Zethus werd hij op den Cithaeron te vondeling gelegd en door herders
opgevoed. Later, toen Antiope door haar oom Lycus gevangen gehouden en
door Dirce, zijne gemalin, mishandeld werd, zocht zij hare zonen op,
die haar wreekten door Dirce aan de horens van een woedenden stier
te binden, een lot, dat zij Antiope had toegedacht; op bevel van
Hermes spaarden zij Lycus echter, die nu de heerschappij over Thebe
aan Amph. afstond. Deze regeerde sedert dien tijd gelukkig en huwde
met Niobe (z. a.). V. a. moest hij echter na den dood van Dirce Thebe
verlaten en zich naar Athene begeven. Amph. was een beroemd zanger,
hij had van Apollo, Hermes of de Muzen een gouden lier gekregen,
die hij zoo meesterlijk bespeelde, dat op het geluid de steenen zich
van zelven tot een muur vormden, die de stad Thebe omgaf. Hij en
Zethus liggen te Thebe in hetzelfde graf en worden daar op gelijke
wijze vereerd als de Dioscuren te Sparta. Op verscheidene plaatsen
in Boeotië zouden zij steden en orakels gesticht hebben.
Amphipolis, Amphipolis, stad in dat deel van Macedonië, dat vroeger
tot Thracië gerekend werd, op een heuvel in een bocht van de rivier
den Strymon gelegen, waaraan de naam ontleend is. Aan den mond van den
Strymon lag de haven Eïon. Oorspronkelijk heette het ennea hodoi, en
schijnt toen reeds eene belangrijke plaats van het landschap Edonis
te zijn geweest. Althans, zoowel van Miletus als van Athenae uit,
werden herhaalde pogingen aangewend, om daar eene volksplanting te
stichten; doch de krijgshaftige Edoniërs sloegen de aanvallen af,
totdat het in 437 aan de Atheners gelukte, zich van de stad der negen
wegen meester te maken. De band tusschen Amphipolis en Athene was
echter nooit sterk, daar onder de volksplanters betrekkelijk weinig
geboren Atheners waren. In 424 viel het in handen van den Spartaan
Brasidas, die in 422 met den Athener Cleon hier sneuvelde. In 358 kwam
Amphipolis in het bezit van Philippus van Macedonië, voor wien het
door het bezit der rijke goud- en zilvermijnen in den nabijgelegen
mons Pangaeus eene groote aanwinst was; onder de Romeinen werd de
stad hoofdplaats van eene der vier republieken, waarin Macedonia na
Perseus' nederlaag tijdelijk werd verdeeld.
Amphiprostylus, amphiprostylos, tempel of ander gebouw met een open
portaal vóór en achter zooals op nevenstaande teekening is aangegeven.
Amphis, Amphis, blijspeldichter uit het middelste tijdperk der comedie,
die in zijne 26 stukken meerendeels maatschappelijke toestanden tot
onderwerpen koos.
Amphissa, Amphissa, stad der ozolische Locriërs op eene door bosschen
ingesloten hoogvlakte. Doordat de inwoners beschuldigd werden,
landerijen in bezit genomen te hebben, die aan den delphischen
tempel toebehoorden, ontstond de laatste heilige oorlog (340-339),
waarin Philippus van Macedonië Amphissa verwoestte, doch zich tevens
van de phocensische bergvesting Elatea meester maakte. Later werd
Amphissa herbouwd en onder de romeinsche heerschappij was het eene
civitas libera.
Amphitheatrum, amphitheatron, rond of ovaalrond gebouw,
met open binnenruimte, voornamelijk bestemd voor dieren- en
gladiatorengevechten. De buitenmuur bestond uit twee of meer rijen
bogen of arcaden boven elkander, meestal zóó, dat de verschillende
verdiepingen door zuilen van verschillende bouworden gedragen
werden. In het midden van de binnenruimte was de arena, het strijdperk,
omgeven door de zitplaatsen voor de toeschouwers. Deze arena was
door een muur omringd, waarin verschillende deuren, die toegang
gaven tot de hokken der wilde dieren en tot het lijkenhok, waarheen
de lijken der gedoode zwaardvechters werden gesleept. Deze laatste
deur werd porta Libitina geheeten, naar Libitina, de oud-italische
doodsgodin. Boven den ringmuur verhief zich veiligheidshalve nog
een stevig traliewerk. Onmiddellijk achter dit traliewerk had men
het podium (A), een balcon of loge voor overheden en senatoren en
vreemdelingen van rang. Hierachter kwamen gewoonlijk in drie rangen,
caveae, de overige zitplaatsen, trapsgewijze opklimmende. Deze rangen
verhieven zich weder verdiepingsgewijze boven elkander en werden
gescheiden door muren (baltei), die ze als gordels omgaven, zoo dat
in elken balteus de poorten (B, C) waren, die toegang verleenden tot
den daarvoor gelegen rang. Geheel in de hoogte achteraan was nog eene
overdekte galerij (D) voor vrouwen. Overigens waren de zitplaatsen
onder den blooten hemel; doch tot beschutting tegen zonneschijn en
regen werden boven de hoofden zeilen (vela, velaria) uitgespannen,
die door masten omhoog werden gehouden. De zitplaatsen werden door
gangpaden in wigvormige afdeelingen, cunei, gesneden. Wij hebben
hierboven voor de duidelijkheid gesproken van rangen; daarbij denke
men slechts aan verschil van plaats, niet van stand of prijs; want de
spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden, en de toegang was
derhalve kosteloos.--De amphitheaters dagteekenen uit de eerste eeuw
v. Chr.; het eerste van steen werd eerst tijdens Augustus opgericht
door Statilius Taurus. Het grootste is het amphitheatrum Flavium,
door Vespasianus begonnen en in 80 na Chr. door Titus ingewijd,
met 50000 zitplaatsen. Een gedeelte er van is nog te Rome in wezen
en bekend als il Colosseo (onderste gravure).
