Antonii. 1) M. Antonius orator, een der beste redenaars van

zijn tijd, die in Cicero's werk de oratore een der hoofdpersonen

van het gesprek is. In 143 geboren, was hij in 99 consul, in 97

censor. In den burgeroorlog koos hij de partij van Sulla en werd in

87 op last van Marius en China omgebracht, waarna zijn hoofd op de

rostra werd tentoongesteld. Hij was de grootvader van den lateren

triumvir.--2) M. Antonius Creticus, zoon van no. 1, voerde, althans

in naam, in 74 als propraetor oorlog tegen de zeeroovers. Hoewel met

buitengewone macht bekleed, voerde hij weinig meer uit, dan dat hij

Sicilia plunderde. Een aanval op Creta mislukte; Antonius leed eene

schandelijke nederlaag, die hem den spotnaam Creticus bezorgde, en

stierf van hartzeer in 71.--3) O. Antonius, bijgenaamd Hybrida, ook

een zoon van no. 1, was in 63 Cicero's ambtgenoot in het consulaat. Hij

was sinds 87 met Sulla in Asia, pleegde op den terugweg rooverijen in

Griekenland, wist met Sulla's vogelvrijverklaringen zijn voordeel te

doen, doch werd in 70 om zijne roofzucht uit den senaat gezet door de

censoren L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus Clodianus. Hij

was in het geheim deelgenoot van Catilina's samenzwering, doch

Cicero wist hem door eene ruiling van provinciën daarvan af te

trekken. Antonius trok echter niet zelf tegen Catilina op, maar

zond, onder voorwendsel van voeteuvel, zijn legaat A. Petreius. Als

proconsul van Macedonia leed hij eene nederlaag tegen de bergvolken,

en werd in 59 aangeklaagd en niettegenstaande de verdediging van

Cicero veroordeeld. De punten van aanklacht, en de quaestio, waarbij

de aanklacht in behandeling kwam, staan niet vast. Hij ging naar het

eiland Cephallenia, eene civitas libera, in ballingschap, maar werd in

44 door Caesar teruggeroepen.--4) M. Antonius, zoon van no. 2, werd

in 82 geb., diende onder A. Gabinius in 58-55 in Syria en sloot zich

in 54 bij Caesar aan, door wiens toedoen hij in 52 quaestor en in 50

augur en volkstribuun werd. Bij de toenemende spanning tusschen Caesar

en Pompeius was hij een ijverig kampioen voor Caesar en trotseerde

de woede van diens vijanden in den senaat, zoo zelfs, dat hij en zijn

medetribuun Cassius vermomd uit Rome moesten vluchten (Jan. 49). Dit

was voor Caesar een voorwendsel om den oorlog te beginnen. Toen Caesar

bezit van Rome had genomen en naar Hispania vertrok, liet hij Antonius

als legatus pro praetore in Italia achter. In den slag bij Pharsalus

(48) voerde Antonius het bevel over den linkervleugel van Caesars

leger. Later geraakte hij echter met Caesar in onmin, doch verzoende

zich in 45 met hem en werd in 44 consul. Hij was het ook, die aan

Caesar (15 Febr. bij het feest der Lupercalia) den koningsdiadeem

aanbood. Zijn eigenlijke rol begon hij na Caesars dood te spelen. Hij

wilde de erfgenaam worden van Caesars macht, maakte zich meester

van Caesars papieren, wond door eene hartstochtelijke lijkrede het

volk op, en wist van den senaat de wettigverklaring te verkrijgen

van alle besluiten en verordeningen, die nog onder Caesars nagelaten

papieren gevonden werden. Antonius bracht nu allerlei beschikkingen

voor den dag, waarmede hij zelfs handel dreef. In plaats van de

provincie Macedonia, die aan M. Brutus ontnomen, en hem toegewezen

was, verlangde hij van den senaat Gallia Cisalpina, doch deze, meer

en meer verbitterd en aangevuurd door Cicero's zoogen. philippische

redevoeringen, weigerde, waarop Antonius eene wet uitlokte, waarbij

D. Junius Brutus als stadhouder van Cisalpina door hem vervangen

werd. Intusschen was, zeer te onpas voor Antonius, Caesars neef

en aangenomen zoon Octavianus op het tooneel verschenen. Een derde

