broeders naar Macedonia vluchtte en daar de stad Aegae stichtte.--2)
koning van Sparta, tijdgenoot van Lycurgus.--3) koning van Macedonia
(413-399), zoon van Perdiccas II. Hoewel hij door broedermoord zich den
weg tot den troon had gebaand, regeerde hij verdienstelijk, zocht het
land te beschaven, liet wegen aanleggen en steden stichten, en lokte
grieksche letterkundigen en kunstenaars aan zijn hof, o.a. Euripides
en Zeuxis. Ook was hij de eerste, die een soort legerorganisatie
inrichtte.--4) een Cappadociër, veldheer van den pontischen koning
Mithradates VI. In 87 viel hij met een groot leger in Griekenland,
doch werd in 86 door Sulla verslagen, eerst bij Chaeronea en daarna
bij Orchomenus in Boeotia. Hij was het, die den vrede tusschen den
koning en Sulla tot stand bracht, doch daar Mithradates meende dat
hij daarbij te veel aan Sulla had toegegeven, viel hij in ongenade
en ging hij (83) tot de Romeinen over.--5) zoon van no. 4. Pompeius
stelde hem in 63 tot opperpriester van Comana in Pontus aan; doch in
56 ging hij, terwijl hij zich voor een zoon van Mithradates uitgaf,
naar Aegypte, huwde de aegyptische prinses Berenice, die haren vader,
den algemeen gehaten Ptolemaeus XI Auletes, had verdreven, en werd zóó
koning van Aegypte, doch sneuvelde in den strijd tegen den romeinschen
proconsul A. Gabinius, die Auletes op den troon kwam herstellen
(55).--6) zoon van no. 5, volgde zijn vader als opperpriester van
Comana op, doch werd door Caesar in 47 afgezet.--7) zoon van no. 6,
werd door M. Antonius, om der wille zijner schoone moeder Glaphyra,
tot vorst van Cappadocia verheven (41) en later (36) door Octavianus
in de regeering bevestigd, doch na een regeering van 50 jaar door
Tiberius afgezet en naar Rome ontboden, waar hij weldra stierf (14
n. C.). Aan zijn zoon, die eveneens Arch. heette, werd slechts een
klein deel van het rijk zijns vaders gelaten.--8) zoon van Herodes
den Grooten (z. a.). Van zijns vaders rijk kreeg hij (4 v. C.) met
den titel van ethnarch de landschappen Samaria, Judaea en Idumaea;
doch om zijne wreedheid werd hij door Augustus afgezet en naar Vienna
in Gallia verbannen (6 n. C.).--9) leerling van Anaxagoras, volgens
sommigen leermeester van Socrates.
Archemorus, Archemoros, eigenlijk Opheltes, het zoontje van Lycurgus,
koning van Nemea, en Eurydice. Toen de zeven vorsten tegen Thebe
optrokken en in de nabijheid van Nemea water zochten, lieten zij zich
door Hypsipyle, die op het kind passen moest, den weg wijzen. In hare
afwezigheid werd Opheltes door een draak gedood. Daar Amphiaraus deze
gebeurtenis als een slecht voorteeken beschouwde, noemde men den knaap
Archemorus (voorganger in den dood); de zeven vorsten begroeven hem
plechtig en stelden tot zijne nagedachtenis de nemeïsche spelen in.
Archermus, Archermos, van Chius, beeldhouwer uit 600-550. Men vertelt,
dat hij het eerst de Nike gevleugeld voorgesteld heeft; of echter
de gevleugelde godin, die bij de opgravingen op Delus gevonden is,
van hem is, wordt tegenwoordig betwijfeld.
Archestratus, Archestratos, 1) atheensch veldheer in den
peloponnesischen oorlog, sneuvelde in 406 bij Mytilene.--2) van Gela,
tijdgenoot van den jongen Dionysius. Zijn leerdicht in hexameters,
Hedypatheia, over kookkunst en gastronomie, werd wegens zijne
wetenschappelijke waarde door Aristoteles als bron voor zijne
natuurlijke historie der visschen gebruikt.
