Aquae, naam van een aantal geneeskrachtige bronnen en badplaatsen. Vele

dezer gezondheidsoorden zijn genoemd naar eene nabijgelegen stad,

zooals de aquae Cumanae (later Baiae) bij Cumae in Campania, de

aquae Patavinae (Aponi fons) bij Patavium in Cisalpina, de aquae

Vetuloniae bij Vetulonia in Etruria, de aquae Pisanae in Etruria,

de aquae Segestanae op Sicilia e. a. Andere hebben hun naam naar

het volk, b.v. aquae Statiellae bij de Statielli in Liguria, aquae

Mattiacae (thans Wiesbaden) bij de Mattiaci. Merkwaardig waren de

aquae Cutiliae, nabij de reeds vroeg verwoeste stad Cutilia (z. a.) in

het sabijnsche land.--Geschiedkundig bekend door de nederlaag der

Teutonen zijn de aquae Sextiae (thans Aix in Provence), in Gallia

Narbonensis, gesticht door C. Sextius Calvinus. Onder de tegenwoordig

meest bekende badplaatsen zijn er verscheidene, die ook onder de

Romeinen bezocht waren, zooals Baden-Baden, aquae Aureliae, Vichy,

aquae calidae Arvernorum, Bagnères de Bigorre, aquae Convenarum,

Bath, aquae Sulis, Aken, Aquae Grani, enz.

Aqua et igni interdictio. Het doodvonnis, te Rome over een burger

uitgesproken, had den vorm van een ban. Binnen Rome was de veroordeelde

vogelvrij; niemand mocht hem huisvesting of voedsel verstrekken,

ieder mocht hem straffeloos dooden, de overheden waren er zelfs toe

verplicht. De ban kon nog verzwaard worden, door hem tot geheel Italië

uit te strekken, of zelfs wel tot het geheele romeinsche rijk, zooals

bij de proscripties tijdens de burgeroorlogen het geval was. Daar de

ban inging op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis werd uitgesproken,

moest men, om zijn leven te redden, vooraf Rome verlaten en in

vrijwillige ballingschap gaan (in liberum exsilium ire). Aanzienlijke

en rijke Romeinen vonden dan licht een toevluchtsoord in eene of andere

civitas foederata; doch minder gegoeden hadden een ondragelijk leven;

iedereen kon zich aan hen vergrijpen, terwijl zij tegen niemand eene

aanklacht konden inbrengen.

Aquaeductus, hydragogeion. De oudste Grieksche waterleidingen zijn die

van Pisistratus te Athene, en uit denzelfden tijd die door Polycrates

op Samos was aangelegd; de architekt van deze laatste leiding was

Eupalinus. Ten einde Rome van goed en overvloedig water te voorzien,

werden in verschillende tijden een aantal waterleidingen aangelegd. De

oudste was de aqua Appia, in 312 aangelegd door denzelfden censor

Appius Claudius, die de via Appia liet bouwen. Deze waterleiding liep

grootendeels door onderaardsche buizen, evenals de Anio vetus, die

het water uit den Anio aanvoerde, en de Virgo, die het koudste water

had en onder de regeering van Augustus door Agrippa was aangelegd,

om de door hem gebouwde badinrichtingen van water te voorzien. De

langste leiding was de Anio novus, die omstreeks 16 uren gaans lang

was en over de dalen gedragen werd door bogen, soms ter hoogte

van meer dan 100 voet. Soms liepen twee aanvoerkanalen een eind

verdiepingsgewijze boven elkander, b.v. de Anio novus boven de aqua

Claudia; zelfs komt eene vereeniging van drie leidingen voor: de Marcia

beneden, de Tepula in het midden, de Iulia boven. De Marcia was om

haar heerlijk water beroemd: het slechtste water voerde de Alsietina

aan. Ook vele aanzienlijke steden van Italia en de provinciën werden op

gelijke wijze van water voorzien. Van den trotschen bogenbouw kunnen

o.a. nog de overblijfselen bij Nîmes (Pont du Gard), bij Tarragona

en Segovia getuigen. Bij sommige leidingen was aan het boveneind een

groot bekken aangebracht, waar men het water liet bezinken, alvorens

het naar de stad te voeren. In de stad werd het water in reservoirs

(castella aquae) verzameld, vanwaar het door buizen (fistulae, tubi)

naar de lacus of groote waterkommen, fontes salientes of fonteinen,

piscinae of vijvers, badhuizen en bijzondere woningen werd geleid. Ook

op verscheidene plaatsen in Griekenland zijn overblijfselen van oude

waterleidingen gevonden.

