der linkerhand droeg de Romein een zegelring; senatoren, ridders
en overheden droegen hem van goud. Onder de keizers werd met het
ius anuli (aurei) zeer lichtvaardig omgesprongen, en werd het zelfs
aan vrijgelatenen toegestaan, die hierdoor met vrijgeborenen werden
gelijkgesteld. Ten laatste droeg elk fatsoenlijk man een of meer gouden
ringen, dikwijls met kostbare edelgesteenten.--Ook voor huishoudelijke
zaken had men allerlei ringen, evenals bij ons, b.v. gordijnringen,
anuli velares, enz.
Annus, to etos. Het grieksche jaar was verdeeld in 12 maanmaanden,
gerekend van de eene nieuwe maan tot de andere, en telde dus 354
dagen, terwijl de maanden afwisselend 29 en 30 telden. Die van 30
heetten menes plereis, de andere koiloi. Om de 3 jaren schoof men eene
schrikkelmaand in (men embolimaios); het schrikkeljaar heette daarom
trieteris. De namen der maanden en de indeeling van het jaar zijn in
de meeste Grieksche staten verschillend. Het attische jaar telde de
volgende 12 maanden: 1) Hekatombaion (van midden Juli-midden Aug.),
genoemd naar het feest der hecatomben.--2) Metageitnion (Aug.-Sept.),
de verhuismaand (waarin men van geitones, buren, verwisselde).--3)
Boedromion (Sept.-Oct.), naar het feest der Boedromia, ingesteld
ter gedachtenis aan de overwinning van Theseus op de Amazonen.--4)
Pyanepsion (Oct.-Nov.), naar het feest der Pyanepsia, het boonenfeest,
ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van boonen of peulvruchten
at.--5) Maimakterion (Nov.-Dec), naar het feest der Maimaktreria,
ter eere van Zeus Maimaktes (= de razende, de god der stormen).--6)
Poseideon (Dec.-Jan.), naar Poseidon.--6*) In een schrikkeljaar
werd een tweede Poseideon ingeschoven.--7) Gamelion (Jan.-Febr.),
huwelijksmaand.--8) Anthesterion (Febr.-Mrt.), naar de Anthesteria,
een driedaagsch bloemenfeest ter eere van Dionysus.--9) Elaphebolion
(Mrt.-Apr.), naar de Elaphebolia, het hertenjachtfeest, ter eere van
Artemis.--10) Mounychion (Apr.-Mei), naar het feest der munychische
Artemis.--11) Thargelion (Mei-Juni), naar de Thargelia, een feest
ter eere van Apollo en Artemis.--12) Skirophorion (Juni-Juli),
naar de Skirophoria, een feest ter eere van Athena Sciras (skiron
is een witte parasol, dien de priesteressen van Athena bij dit feest
droegen). De maand werd verdeeld in drie dekaden, waarvan de laatste
naar omstandigheden 10 of 9 dagen telde. De eerste dekade heette men
histamenos of archomenos, de tweede men meson, de derde men phthinon,
apion, legon of pauomenos. De dagen der beide eerste dekaden werden
van 1 tot 10 geteld, die der laatste echter omgekeerd. Hoe men
dan bij maanden van 29 dagen deed, of dan de 21ste dag enate of
dekate phthinontos heette, is niet zeker. In het laatste geval
moest de deutera phthinontos worden uitgelaten; want de laatste
dag der maand heet altijd hene kai nea, als zijnde de dag, waarop
oud en nieuw elkander raakten, omdat eigenlijk op het oogenblik,
waarop de nieuwe maan inviel, ook de nieuwe maand begon. Hene kai
nea is dus de dag, die voor een deel de laatste dag der maand is
(de eerste van achteren af gerekend) en tevens voor een deel reeds
tot de nieuwe maand behoort.--Het romeinsche jaar was evenzeer
een maanjaar van 354 dagen. Het telde sedert Numa twaalf maanden,
waarvan oorspronkelijk Maart de eerste was, later Januari. De
namen zijn adiectiva. 1) mensis Ianuarius, naar den god Janus.--2)
m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het
jaar werd besloten.--3) m. Martius, aan Mars gewijd.--4) m. Aprilis,
van aperire, het openen der bloemknoppen.--5) m. Maius, naar Maia.--6)
m. Iunius, aan Juno geheiligd.--7) m. Quinctilis, oorspronkelijk de
vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.--8)
m. Sextilis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.--9-12)
m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof
men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die
echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft
van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices,
die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om
politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege
liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen
verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445
dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag
om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is
ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op
1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der
consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding
werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong
het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het
weder op een anderen datum bracht.
In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen:
Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten,
omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe
maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De
Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op
den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in
tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de
Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een
datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24
Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem
sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar
verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in
bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag.
Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een
der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde.
Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in
gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een
bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd.