persoon was M. Aemilius Lepidus, die als Caesars magister equitum

op den dag van diens moord aan het hoofd van een leger stond, dat

naar Hispania zou uittrekken. Toen nu Antonius tegen D. Brutus was

opgetrokken en dezen in Mutina (Modena) belegerde, zond de senaat

een leger uit onder de beide consuls C. Vibius Pansa en A. Hirtius

en den negentienjarigen Octavianus. Antonius werd verslagen (43);

Hirtius en Pansa kwamen in den strijd om. Antonius, inziende dat hij

Octavianus te licht had geteld, verbond zich met Lepidus en verzoende

zich vervolgens met Octavianus. Toen kwam het driemanschap tot stand;

onder den naam van triumviri reipublicae constituendae lieten zich

de drie bondgenooten voor den tijd van vijf jaren met alle gezag

bekleeden. Hun eerste zorg was de uitroeiing der republikeinsche

partij. Meer dan 2000 ridders en senatoren werden vogelvrij en hunne

goederen verbeurd verklaard. Onder de slachtoffers was ook Cicero,

tegen wien Antonius een doodelijken haat koesterde, zoowel om diens

hevige bestrijding, alsook omdat Antonius' stiefvader, P. Cornelius

Lentulus Sura, als eedgenoot van Catilina, op Cicero's last ter dood

was gebracht. Na vervolgens met Octavianus het republikeinsche leger

onder Brutus en Cassius bij Philippi in Macedonia te hebben verslagen

(Nov. 42), begaf Antonius zich naar Azië en leerde te Tarsus in Cilicia

de schoone Cleopatra kennen, die hij weldra naar Aegypte volgde (herfst

van 41). Inmiddels zocht zijne gemalin Fulvia in Italië het gezag

van Octavianus te ondermijnen en zette haren zwager L. Antonius tot

een oorlog aan (bellum Perusinum 41), terwijl Sex. Pompeius met eene

vloot den korenaanvoer naar Rome onderschepte en vasten voet in Italië

en op de nabijgelegen eilanden zocht te verkrijgen. Antonius, hoewel

bedreigd door een inval van de Parthen, begaf zich naar Italië, doch

weifelde, of hij zich bij Sex. Pompeius zou aansluiten of niet. Onder

den drang der verschillende legers kwam toen te Brundisium (Sept. 40)

en later met Pompeius te Misenum (39) de vrede tot stand. Antonius

kreeg het Oosten, Octavianus het Westen, Lepidus Africa, Pompeius

Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus. Daar Fulvia inmiddels

overleden was, sloot Antonius een tweede huwelijk met Octavianus'

zuster Octavia. Het triumviraat werd in den herfst van 37 te

Brundisium voor vijf jaren (tot einde 33) hernieuwd. Toen echter

S. Pompeius vermoord (36) en Lepidus op zijde gezet was, kon de

band tusschen Octavianus en Antonius niet lang meer bestaan. In de

armen van Cleopatra vergat Antonius zijne vrouw, de edele Octavia,

en zijne waardigheid. Steeds tot genot en uitspattingen geneigd,

werd hij nu een schandvlek voor den romeinschen naam. Aan Cleopatra

en hare kinderen schonk hij provinciën, de pergameensche bibliotheek

werd naar Alexandrië overgebracht; hij gaf het ongehoorde feit te

aanschouwen, dat hij binnen deze stad een triomftocht hield over den

onttroonden koning Artavasdes van Armenia (34); hij bedreigde ook

rechtstreeks de belangen van Octavianus, door Caesarion, den zoon van

Cleopatra en Caesar, tot erfgenaam zijns vaders te verklaren. Toen

werd de breuk onvermijdelijk (begin 32). Bij Actium ontmoetten de

mededingers elkander (2 Sept 31). De vloot van Antonius had bijna de

dubbele sterkte van die zijner tegenpartij, die door M. Vipsanius

Agrippa werd aangevoerd; doch reeds in het begin van den strijd

ging Cleopatra met de aegyptische schepen op de vlucht. Antonius,

die niet buiten zijn geliefde kon, volgde haar. Ten laatste,

door bijna allen verlaten en misleid door een valsch bericht van

Cleopatra's dood, stortte hij zich in zijn zwaard (1 Aug. 30).--5)