Aquaeductus en aquaehaustus, erfdienstbaarheid, waarbij de

rechthebbende over eens anders grond water mocht leiden of uit eens

anders bron water mocht putten.

Aquarii, werklieden bij den dienst der waterleidingen, meest servi

publici. Ook slaven in de openbare badhuizen, die water aandroegen

om de baders af te spoelen en de waschbekkens te vullen.

Aquarius, Hydrochoos, het sterrenbeeld de Waterman, waarin men

Ganymedes, Deucalion of Cecrops meende terug te vinden. Hij maakt,

naar het heet, het jaargetijde somber, want als de zon in dit teeken

komt, begint de regentijd.

Aquila, aetos. Oudtijds hadden de verschillende afdeelingen voetvolk en

de ruiterij in de Romeinsche legers verschillende standaarden, als: een

wolf, een everzwijn, een minotaurus, een paard, een hond, e. a. Deze

voorwerpen waren boven op een stok bevestigd. Sedert Marius was de

legioenstandaard een adelaar met uitgespreide vlerken, uit zilver of

brons, onder de keizers ook wel uit goud vervaardigd. Hij stond onder

de bijzondere hoede van den primipilus of eersten centurio van het

legioen. In de legerplaats stond de standaard naast de veldheerstent in

den grond geplant. Ging het leger op marsch of in den slag, dan trok

de primipilus den adelaar uit den grond en overhandigde hem aan den

aquilifer of standaarddrager. Ging dit uittrekken met moeite gepaard,

dan was dat een slecht voorteeken.

Aquila. 1) Iulius Aquila, romeinsch jurist, van wien brokstukken in

de Pandecten voorkomen.--2) Aquila Romanus, rhetor en taalgeleerde uit

de derde eeuw na C., schrijver van een boek de figuris sententiarum et

elocutionis.--3) Aquila, een Griek uit Pontus uit de tweede eeuw na C.,

die eene zeer geroemde vertaling van het O. T. in het Grieksch schreef.

Aquilaria, stad op de Oostkust van Zeugitana, nabij de golf van

Carthago.

Aquileia, Akyleia, romeinsche kolonie aan het noordelijkste gedeelte

der Adriatische zee, op de grenzen van het land der Veneters en

van Histria, in 181 als bolwerk tegen invallen uit het Noordoosten

gesticht. Het was eene sterke vesting en ontwikkelde zich door zijne

ligging spoedig tot eene bloeiende handelsplaats. Als sleutel van

Italië vervulde het eene belangrijke rol tegen de barbaren, die

Italië zochten binnen te dringen, tot het in 452 na C. door Attila

werd ingenomen en verwoest. De vluchtelingen uit Aquileia en Altinum

legden den grondslag tot de tegenwoordige stad Venetië.

Aquillia (lex), plebiscitum van onbekenden datum, misschien tusschen

289 en 286, wijzigde de bepalingen omtrent damnum iniuria datum,

die reeds in de leges XII tabularum voorkomen.