Antae, parastades, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een
gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat
zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke
antae werd een templum in antis (en parastasi) genoemd.
Antaeus, Antaios, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus,
die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te
worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde)
nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel
tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde
bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim
ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. Als men
aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond
te regenen.
Antalcidas, Antalkidas, een Spartaan, die in 393 naar den
perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door
zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan
de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners
den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen;
toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde,
indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet
aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas
aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd,
dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche
steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich
niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard
werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door
Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn.
Antandrus, Antandros, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van
Adramyttium. Aeneas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den
slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor
Sparta gebouwd.
Antaradus, Antarados, havenstad van Aradus, in het Noorden van
Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er
tegenover op de kust.
Anteambulones, cliënten (in de latere beteekenis van het woord),
die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim
baan voor hen te maken.
Antea, Anteia, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van
Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt
Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten,
en werpt haar bij het eiland Melos in zee.
Antecessores of antecursores, lichte troepen, vooral ruiterij,
die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning
vooruitgingen.--Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig
vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, exegetai.
Anteius (P), gunsteling van Agrippina, doch om deze reden door Nero
gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd
aangaande Nero's dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij
eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich
de aderen (66 n. C.).
Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in
den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd.
Antenor, Antenor, zoon van Aesyetes en Cleomestra, zwager van Priamus,
die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de
billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald,
dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn
leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over
zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou
de helft van Priamus' bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw
rijk gesticht hebben, of met Menelaus scheep gegaan en te Cyrene
gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden,
of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens
naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben.
Antepilani. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in
tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat
in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de
triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook
antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies.
Anteros, Anteros, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar
Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodite hem op raad van Themis dezen
broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste
hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt
ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft.
Antesignani, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de
adelaar, bij de triariërs was.--2) In Caesars tijd was antesignani
de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en
dus altijd slagvaardig.
Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette
en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius
ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer
hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden
onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men
den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne
antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens
oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht.
Anthedon, Anthedon, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners
leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon,
de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier
geleefd hebben.
Anthele, Anthele, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een
tempel van Demeter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden
gehouden.
Anthemus, he Anthemous, stad op Chalcidice, door Philippus van
Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan.
Anthemusia, Anthemousia, stad en landschap in het mesopotamische
gewest Osroene, ten Z.W. van Edessa.
Anthene, Anthene, vlek in Thyreatis of Cynuria.
Anthesteria, Anthesteria, een van de groote feesten ter eere
van Dionysus, te Athene den 11-13 Anthesterion (Februari-Maart)
gevierd. Den eersten dag (Pithoigia, opening der vaten) vierde men
het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest
(Choes), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het
hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd
had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop
zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw
van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het
Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Chytroi,
pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor
den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette.
Anthesterion, Anthesterion, 8ste maand van het Attische jaar
(Febr.-Maart), z. Annus.
Anthylla, Anthylla, stad in de Nijldelta tusschen Canopus en Naucratis.
Antias, zie Valerii no. 36.
Anticlea, Antikleia, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes,
moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid
van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar
Sisyphus tot vader had.
Anticirrha of -cyra, Antikirra, -kyra, naam van twee steden, de eene
in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Spercheus. Beide
steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de
teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en
krankzinnigheid werd aangewend.
Antidosis, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening
ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een
ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie
van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou
ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen
van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde
inventaris (apophasis) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen
hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in
aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds
vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was,
enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de
liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke
ruiling nooit plaats gehad.
Antigone, Antigone, 1) dochter van Oedipus en Iocaste
of Euryganea. Toen haar blinde vader in ballingschap ging,
vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn
ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd
gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynices,
waagde zij het, in weerwil van Creon's verbod, den gesneuvelden
Polynices te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij
wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar
bruidegom Haemon, Creon's zoon, zich aan haar zijde van het leven
beroofde.--V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde
zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat
Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel
gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische
treurspeldichters vermeld.--2) dochter van Eurytion, gemalin van
Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamea onbeantwoord liet, zond
deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope
in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.--3)
dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken,
dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de
goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden.
Antigonea, -nia, Antigoneia, -nia, naam van onderscheidene steden,
als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den
gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus
Nicator het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de
nabijheid gestichte Antiochia over.--2) in Macedonia aan den Axius.--3)
in Chalcidice.--4) in Epirus aan den Aous. Ook Alexandria Troas en
Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen.