C. Antonius, broeder van no. 4, diende als legaat onder Caesar

(49) en kreeg vervolgens het stadhouderschap over Macedonia (44),

dat eerst aan zijn broeder Marcus was gegeven. Macedonia was echter

reeds in handen van Brutus. C. Antonius werd (begin 43) te Apollonia

ingesloten en moest zich overgeven. Hij werd gevangen gehouden, maar

na de vermoording van Cicero in het begin van 42 op last van Brutus

gedood.--6) L. Antonius, ook een broeder van no. 4, liet zich in 41,

tijdens zijn consulaat, door zijne schoonzuster Fulvia overhalen,

den oorlog met Octavianus te beginnen (bellum Perusinum). Diens

veldheeren M. Vipsanius Agrippa en Q. Salvidienus Rufus sloten hem

echter binnen Perusia op. Door honger gedwongen moest de stad zich

overgeven (winter van 41/40). Octavianus schonk aan L. Antonius

genade en benoemde hem zelfs tot praetor in Hispania. Zijn verdere

levensloop is niet bekend.--7) M. Antonius, zoon van no. 4 uit diens

huwelijk met Fulvia, werd in 30, na den dood van zijn vader, door

Octavianus ter dood veroordeeld. Bij de Grieksche schrijvers heet

hij gewoonlijk Antyllos.--8) Iulus Antonius, jongere zoon van no. 4

en Octavia, werd door Augustus vriendelijk behandeld en zelfs tot

consul verheven (10). Later werd hij in eene liefdesgeschiedenis

verwikkeld met Julia, de zedelooze dochter van Augustus, en ter

dood gebracht (2); v. s. voorkwam hij zijn terechtstelling door

zelfmoord te plegen.--9) L. Antonius, zoon van no. 8, stierf als

balling te Massilia (Marseille) in 25 na C.--10) Antonia maior,

oudste dochter van no. 4 en Octavia, huwde L. Domitius Ahenobarbus en

was de grootmoeder van Nero.--11) Antonia minor, zuster van no. 10,

beroemd door deugd en schoonheid, huwde met Drusus en was de moeder

van Germanicus en keizer Claudius.--12) Antonia, dochter van keizer

Claudius, werd door Nero ter dood gebracht (tusschen 66 en 68 n. C.).

Niet tot de familie der Antonii behooren:--13) M. Antonius Felix,

vrijgelatene van Antonia minor, gehuwd met eene kleindochter van

M. Antonius en Cleopatra. Onder Claudius en Nero was hij procurator van

Iudaea (52-60 n. C.), dat veel van zijne hebzucht te lijden had. In

58 liet hij den Apostel Paulus gevangen nemen, en hij hield hem

gevangen. Pallas, de invloedrijke vrijgelatene onder keizer Claudius,

was zijn broeder.--14) Antonius Musa, lijfarts van Augustus, dien

hij (23) door eene koudwaterkuur van een zware ziekte genas.--15)

M. Antonius Primus, uit Gallia, diende onder Galba en koos daarna de

partij van Vespasianus en versloeg de troepen van Vitellius tweemaal

bij Cremona (einde Oct. 69 n. C.). Hierop (20 Dec.) nam hij Rome

in en liet Vitellius smadelijk ombrengen.--16) Antonius Polemo, uit

Laodicea, beroemd rhetor onder Traianus en later, stichtte te Smyrna

eene rhetorenschool. Toen de jicht hem het leven ondragelijk maakte,

liet hij zich doodhongeren.