Aquillii. 1) M'. Aquillius, consul in 129, maakte een einde

aan den opstand van Aristonicus in Pergamus, door de bronnen te

vergiftigen. Door de Romeinen zelven werd deze handelwijze als

een nefas beschouwd. Daartoe omgekocht, had hij Groot-Phrygië aan

Mithradates Euergetes afgestaan, maar deze afstand werd door den Senaat

niet bekrachtigd.--2) M'. Aquillius, zoon van no. 1, consul in 101,

bedwong in 100 den slavenopstand op Sicilia onder Athenio. In 98 werd

hij wegens afpersingen aangeklaagd; toen zijn verdediger M. Antonius

(orator) te midden zijner pleitreden op eenmaal hem de tunica

openscheurde en de litteekenen op de borst van Aquillius toonde,

werd deze om zijne dapperheid vrijgesproken. In 88, bij den inval

van Mithradates VI in de romeinsche provincie Asia, viel Aquillius,

die destijds legaat van den proconsul Q. Oppius was, in handen van

den pontischen koning. Deze liet hem eerst, op een ezel gebonden,

onder zweepslagen in de voornaamste steden rondleiden en vervolgens

gesmolten goud in den mond gieten.--3) C. Aquillius Gallus, een vriend

van Cicero, redenaar en beroemd rechtsgeleerde.

Aquilo, de Noordoostenwind, soms ook = de Noordenwind, zie Windstreken.

Aquilonia, stad in het N. van Samnium, in 293 door de Romeinen onder

L. Papirius Cursor verwoest. De stad lag niet ver van Cominium,

en dicht bij het dal van den Sagrus. Een ander Aquilonia ligt in

Zuid-Samnium in het land van de Hirpini.

Aquinum, stad in het land der Volscen in Latium, rom. municipium,

geboorteplaats van den dichter Juvenalis, met purperververijen.

Aquitania, gewest in Gallia. Tijdens Caesars komst in Gallia verstond

men onder dezen naam slechts het zuidwestelijk gedeelte, tusschen de

Pyrenaeën en den Garumna (Garonne). De bewoners waren van iberischen

stam, verwant met de Vascones (Basken), die zich later onder hen

mengden en naar wie de landstreek later ook Vasconia (Gascogne) werd

geheeten. Volgens Plinius heette deze streek vroeger Aremorica.--Onder

Augustus (tusschen 16 en 13) onderging de indeeling van Gallia eene

geheele verandering, en strekte Aquitania zich uit tot aan den Liger

(Loire) en den mons Cebenna (Cevennes). Na Constantijn vindt men deze

streek tot drie provinciën verknipt. Het zuidwestelijke deel, van de

Pyrenaeën tot nabij den Garumna vormde de provincie Novempopulana,

met de hoofdstad Elimberris (Auch) (v. a. Elusatium civitas,

tgw. Eauze). De streek tusschen den Garumna en den Liger was verdeeld

in een oostelijk en westelijk deel: Aquitanica I, met de hoofdstad

civitas Biturigum, vroeger Avaricum (Bourges), en Aquitanica II,

hoofdstad Burdigala (Bordeaux). Deze twee noordelijke deelen behouden

nog lang den naam Aquitania, die dan later in Guyenne overgaat.

Ara, bomos. Een altaar was van aarde, zoden of steen, vaak van

marmer gemaakt, hetzij in ronden, hetzij in vierhoekigen vorm, van

boven eenigszins hol en met eene opening op zijde of aan den voet,

om het vocht der plengoffers of het bloed der offerdieren te laten

wegvloeien. Altaria is eigenlijk het bovenste gedeelte van het altaar,

doch gewoonlijk worden de woorden dooréén gebruikt, waarbij de naam

altaria meer in verheven stijl en bij dichters voorkomt.--Ook een

sterrebeeld in het zuiderhalfrond.

Ara Ubiorum, oorspronkelijk een altaar in het land der Ubii, ter

eere van Augustus opgericht = oppidum Ubiorum; zie Ubii en Colonia

Agrippina.

