Apollo, Apollon, zoon van Zeus en Leto, geboren op Delus (Delios)

aan den voet van den berg Cynthus (Kynthios), te gelijk met

Artemis. Oorspronkelijk was hij een zonnegod (Phoibos, de lichte,

reine); later ging deze beteekenis van Apollo nagenoeg verloren en

werd hij beschouwd als de beschermer van het goede en schoone, de

handhaver van wet en orde. Als zoodanig straft hij, de vertreffende

boogschutter, met de pijlen van zijn zilveren boog (Hek(at)ebolos,

Hekaergos, Argyrotoxos, Klytotoxos, Arcipotens, Arcitenens) de slechten

en overmoedigen, maar brengt aan den anderen kant heil aan en weert

het verderf af (Alexikakos, Soter). De geneeskunde, later aan zijn

zoon Asclepius toegeschreven, behoorde oorspronkelijk tot zijn wezen

(Akesios, Paion, Paian, Medicus). Zijne zorg strekt zich ook over het

vee en de veldvruchten uit; hij beschermt niet slechts de kudden tegen

de aanvallen van den wolf (Lykoktonos), maar dient ook zelf als herder

(Nomios) bij Laomedon en Admetus; ook de jagers bidden hem om geluk

op de jacht (Agreus). Hij voltrekt niet alleen de besluiten van Zeus,

maar verkondigt den menschen ook diens wil als orakelgevend god, hoewel

zijne uitspraken dikwijls voor het beperkte menschenverstand duister

zijn (Loxias). Door zijn orakels heeft hij den grootsten invloed

op het openbare leven der Grieken, en heeft hij vooral dikwijls

den eersten stoot gegeven tot de stichting van volksplantingen

(Archegetes, Ktistes); hij beschermt de openbare orde in de steden

(Aguieus, Agoraios) en over het algemeen het geordende stadsleven;

hijzelf heeft de muren van Troja en Megara gebouwd en tal van steden,

waarvan vele naar hem Apollonia genoemd werden, beschouwden hem als

haar stichter. Ook de zedelijke wereldorde staat in zekeren zin onder

zijn hoede: reinigingsoffers aan Apollo gebracht ontlasten den mensch

van de schuld der zonde, vooral bloedschuld, en bevrijden hem van de

onvermijdelijk daaropvolgende straf; hijzelf boette het dooden van

den draak Python (Pythios) of den moord der Cyclopen door geruimen

tijd als herder te dienen, voordat hij zich van zijn schuld reinigen

konde. Vandaar het gebruik zich op gezette tijden en in het bizonder

na zware misdaden en algemeene rampen, die het bestaan van schuld

doen vermoeden, door reinigingsoffers met den god te verzoenen,

wat zoowel door enkele personen als door vereenigingen, ja door

geheele staten gedaan werd.--Nadat Hermes de lier had uitgevonden,

gaf hij die aan Ap. in ruil voor kudden, die hij hem ontvreemd had;

sedert dien tijd bespeelt Ap. dit instrument in de vergaderingen der

goden en daardoor wordt hij de god der muziek, later van gezang en

dichtkunst, eindelijk stelt hij zich als beschermer van alle schoone

kunsten aan het hoofd van de Muzen (Mousagetes). De dienst van Apollo

was door geheel Griekenland verbreid; naar de verschillende plaatsen,

waar hij heiligdommen en orakels had, en waarvan Delphi de voornaamste

was, heet hij Amyklaios, Abaios, Ismenios, Klarios, enz. In Attica

werd hij als Ap. Patroos nevens Zeus Herkeios als beschermer van het

familieleven vereerd. De zwaan, de dolfijn, de wolf, de olijfboom,

de palmboom en de laurier waren hem gewijd.--Door de Romeinen werd het

delphische orakel reeds vroeg geraadpleegd, en onder den invloed der

sibyllijnsche boeken werd de dienst van Ap. ook bij hen ingevoerd. Na

de pest van 433 werd de eerste tempel voor Ap. Medicus te Rome gewijd;

in 399 werden, mede bij gelegenheid van eene pest, voor het eerst

lectisternia ter eere van Ap., Latona en Diana gehouden. Augustus

beschouwde zich als een beschermeling van den god en geloofde dat hij

door zijne gunst den slag bij Actium had gewonnen, daarom vergrootte en

verrijkte hij zijn tempel op dat voorgebergte, verhoogde den luister

waarmede zijne feesten daar gevierd werden en bracht die feesten ook

naar Rome over; bovendien stichtte hij ook op den Palatijnschen berg

een prachtigen tempel voor Ap. Palatinus.--De beelden van Ap. stellen

hem gewoonlijk voor als jeugdig, hoog van gestalte, met edele trekken

en schoone, golvende lokken (Akersekomes).

