vader van Seleucus Nicator.--2) Ant. I, Soter bijgenaamd na eene
overwinning op de Galliërs behaald, zoon en opvolger van Seleucus
Nicator, geb. 324, regeerde van 281-261, maar voor dien tijd was hij
reeds sedert 293 mederegent zijns vaders geweest, en had toen het
oostelijk gedeelte van het groote Seleucidenrijk bestuurd. Verliefd op
zijne stiefmoeder Stratonice en die liefde voor hopeloos houdende,
werd hij ernstig ziek, maar toen zijn vader de oorzaak zijner
ziekte vernomen had, stemde hij in het huwelijk met Stratonice toe
(293). Gedurende zijne regeering had hij dikwijls met de Galliërs
te kampen, die hij meermalen overwon, maar eindelijk sneuvelde hij
in een slag tegen hen bij Ephesus, 261. Ook tegen Eumenes I van
Pergamus voerde hij oorlog, maar zonder gevolg.--3) Ant. II, na de
verdrijving van den milesischen tyran Timarchus Theos bijgenaamd,
zoon en opvolger van Ant. I. Een ongelukkige oorlog, dien hij
tegen Aegypte voerde, eindigde daarmede, dat hij zijne gemalin
Laodice verstiet, Berenice, de dochter van Ptolemaeus Philadelphus,
tot vrouw nam (250), en beloofde dat, wanneer uit dit huwelijk een
zoon geboren werd, deze hem zou opvolgen. Toen echter na den dood
van Ptolemaeus Laodice teruggeroepen werd, vergiftigde zij hem,
Berenice en hun kind (246). Onder zijn regeering begonnen één voor
één de oostelijke provinciën van het Seleucidenrijk af te vallen en
maakten zich onafhankelijk. Zie Arsaces.--4) Ant. Hierax, jongere
zoon van Ant. II, betwistte zijn broeder Seleucus II de regeering;
na verscheidene nederlagen moest hij vluchten en werd hij na vele
omzwervingen door roovers gedood (227).--5) Ant. III de Groote,
geb. 242, zoon van Seleucus II Callinicus, kwam, na de korte regeering
van zijn broeder Seleucus III Ceraunus, in 223 aan de regeering
(223-187). In 219 begon hij een oorlog tegen Ptolemaeus Philopator,
die hem Phoenicië en Coele-Syrië ontnomen had, maar opstanden
van verschillende stadhouders in het Oosten, die gedeeltelijk door
Ptolemaeus ondersteund werden, beletten hem den oorlog met kracht te
voeren. Eerst in 217 had hij alle binnenlandsche vijanden overwonnen en
konde hij zich weder tegen Aegypte wenden, hij verloor echter den slag
bij Raphia en werd genoodzaakt vrede te sluiten. In 209 ondernam hij
een oorlog tegen de Parthen en Bactriërs, dien hij met geluk voerde,
ofschoon hij hen niet konde onderwerpen; sedert dien oorlog werd hij
"de Groote" bijgenaamd. Na den dood van Ptolemaeus IV Philopator
(z. Ptolemaeus no. 8) (205), die door een zoon van nog geen 5 jaar
opgevolgd werd, meende Ant. dat de kans schoon was om zijn verloren
gebied te hernemen, en verbonden met Philippus III van Macedonië
slaagde hij inderdaad hierin door de overwinning bij Panion aan den
Jordaan (200). waarop een vrede volgde, die later door het huwelijk
van zijne dochter Cleopatra met Ptolemaeus Epiphanes bevestigd
werd. Door de Romeinen misleid, die hem van een krijgstocht tegen
Eumenes van Pergamus hadden teruggehouden, besloot hij Philippus in
den oorlog tegen hen te ondersteunen; hij stak naar Europa over (196),
maar vond den oorlog reeds ten gunste der Romeinen beslist, die nu
van hem eischten, dat hij de reeds bezette steden aan den Hellespont
en in de Chersonesus zoude ontruimen en aan Ptolemaeus het veroverde
land zoude teruggeven. Door deze eischen verbitterd en door Hannibal,
die uit Carthago tot hem gevlucht was, tegen de Romeinen opgezet,
bereidde hij zich tot den oorlog voor, en toen eindelijk zijne hulp
