Anaxo, Anaxo, dochter van Alcaeus en Hipponome, gemalin van Electryon,

moeder van Alcmene.

Anazarbus, Anazarbos, aanzienlijke stad hij een gelijknamigen berg

in Cilicia, aan den Pyramus, door Augustus Caesarea (ad Anazarbum)

genoemd. De beroemde arts Dioscorides Pedanius, die waarschijnlijk

onder de regeering van Nero leefde, was hier geboren. Evenzoo Appianus.

Ancaeus, Ankaios, 1) zoon van den arcadischen koning Lycurgus en

Eurynome, een van de Argonauten en calydonische jagers. Hij werd door

het Calydonische zwijn gedood.--2) zoon van Poseidon en Astypalaea,

koning der Lelegers op Samus, na den dood van Tiphys stuurman der

Argonauten. Eens werd hem door een waarzegger voorspeld, dat hij van

druiven, die hij bezig was te planten, geen wijn zou drinken. Toen hij

nu den beker met den wijn gevuld in de hand hield en den waarzegger

bespotte, sprak deze het later tot een spreekwoord gewordene: polla

metaxy pelei kylikos kai cheileos akrou. Op hetzelfde oogenblik werd

de tijding gebracht dat een ever het land verwoestte, de koning zette

den beker neder, snelde naar buiten, en werd door den ever gedood.--3)

een Aetoliër, bij de begrafenis van Amarynceus door Nestor in een

vuistgevecht overwonnen.

Anchesmus, Anchesmos, berg ten N. O. van Athene, met een tempel

van Zeus.

Anchiale, Anchiale, naam van twee steden, in Thracia aan den Pontus

Euxinus, en op de kust van Cilicia tusschen Tarsus en Soli. Ook de

vorm Anchialus komt voor.

Anchises, Anchises, was de zoon van Capys en van Themis, de dochter

van koning Ilus. Bij Aphrodite, die hem om zijne schoonheid liefhad,

verwekte hij den beroemden held Aeneas. Toen hij zich eenmaal op zijne

verbintenis met Aphrodite verhoovaardigde, sloeg Zeus hem met blindheid

of met verlamming. Bij Vergilius draagt Aeneas zijn verlamden vader

op de schouders uit het brandende Troje weg. Anchises vergezelde zijn

zoon op diens lange omzwervingen, tot hij eindelijk op Sicilia stierf

en op den berg Eryx begraven werd.

Anchisiades, Anchisiades, patron. = Aeneas.

Ancile, heilig schild, volgens de sage uit den hemel gevallen tijdens

het koningschap van Numa Pompilius. Daar de nimf Egeria den koning

verkondigde, dat het lot en het voortbestaan van Rome aan het behoud

van dit schild verbonden was, liet Numa door den bekwamen wapensmid

Mamurius Veturius nog elf andere ancilia vervaardigen, die alle zoo

nauwkeurig nagemaakt waren, dat men het echte niet van de overige kon

onderscheiden. De bewaring was toevertrouwd aan het priestercollegie

der Salii, die op bepaalde tijden een rondgang door Rome hielden,

waarbij sommige de schilden aan stokken over den schouder droegen, en

andere al dansende met metalen staafjes tegen de schilden sloegen. De

ancilia waren langwerpig rond, in het midden aan weerszijden

uitgesneden op de wijze eener viool, doch zonder hoeken of punten.

Ancona, he Ankon, belangrijke havenstad in Picenum aan de adriatische

zee. Het droeg zijn naam, omdat het in eene door twee kapen gevormde

elleboogvormige bocht lag. Ancona was in 390 door syracusaansche

uitgewekenen gesticht; onder de Romeinen werd het kolonie. Het had

eene voortreffelijke haven, een beroemden Venustempel, een zegeboog

van Traianus, purperververijen, wijn- en graanteelt in de omstreken.