Arabia, Arabia, het thans nog onder dien naam bekende schiereiland. De

ouden verdeelden het in drie deelen: 1) Arabia Petraea, he kata

Petran (niet vertalen door: steenachtig Arabië), de streek ten O. van

Palaestina zuidwaarts tot aan de beide inhammen, die de Arabische golf

(thans Roode zee) in het Noorden vormt. Daar lag, aan den Oostkant,

halverwege tusschen de Doodezee (Asphaltites lacus) en den Aelaniticus

sinus, de stad Sela (= rots), door de Grieken Petra genoemd, de

hoofdstad van Idumaea of Edom, en aan dit Petra is de naam ontleend. In

het Zuiden vond men het granietgebergte Sinaï.--2) Arabia deserta, he

eremos Arabia, omvatte de noordelijke zandwoestijnen, tusschen Syria en

Babylonia.--3) het overige, verreweg grootste gedeelte, het eigenlijke

schiereiland, was alleen aan de kusten bekend, en daar de Westkust zeer

vruchtbaar was, werd dit geheele land Arabia felix, he eudaimon Arabia,

geheeten, hoewel het binnenland slechts eene dorre zandzee is. De

bewoners, Arabes, Arabes, waren van semietischen stam en dreven reeds

vroeg een levendigen handel met Indië. Talrijke karavanen met wierook,

goud, edelgesteenten, ivoor, oostersche specerijen, trokken uit Arabië

door de woestijnen noord- en noordwestwaarts. Arabia Petraea is voor

een gedeelte in 105 na C. door Traianus in bezit genomen en vormde

toen de provincie Arabia, later Palaestina III; doch overigens bleef

Arabia vrij van vreemde overheersching. Eene expeditie, door Augustus

in 25 onder Aelius Gallus uitgezonden, mislukte (z. Saba).--Onder

de stammen, die Arabia bewoonden, verdienen vermeld te worden:

de Minaei met de steden Macoraba (Mekka) en Jathrippa (Medina),

de Sabaei, in het tegenw. Yemen, met de steden Mariana en Saba,

van waar veel wierook werd aangevoerd, de Nabataei in Petraea, die

de vroegere Edomieten, Midianieten, Amalekieten, enz., vervingen,

en de Saraceni in de nabijheid van Syria.

Arabicus sinus, kolpos Arabikos, thans Roode zee geheeten, terwijl

de Roode zee der ouden, mare Erythraeum, thans den naam van Indische

zee draagt. In het Noorden verdeelt de Arabische golf zich in twee

kleine inhammen, den sinus Heroöpolites of Heroöpoliticus ten W.,

den sinus Aelanites of Aelaniticus ten O., aldus geheeten naar de

steden Heroöpolis (op de landengte van Suez) en Aïla of Aelana.

Arabis of Arabius, Arabis, Arabios potamos, rivier in Gedrosia, ten

W. van den Indus. In hare nabijheid woonden de Arabitae, Arabitai,

Arbies.

Arachnaeum, Arachnaion, berg in oostelijk Argolis, tusschen Argos

en Epidaurus.

Arachne, Arachne, een lydisch meisje, dochter van een purperverver te

Colophon. Zij had van Athena weven geleerd en bereikte in die kunst

zulk eene hoogte, dat zij haar leermeesteres zelve tot een wedstrijd

durfde uitdagen. Toen die uitdaging aangenomen was, vervaardigde

zij een weefsel, waarin zij de liefdesavonturen der goden voorstelde

en dat Athena niet kon overtreffen; uit spijt hierover en uit toorn

over het onderwerp, dat Ar. had gekozen, verbrak de godin haar werk,

waarop Ar. zich van verdriet ophing. Athene riep haar in het leven

terug en veranderde haar in een spin.

Arachosia, Arachosia, eene der oostelijke provinciën van het perzische

rijk, ten Oosten door den Indus begrensd. Zij ontleende haren naam aan

de rivier Arachotus. In het tijdperk der Seleuciden was de hoofdstad

Alexandria Arachoton, Al. Arachoton, thans Kandahar.

Arachthus, Arachthos, rivier in Epirus, die zich in de golf van

Ambracia stort, thans de Arta.

Aracynthus, Arakynthos, gebergte in het Z.W. van Aetolia.

Aradus, Arados, door ballingen uit Sidon op een klein, rotsachtig

eiland nabij de phoenicische kust gesticht. De naam (phoen. Arvad)

beteekent toevluchtsoord. De stad dreef een bloeienden handel en

wedijverde met Sidon en Tyrus. Haar grootsten bloei bereikte ze in

den tijd van het verval van het rijk der Seleuciden. Daar het kleine

eilandje op den duur te klein was, ontstond op het vaste land eene

voorstad, Antaradus, die later op hare beurt weder het oude Aradus

in de schaduw stelde.