door de Aetoliërs ingeroepen werd, trok hij met een groot leger naar
Griekenland (192); hier vond hij echter weinig steun, terwijl hij de
raadgevingen van Hannibal niet opvolgde, Philippus door zijn overmoedig
gedrag beleedigde en geruimen tijd werkeloos op Euboea bleef. In 191
werd hij door M'. Acilius Glabrio bij de Thermopylae verslagen en
zag hij zich genoodzaakt naar Azië terug te keeren. Met zijn vloot
was hij niet gelukkiger, zoodat L. Cornelius Scipio, na een groote
overwinning ter zee bij Myonnesus, in Azië kon landen en Ant. in den
slag bij Magnesia aan den Sipylus zulk een nederlaag toebracht, dat hij
om vrede moest vragen (190); deze werd hem gegeven, maar ten koste van
al het land aan deze zijde van den Taurus, al zijne oorlogsschepen en
olifanten en eene oorlogsbelasting van 15000 talenten. Toen Ant. nu
in zijne geldverlegenheid een inval in het land der Elymaeërs deed
en daar een tempel van Zeus plunderde, werd hij door het volk gedood
(187).--6) Ant. IV Epiphanes (spottend noemden velen hem epimanes,
zoon van Ant. III, volgde in 175 zijn broeder Seleucus Philopator
op, nadat hij 14 jaar te Rome als gijzelaar had doorgebracht. Ook
hij begon spoedig een oorlog tegen Aegypte, en bemachtigde ook weder
Phoenicië, Palaestina en Coele Syrië; ook in Aegypte zelf, waar twee
broeders elkander de regeering betwistten (z. Ptolemaeus no. 10),
drong hij door, eerst om een van hen te helpen, en toen zij zich later
verzoend hadden, als vijand van beiden. Reeds was hij met zijn leger
Alexandrië genaderd, toen de rom. gezant C. Popillius Laenas hem het
bevel van den senaat kwam brengen den oorlog te staken en Aegypte
te verlaten, aan welk bevel Ant., verschrikt door het ruwe optreden
van den gezant, (z. Popilii no. 3) gehoorzaamde (168). Den Joden
trachtte hij tevergeefs den griekschen godsdienst op te dringen,
zijne wreede vervolgingen dreven hen integendeel tot openlijken
opstand, en aangevoerd door de heldhaftige Maccabaeërs, wisten zij
zich zelfs tegen het leger van Ant. staande te houden. In 165 stierf
Ant. te. Tabae in Perzië.--7) Ant. V Eupator, zoon van den vorigen,
was bij den dood van zijn vader nog zeer jong. De veldheer Lysias
en de gunsteling van Ant. IV, Philippus, betwistten elkander met de
wapenen de voogdij over den knaap, maar nauwelijks had Lysias zijn
tegenstander overwonnen, toen Demetrius, zoon van Seleucus Philopator,
die tot nu toe als gijzelaar te Rome geweest was, de regeering kwam
opeischen, Ant. en Lysias gevangen nam en hen ter dood liet brengen
(162).--8) Ant. VI Theos, zoon van Alexander Balas, wierp zich in
144 tegen Demetrius Nicator als koning op en maakte zich bijna van
het geheele rijk meester; hij werd echter in 142 vermoord door
Tryphon, die toen zelf den troon besteeg.--9) Ant. VII Sidetes
(te Side opgevoed) verdreef Tryphon (137), dwong den joodschen
vorst Johannes Hyrcanus tot onderwerping (132) en sneuvelde in een
slag tegen de Parthen (129).--10) Ant. VIII Philometor of Grypos
(haviksneus) moest na den dood van zijn vader, Demetrius Nicator,
eenige jaren met diens tegenstander, Alexander Zabina (z. Alexander
no. 12), om de regeering strijd voeren; eindelijk verjoeg hij hem door
de hulp van Aegypte. Later (sinds 117) betwistte zijn halfbroeder,
Ant. Cyzicenus, hem de regeering; eer deze langdurige twist beslecht
was, werd Ant. vermoord (97). Deze broedertwisten en die der volgende
vorsten zijn grootendeels de oorzaak van het verval en den ondergang
van het rijk der Seleuciden geworden.--11) Ant. IX Kyzikenos (hij