Antoninus Pius, keizer van het rom. rijk werd in 86 n. C. te

Lanuvium in Latium geboren uit eene familie, die uit het Zuiden van

Gallia afstamde. Zijn volledige naam was T. Aurelius Fulvus Boionius

Arrius Antoninus, naar zijn vader T. Aurelius Fulvus en zijne beide

grootouders van moederszijde, Boionia Procilla en Arrius Antoninus. Hij

werd door keizer Hadrianus tot zoon en opvolger aangenomen (begin

138) zonder dat hij evenwel diens geslachtsnaam Aelius aannam. Hij

had Hadrianus innig lief en hield dezen in zijne laatste levensjaren

van meer dan ééne wreede daad terug. Na 's keizers dood (10 Juli 138)

verdedigde hij diens nagedachtenis in den verbitterden senaat en eerde

hem ook door het stichten van tempels, hetgeen hem den bijnaam Pius

bezorgde. Hij was een der beste keizers, zachtmoedig, rechtvaardig,

mild, eenvoudig en huiselijk. Zijne regeering (138-161) wordt als een

tijdperk van vrede en welvaart geroemd, toch zijn er ook duidelijke

teekenen waar te nemen van verarming, vooral van Italië, en van

verval van het rijk. Slechts een paar maal moest hij oorlog voeren,

in Britannia (142), waar hij de grenzen van het rijk uitbreidde,

door een nieuwen grenswal in Schotland aan te leggen (z. Vallum

Antonini), en tegen de Mauren in Afrika; een oproer in Iudaea werd

met weinig moeite onderdrukt. Overeenkomstig Hadrianus' verlangen nam

hij M. Aelius Verus (keizer M. Aurelius) en diens broeder L. Verus

tot zoons en opvolgers aan, zie Annii no. 6.

Antron, Antron, stad in Phthiotis (Thessalia), aan den mond der

malische golf.

Antyllos z. Antonii no. 7.

Anubis, Anoubis, aegyptische godheid, als een jakhals of als een

mensch met den kop van een jakhals voorgesteld. De Grieken maakten

daarvan een hondekop, en daar hij de zielen der afgestorvenen naar

de onderwereld geleidde, stelden zij hem gelijk met Hermes. Bij de

Romeinen werd hij als helhond vereerd.

Anulus = Annulus.

Anxur, later Tarracina geheeten, oude stad der Volscen, aan zee en aan

de via Appia gelegen, nabij de pomptijnsche moerassen, in 406 door de

Romeinen veroverd, maar in 402 weer verloren gegaan, 400 weer heroverd,

sedert 329 romeinsche kolonie. Op eene steile kalkrots lag het kasteel,

en nabij de stad een tempel der godin Feronia.

Anytus, Anytos, rijk leerkooper te Athene, een van de leiders der

democratische partij bij de verdrijving der 30, die hem verbannen

hadden. Hoewel lang met Socrates bevriend, trad hij later als een van

zijne aanklagers op. Waarschijnlijk werd hij later weder verbannen,

hij stierf te Heraclea in Pontus.

Aoede, Aoide, z. Musae.

Aones, Aones, oude volksstam in Boeotia, in de streek Aonia, aan den

Helicon. De Muzen, aan wie de Helicon geheiligd was, worden meermalen

Aoniae sorores of Aonides genoemd, en de wateren der bron Aganippe

Aoniae aquae. Als stamvader der Aoniërs wordt Aon, Aon, een zoon van

Poseidon, genoemd.

Aornus, Aornos, naam van eenige hooggelegen plaatsen, als: 1o. stad

in Bactria, 2o. bergvesting aan den Indus, ten N. van de uitmonding

van den Cophen in den Indus. Zie ook Avernus lacus.

Aorsi, Aorsoi, machtig handelsvolk ten Noorden en Westen der Caspische

zee.

Aous, Aoos, Aoos, rivier in het Zuiden van Illyria, die zich ten

Z. van Apollonia in de ionische zee stort.

Apagoge. Te Athene had in sommige gevallen ieder, die als aanklager

wilde optreden van een misdadiger, die op heeterdaad betrapt was

of aan wiens schuld geen twijfel bestond, het recht den misdadiger

zelf te vatten en voor den magistraat te brengen, die het proces

moest leiden, meestal de elfmannen. Deze handeling heette apagoge,

evenals de schriftelijke aanklacht die tegelijkertijd ingediend moest

worden. Werd de aanklacht door den magistraat aangenomen, dan moest de

beschuldigde drie borgen stellen of hij werd gedurende de behandeling

der zaak gevangen gehouden.