Arae Philaenorum, hoi Philainon bomoi, de grens tusschen Cyrene en

Carthago. Tot regeling van een grensgeschil tusschen de republiek

Cyrene en Carthago waren beide staten overeengekomen, dat uit beide

steden een gezantschap op denzelfden tijd zou vertrekken, en dat

de plaats der ontmoeting als grenspunt zou worden aangenomen. De

carthaagsche gezanten echter, de beide gebroeders Philaeni, werden door

die van Cyrene beschuldigd, dat zij vroeger van huis waren gegaan,

dan de afspraak was. Om het daardoor verkregen voordeel echter te

behouden, lieten zij zich levend begraven op de plaats der ontmoeting,

aan de kleine Syrte, waar ter gedachtenis aan hunne vaderlandslievende

zelfopoffering twee altaren werden opgericht. Ook later is dit de

grens tusschen Cyrenaïca en Tripolis.

Arai, wrekende godinnen, opgeroepen door den vloek van het slachtoffer

eener misdaad = Erinyes.

Arar, Arar, rivier in Gallia, later Sauconna, thans de Saône, die

bij Lugdunum (Lyon) in den Rhodanus (Rhône) valt.

Aratus, Aratos, 1) zoon van Clinias, geboren 271 te Sicyon en te Argos

opgevoed. 20 jaar oud stelde hij zich aan het hoofd der ballingen

uit zijn vaderstad en verdreef hij met hunne hulp den tyran Nicocles;

daarop bewerkte hij dat de stad tot het achaeïsch verbond toetrad. Door

Antigonus Gonatas tegengewerkt, zocht hij hulp bij Ptolemaeus

Philadelphus, die hem inderdaad met aanzienlijke geldsommen steunde. In

245 werd hij tot strateeg van het verbond gekozen, dat onder zijne

leiding tot hoogen bloei geraakte, terwijl vele peloponnesische

steden vrijwillig of gedwongen zich als leden lieten opnemen. Toch

was Ar., hoewel kleingeestig en voor iedere mededinging bevreesd,

meer staatsman dan veldheer. Toen dus Sparta door het krachtig streven

van Cleomenes III de hegemonie in de Peloponnesus scheen te zullen

herwinnen, schroomde hij niet, in strijd met de beginselen van het

verbond, de hulp van den macedonischen koning Antigonus Doson in te

roepen (224). De nederlaag, die deze aan Sparta toebracht, deed den

invloed van Ar. ten top stijgen; niet alleen werd hij herhaaldelijk

als strateeg herkozen,--in het geheel heeft hij deze betrekking 17 maal

waargenomen--, maar ook liet de opvolger van Antigonus, Philippus III,

zich langen tijd geheel door zijne raadgevingen leiden, totdat hij

bevond dat Ar. aan zijne verdere plannen in den weg stond, waarop

hij hem door vergift liet uit den weg ruimen (213). Te Corinthe werd

een standbeeld voor hem opgericht en te Sicyon werd jaarlijks op zijn

sterfdag een lijkfeest gevierd. Zijne gedenkschriften (Hypomnemata),

door Polybius e. a. dikwijls als bronnen gebruikt, zijn verloren

gegaan.--2) van Soli, leefde langen tijd aan het hof van Antigonus

Gonatas en schreef (tusschen 276 en 274) een leerdicht in hexameters,

Phainomena kai Liosemeiai, dat nog bewaard is gebleven en door de

ouden hoog geprezen werd. Cicero, Germanicus e. a. vertaalden het in

het latijn.

Arausio, stad der Cavares, aan den Rhodanus (Rhône), thans Orange. Bij

deze stad verloren de Romeinen in 105 een bloedigen slag tegen de

Cimbren. Twee legers werden vernietigd. Uit den romeinschen tijd

zijn nog belangrijke bouwwerken over, o.a. een theater. NB. Hiernaar

wordt de titel prins van Oranje in het Latijn vertaald door princeps

Arausiacus.

Aravisci, keltische volksstam in Neder-Pannonië, verwant met de Osi.