had te Cyzicus gewoond) moest na den dood van Ant. VIII den oorlog
tegen diens zoon, Seleucus Epiphanes voortzetten en sneuvelde reeds in
95.--12) Ant. X Heusebes, zoon van Ant. IX, overwon Seleucus Epiphanes,
versloeg bij den Orontes (94) Antiochus Philadelphus en Philippus,
twee andere zonen van Ant. Grypus, die een opstand tegen hem verwekt
hadden, en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (na 83).--13)
Ant. XI Philadelphos, z. no. 12. Na den ongelukkigen slag aan den
Orontes verdronk hij op de vlucht in die rivier (94).--14) Ant. XII
Lionysos vatte de wapenen op tegen zijn broeder Philippus (86), maar
sneuvelde spoedig in den strijd tegen een arabischen volksstam.--15)
Ant. XIII Asiaticus, zoon van Ant. X, de laatste der Seleuciden. Nadat
het syrische rijk sedert den dood van Ant. XII bij Armenië ingelijfd
was geweest, werd het door Lucullus hersteld en Ant. XIII op den troon
geplaatst (68). Pompeius ontnam hem echter weldra de regeering weder
en maakte Syrië tot een rom. provincie (64). Deze Antiochus is het,
die als prins op zijn reis van Rome naar Antiochia door Verres te
Syracuse beroofd werd.--15a) Antiochus I, koning van Commagene, zoon
van Mithradates I van Commagene, regeerde 69-34. Hij hielp Pompeius
met troepen tegen Caesar; hij stierf kort voor 31.--16) Ant. II,
koning van Commagene, die wegens een moord door Augustus met den dood
gestraft werd (29).--17) Ant. III, koning van Commagene, die in 17
na C. stierf, waarop zijn rijk tot 38 een rom. provincie werd.--18)
Ant. IV Epiphanes, kreeg in 38 n. C. van Caligula weder de regeering
over Commagene; hij hielp Nero tegen de Parthen en Vespasianus tegen
de Joden, in 72 rezen er echter vermoedens tegen hem en werd hem
de regeering ontnomen. Commagene werd weder ingelijfd en met Syria
vereenigd.--19) stuurman onder Alcibiades, die hem tijdelijk het bevel
over de vloot opdroeg. In strijd met zijne bevelen, gaf Ant. door
zijne roekeloosheid aanleiding tot het ongelukkige zeegevecht bij
Notium, waarin Lysander de atheensche vloot op de vlucht joeg en 15
schepen buit maakte (407).--20) Ant. van Syracuse, ouder tijdgenoot
van Thucydides, schreef eene geschiedenis van Italië en Sicilië,
die met lof genoemd wordt.--21) Ant. van Ascalon, leerling van Philo
no. 6, stichter der zoogen. vijfde academie, die de leer der academie
met die der stoa tracht in overeenstemming te brengen. Hij erkent,
dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, maar beweert dat
voor eene vita beatissima nog andere dingen noodig zijn. Cicero en
Varro behoorden tot zijne leerlingen.
Antiope, Antiope, 1) dochter van Asopus of van Nycteus, om hare
schoonheid door Zeus bemind, wien zij Amphion en Zethus baarde. Toen
zij gevoelde dat zij moeder worden zoude, vluchtte zij uit vrees voor
den toorn van haar vader naar Sicyon. Nycteus doodde zich uit verdriet
hierover, en droeg aan zijn broeder Lycus op hem te wreken. Deze
haalde Ant. terug, die intusschen met Epopeus, koning van Sicyon,
gehuwd was, en gaf haar als slavin aan zijne gemalin Dirce, die haar
twintig jaren lang de wreedste behandeling liet ondergaan. Eindelijk
vluchtte zij naar hare zonen, die op Dirce wraak namen (z. Amphion),
maar daardoor het misnoegen van Dionysus opwekten; deze liet Ant. in
waanzin rondzwerven, totdat Phocus, een kleinzoon van Sisyphus, haar
genas en tot vrouw nam.--2) z. Amazones. Zij werd bij Theseus moeder
van Hippolytus. In den strijd dien de Amazonen tegen Athene voerden,
werd Ant. gedood, of v. a. wist zij een vrede te bewerken.