Ancora, ankyra. Voordat de ijzeren ankers in gebruik kwamen, gebruikte

men groote steenen (eunai) als zoodanig. De oudste ijzeren ankers

hadden slechts één tand (ankyra heterostomos); de latere waren, evenals

de onze, tweetandig (amphistomoi). Het noodanker, dat voor het uiterste

gevaar bewaard werd, werd het heilige geheeten; vandaar sacram ancoram

solvere = tot het laatste redmiddel zijn toevlucht nemen.

Ancus Marcius, vierde koning van Rome (641-617) van wien de romeinsche

geschiedschrijvers het volgende vertellen: Hij was een zoon van Numa's

dochter. In zijne oorlogen met de Latijnen lijfde hij een deel van

hun gebied bij Rome in en bracht de bevolking van een viertal steden

geheel of gedeeltelijk naar Rome over, waar hun de mons Aventinus

ter bewoning werd ingeruimd. Uit deze ingelijfde Latijnen ontstond de

plebs. Hij versterkte den mons Ianiculus, over den Tiber gelegen, en

verbond dezen met de stad door een houten paalbrug, pons sublicius. Ook

stichtte hij aan den mond van den Tiber de havenstad Ostia. Hoewel

hij meermalen de wapenen tegen zijne naburen moest voeren, legde hij

zich toch bij voorkeur op de werken des vredes toe.

Ancyra, Ankyra, naam van eene stad in Phrygia en van eene in

Galatia. De eerste ligt in Phygia Abbaitis, aan den Macestus, ten

N. van het gebergte Temnus. De laatstgenoemde is nog tegenwoordig

onder den naam Angora bekend. Zij was door een der Midassen gesticht;

hare ligging aan den grooten karavanenweg door Galatia bracht haar tot

groote bloei. Augustus verfraaide de stad, die uit erkentelijkheid een

kostbaren tempel voor hem stichtte, onder welks overblijfselen men

sedert 1553 het marmor Ancyranum ontdekt heeft, een in latijnschen

en griekschen tekst in marmer gebeitelde opgaaf van 's keizers

regeeringsdaden, zooals hij er eene aan de Vestaalsche maagden had ter

hand gesteld, en zooals er eene in zijn mausoleum werd aangetroffen.

Andabatae, een soort van zwaardvechters, die een gesloten helm zonder

vizier droegen en dus in den blinde op elkaar lossloegen, hetgeen

tot menig komisch tooneel aanleiding gaf.

Andania, Andania, oude residentiestad der messenische koningen,

in het N. van Messenië gelegen.

Andecavi, gallisch volk aan den benedenloop van den Liger (Loire),

in het latere Anjou. Hunne hoofdstad was Iuliomagus, thans Angers.

Andes, 1) = Andecavi.--2) vlek bij Mantua, geboorteplaats van

Vergilius.

Andocides, Andokides, 1) zoon van Leogoras, geb. te Athene omstreeks

440, de tweede in de rij der 10 attische redenaars. Hij behoorde

tot de aristocratische partij en voerde het bevel over de vloot,

die in het begin van den peloponnesischen oorlog door de Atheners

uitgezonden werd om Corcyra te helpen. Van medeplichtigheid aan de

verminking der Hermesbeelden verdacht en gevangen genomen (415),

redde hij zich door de namen der ware of gewaande schuldigen,

o.a. zijn vader en vier broeders op te geven. Hij werd echter met

atimie gestraft en zag zich genoodzaakt, Athene te verlaten. Sedert

woonde hij als koopman op Cyprus en in Elis; wel trachtte hij onder

de regeering der 400 in Athene terug te keeren, maar toen moest hij

terstond weder vluchten; beter werd hij ontvangen na den val der 30,

en zelfs kreeg hij toen spoedig weder invloed op de staatszaken,

maar in 391 werd hij op nieuw verbannen. Hij zou 44 redevoeringen

geschreven hebben, waarvan 4 bewaard gebleven zijn. Hiervan zijn

zeker echt: peri tes heautou kathodou (uit 407) en peri ton mysterion

(uit 399); waarschijnlijk echt is ook peri tes pros Lakedaimonion

eirenes (uit 392/391); onecht is de rede kat' Alkibiadou.--2) Attisch

vazenschilder uit de 2de helft van de 6de eeuw. Hij heeft zoowel in

den zwartfigurigen als in den roodfigurigen stijl geschilderd.