Archias, Archias, 1) een Heraclide uit Corinthe, stichter van Syracusae
(734).--2) een Thebaan, die mede de Cadmea aan de Spartanen overgaf
(382) en door hun invloed polemarch werd. Bij de terugkomst der
verbannenen werd hij met de zijnen aan tafel gedood (379).--3)
A. Licinius Archias z. Licinii no. 37.
Archidamus, Archidamos, naam van vijf spartaansche koningen: 1)
Arch. I regeerde tijdens den tweeden messenischen oorlog.--2)
Arch. II, zoon van Zeuxidamus (468-427). Na langen strijd bedwong
hij den opstand der Messeniërs en Heloten, die op de aardbeving van
465 volgde. Bij het begin van den peloponnesischen oorlog, dien hij
tevergeefs ontraden had, voerde hij jaarlijks het spartaansche leger
naar Attica. Naar hem wordt dikwijls het eerste tijdperk van dien
oorlog (431-421) archidamische oorlog genoemd.--3) Arch. III, kleinzoon
van den vorigen, voerde nog voordat hij aan de regeering kwam (361)
dikwijls het leger der Spartanen aan, in 368 versloeg hij de Arcadiërs
en Argiven bij Midea; daarentegen leed hij in 364, toen hij trachtte de
Arcadiërs het beleg van Cromnus te doen opbreken, eene nederlaag; ook
verdedigde hij in 362 Sparta tegen den aanval van Epaminondas. In 338
sneuvelde hij in een bloedig gevecht tegen de Lucaniërs, tegen welke
de Tarentijnen zijne hulp hadden ingeroepen.--4) Arch. IV, kleinzoon
van den vorigen, werd in 294 door Demetrius Poliorcetes verslagen.--5)
Arch. V, kleinzoon van den vorigen, broeder en opvolger van Agis III,
trachtte Cleomenes III in zijn strijd tegen de ephoren te steunen,
maar werd reeds bij het begin zijner regeering (227) gedood.
Archilochus, Archilochos, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn
jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader
Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij
meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in
vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland
terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als
de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was
de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere
metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en
prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen
voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote
bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne
dochter Neobule aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord
gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat
zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van
de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden
en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige
fragmenten bewaard gebleven.
Archimedes, Archimedes in 287 te Syracusae geboren, een van de meest
beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door
tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden
alexandrijnschen wiskundige Euclides. Op wiskundig gebied vond hij de
verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules
voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken,
die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde
ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene
vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht
der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de
katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef
zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens
het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden
aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te
doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen,
had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch
een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning
doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl
hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over
de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak
de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen,
een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero's tijd lag het
vergeten in een wildernis van struiken.
Archimimus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of
kluchtspelers.
Archinus, Archinos, een Athener, die Thrasybulus hielp bij het
bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij
stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef
daarover ook een brochure.
Archippus, Archippos, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij
is een navolger van Aristophanes.
Architheoria, Architheoria, een liturgie, bestaande in het dragen van
een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia,
Delus e. e. gezonden werden.
Archontes eigl. de naam van alle overheden en officieren,
in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche
republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de archon een ambtenaar,
die evenals de polemarchos onder den koning stond, langzamerhand gingen
rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over,
zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder
het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele
leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur
ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten
door toevoeging van zes thesmothetai op negen gebracht, zooals het
sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden
verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd
werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien
met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door
den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden
daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten
(ek prokriton), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze
methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door
de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487
werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal
candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de
4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was,
wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het
archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere
phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was grammateus.--De
macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden
zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet
veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het
voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten
altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat
zij de gewone dokimasia mochten ondergaan, aan een onderzoek door
den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen archon,
ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, archon eponymos
genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden,
enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning
was overgegaan, en die daarom den naam basileus behouden had,
had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den
godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten
die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde,
polemarchos genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het
krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in
die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken,
wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen
gezamenlijk den naam van thesmothetai; zij zijn voorzitters bij alle
rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.--Nog in den
rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld.
Archytas, Archytas, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk
leerling van Philolaus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als
veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij
bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd,
zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd
werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van
Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde,
zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matinus het leven
verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400-365.
Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diana.
Arconnesus, Arkonnesos, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts
van Colophon.--2) eilandje voor de haven van Halicarnassus.
Arctinus, Arktinos, van Miletus, cyclisch dichter omstreeks 776,
behandelde in een episch gedicht, Aithiopis, de heldendaden van
Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz.
Arcturus, Arctophylax, Arktouros, Arktophylax. Zie Bootes.
Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Arktos, Hamaxa,
naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor,
megale en mikra onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide
van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In
den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen
haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta
een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de
sterren verplaatst waren.
Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd,
ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak
van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans,
waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze
werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden,
soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus.
Arcus, 1) het bekende schietwapen, toxon, waarvan hier geene verdere
verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen;
de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.--2) in de bouwkunde elke
uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en
eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of
van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices
genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke
pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen
opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de
arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii
Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini.
Ardea, Ardea, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442
romeinsche kolonie, later vervallen.
Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië;
v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht.
Ardericca, Arderikka, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij
Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht.
Ardescus, Ardeskos, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch
Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys.
Ardettus, Ardettos, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion,
waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden.
Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel.
Ardys, Ardys, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië,
654-617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii
(z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij
Priene en voerde hij met kracht oorlog tegen Miletus, zonder dat het
hem gelukte die stad in te nemen.
Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk
vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar
het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.--Vooral werd
de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, halos,
aloe, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht,
eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd
uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een
trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht.
Area, Areia, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodite Area was te
Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had,
en werd later naar Corinthe, Cythera en Cyprus overgebracht.--2)
bijnaam van Athene. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in
den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst
een altaar voor haar hebben opgericht.
Areïthous, Areithoos, koning van Arne, geducht strijder, om zijn
ijzeren knots korynetes bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus
doodde hem en ontnam hem zijne wapenen.
Arelas, Arelate of -tum, Arelate, thans Arles, stad in Narbonensis,
ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke
overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was
eene bloeiende koopstad.
Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en
langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid
van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de
oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.).
Arena, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de
gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken
werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te
strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele
amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd
en van oefenplaats.
Arenacum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren,
aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen),
misschien het dorp Rindern bij Kleef.
Areopagus, Areios pagos, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste
rechtbank (he en Areio pago of ex Ar. p. boule) zitting hield. Deze
rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het
proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athena
ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende
formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord,
brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De
aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht
en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen;
hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in
ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten,
volgde vrijspraak, daar Athena dan verondersteld werd, evenals bij
het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus
Minervae).--Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de
gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven
hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de
geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte
hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen
tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten
verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de
gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens
opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet
men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen,
dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den
aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen
ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks
462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles,
van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus
bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In
den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam.
Ares, Ares, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel
en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos
en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enyo, begeeft
hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde
en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn
onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer
dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athena,
de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit
delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god
te wonden.--De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië
ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard
en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene
jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen,
wijd geopende neusgaten en kort haar.
Arestorides, Arestorides, Argos, de zoon van Arestor.
Aretaeus, Aretaios, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit
de 2de helft van de 2de eeuw na C.
Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen
de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van
nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand,
die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of andere
oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt.
Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een
hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van
Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in
de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met
Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten
was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37
n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit
Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder
(ethnarches) van Aretas.
Arete, Arete, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medea
werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.--2)
dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij
beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon
daarin.--3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio,
en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na
zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord
was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen.
Aretho, Araithos, Aratthos = Arachthus, rivier in Epirus.
Arethusa, Arethousa, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).--2) bron in
Elis.--3) bron op Ithaca.--4) bron op Euboea.--5) bron bij Thebae.--6)
stad in Syrië aan den Orontes.
Areus, Areus, koning van Sparta (310-265). Met Ptolemaeus II verbonden,
voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen
nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af,
ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den
Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe.
Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania
Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius
(Douro) behoorde.
Argadeis, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar
Argades, een zoon van Ion.
Argaeus, Argaios, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.--2)
koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam
en deze twee jaar behield.--3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door
zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood.
Argaeus mons, Argaion oros, sneeuwgebergte in het midden van
Cappadocia.
Arganthonius, Arganthonios, koning van Tartessus in Hispania, die
120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea,
die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen,
zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn
rijk te komen wonen.
Arganthonius mons, Arganthonion oros, berg in Bithynia, op eene
landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara)
vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn.
Argea, Argeia, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynices.--2)
zuster van Theras, gehuwd met Aristodemus no. 1.
Argei, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door
Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices
op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder
Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die
ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius)
in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de
vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen
hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk
waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk
Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de
eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood
werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene
Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn
deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra
hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd
elk menschenoffer verboden.