Antipater, Antipatros, 1) een van de veldheeren van Philippus
van Macedonië. In die hoedanigheid had hij zooveel bewijzen van
bekwaamheid en trouw gegeven, dat Alexander hem gedurende zijne
buitenlandsche veldtochten als stadhouder van Macedonië en Griekenland
achterliet. Ook deze betrekking bekleedde hij met roem, hij dempte een
opstand der Thraciërs en versloeg de Lacedaemoniërs, die onder Agis II
Griekenland van de macedonische heerschappij trachtten te bevrijden,
in den slag bij Megalopolis (330). In 324 riep Alexander, ongeduldig
geworden door de herhaalde klachten van zijne moeder, die steeds
met Ant. in onmin was, hem naar Azië, maar door zijn spoedig daarop
gevolgden dood bleef dit bevel onuitgevoerd, vandaar het verhaal dat
Ant. Alex. door vergif zou hebben laten dooden. Terstond na den dood
van Alexander vereenigden de Grieken zich weder om zich van Macedonië
los te maken; Ant. werd in Lamia ingesloten (323), maar de komst van
Leonnatus noodzaakte de belegeraars hem uit de stad te laten trekken,
en door Craterus geholpen, versloeg hij het grieksche leger bij Crannon
en maakte daarmede aan den oorlog een einde (322). Tegen het streven
van Perdiccas om zich van de regeering over het geheele rijk meester
te maken, vereenigde zich Ant. met Antigonus, Craterus en Ptolemaeus,
en toen Perdiccas vermoord was, werd hij tot rijksbestuurder benoemd
(320). In het volgende jaar stierf hij, nadat hij Polyperchon als
zijn opvolger had aangewezen.--2) kleinzoon van den vorigen, zoon
van Cassander, werd in 296 koning van Macedonië. Hij doodde zijne
moeder Thessalonica, omdat hij meende dat zij zijn broeder Alexander
begunstigde; deze verjoeg hem daarop met de hulp van Demetrius
Poliorcetes; hij vluchtte naar zijn schoonvader Lysimachus, die hem in
287 liet ter dood brengen.--3) Ant. van Tarsus, opvolger van Diogenes
den Babyloniër als hoofd der stoicijnsche school. Hij leefde in het
midden van de 2de eeuw. Hij was de leermeester van Panaetius.--4)
Ant. van Tyrus, hoofd der stoicijnsche school, leermeester en vriend
van den jongen Cato, stierf te Athene omstreeks 45.--5) Caelius
Ant. z. Caelii no. 1.
Antiphanes, Antiphanes, geb. op Rhodus, een geestig en bekwaam attisch
blijspeldichter, wien 260 stukken worden toegeschreven. Zijne eerste
werken verschenen omstreeks 387.
Antiphates, Antiphates, de wreede vorst der Laestrygonen, die een van
de gezellen van Odysseus verslond, en elf van diens schepen door zijn
volk liet verbrijzelen, zoodat slechts één schip konde ontkomen. Zijn
naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wreedaard gebruikt.
Antiphilus, Antiphilos, 1) schilder, tijdgenoot van Apelles.--2)
na den dood van Leosthenes (323) aanvoerder van het grieksche leger
in den lamischen oorlog.
Antiphon, Antiphon, 1) geb. te Athene omstreeks 480. Hij ontving
van zijn vader Sophilus, een sophist, het eerste onderwijs in de
welsprekendheid, waarin hij later uitmuntte, zoodat hem in den
alexandrijnschen canon der attische redenaars de eerste plaats
gegeven werd. Slechts eenmaal trad hij zelf als redenaar op, en
wel om zichzelven te verdedigen. Daar hij n.l. ijverig deelgenomen
had aan de invoering van de regeering der 400, werd hij, nadat de
democratie hersteld was, door Theramenes van hoogverraad aangeklaagd
en in weerwil van zijn meesterlijke verdediging ter dood veroordeeld
(411). Hoewel wegens zijn aristocratische gezindheid niet populair,
was hij zeer gezocht als schrijver van pleitredenen (logographos). Van
deze zijn drie bewaard gebleven; bovendien hebben wij nog van hem
twaalf ontwerpen van redevoeringen, verdeeld in drie tetralogieën,
ieder bevattend aanklacht, verdediging en beiderzijdsche replieken in
een gefingeerde moordzaak. Hij gaf ook onderwijs in de redekunst en
schreef eene techne rhetorike, die verloren is.--2) treurspeldichter,
die eerst te Athene en later aan het hof van den tyran Dionysius
leefde; hij hielp dezen bij het maken zijner treurspelen, maar werd
wegens zijne vrijmoedigheid gedood.
Antipolis, Antipolis, stad op de Zuidkust van Gallia Narbonensis,
nabij de grenzen van Italië, thans Antibes.
Antiquo. Bij het stemmen in de volksvergadering over wetsvoorstellen
beteekende de letter A: antiquo = ik ben voor het oude, dus: ik ben
tegen het voorstel.
Antirrhium en Rhium, Antirrion en Rhion, twee kapen tegenover elkander,
de eerste ten N., de andere ten Z., aan de invaart der corinthische
golf.
Antissa, Antissa, havenstad aan den N. W. kant van Lesbus.