Andraemon, Andraimon, 1) echtgenoot van Gorge, de dochter van Oeneus,

dien hij in de regeering over Calydon opvolgde.--2) zoon van Oxylus,

echtgenoot van Dryope.

Andrapodismou graphe, aanklacht wegens het verkoopen van vrije

menschen als slaven, eene misdaad waarop de doodstraf stond. De zaak

werd behandeld door de elfmannen.

Andreia = syssitia. Ook de groepen, waarin de tafelgenooten verdeeld

waren, heetten andreia.

Andriscus, Andriskos, gaf zich uit voor een natuurlijken zoon

van koning Perseus, met name Philippus, en wordt daarom ook wel

Pseudo-Philippus geheeten. Hij verwekte in 149 in Macedonia een

opstand tegen de Romeinen en behaalde aanvankelijk vele voordeelen,

doch werd overwonnen en gevangen genomen (148), en moest den zegetocht

van Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 6) opluisteren.

Androcles, Androkles, een demagoog, die na den val van Alcibiades

leider der volkspartij te Athene werd; bij de omwenteling van 410

werd hij door de oligarchische partij vermoord.

Androclidas, Androkleidas, een Thebaan die, door Perzië met geld

ondersteund, in 395 Thebe tot oorlog tegen Sparta aanzette, waardoor

de terugkomst van Agesilaus uit Azië noodzakelijk werd.

Androclus, Androklos, weggeloopen slaaf van een romeinsch proconsul

in Africa, die door een leeuw, uit wiens poot hij een splinter had

getrokken, van voedsel werd voorzien. Toen hij later gevangen was

genomen en veroordeeld om voor de wilde dieren te worden geworpen,

gebeurde het, dat hij toevallig in het amphitheater zijn ouden

makker tegenover zich kreeg. De leeuw herkende hem, begroette hem

kwispelstaartend en likte hem. Voor den keizer geroepen, verhaalde

hij zijn wedervaren, waarop hij in vrijheid werd gesteld en den leeuw

ten geschenke kreeg, die nu weder zijn trouwe metgezel werd.

Androgeos, Androgeos, zoon van Minos en Pasiphaë. Hij was te Athene,

toen voor het eerst de Panathenaea gevierd werden, en behaalde daarbij

alle prijzen; uit afgunst hierover liet Aegeus hem verraderlijk

vermoorden.

Androlepsia. Wanneer een Athener in een vreemde staat vermoord was,

en die staat weigerde daarvoor voldoening te geven, dan hadden de

bloedverwanten van den vermoorde het recht zich van hoogstens drie

personen uit dien staat meester te maken en hen te Athene voor de

rechtbank te brengen. Dit recht heette androlepsia. Hoe het proces

verder gevoerd werd, is onbekend.

Andromache, Andromache, dochter van Eëtion, de edele en liefhebbende

gemalin van Hector. Na het einde van den troj. oorlog werd zij door

Neoptolemus naar Epirus medegenomen, waar zij bij hem drie zonen

kreeg. Toen Neoptolemus gedood was, huwde zij volgens zijne beschikking

met haar zwager Helenus, die tevens voogd over haar kinderen werd. Na

den dood van Helenus ging zij met haar jongsten zoon Pergamus naar

Azië; zij stierf in de door hem gestichte stad Pergamus, waar zij later

een heiligdom had. V. a. had zij bij Neoptolemus slechts één zoon,

Molossus, en wil Hermione met hulp van Menelaus haar uit jaloerschheid

dooden; Peleus redt haar echter, waarna zij op bevel van Thetis met

haar kind en Helenus naar Molossië vertrekt.