Apame, Apama, Apame, 1) eerste echtgenoote van Seleucus I Nicator,

moeder van Antiochus I.--2) v. s. Arsinoe geheeten, dochter van

Antiochus I, echtgenoote van Magas, stadhouder van Cyrene. Na diens

dood (258) ontbood zij den zoon van Demetrius Poliorcetes, om met hare

dochter Berenice (z. a. no. 3) te trouwen, die reeds met Ptolemaeus

III verloofd was. Zij werd echter zelve op Demetrius' zoon verliefd,

en verwekte daardoor zooveel misnoegen bij het volk, dat het hem in

hare armen doodde, en haar alle macht ontnam.

Apamea, Apameia, naam van onderscheiden steden, meest aldus geheeten

naar Apama, de echtgenoote van Seleucus Nicator, den stichter van

het Seleucidenrijk.--1) Apamea ad Orontem, vroeger Pella geheeten,

door Seleucus vergroot en verfraaid, waarnaar het omliggende

landschap Apamene werd geheeten.--2) Apamea Cibotus (he Kibotos =

kast, stapelplaats), de belangrijkste stad van Groot-Phrygia, in de

onmiddellijke nabijheid van Celaenae gelegen.--3) Ap. in Bithynia

vroeger Myrlea aan de Propontis, door Prusias I vergroot en naar zijne

gemalin Apama genoemd.--Verder had men nog steden van dezen naam aan

den Boven Euphraat, in Osroene, aan de samenvloeiing van Euphraat en

Tigris, en in Media.

Apaturia, Apatouria, een feest dat in alle ionische staten gevierd

werd. Te Athene viel het in de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) en duurde

het drie dagen, die dorpia, anarrysis en koureotis heetten. Op den

derden dag werden de jonge kinderen op de lijsten der phratriën

ingeschreven, na aan de leden der phratrie te zijn voorgesteld; voor

ieder kind werd door den vader een schaap of bok geofferd. Gestemd

werd over de opneming alleen wanneer iemand er tegen protesteerde,

wat men doen kon door het offerdier van het altaar weg te leiden. Op

den derden dag gaven ook jongens, die de school bezochten, proeven

van hunne vorderingen, vooral in het declameeren; zij die daarin

uitmuntten kregen prijzen.

Apeleutheros, vrijgelaten slaaf. Slaven, die aan den staat een

of anderen gewichtigen dienst bewezen hadden, werden dikwijls van

staatswege tegen vergoeding aan hun heer vrijgelaten. Had een slaaf

geld om zich zelf vrij te koopen, waartoe de toestemming van den heer

noodig was, dan was daarbij de medewerking van een burger noodig;

meestal trad een priester als tusschenpersoon op. Natuurlijk stond

het den heer vrij zijne slaven ook zonder losprijs de vrijheid te

geven. Aan de vrijlating waren dikwijls zekere voorwaarden verbonden,

z. apostasiou dike.

Apeliotes, Apeliotes, de Oostenwind. Zie Windstreken.

Apella, naar het schijnt, een te Rome veelvuldig voorkomende of

althans zeer bekende jodennaam.

Apelles, Apelles, de beroemdste schilder der oudheid (356-308), geb. te

Colophon of te Ephesus, leerling van Pamphilus. Zijne werken muntten

uit door waarheid en bevalligheid, vooral in de laatste eigenschap

was hij onovertroffen. Alex. d. G. schatte hem zeer hoog; onder de

vele portretten die hij van dien vorst schilderde, was vooral beroemd

de "bliksemslingerende Alexander", die in den tempel van Artemis te

Ephesus hing. Als het meesterstuk van Ap. gold de Aphrodite Anadyomene

(z. Anadyomene).