Apollodorus, Apollodoros, 1) Athener, wiens bloeitijd omstreeks

144 valt, stoicijnsch wijsgeer en geleerde, een zeer vruchtbaar

schrijver. Zijne werken, die van wijsgeerigen en geschiedkundigen

inhoud waren en waaronder eene wereldgeschiedenis in verzen, waaruit

latere schrijvers veel geput hebben, zijn verloren gegaan. Een

mythologisch werk onder den titel Bibliotheke, dat zijn naam draagt,

is òf een uittreksel uit een werk van Ap. òf het heeft een lateren

naamgenoot tot schrijver. Het is uit de 2e eeuw n. C.--2) van

Pergamus, als rhetor te Apollonia onderwijzer van Octavianus, met

wien hij naar Rome kwam, waar hij een eigen school stichtte.--3) twee

blijspeldichters, de oudste, een tijdgenoot van Menander, van Gela,

de andere geb. te Carystus; twee stukken van een van hen zijn door

Terentius in het Latijn bewerkt.--4) van Tarsus, treurspeldichter.--5)

van Tarsus, grammaticus.--6) beroemd atheensch schilder, omstreeks

400, een van de eersten die perspectief in hun werk brachten.--7)

van Damascus, beroemd bouwmeester, die de meeste groote bouwwerken

van Traianus uitvoerde; later viel hij bij Hadrianus in ongenade. Hij

was ook schrijver van een werk over belegeringskunst.--8) Ephillus,

stoicijn, omstreeks 100.--9) Epicurist, die meer dan 400 boeken

schreef, omstreeks 140-100.

Apollonia, Apollonia, naam van verschillende steden, als 1)

in het land der ozolische Locriërs;--2) op Chalcidice;--3) niet

ver vandaar in Macedonia;--4) de havenstad van Cyrene, eene van

de vijf steden der pentapolis Cyrenaïca;--5) op de Noordkust van

Sicilia, onzeker waar;--6) op de Zuidkust van Creta;--7) in Mysia,

aan het meer Apolloniatis, waardoor de Rhyndacus stroomt;--8) in

Zuid-Phrygia;--9) op de kust van Palaestina;--10) in Lycia;--11) in

Lydia, halverwege tusschen Sardes en Pergamum;--12) en 13) op de kust

van Thracia, waarvan een aan de Strymongolf en een aan den Pontus

Euxinus (Zwarte zee), de laatste met een beroemden tempel en een

reuzenbeeld van Apollo.--14) Het meest beroemd echter was Apollonia

op de illyrische kust, aan den Aous, he kat' Epidamnon, kolonie van

Corinthus en Corcyra, eene bloeiende handelsstad, uitmuntende door

voortreffelijke wetten en nauwgezette handhaving van het recht en

liefde voor wetenschap.

Apollonis, Apollonis = Apollonia no. 11.

Apollonius, Apollonios, 1) van Alexandrië, tijdgenoot, v.s. leerling

van Callimachus, met wien hij later wegens verschil van richting in

ernstigen twist geraakte. Ap. streefde n.l. er naar, den eenvoud

van Homerus in zijne werken te doen herleven, terwijl de werken

van Callimachus meer door geleerdheid dan door dichterlijke waarde

uitmuntten. De invloed van Callimachus was echter zoo groot, dat

Ap., toen hij zijn groot epos Argonautika voordroeg, geen bijval

vond. Hij begaf zich daarop naar Rhodus, waar hij na lezing van zijn

gedicht het burgerrecht kreeg (vandaar wordt hij Rhodius genoemd)