Araxenus campus, Araxenon pedion, de vruchtbare vlakte, waardoor de

armenische Araxes stroomde.

Araxes, Araxes, 1) rivier in Armenia, die zich in de Caspische zee

stort. In zijn benedenloop is hij door een zijarm met den Cyrus

verbonden. Hij vormt de noordelijke grens van Medië. Herodotus

verwart hem met den Oxus (z. a.), die vroeger ook Araxes heette.--2)

riv. in Persis, nabij Persepolis.--3) zijtak van den Euphraat, ook

wel Chaboras of Aborrhas genoemd, in Mesopotamia.

Arbaces, Arbakes, z. Sardanapalus. Hij wordt de stichter der medische

dynastie genoemd, die met Astyages eindigt.

Arbela, ta Arbela, stad in Assyria, waarbij de laatste en beslissende

veldslag tusschen Alex. d. G. en Darius Codomannus plaats vond (331).

Arbiter, een scheidsrechter. Terwijl de iudex in zijne beslissing

aan het strenge recht gebonden was, kon de arbiter uitspraak doen

volgens de aequitas. Zie ook het art. iudex op het einde.

Arbiter bibendi, ook wel magister bibendi, rex convivii, de door

het lot gekozen voorzitter bij een feestmaal, die de tafelwetten

vaststelde en zijne voorschriften gaf omtrent het aanmengen van den

wijn en het getal schepjes, dat in de bekers moest worden gedaan,

omdat men niet, als bij ons, inschonk, maar met een lepel of schepje,

cyathus, de bekers uit het mengvat vulde.

Arca, Arka, oude stad in Phoenice aan den voet van den Libanon, ten

N. van Tripolis, geboorteplaats van keizer Alex. Severus; ter eere

van hem werd de stad Caesarea ad Libanum genoemd.

Arca, kibotos, in het algemeen kist of koffer, meer in het bijzonder

de geldkist, hetzij van metaal, hetzij met ijzer of brons beslagen. Ook

doodkist, alsmede strafcel voor slaven.

Arcadia, Arkadia, landschap in het midden der Peloponnesus gelegen,

door bergen omgeven en doorsneden, het grieksche Zwitserland. De

inwoners, Arcades, Arkades, beschouwden zichzelven als het oudste volk

der aarde, ja zelfs als ouder dan de maan (proselenoi). De afgesloten

ligging van hun land behoedde hen voor vreemde overheersching, daar

vooral in het Noorden en Oosten slechts weinige hoofdwegen naar de

naburige landschappen voerden. Het land stond eerst onder koningen,

doch loste zich in de zevende eeuw in een aantal kleine republieken op,

waarvan Mantinea, Tegea, Orchomenus de voornaamste zijn. De Arcadiërs

waren een vroolijk, krachtig bergvolk, liefhebbers van muziek, doch

stonden, wat hunne verstandelijke ontwikkeling betreft, niet hoog

aangeschreven, zoodat de uitdrukkingen iuvenis Arcadius, Arkadikon

blastema, gebezigd worden voor een onnoozelen hals. Onderlinge naijver

en veeten verdeelen hen; vandaar dat de poging van Epaminondas tot

stichting eener groote bondsstad Megalopolis op den duur mislukte. Na

den dood van Alex. d. G. voegden zij zich bij het achaeïsch verbond,

waarbij zelfs hun landgenoot Philopoemen van 208 tot 183 achtmaal de

hoogste waardigheid, die van strateeg, bekleedde.--Arcadia is rijk

aan mythen. Het sneeuwgebergte Cyllene in het N. O. is bekend als de

geboortegrond van Hermes; dicht daarbij vond men het Stymphalische

meer, de verblijfplaats der vogels, die Heracles verjoeg, alsmede

de Styx. Op den berg Erymanthus in het N. ving Heracles het groote

everzwijn; op den berg Maenalus zetelde Pan. Verder behooren in Arcadia

de mythen te huis van Lycaon en van Callisto en haar zoon Arcas.