Apellicon, Apellikon, van Teos, vond omstreeks 100 een aantal

onuitgegeven handschriften van Aristoteles en bezorgde een uitgave

daarvan. Bij de inneming van Athene (87) viel zijn kostbare bibliotheek

in handen van Sulla, die haar naar Rome overbracht.

Apenninus mons, Apenninos, de Apennijnen, de bekende bergketen,

die Italië doorsnijdt. V. s. beter Appenninus.

Apex, een met wol omwonden olijftakje, dat op de punt der vilten

priestermuts was bevestigd (zie albogalerus). Ook wordt het woord

wel voor het geheele hoofddeksel gebezigd. Soms wordt apex gebruikt

voor de spits toeloopende tiara der perzische koningen en beteekent

in figuurlijken zin de kroon, het teeken der hoogste waardigheid.

Aphaca, ta Aphaka, stad in Phoenice, op de helling van den Libanon,

met een tempel en een orakel van Aphrodite.

Aphaea, Aphaia, eene aan de Cretensische Dictynna verwante godin, die

op Aegina vereerd werd. Aan haar was de beroemde tempel gewijd, waarvan

het beeldhouwwerk in München bewaard wordt. De naam wordt afgeleid

van het verdwijnen der godin, toen Andromedes, een visscher die

haar van Creta overgebracht had, haar met zijn liefde vervolgde. Zie

Britomartis.

Aphaireseos dike. Wanneer een slaaf weggeloopen was, dan konde zijn

heer of ieder ander belanghebbende hem vatten waar hij hem vond, en

naar zijn huis medenemen. Tegen dengene, die zich daartegen verzette,

konde de aphair. d. ingebracht worden, en wanneer hij in het ongelijk

gesteld werd, moest hij den aanklager eene schadevergoeding en den

staat eene boete betalen.

Aphamiotai = klarotai.

Apharetidae, Apharetidai, Idas en Lynceus, de zonen van Aphareus,

koning van Messenië, namen deel aan de calydonische jacht en aan

den tocht der Argonauten. Zij waren met de Dioscuren opgegroeid,

maar kregen eens twist met hen over de verdeeling eener kudde, of om

de dochters van Leucippus, die met de Apharetiden verloofd waren en

door de Dioscuren ontvoerd werden. Het kwam tot een gevecht, waarbij

Castor door Idas, Lynceus door Polydeuces verslagen werd. Idas werd

daarop echter door Zeus met den bliksem gedood. Hun graf werd later

te Sparta getoond.

Aphareus, Aphareus, 1) zoon van Perieres, vader der Apharetidae.--2)

zoon van den sophist Hippias, door Isocrates als zoon aangenomen,

redenaar en treurspeldichter. Hij schreef 37 treurspelen, waarvan 4

den eersten prijs behaalden. Zijne werken vallen tusschen 369 en 342.

Aphetae, Aphetai, stad in Zuid-Thessalia, ten O. van de invaart in

de Pagasaeische golf.

Aphetoi hemerai heetten te Athene dagen, waarop geene

raadsvergaderingen of rechtszittingen gehouden werden, zooals

feestdagen en aopophrades hemerai.

Aphidna, Aphidnae, Aphidna, Aphidnai, versterkte stad in Attica,

ten N. van Marathon gelegen. Toen Theseus met Pirithous naar de

onderwereld ging, gaf hij Helena en Aethra aan zijn vriend Aphidnus,

die te Aphidna woonde, ter bewaring. De Dioscuren namen de stad in

en voerden de beide vrouwen weg.

Aphrodisia, ta Aphrodisia, feesten ter eere van Aphrodite door geheel

Griekenland en het plechtigst te Paphus op Cyprus gevierd.

Aphrodisias, Aphrodisias, naam van steden, aan Aphrodite geheiligd. 1)

In Caria, met een prachtigen tempel, waarvan nog overblijfselen

aanwezig zijn. In den burgeroorlog omhelsde de stad de zaak van Caesar

en werd eene civitas libera.--2) In Cilicia tracheia, met een ruime

haven.--Ook een eiland op de kust van Cyrenaïca heette zoo.