Antigonus, Antigonos, 1) Kyklops of Monophthalmos, afstammend van
de vorsten van Elymiotis, een man van een heerschzuchtig, maar vast
karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G.,
die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling
van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië,
Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas
verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze
na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne
landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen
tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis
van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met
Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes
door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer
over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte
bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van
het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met
Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië,
Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin
Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcetes bijgestaan werd. De
nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede
te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde
Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning
op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld
weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den
grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde en Demetrius op
de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen
beslist.--2) Gonatas (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of
Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van
Demetrius Poliorcetes, wist zich in de Peloponnesus te handhaven,
toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood
(283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door
Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering
te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd,
eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epirus, maar telkens
keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epirus. In
277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia,
later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij
stierf in 240.--3) Doson (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of
Epitropos, kleinzoon van Demetrius Poliorcetes, bestuurde Macedonië na
den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde,
als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn
regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche
staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid
van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp
ingeroepen door Aratus, die het achaeïsch verbond onder macedonische
bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnesus, overwon Cleomenes
(z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het
achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen
opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn
terugkomst in Macedonië overleed hij.--4) van Carystus, leefde
aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken
over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een
verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied.
Antigrapheus, controleur over het geldelijk beheer van den raad
(ant. tes boules) of van den schatmeester (ant. tes dioikeseos),
in beide gevallen door het volk verkozen.
Antigraphe, verweerschrift, eigenlijk antwoord op eene graphe;
de antigraphe bevatte echter niet altijd eene verdediging tegen de
aanklacht, maar konde ook de bevoegdheid van rechtbank of aanklager
betwisten, enz. Aanklacht en verweerschrift worden soms te zamen
antigraphai genoemd.
Antilibanus, Antilibanos, bergketen ten Oosten van en evenwijdig met
den Libanon of Libanus.
Antilochus, Antilochos, zoon van Nestor en Eurydice of Anaxibia, een
van de dapperste helden voor Troje, en na Patroclus de dierbaarste
vriend van Achilles. Hij werd door Memnon verslagen, terwijl hij
zijn vader uit een groot gevaar redde, daarom wordt hij Philopator
genoemd. Zijn asch werd bij die van Achilles en Patroclus bijgezet.
Antimachus, Antimachos, 1) atheensch volksredenaar, tijdgenoot van
Aristophanes.--2) dichter en grammaticus uit Colophon, omstreeks 400,
door Plato hoog geschat. Zijne voornaamste werken waren een epos
Thebaïs, waarin hij de thebaansche oorlogen, en een elegisch gedicht
Aude, waarin hij eene reeks heldengeschiedenissen behandelde. De
Alexandrijnen noemden hem den grootsten epischen dichter na Homerus.
Antinoöpolis, Antinoou polis, prachtige stad aan den Nijl, in het
Zuiden van Midden-Aegyptus, door keizer Hadrianus gesticht ter
gedachtenis aan zijn lieveling Antinoüs, die hier verdronk.
Antinoüs, Antinoos, 1) zoon van Eupithes, de overmoedigste en
onbeschaamdste onder Penelope's vrijers, ook de eerste, die door
Odysseus' pijlen werd getroffen.--2) een beeldschoon jongeling,
de lieveling van keizer Hadrianus, dien hij op diens reizen
vergezelde. Hij verdronk in den Nijl. De keizer stichtte op de plaats
van het ongeluk de stad Antinoöpolis, liet te Mantinea voor hem een
tempel bouwen en hem nog andere eer bewijzen. Hij werd door tal van
stand- en borstbeelden vereeuwigd; ook een sterrenbeeld werd naar
hem genoemd.
Antiochia, -ea, Antiocheia, naam van een aantal steden. 1)
Ant. Epidaphnes (he epi Daphnes), aldus naar een naburig laurierbosch
genoemd, de prachtige hoofdstad van het syrische rijk, omstreeks
300 door Seleucus Nicator gesticht en naar zijn vader Antiochus
genoemd. Door zijne opvolgers nog verfraaid en uitgebreid, bestond
het ten laatste uit vier afzonderlijk ommuurde steden. Prachtige
zuilengangen, ter lengte van een uur gaans, doorsneden de stad in
rechte lijn. Handel en wetenschappen bloeiden er. De stad lag aan den
Orontes. Hier kwam voor het eerst de naam van Christenen in gebruik,
later werd het de zetel van een patriarch. In 260 na C. werd A. door
den nieuw-perzischen koning Sapores I gedeeltelijk verwoest, en in 538
door Chosroës. Keizer Justinianus liet het op kleiner schaal herbouwen
en zóó komt het nog voor in de geschiedenis der kruistochten.--2)
Ant. ad Maeandrum, in Caria, met eene beroemde brug over de rivier,
door Antiochus I Soter (281-261) gesticht.--3) Ant. ad Pisidas, in
Phrygia nabij de pisidische grens, later Caesarea (z. a. no. 7).--4)
Ant. Margiana, thans Merw, in Margiane.--Ook andere steden, zooals
Adana aan den Sarus, in Cilicia, Nisibis in Mesopotamia, Edessa,
hebben tijdelijk den naam Antiochia gedragen.
Antiochis, Antiochis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van
Attica door Clisthenes verdeeld werd. De meeste van de demen, die er
toe behoorden, lagen in het oosten van Attica.