en waar hij geruimen tijd als rhetor onderwijs gaf. Later keerde hij

echter naar Alexandrië terug, en nu viel zijn werk, dat hij op Rhodus

omgewerkt had, zoo in den smaak, dat hij op zeer hoogen leeftijd (±

200) tot bibliothecaris benoemd werd, welke betrekking hij tot zijn

dood behield. Een ander groot werk van Ap., Ktiseis, benevens zijne

kleinere gedichten zijn verloren gegaan. Zijne Argonautica werd door

romeinsche dichters dikwijls nagevolgd. Bewaard gebleven is die van

C. Valerius Flaccus, zie Valerii no. 41.--2) van Alabanda, omstreeks

120 leeraar der welsprekendheid op Rhodus.--3) Ap. Molon, eveneens

geb. te Alabanda, gaf op Rhodus onderwijs in de welsprekendheid. In 87

en 81 kwam hij als gezant der Rhodiërs te Rome, waar Cicero toen reeds

van zijn onderwijs genoot. In 78 heeft Cicero op Rhodus zijn lessen

gevolgd; ook andere Romeinen, o.a. Caesar, hebben hem bezocht.--4)

Ap. Sophista, alexandrijnsch grammaticus, tijdgenoot van Augustus. Het

Lexikon met verklaringen van woorden uit Homerus, dat op zijn naam

staat, is uit later tijd.--5) Ap. ho dyskolos, van Alexandrië, een

zeer geleerd en scherpzinnig grammaticus, de eerste die taalstudie

wetenschappelijk behandelde. Hij leefde eenigen tijd te Rome onder

Marcus Aurelius, later keerde hij naar Alexandrië terug. Vier van

zijne werken over verschillende hoofdstukken van vormleer en syntaxis

zijn bewaard gebleven.--6) van Perga, reeds door de ouden "de groote

wiskundige" genoemd, was 250-220 leeraar te Alexandrië en Pergamus,

en schreef o.a. een werk over kegelsneden, dat nu nog wetenschappelijke

waarde heeft. Ook uit taalkundig oogpunt is zijn werk van belang, omdat

het het eerste werk is, dat in de Koine (z.a.) geschreven is. Hij was

een leerling van Archimedes.--7) van Tyana, leefde in de 1ste eeuw

n. C. Nadat hij zijn vermogen aan de armen gegeven had, trok hij

als leeraar der wijsbegeerte de geheele wereld door en kwam zoowel

in Indië als in Spanje en Aethiopië, tweemaal kwam hij naar Rome,

eindelijk vestigde hij zich als leeraar te Ephesus, waar hij in hoogen

ouderdom stierf. Zijn leer, grootendeels aan Pythagoras ontleend,

maar sterk doortrokken met nieuwplatonische en oostersche begrippen,

zijne vele avonturen, zijne buitengewoon strenge levenswijze en de

wonderen die hij, naar men zeide, verrichtte, baarden veel opzien,

zoo zelfs, dat hij in den strijd tusschen den ouden godsdienst en het

Christendom menigmaal als een tegenhanger van Christus voorgesteld

is. Zijne levensbeschrijving door Philostratus schijnt meer romantisch

dan historisch te zijn.--8) z. Tauriscus.

Apomagdalia, broodkruimels, tot deeg gekneed, die de Grieken bij gebrek

aan servetten gebruikten om zich bij het eten de vingers af te vegen.

Aponi fons of Aponus fons, badplaats met zwavelbronnen bij Patavium

(Padua), ook aquae Pativinae geheeten. Er was een orakel.

Apopempein. Wanneer te Athene een man echtscheiding verlangde,

behoefde hij slechts zijne vrouw met hare huwelijksgift naar het

huis van haar vader of voogd terug te zenden. Dit heette apopempein,

apopompe, apopempsis. Eene vrouw, die echtscheiding wenschte, verliet

het huis van haar man, (apoleipein, apoleipsis), doch moest bij den

archont een met redenen omkleedde schriftelijke verklaring daarvan

geven (apoleipsin graphesthai). Daar ook processen apopempseos en

apoleipseos vermeld worden, schijnt het dat, in weerwil van deze

eenvoudige vormen, de echtscheiding niet geheel van den wil van eene

der beide partijen afhing; misschien betroffen deze processen echter

alleen geldzaken. Het onderscheid tusschen apopempein en apoleipein,

enz., wordt niet altijd streng in het oog gehouden.

