

335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte

op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven

in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van

Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de

antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte

hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).--Zijne

voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven

(peripatoi, vandaar de peripatetische school) van het Lyceum voor eene

talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke

leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (akroamatika

of esoterika), des avonds voor een groot publiek over populaire

onderwerpen (exoterika). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke

werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng

wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven

om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke

methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het

onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht

aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis

van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot

het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen

te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel

logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde,

botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen

tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt,

methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt

de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, dynamis), van de

individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel

bestaan, energeia, entelecheia), daarom staat vorm hooger dan stof,

en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid,

volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het

grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den

aard der zaak door genot bekroond wordt.--Ar. heeft bij zijn leven

slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van

zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn

leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij

gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte

gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de Romeinen niet veel beoefenaars

gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der

17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen,

totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd.

Aristoxenus, Aristoxenos, van Tarente, een van de beste leerlingen

van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek

bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren,

dichters enz.

Aristus, Aristos, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste

helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.--2) van

Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te

Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus.

Arius, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering

van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die

hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige

kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil

uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan,

en was dus niet gelijk aan (homoios), maar eenswezend (homoiousios)

met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië,

en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren

en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van

Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit

de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had

geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over

de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en

verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel

kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336

n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe

leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De

Gothen waren Arianen.

Ariusia, Ariousia chora, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland

Chius, waar de beste wijn groeide.

Armene, Armene, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinope.

Armenia, Armenia, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de

Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris,

terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten

W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden,

lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook

een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige

staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den

armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren,

afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort

van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als

Chorzianene, Sophene, Arzanene, Moxoene, Gordyene, enz., die ten deele

slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke

residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land

weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit

van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische,

het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit

laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias,

een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal,

Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigranes

(97-56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter

door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome

afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traianus

maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadrianus liet

het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts

voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia

sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan.

Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door

personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In

Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor

vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor

krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in

spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze

zoowel om den pols en den benedenarm (psellion, perikarpion), als om

den bovenarm, en ook wel om de enkels (perisphyrion).

Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum

wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken

of gewoonten vervallen.

Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen

gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventinus.

Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de

rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het

ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen

van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud

in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij

bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en

zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den

zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later

als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de

Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door

sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar

de heerschappij stond.

Armorica = Aremorica.

Arna, Arna, stad in Umbria ten O. van Perusia.

Arnae, Arnai, stad op Chalcidice.

Arne, Arne, z. Aeolus.

Arne, Arne, 1) stad in Thessaliotis, later Cierium geheeten.--2)

stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken.

Arnissa, Arnissa, stad in het macedonische landschap Eordaea.

Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd,

was een geacht rhetor ten tijde van Diocletianus. Hij omhelsde het

christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken,

adversus gentes (ethne = heidenen).

Arnon, Arnon, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich

in de Doode zee stort.

Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno.

Aromata, ta Aromata, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf,

de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui.

Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomedes, toen

deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust

was geworpen. De plaats zou toen eerst Argos hippion hebben geheeten,

welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het

was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na

den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216),

doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies

zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam.

Arpinum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303

met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd,

geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en

landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrenus in den Liris stroomt.

Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan

den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en

den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en

was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw

v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en

smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op

de schijf gedraaid, maar in vormen geperst.

Arrha of arrhabo, arrabon, ook arra en arrabo geschreven, handgift,

godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij

contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving.

Arrhephoria, Arrephoria, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion

(Juni-Juli) te Athene ter eere van Athena gevierd werd. Twee meisjes

van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus

benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en

aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (arrephoroi),

brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de

inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten

van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop

werden zij ontslagen.

Arrhidaeus, Arridaios, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres

Philine. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van

Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke

geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid

de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd

hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord.

Arria, echtgenoote van Caecina Paetus. Toen deze onder de regeering

van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld

(42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria

zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot

toe met de woorden: "Paetus, het doet geen pijn." Hare dochter Arria

was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven,

omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf.

Arrianus (Flavius), Arrianos, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer

en geschiedschrijver, leerling van Epictetus. Door de gunst van

keizer Hadrianus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121

en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131-137 n. C.) stadhouder van

Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na

147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat

e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige

en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder

zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander,

Anabasis Alexandrou, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon,

dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden

werd. Zie ook Epictetus.

Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor

had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat

hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te

werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een

andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog

voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres

als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de

moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd.

Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris

was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio

(z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia

verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt,

die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare

sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices

voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de

arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den

familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen,

die reeds op rijperen leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls

nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio.

Arruns = Aruns.

Arruntii, plebejisch geslacht.

Arsaces, Arsakes. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces,

volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische

afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het

gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten,

dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot

het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte

dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger

van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I,

Arsaces II Tiridates (248-211), die na eene schitterende overwinning

op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Aria, Drangiana

en Sogdiana uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig

koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel

Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabanus IV, kwam in 227 na C. om,

toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees,

onder de dynastie der Sassaniden.

Arsacia, Arsakia, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het

parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene

aardbeving verwoeste stad Rhagae of Europus had gestaan, hetzij op

weinige uren afstands van daar.

Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophene.

Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te

zamen den Euphraat vormen.

Arses, Arses, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagoas

na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch

werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden

Bagoas vermoord.

Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus,

die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië

en Liburnia.

Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar

L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509).

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 20 / 150 段