Andromeda, Andromeda, dochter van Cepheus en Cassiopea. Daar hare

moeder zich beroemd had schooner te zijn dan de Nereïden, zond Poseidon

een zeemonster, dat het land verwoestte, en waarvan men zich, volgens

een orakel, alleen kon bevrijden door Andr. op te offeren. Toen zij

aan een rots gebonden was in afwachting dat het monster haar kwam

verslinden, verscheen Perseus, die het monster doodde. Na een hevigen

strijd met Phineus, wien zij vroeger tot vrouw beloofd was, voerde

Perseus haar met toestemming van haar vader mede naar Griekenland,

waar zij de moeder werd der beroemde Perseïden. Andr. werd later

onder de sterrenbeelden geplaatst.

Andron, Andronitis, dat gedeelte van het huis waar ook vreemde mannen,

bij bezoeken, symposia, enz., toegelaten werden. De hiertoe behoorende

vertrekken, meer in het bizonder andrones genoemd, lagen rondom een

open plaats (aule), die aan alle vier zijden met overdekte zuilengangen

omgeven was. Van de voordeur kwam men door een gang terstond in deze

aule. De Romeinen noemen andron een gang, waarschijnlijk de gang,

die naast het tablinum het atrium met het peristylium verbindt.

Andronicus (Livius), rom. dichter. Zie Livii no. 11.

Androsthenes, Androsthenes, admiraal van Alexander d. Gr., beschreef

een tocht langs de arabische kust.

Androtion, Androtion, leerling van Isocrates, schrijver eener

geschiedenis van Athene, die door lateren veel gebruikt is.

Andrus, he Andros, het noordelijkste eiland der Cycladen, met eene

gelijknamige stad en eene voortreffelijke haven, om zijn wijnteelt aan

den god Dionysus geheiligd. Reeds vroeg bezat het eene aanzienlijke

zeemacht en zond het een aantal volkplantingen uit.

Anemorea, Anemoreia, stad ten O. van Delphi.

Anemurium, Anemourion, kaap en stad in West-Cilicia.

Angitia of Anguitia, slangengodin of ook "wurgster," oud-italische

godheid, in het bijzonder door de Marsen en Marruciners te Lucus

Angitiae aan den Fucinus lacus vereerd. Vergilius maakte ze tot eene

zuster van Medea.

Anglii of Angili, Angeilai, germaansche volksstam, van de Elbe tot

in de Chersonesus Cimbrica (Sleeswijk en Jutland), van waar zij in de

vijfde eeuw na Chr., met Saksers en Jutten vereenigd, naar Britannia

overstaken. De Anglii behoorden tot die volksstammen, die de godin

Nerthus vereerden.

Angrivarii (Engeren), germaansch volk aan den Visurgis (Weser),

in den regel bevriend met de Romeinen.

Anguis. De slang gold in Oud-Italia als zinnebeeld van den

genius loci. Men vond dikwerf slangen op de muren geschilderd, als

waarschuwing om die plaats niet te verontreinigen. Ook als zinnebeeld

der geneeskunst en gezondheidsleer komt de slang voor, zoo kronkelt

zich b.v. eene slang om den staf van Aesculapius. Ten tijde van keizer

Traianus werd de anguis of draco bij de rom. legers als veldteeken

der cohorte ingevoerd. Het bestond uit een nauwen langen zak, met

een slangekop met open muil en zilveren tong, op een lansschacht

bevestigd. Wanneer de wind nu in den geopenden muil blies, maakte

het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteeken was,

naar men zegt, overgenomen van de Parthen.

Anguitia, zie Angitia.

Anicii, plebejisch geslacht.

Anigrus, Anigros, bij Hom. Minyeios geheeten, klein stinkend

kustriviertje in Triphylia.

Anio, g. enis, Anion, rivier in Latium, die bij Tibur de beroemde

watervallen vormt en zich boven Rome bij Antemnae in den Tiber

stort. Twee waterleidingen, de Anio vetus en de Anio novus voerden

het water dezer rivier naar Rome. De eerste leiding was in 272 door

de censoren M'. Curius Dentatus en L. Papirius Cursor gebouwd uit den

op Pyrrhus behaalden buit; de andere was begonnen onder Caligula en

onder Claudius voltooid.