Apophasis, aangifte, aanwijzing; de aangifte van gevaarlijke personen

bij den Areopagus; inventaris (z. Antidosis); ook rechterlijk vonnis.

Apophora, 1) de bijdrage, die iedere staat aan Sparta gaf, zoolang deze

staat in den perzischen oorlog de hegemonie had.--2) de belasting,

die de heloot aan zijn heer geven moest, bestaande in eene bij de

wet bepaalde hoeveelheid gerst, wijn en olie.--3) de huur, die te

Athene de slaven dagelijks aan hunne heeren betaalden, wanneer zij

voor eigen rekening mochten werken.

Apophoreta, Apophoreta, lekkernijen, die de gasten van een maaltijd

mede naar huis kregen, verder ook andere geschenken. Het veertiende

boek epigrammen van Martialis, waarmede hij geschenken aan zijne

vrienden begeleidde, draagt tot titel Apophoreta.

Apophrades hemerai, dagen die om een of andere reden voor ongeluksdagen

gehouden werden, waarop geen rechtszittingen waren, en waarop men

geen zaak van eenig gewicht begon. In het bizonder de dagen waarop

men aan de dooden offerde.

Aporreta, verboden dingen; 1) handelsartikelen, die niet van Athene

uitgevoerd mochten worden.--2) sommige scheldwoorden, waarvan men

zich op boete van 500 drachmen onthouden moest.--3) godsdienstige

mysteriën, die niet verraden mochten worden.

Apostasiou dike, aanklacht tegen een vrijgelatene, die zijne plichten

tegenover zijn vroegeren heer niet vervulde; zulke aanklachten werden

bij den polemarch ingediend. Bij veroordeeling verviel de aangeklaagde

weder in slavernij, bij vrijspraak werd hij van alle verplichtingen

tegenover zijn vroegeren meester ontslagen.

Apostoles, tien ambtenaren te Athene, die te zorgen hadden dat de

triërarchen hunne verplichtingen als zoodanig nakwamen; zij hadden

zelfs het recht hen, die daarin te kort schoten, gevangen te nemen.

Apostropeia, z. Aphrodite.

Apotheca, apotheke, magazijn of bergplaats, vooral voor fijne

wijnsoorten, die reeds afgetapt waren. De apotheca was bij de

Rom. meestal op de bovenverdieping van het huis, veeltijds boven

de badkamer, zoo dat de rook van het vuur er in kon doordringen,

waardoor de wijn en de kruiken of flesschen spoediger het merk van

ouderdom kregen.

Apotheosis, apotheosis, vergoding van menschen. Het eigenlijk

latijnsche woord is consecratio. Reeds vroeg geloofde men, dat helden

onder de goden konden worden opgenomen en dacht men eenvoudig aan eene

verplaatsing, waardoor het sterfelijk lichaam onsterfelijk werd. Later

evenwel meende men, dat het stoffelijk overschot door het vuur van

den brandstapel zoo werd gelouterd, dat het onsterfelijk gedeelte van

het sterfelijke werd afgescheiden en opwaarts steeg naar de goden. In

het historisch tijdperk nam de apotheose dezen vorm aan, dat door eene

godspraak of door de uitspraak van eenig bevoegd priestercollegie aan

den afgestorvene goddelijke eerbewijzen werden toegekend en altaren

voor hem werden opgericht, zooals b.v. na Lycurgus' dood te zijner eer

geschiedde. Eén stap verder en men deed hetzelfde voor den levende;