Aphrodite, Aphrodite, Venus, dochter van Zeus en Dione, of van Uranus

en Hemera of, volgens het meest bekende verhaal, uit het schuim der zee

geboren en bij Cyprus geland (Aphrogeneia, Anadyomene, Kyprogeneia),

oorspronkelijk godin der lente, der vruchtbaarheid en der algemeene

voortplantingskracht in de natuur (Ourania), vandaar ook godin van het

huwelijk, van het huisgezin en dus van de grondvesten van den staat

(Pandemos), eindelijk en voornamelijk van liefde en schoonheid; deze

laatste hoedanigheden traden mettertijd zoozeer op den voorgrond, dat

men ook de namen Ourania en Pandemos daarmede in betrekking bracht,

en haar den eersten gaf als beschermster der reine, kuische liefde en

van het huwelijk, den anderen als godin van zinnelijk liefdegenot. Zij

is het, die de lente met bloemen tooit en haar bekoorlijkheid verleent,

die den menschen schoonheid geeft en die hun al of niet liefde voor

elkaar inboezemt Epistrophia, Apostrophia. Zij wordt door de dichtkunst

en de beeldende kunsten voorgesteld als een ideaal van schoonheid

en lieftalligheid, Chryseie, Philomeides; zij draagt den gordel,

die alle toovermiddelen der liefde bevat en die goden en menschen aan

hare macht onderwerpt; steeds vergezellen haar de Horen en Chariten,

Peitho, Eros, Pothus en Himerus. Haar eeredienst, hoezeer door de

Grieken veredeld, bleef altijd toch nog vele sporen van oostersche

afkomst vertoonen, en kenmerkte zich veelal aan den eenen kant door

uitgelaten vroolijkheid, aan den anderen door buitensporige smart (zie

Adonia). De duif, de haas, de dolfijn, de roos, de papaver, de myrte,

de appel waren haar gewijd. In vele tempels van Aphrodite mochten geene

bloedige offers gebracht worden. Hoewel gemalin van Hephaestus, maakte

zij toch vele andere goden en menschen door hare liefde gelukkig;

Ares, Hermes, Adonis, Anchises, e.a. Door hare verhouding tot Ares

wordt zij ook in zekeren zin eene oorlogsgodin Areia, ofschoon de

werken van den oorlog haar vreemd zijn en zij eenmaal, toen zij ter

verdediging van Troje zelve op het slagveld verscheen, door Diomedes

gewond werd. Vooral in zeeplaatsen werd zij hoog vereerd en daar men

gewoon was haar om een gelukkige vaart te bidden, kreeg zij den naam

van Euploia. Eindelijk had zij nog vele bijnamen naar de plaatsen waar

hare heiligdommen stonden: Kypris, Paphia, Kythereia, Erykine, e.a.

Aphroditopolis, Aphrodites polis, naam van verschillende steden in

Boven-, Midden- en Neder-Aegypte.

Aphthonius, Aphthonios, een sophist, die in de vierde eeuw n. C. te

Antiochië leefde; hij was een leerling van Libanius en schreef een

handboek der redekunst, Progymnasmata, dat nog tot de 17e eeuw bij

het onderwijs gebruikt werd.

Aphytis, Aphytis, stad op het macedonische schiereiland Pallene,

met een tempel van Zeus Ammon.

Apia, Apie, Apia ge, oude naam voor de Peloponnesus, afgeleid van

een oud-argivisch koning Apis.

Apicius, naam van een drietal groote lekkerbekken, tijdens Sulla,

Tiberius en Traianus. De tijdgenoot van Tiberius, M. Gabius Apicius,

nam, toen hij het grootste deel van zijn vermogen door de keel had

gejaagd, vergif in, uit vrees te moeten verhongeren, wanneer hij niet

meer naar hartelust kon smullen. Op naam van Caelius Apicius bestaat

nog een kookboek, uit de derde eeuw na C., de re culinaria.

Apidanus, Apidanos, rivier in Thessalia, zijtak van den Enipeus,

die in den Peneus uitstroomt.