Anius, Anios, zoon van Apollo en Creusa of Rhoeo, op Delus geboren,

waar Apollo hem tot zijn priester en tot koning over het eiland

maakte. Aeneas werd op zijn tocht vriendschappelijk door hem

ontvangen. Zie Lavinia.

Anna, dochter van Belus, vluchtte met hare zuster Dido uit Tyrus naar

Africa, waar Dido Carthago stichtte. Volgens een rom. verhaal zou

Anna na Dido's dood door den numidischen koning Iarbas uit Carthago

verdreven zijn, op hare vlucht op de kust van Latium schipbreuk

hebben geleden en door Aeneas opgenomen en aan de vriendschap zijner

echtgenoote Lavinia aanbevolen zijn. Door Dido echter in den droom

gewaarschuwd tegen Lavinia's ijverzucht, stortte Anna zich in het

riviertje Numicius en verdronk, waarna zij als stroomnimf onder den

naam Anna Perenna werd vereerd. Perenna zou dan uit per en amnis

moeten gevormd zijn.

Anna Perenna, oud-romeinsche godin van het jaar, wier feest de Romeinen

op de idus van Maart vierden, met de bede, ut annare perennareque

commode liceret, d.w.z. dat men het jaar goed mocht beginnen en ten

einde brengen. Anna heet de godin dus met betrekking tot het begin,

Perenna met het oog op het einde van het jaar. Zie ook Anna.

Annaei, 1) L. Annaeus Seneca, ter onderscheiding van zijn gelijknamigen

zoon gewoonlijk pater of rhetor genoemd, te Corduba in Hispania (±

54) geboren, had te Rome het onderwijs der beroemdste redenaars van

zijn tijd genoten en had zelf grooten naam als rhetor. Hij stierf ±

39 n. C. Van hem bestaan nog Controversiae (5 boeken) en Suasoriae

(1 boek), declamaties in den vorm van verdichte pleidooien en

verhandelingen over verdichte gevallen.--2) L. Annaeus Seneca,

zoon van den vorigen, aanhanger der stoicijnsche wijsbegeerte,

geboren te Corduba in 4; kwam vroeg naar Rome en wijdde zich aan

den staatsdienst. Onder keizer Claudius moest hij een achttal jaren

(41-49 n. C.) als balling op Corsica doorbrengen. Teruggeroepen

zijnde, werd hij door Agrippina tot leermeester van haar zoon Nero

aangesteld. In den beginne had hij op Nero grooten invloed; zoodoende

heeft Seneca met den praef. praet. Burrus eenige jaren lang den

staat voortreffelijk kunnen besturen; doch allengs werd de keizer ook

jegens Seneca wantrouwend, deze werd in eene samenzwering betrokken

en ter dood veroordeeld, waarbij hem de keuze van zijn dood werd

gelaten. Hij liet zich de aderen openen (65 n. C.) Een aantal werken

zijn nog van hem overig: 124 epistolae ad Lucilium, de ira (3 b.), de

clementia (2 b.), de beneficiis (7 b.), naturalium quaestionum l. VII,

ad Helviam matrem de consolatione, enz. Ook zijn er acht treurspelen

van hem bewaard gebleven: Hercules furens, Thyestes, Phaedra, Oedipus,

Troades, Medea, Agamemno, Hercules Oetaeus, en een paar fragmenten. Ze

hebben grooten invloed uitgeoefend op het moderne tooneel, vooral

op Vondel. Niet van Seneca is de praetexta Octavia. Verder heeft

Seneca een bijtende satyre op keizer Claudius kort na diens dood

uitgegeven, de apokolokyntosis. Door zijn geschriften, waarin hij de

denkbeelden der Stoa verdedigt, heeft Seneca grooten invloed geoefend,

ook op volgende geslachten.--3) M. Annaeus Lucanus, kleinzoon van

den rhetor Seneca, ook van Corduba geboortig (39 n. C.), was eerst

als episch dichter bij Nero in aanzien, totdat diens naijver werd

opgewekt. Lucanus nam toen deel aan eene samenzwering en werd met

anderen gedwongen de hand aan zichzelf te slaan (65). Van hem is

niets overgebleven dan het epos Pharsalia (10 b.), eene beschrijving

van den tweeden burgeroorlog tot aan den alexandrijnschen oorlog.--4)