Lysander was de eerste Griek, voor wien nog bij zijn leven altaren

werden opgericht. Alexander de Groote en de Diadochen, vooral de

Ptolemaeën, lieten zich als god vereeren; voor hen werden eerediensten

ingesteld. In Aegypte heet de koning reeds bij zijn leven Theos, in

Azië eerst na zijn dood.--De consecratio van romeinsche keizers en

soms van keizerinnen had op de volgende wijze plaats, en geschiedde

volgens het besluit van den senaat of van den troonsopvolger. Een

wassen borstbeeld van den overledene werd plechtig zeven dagen lang

in het paleis tentoongesteld. Dan werd op den campus Martius een

brandstapel opgericht in den vorm van een altaar met drie of vier

verdiepingen (rogus). Te midden van reukwerk werd het borstbeeld op den

brandstapel geplaatst, die door den nieuwen keizer werd aangestoken. Te

gelijker tijd werd van den top van den toestel een adelaar losgelaten,

die de ziel des overledenen hemelwaarts moest voeren. Van nu af was

hij divus. Doch de kruipende vleierij van den romeinschen senaat

tegenover dwingelanden was oorzaak, dat aan sommige keizers reeds

bij hun leven goddelijke vereering ten deel viel.

Apotropaios, afwerende; bijnaam dien men iederen god gaf, wanneer

men hem aanriep met de bede ramp of gevaar af te wenden.

Apparitores. Onder dezen naam verstaat men de bezoldigde dienaren

der rom. magistraten, als scribae, lictores, viatores, praecones en

accensi. De eerstgenoemde vier soorten waren voortdurend in dienst van

den staat; over de accensi z. accensus no. 1. Voor apparitores boden

zich slechts mingegoede burgers of vrijgelatenen aan. De scribae of

bureauschrijvers waren het meest in aanzien. Cicero noemt hen een

ordo honestus.

Appellatio is het beroep op de hulp van een overheidspersoon, om

door zijne tusschenkomst (intercessio) beveiligd te worden tegen een

dreigend onrecht. De intercessio kon aangewend worden tegen alle

overheden van gelijken of minderen rang, en door de volkstribunen

tegen alle andere overheden behalve den dictator. De appellatio

moet wel onderscheiden worden van de provocatio of het beroep op de

volksvergadering als hoogsten rechter. Onder de keizers ontstond eene

reeks van lagere en hoogere rechtbanken en dus ook van appellen in

verschillende instanties, terwijl ten slotte de keizer zelf de hoogste

rechtsmacht vormde, die alle vonnissen kon wijzigen of vernietigen. Dit

geldt evengoed voor civiele zaken als voor strafzaken.

Appianus, Appianos, van Alexandrië, leefde omstreeks het midden der

2e eeuw n. C. te Rome, en werd later procurator van den fiscus in

Aegypte. Onder den titel Rhomaïka schreef hij eene geschiedenis,

waarin ieder volk afzonderlijk behandeld wordt tot zijn opgaan

in het rom. rijk, en waarin bovendien de geschiedenis van de

rom. burgertwisten beschreven wordt. Van de 24 boeken, waaruit dit

werk bestaan heeft, zijn nog bewaard gebleven: Iberike (l. 6),

Annibaïke (l. 7), Libyke (l. 8), Syriake (l. 11), Mithridateios

(l. 12), Illyrike (2de deel van l. 9), en de 5 boeken Emphylia,

de burgeroorlogen (l. 13-17), benevens fragmenten van eenige andere.

Appia (via). Deze weg liep van Rome over Aricia, Anxur of Tarracina,

Minturnae en Formiae naar Capua, en was de eerste heerbaan, die van

Rome uit werd aangelegd (312). Hij was zóó breed, dat twee wagens

elkander zonder moeite konden voorbijrijden, en was geplaveid

met groote vierhoekige steenen, zóó zorgvuldig zonder gapingen

aaneengevoegd, dat hij in de zesde eeuw na Chr. nog in goeden toestand

was. Met recht werd deze weg, door den censor Appius Claudius Caecus

gebouwd, de regina viarum geheeten. Eene latere verlenging van Capua

over Caudium, Beneventum, Aquilonia, Canusium, Barium naar Brundisium

heette via Appia Nova.

Appias, de nimf der Appische fontein te Rome.

Appii, zie Claudii no. 1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 12, 14, 15, 21.