Apion, Apion, alexandrijnsch grammaticus, die onder Tiberius, Caligula

en Claudius te Alexandria en Rome onderwijs gaf, een pronkerige

en ijdele zwetser, vandaar Mochthos geheeten. Als hoofd van de

anti-semitische partij te Alexandria, voerde hij het woord als afgezant

van deze partij bij keizer Caligula (40 n. C.) (zie ook Flavius

Josephus). Hoofd van de tegenpartij was Philo (z. a. no. 7). Van zijne

talrijke werken is bijna niets overgebleven, want de Glossai Homerikai,

die zijn naam dragen, zijn slechts een uittreksel uit een werk van hem.

Apis, Apis, 1) zoon van Phoroneus en Teledice of Laodice: hij

was koning van Argos en trachtte zich van de heerschappij over de

Peloponnesus meester te maken. Naar hem zou de Peloponnesus Apia

(Apia ge) heeten.--2) zoon van Azan, werd bij de lijkfeesten voor

zijn vader bij ongeluk door Aetolus gedood.--3) de heilige stier

der Aegyptenaren, die vooral te Memphis een prachtigen tempel had,

waar hij door zijne priesters op koninklijke wijze verzorgd werd en

uit gouden vaatwerk at en dronk. Elk jaar was er ongeveer een maand

lang te zijner eere een feest, dat met zijn verjaardag eindigde. Als

hij 25 jaar oud werd, werd hij op een geheime plaats verdronken,

gebalsemd en in een gouden kist bijgezet; stierf hij vroeger, dan

was geheel Aegypte in rouw, totdat eene nieuwe stier gevonden was,

die de vereischte eigenaardigheden van kleur enz., had; deze werd

dan met groote feesten en plechtigheden naar Memphis gebracht. De

Aegyptenaren meenden dat de Apis door een lichtstraal voortgebracht

was en dat hij de drager was van de ziel van Osiris.

Apocleti, apokletoi, z. Aetolisch verbond.

Apodektai, ontvangers, te Athene tien ambtenaars, die de

meeste staatsinkomsten moesten innen en aan de verschillende

bestuursdepartementen overdragen.

Apodoti, Apodotoi, een half barbaarsche volksstam in Aetolia op de

grenzen van Locris.

Apodyterium, apodyterion, ontkleedkamer in de openbare badhuizen,

waar men zijne kleederen in bewaring gaf en zich na het baden weder

aankleedde. In de badvertrekken begaf men zich slechts ongekleed.

Apographe, iedere officiëele opgave van personen, gelden, goederen,

enz., in het bizonder: 1) kadaster ten behoeve van den census en

de verdeeling in klassen aangelegd. Dit kadaster werd jaarlijks of

om de twee of vier jaar naar eene nieuwe schatting vernieuwd; het

was bij de demarchen in bewaring.--2) inventaris van aan den staat

behoorende goederen en aanklacht tegen hen, die zulke goederen aan

den staat trachtten te onthouden.

Apoikia, eene nederzetting van Grieken in een vreemd land, colonia,

die een zelfstandigen staat vormt, onafhankelijk van de moederstad, in

tegenstelling met emporion, handelsfactorij, die geen eigen gemeente

vormde, en met klerouchia, een kolonie, waarin de burgers hun oude

burgerrecht behielden. Worden de kolonisten opgenomen in een reeds

bestaande stad, dan spreekt men van epoikia (z. epoikoi).

Apollinares (ludi), in den tweeden punischen oorlog ingesteld (212),

om van Apollo de afwering van verdere oorlogsrampen, v. a. van ziekten

te verkrijgen. Zij werden onder leiding van den praetor urbanus in

den circus maximus gevierd, in Juli.

Apollinis promunturium, Apollonos akron, ook prom. pulchrum genoemd,

op de kust van Africa, ten Noorden van Carthago.

Apollinopolis, Apollonos polis, naam van twee steden aan den Nijl,

waar de aegyptische god Horus = Apollo bijzonder vereerd werd. De eene,

maior bijgenaamd, lag boven Thebae, aan den linker oever der rivier;

de andere, minor, aan den rechteroever stroomafwaarts van Thebae.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 15 / 150 段