L. Annaeus Cornutus, geb. te Leptis in Africa, stoicijn onder Nero,

die hem haatte en verbande (65 n. C). Er zijn van hem geschriften

over in het Grieksch en in het Latijn. Cornutus was een vriend van

den satirendichter Persius.--5) Annaeus (Anneus) Florus, zie Florus.

Annales, chronika. Oudtijds werden ook te Rome de namen der

overheidspersonen en enkele gedenkwaardige gebeurtenissen door de

pontifices kroniekmatig opgeteekend. Deze opteekeningen gingen bij

de verwoesting van Rome door de Galliërs verloren, zoodat de latere

annales maximi, ook wel annales of commentarii pontificum geheeten, die

aan het einde van de 2de eeuw waarschijnlijk door den pontifex maximus

P. Mucius Scaevola in 80 boeken zijn uitgegeven, slechts weinig omtrent

den oudsten tijd van Rome vermeld kunnen hebben. Later legden zich een

groot aantal schrijvers op het schrijven van jaarboeken toe en worden

hiernaar annalisten geheeten. De oudsten, Q. Fabius Pictor, L. Cincius

Alimentus, C. Acilius, A. Postumius Albinus, schrijven hun jaarboeken

nog in het Grieksch. Eerst met M. Porcius Cato (234-149) en diens

Origines begint de romeinsche historiografie. Op hem volgen L. Cassius

Hemina, Q. Fabius Maximus Servilianus (consul 142), L. Calpurnius Piso

(c. 133), C. Sempronius Tuditanus (c. 129), S. Fannius (c. 122),

Cn. Gellius, Vennonius, allen tijdgenooten. In eenigszins anderen

geest schrijft Sempronius Asellio, en dan komen de annalisten uit den

tijd van Sulla, die allen de oudere geschiedenis vervalschen in een

bepaalde richting, en hun werken opsmukken door invoeging van tallooze

redevoeringen. Het zijn Q. Claudius Quadrigarius, Valerius Antias,

C. Licinius Macer, Aelius Tubero. Op hun werken berust grootendeels

onze kennis der oudste romeinsche geschiedenis.

Annalis (lex), zie Villia lex (annalis).

Anniceris, Annikeris, cyrenaeïsch wijsgeer, ongeveer gelijktijdig met

Epicurus; hij trachtte de leer van Aristippus te veredelen en zocht het

hoogste geluk in het genoegen, dat men vindt in vriendschap, gezellig

verkeer, streven naar eer en dgl. Zijn aanhangers heetten Annikereioi.