Appuleiae (leges) van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus, 100. 1)

lex agraria, zie onder agrariae leges.--2) lex de coloniis deducendis,

hangt nauw samen met de lex agraria en maakt er misschien een deel

van uit. Er zouden koloniën gesticht worden in Sicilia, Africa,

Achaia en Macedonia. De wet is niet uitgevoerd. Deze wet (van 100)

is met de lex agraria eene uitbreiding van eene lex agraria van

denzelfden Saturninus uit het jaar 103.--3) lex frumentaria, waarbij

de prijs van het door den staat verkochte koren (zie annona) op 5/6

as werd gesteld. Op het betoog van den quaestor Q. Servilius Caepio,

dat dit de kracht der schatkist te boven ging, besloot de senaat,

dat Saturninus, ingeval hij de wet in stemming bracht, tegen den staat

handelde. De overige volkstribunen intercedeerden nu, doch Saturninus

ging zijn gang. Hierop kwam Caepio met eenige vastberaden mannen,

wierp de stembussen om en belette den voortgang der stemming.--4)

lex de maiestate minuta, tegen degenen, die de onschendbaarheid der

volkstribunen aantastten.

Appuleii. Behalve een consul Q. Appuleius Pansa in 300, behooren de

leden van dit geslacht, die in de geschiedenis van Rome voorkomen,

tot de familie der Saturnini of hebben geen cognomen. 1) L. Appuleius

Saturninus was de beruchte volksmenner te Rome ten tijde van

Marius. Hij was tweemaal volkstribuun (103 en 100). Langs allerlei

wegen trachtte hij de optimates te krenken en te vernederen en zich

aanhang te verwerven bij den grooten hoop (zie Appuleiae leges). Na

zijn eerste tribunaat wilde de censor Q. Caecilius Metellus Numidicus

hem uit den senaat stooten, hetgeen zijn ambtgenoot C. Caecilius

Caprarius belette. Toen hij in het jaar 100 zijne lex agraria met

geweld had doorgedreven, en bij deze (of bij eene andere) wet de

bepaling had gevoegd, dat alle senatoren binnen vijf dagen de wet

moesten bezweren, was de genoemde Metellus het eenige senaatslid,

dat weigerde, waarvoor hij dan ook in ballingschap moest gaan. Toen

Saturninus, die voor geen geweld terugdeinsde, ter wille van zijn

medestander, den praetor C. Servilius Glaucia, diens mededinger

naar het consulaat, C. Memmius, in de volle volksvergadering liet

overhoop steken, werd zelfs het volk verbitterd. Door den senaat tot

vijand des vaderlands verklaard, door Marius (toen ten zesden male

consul) verlaten, week hij naar het Capitool, terwijl de senaat met

de gewone formule videant consules (z. senatus consultum ultimum) den

staat aan de bijzondere hoede der consuls aanbeval. Daar de consuls

nu de buizen der waterleiding lieten afsnijden, kon Saturninus

zich op het Capitool niet staande houden; hij wist nog naar de

curia Hostilia aan het forum te wijken, waar hij echter met zijne

trawanten bestormd en door het woedende volk onder de dakpannen van

het gebouw bedolven werd (10 Dec. 100).--2) L. Appuleius Saturninus,

uit Atina, was in 58 praetor in Macedonia. Diens zoon Cn. Saturninus

diende in 68/67 onder Q. Caecilius Metellus (zie Caecilii no. 19) op

Creta.--3) Sex. Appuleius, consul in 29, hield in 26 een zegetocht

over de Hispaniërs.--4) C. Appuleius Decianus, volkstribuun in 99,

aanhanger van Saturninus, bekend door zijne aanklacht tegen den

aedilis L. Valerius Flaccus (zie Valerii no. 24).--5) Appuleius

Decianus, zoon van no. 4, aanklager van den jongen Valerius Flaccus

(z. Valerii no. 25), die door Cicero verdedigd werd (59).