Antisthenes, Antisthenes, Athener, geb. omstreeks 444 en gestorven op
den leeftijd van 70 jaar. Nadat hij in zijne jeugd van den sophist
Gorgias onderwijs had gehad en later zelf sophistisch onderwijs had
gegeven, leerde hij Socrates kennen en bleef hij tot diens dood zijn
leerling. Na dien tijd trad hij weder als leeraar op en stichtte hij
eene nieuwe school, die de cynische genoemd wordt naar het gymnasium
Cynosarges, waar hij onderwijs gaf. Zijne vrij eenzijdige opvatting van
de leer van Socrates was, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig
leven, dat zij bestaat in het onafhankelijk zijn van behoeften en
in het vermijden van het kwaad, dat genot op zichzelf een kwaad is,
omdat het ongeschikt maakt te streven naar het bereiken van deugd. Door
zijne leefwijze, waarin hij deze leer streng in praktijk bracht, en
door zijne overredingskracht verwierf hij zich vele aanhangers. Van
zijne talrijke geschriften zijn twee onbeduidende werkjes bewaard
gebleven, aan welker echtheid door velen getwijfeld wordt.
Antistii, een plebejisch geslacht. 1) P. Antistius, op last van den
jongen Marius omgebracht (82), was een goed redenaar en pleiter.--2)
Pacuvius Antistius Labeo, een van Caesars moordenaars, bracht na
den slag bij Philippi zich zelf om.--3) M. Antistius Labeo, zoon van
no. 2, vurig republikein, weigerde het consulaat, hem door Augustus
aangeboden. Hij was een groot rechtsgeleerde en stichtte eene beroemde
school, die den geest der wetten van het oude Rome huldigde. (Zie
Proculi no. 2.) Tegenover zijne philosophische richting stond de
historische richting van den niet minder beroemden Ateius Capito.
Antitaurus, Antitauros, bergketen, die zich van den Taurus afscheidt
en zich midden door Armenia minor in N. O. richting uitstrekt.
Antitimasthai z. timema no. 3.
Antium, Antion, oude stad in Latium, op eene ver vooruitspringende
landtong gesticht en door zeeroof zeer berucht. Toen na den koningstijd
de Volsci de vlakte ten W. van hun bergen veroverden, kwam Antium
in hun bezit, en werd nu hoofdstad van het Volscische land, en
handelsconcurrent van Ostia. In 340 sloot het zich bij de afgevallen
latijnsche steden aan, en moest in 338 zich overgeven en zijne vloot
uitleveren, terwijl eene nieuwe kolonie er heen gezonden werd. De
snebben der zes overgeleverde schepen werden als zegeteeken aan het
spreekgestoelte op het romeinsche forum bevestigd (rostra). Sedert
werd Antium volkomen machteloos gehouden; doch tegen het einde der
republiek was het een geliefkoosd verblijf der romeinsche grooten, die
hier paleizen en buitenverblijven hadden. Onder de tempels was vooral
de Fortuna-tempel beroemd door een orakel (sortes Antiatinae). Antium
was de geboorteplaats van de keizers Caligula en Nero.
Antomosia, de eed, waarmede de aanklager en de aangeklaagde in een
proces hunne verklaringen bekrachtigen.
Antoniae (leges), van den drieman M. Antonius, 44. Het eerste tweetal
der hieronder genoemde wetten werd nog bij Caesars leven aangenomen,
de overige na zijn dood. 1) lex de Quinctili mense Iulio appellando,
ter eere van Caesar (zie annus).--2) dat aan de circensische spelen
ter eere van Caesar een vijfde dag zou worden toegevoegd.--3) de
dictatura in perpetuum tollenda, tot afschaffing der dictatuur.--4)
lex agraria zie agrariae (leges).--5) lex iudiciaria tot wederinvoering
eener derde decuria van rechters, zonder census (zie iudex).--6) lex
de provocatione, dat zij, die de vi en de maiestate veroordeeld waren,
in hooger beroep bij het volk konden komen (zie provocatio).--7) lex de
provinciis, waardoor het stadhouderschap over de consulaire provinciën
op 6 jaar werd vastgesteld.--8) lex de provinciarum permutatione, dat
o.a. Antonius in plaats van Macedonia Gallia Cisalpina zou krijgen,
dat aan D. Brutus ontnomen werd, terwijl C. Antonius (z. Antonii no. 5)
Macedonia kreeg.--9) lex de actis Caesaris confirmandis, waarbij alle
verordeningen van Caesar rechtsgeldig werden verklaard.