Annii, waartoe o.a. de. Aselli, de Bellieni, de Lusci, de Milones

behoorden. 1) T. Annius Luscus, consul 153, als redenaar bekend. Hij

trad in 133 heftig op tegen Ti. Gracchus.--2) T. Annius Luscus Rufus,

consul 128.--3) T. Annius Milo Papianus, zoon van C. Papius Celsus

uit Lanuvium, doch door zijn grootvader van moederszijde tot zoon

aangenomen. Hij was in 57 volkstribuun, en geraakte met P. Clodius

(z. Claudii no. 17) in hevigen strijd, omdat hij diens vijandschap

tegen Cicero niet deelde. Daar beiden zich met benden zwaardvechters

omgaven, kwam het tot openbare gewelddadigheden. Intusschen begunstigde

Milo Cicero's terugroeping uit de ballingschap. In 52 ontmoette Milo,

die op reis naar Lanuvium was, bij Bovillae aan de via Appia Clodius,

die van zijn landgoed naar Rome terugkeerde. Tusschen beider gewapend

gevolg ontspon zich een strijd, waarbij Clodius, die toesnelde, door

een van Milo's slaven gewond en vervolgens op last van Milo zelf gedood

werd. Groote opgewondenheid te Rome en oproerige tooneelen volgden,

waarbij zelfs de curia Hostilia afbrandde. Milo, de vi aangeklaagd,

werd veroordeeld en ging in ballingschap naar Massilia. Cicero was door

de buitengewone maatregelen van den consul Pompeius tot handhaving

der orde zoo in verwarring gebracht, dat hij Milo slechts zwak

verdedigde. De oratio pro Milone, welke wij bezitten, is niet die,

welke in werkelijkheid door Cicero is uitgesproken.--4) A. Annius

Gallus, veldheer van keizer Otho, streed in den slag bij Bedriacum

tegen Vitellius. Later komt hij voor in den oorlog tegen Claudius

Civilis en de Batavieren.--5) P. Annius Florus, zie Florus.--6)

L. Annius Verus, praetor in Hispania, werd door keizer Hadrianus tot

zoon aangenomen en heette toen L. Aelius Verus, doch stierf nog vóór

Hadrianus. Hij had twee zoons, die beiden door keizer Antoninus Pius

werden aangenomen, en dus tot de Aureliussen overgingen, z. Marcus

Aurelius en Verus.

Annona, de jaarlijksche opbrengst der akkers, als godin afgebeeld

met den hoorn des overvloeds in de eene en korenaren in de

andere hand. In het bizonder werd aldus het koren genoemd, dat

de senaat in Sicilia en Africa op staatskosten liet opkoopen,

om aan minvermogende burgers om niet of tegen lage prijzen uit

te deelen. De cura annonae was aan de aedilen opgedragen; Caesar

stelde zelfs eene nieuwe aediliteit in door twee aediles Cereales

te doen benoemen, terwijl Augustus de administratie van aanvoer

en uitdeeling van koren opdroeg aan een praefectus annonae. In den

beginne verkochten de aedilen het koren slechts tot zulk een prijs,

dat de graanhandelaars er door verhinderd werden woekerwinst te maken

en dat in tijden van schaarschte hongersnood werd geweerd. Doch in 123

riep C. Sempronius Gracchus de eerste lex frumentaria in het leven,

volgens welke een paterfamilias uit de korenmagazijnen van den staat

eene bepaalde hoeveelheid koren per maand zou kunnen koopen tegen 6

1/3 as den modius, ongeveer den halven marktprijs. Eene lex Appuleia

van den volkstribuun L. Appuleius Saturninus verlaagde den prijs tot

5/6 as, doch werd weder opgeheven, daar de schatkist dit niet kon

dragen. Eene lex Octavia van onbekenden datum bracht den prijs meer in

overeenstemming met de marktwaarde. Sulla hief de korenuitdeelingen op,

maar in 73 riep de lex Terentia et Cassia ze weder in het leven en

stelde den prijs per modius opnieuw op 6 1/3 as. De lex Clodia, 58,

beval de uitdeelingen om niet. Wanneer men nagaat, dat het aantal

bedeelden, hoewel door Pompeius beperkt, in den burgeroorlog tot

minstens 300000 aangroeide, door Caesar tot 150000 werd teruggebracht

en sedert op dit cijfer bleef, dan kan men begrijpen, hoe drukkend

deze uitdeelingen voor de schatkist waren. De gerechtigden ontvingen

eene tessera frumentaria, een abonnementsplankje. Zoodanige tessera

was alleen te verkrijgen, wanneer men als burger in eene tribus was

ingeschreven. Toen het volk alle staatkundige rechten had prijsgegeven

en de kans om, zoo er eene plaats openviel, eene tessera te bekomen,

het eenige voorrecht der tribus was, werden in den mond van het volk

beide woorden van gelijke beteekenis en zeide men zoowel tribum emere

als tesseram frumentariam emere.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 12 / 150 段