Buiten dit geslacht staat--6) de schrijver L. Appuleius, te Madaura

in Africa geboren onder de regeering van keizer Hadrianus. Hij

had te Carthago en te Athene zijne opleiding genoten en later veel

gereisd. Met voorliefde beoefende hij wijsbegeerte en letteren. Hij

schreef eenige wijsgeerige werken, doch het meest bekend is zijn

romantisch verhaal Metamorphoseon sive de asino aureo libri XI,

waarin zekere Lucius tot straf voor zijne ondeugden in een ezel

wordt veranderd, doch door de mysteriën (waarvan App. een warm

voorstander was) in een beter mensch wordt herschapen. Onder de vele

episoden in dit werk is die van Amor en Psyche de meest bekende. Eene

nederlandsche bewerking van deze ezelsgeschiedenis vindt men in de

geschriften van Mr. P. van Limburg Brouwer. Van de andere werken

is van belang: Apologia sive de magia, waarin hij zich verdedigt

tegen de beschuldiging van tooverij, en veel aangaande zijn leven

vertelt. Het werkje de herbarum virtutibus, dat op zijn naam staat,

is uit de 5de eeuw n. C.

Apriës, Apries, in het O. T. Hophra, koning van Aegypte. Hij ondernam

een krijgstocht tegen Cyrene, en toen deze ongelukkig afliep,

beschuldigde men hem dat hij de kaste der krijgslieden had willen

vernietigen, en werd hij door Amasis onttroond. Hij regeerde 588-569.

Apronii. 1) Q. Apronius, handlanger en medeplichtige van C. Verres bij

zijne afpersingen op Sicilia.--2) L. Apronius, een romeinsch ridder,

legatus van Germanicus in 15 n. C., in Germania, in welke betrekking

hij de signa triumphalia verwierf, en proconsul van Africa 18-21

n. C. Onder zijn bewind versloeg zijn zoon L. Apronius Caesianus in

20 den Numidiër Tacfarinas. In 28 werd de vader als stadhouder van

Germania inferior door de Friezen verslagen.

Aprostasiou graphe, aanklacht die men bij den polemarch kon indienen

tegen een metoikos, die zich geen burger tot patroon gekozen had,

of zijn metoikion niet betaalde.

Apsis = Absis.

Apsorus, Apsoros, z. Absyrtides insulae.

Apsus, Apsos, rivier en stad in Illyria ten N. v. Apollonia.

Apsyrtus of Absyrtus, Apsyrtos, zoontje van Aeetes. Toen Iason met

Medea vluchtte sneed Medea het lichaam van het kind in stukken,

opdat Aeetes, die hen vervolgde, door het opzoeken van de stukken

tijd zou verliezen. De bijeengeraapte leden werden te Tomi begraven,

dat daaraan, naar men zegt, zijn naam (van temnein) ontleend heeft.

Apteros, ongevleugeld, naam van een beeld van de godin der overwinning

(eigenlijk van Athena Nike), dat in haar tempel op de acropolis te

Athene stond. V. s. had de kunstenaar haar tegen de gewoonte zonder

vleugels voorgesteld, om aan te duiden dat zij de stad nooit zou

verlaten.

Apuani, volksstam in zuidoostelijk Liguria, op de grens van

Midden-Italië, door de Romeinen na dapperen tegenstand overwonnen en

in 180 gedeeltelijk naar Samnium overgebracht. Hunne stad heette Apua.

Apuleii, zie Appuleii.

Apulia, Apoulia, omvatte in ruimeren zin het zuidoostelijke gedeelte

van Italia, met inbegrip van Calabria, in engeren zin alleen de

landstreken Daunia en Peucetia. De oude bevolking, Apuli, bij de

Grieken Iapyges genoemd, waren van illyrischen stam, terwijl grieksche

kolonisten zich aan de kust vestigden en er reeds vroeg de grieksche

taal en grieksche kunst en kunstnijverheid inheemsch maakten. Het

klimaat was heet, en in sommige tijden van het jaar had men last van

den Sirocco, hier Atabulus genoemd. Over het algemeen is het land

niet onvruchtbaar, de vlakten zijn echter arm aan water. De bewoners

stonden als niet bizonder schrander bekend. In de samnitische oorlogen

werd Apulia door de Romeinen onderworpen (317). Ten gevolge van den

tweeden Punischen en den bondgenootenoorlog werd het land, dat vroeger

door handel en industrie gebloeid had, ontvolkt. Augustus vereenigde

Apulia met Calabria en Zuid-Samnium tot de tweede regio Italiae.

Apulum, belangrijke stad in Dacia, sinds 107 n. C. standplaats van

de legio XIII gemina, onder M. Aurelius municipium en colonia.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 16 / 150 段