Arcadius, Arkadios, 1) taalgeleerde uit de vijfde eeuw na C., schrijver

van een werk over de accenten, peri tonon.--2) de oudste zoon van

Theodosius den Grooten, kreeg bij de deeling van het rom. rijk in 395

n. C. de oostelijke helft. Hij was geheel en al het werktuig zijner

gunstelingen (Rufinus, Eutropius, Gainas), en later zijner frankische

gemalin Eudoxia. Hij stierf, 30 jaar oud, in 408.

Arcanum, landgoed van Q. Cicero, halverwege tusschen Aquinum en

Arpinum in Latium gelegen.

Arcas, Arkas, zoon van Zeus en Callisto. Toen Zeus eens bij Lycaon

gast was, wilde deze beproeven of de god werkelijk alwetend was;

hij slachtte daarom Arcas en zette zijn vleesch aan Zeus voor. Maar

deze veranderde Lycaon in een wolf, doodde al zijne zonen en riep

Arcas in het leven terug. Later ontmoette Arcas op de jacht zijne

moeder, die in een beer veranderd was, en wilde haar dooden, maar zij

ontvluchtte hem tot in den tempel van den Lycaeischen Zeus, die beiden

van de aarde wegnam en onder de sterren plaatste; Callisto werd de

groote beer, Arcas de kleine. V. a. werd Arcas koning der Arcadiërs,

wien hij het gebruik van wol en het bakken van brood leerde; aan hem

ontleenden het volk en het land hun naam.

Arceophon, Arkeophon, Arkeophron, z. Anaxarete.

Arcera, overdekte wagen, waarin men rechtuit op eene matras kon liggen,

tot vervoer van zieken en ouden van dagen.

Arcesiades, Arkeisiades, Laërtes, de zoon van Arcesius.

Arcesilaus, Arkesilaos, 1) naam van vier koningen van Cyrene uit het

geslacht der Battiaden: Arc. I 591-575; Arc. II Chalepos 570-550, die

zijne broeders verdreef en later zelf gedood werd; Arc. III 530-514,

die wegens zijne pogingen om de koninklijke macht weder uit te breiden

(z. Battus no. 3) verdreven werd; Arc. IV gestorven omstreeks 450;

na zijn dood werd Cyrene een republiek.--2) van Pitane, geb. 315,

kwam na den dood van zijn vader naar Athene en woonde de lessen van

Theophrastus en Polemo bij. Hij volgde Crates als hoofd der academie

op en werd de stichter der tweede academie. Hij bestreed vooral

het dogmatische der stoicijnsche leer en ging daarbij zoo ver, dat

hij eindelijk alle zeker weten ontkende en alleen zekeren graad van

waarschijnlijkheid aannam, zoodat hij door de ouden somtijds tot de

sceptici gerekend wordt. Hij stierf in 241.

Archagathus, Archagathos, de eerste grieksche geneeskundige die zich

te Rome kwam vestigen (219).

Archairesiai, te Athene verkiezing der magistraten, ook de vergadering

waarin zij gekozen werden, z. Cheirotonia. Behalve de ambtenaren,

die met de defensie en de financiën belast waren, werden de meeste

overheden door loting aangewezen.

Archandropolis, Archandrou polis, stad in Beneden-Aegyptus, aan den

canobischen Nijlarm.

Arche, algemeene naam der overheden in een republikeinschen staat. Te

Athene werden zij door het volk gekozen, later in vele gevallen

door het lot aangewezen. Voordat zij hun ambt aanvaardden, werd een

onderzoek (dokimasia) ingesteld, waaruit blijken moest dat zij waren

van echt atheensche geboorte, zonder lichaamsgebreken en in het volle

genot hunner burgerrechten. Ook mocht niemand twee overheidsambten te

gelijk of tweemaal hetzelfde ambt bekleeden. De overheden werden in

den regel niet bezoldigd, waren gedurende hun ambtsjaar onschendbaar,

maar moesten na afloop daarvan rekenschap (euthynai) van hun beheer

afleggen.

Archegetes, z. Apollo.

Archeion heet ieder gebouw waar overheden zitting hielden, in het

bijzonder het archief.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 17 / 150 段