Amphitrite, Amphitrite, eene Nereïde. Poseidon dong naar hare hand,
maar daar zij ongehuwd wilde blijven, vluchtte zij naar Atlas, die haar
verborg. De dolfijn van Poseidon spoorde haar echter op en zoo werd
zij de gemalin van den god, wien zij drie kinderen baarde, Triton,
Rhode en Benthesicyme. Haar naam wordt dikwijls als personificatie
van de zee gebruikt.
Amphitryo, Amphitryon, zoon van koning Alcaeus van Tiryns. Toen de
Taphiërs de kudde van zijn oom Electryon geroofd hadden en deze ten
strijde trok om ze terug te halen, gaf hij zijn rijk aan Amph. met
de belofte, dat hij hem, wanneer de roof gewroken zou zijn, zijne
dochter Alcmene tot vrouw zoude geven. Door een noodlottig toeval
doodde Amph. zijn oom voordat de oorlog beslist was, waarom hij
door Sthenelus uit Tiryns verjaagd werd; hij ging naar Thebe en
Alcmene volgde hem. Creon, zijn moeders broeder, reinigde hem van
zijn bloedschuld en beloofde hem hulp tegen de Taphiërs, wanneer hij
den wilden vos, die toen het land verwoestte, wist te vangen of te
dooden. Hoewel de vos volgens een orakel niet ingehaald konde worden,
nam Amph. die taak op zich en leende van een Athener, Cephalus, een
hond, die alles konde inhalen. Zeus veranderde beide dieren in steenen,
waarop Creon de toegezegde hulp verleende. Amph. veroverde Taphus en
schonk het rijk aan Cephalus, terwijl hij naar Thebe terugkeerde en
met Alcmene huwde, bij wie hij vader werd van Iphicles. Hij sneuvelde
in een slag tegen de Minyers.
Amphitryoniades, Amphitryoniades, Heracles, als zoon van Alcmene,
de gemalin van Amphitryo.
Amphora, amphoreus, amphiphoreus, soort van groote kruik met twee
ooren, van onder in een punt uitloopende, zoodat zij niet kon
blijven staan zonder steun. Wilde men eene kostbare amphora op
een pronktafeltje zetten, dan moest er in het blad een gat of eene
uitholling zijn. Voornamelijk dienden de amphorae tot bewaring van
wijn. Ook werd amphora gebruikt als maat voor natte waren = ruim 1/4
hectoliter, waaruit blijkt, dat men zich de amphora niet te klein
moet voorstellen. Soms heeft zij een tuit.
Amphoterus, Amphoteros, 1) z. Acarnan.--2) broeder van Craterus,
bevelhebber op de vloot van Alexander.
Amphrysus, Amphrysos, 1) riviertje in Z.O. Thessalia, dat in de
Pagasaeische golf uitstroomt, en aan welks oevers Apollo de kudden
van Admetus weidde. Daarom spreekt Vergilius van Amphrysia vates =
Sibylla.--2) = Ambrosus.
Ampia Labiena (lex) de Cn. Pompeio, 63, een plebisciet van de
volkstribunen T. Ampius Balbus en T. Labienus, waarbij aan Pompeius
werd toegestaan, bij de openbare spelen een lauwerkrans te dragen en
zich bij de circensische spelen in liet gewaad van een zegepralend
veldheer te vertoonen.
Ampii, plebejisch geslacht.
Ampliatio, verdaging van de verdere behandeling eener rechtzaak. Zie
Acilia (lex) de repetundis.
Ampsaga, kustrivier in Noord-Africa, waaraan Cirta lag. Sedert 25
vormde ze de westgrens van de nieuwe provincie Numidia of Africa Nova.
Ampsanctus lacus, meertje bij Aeculanum in Samnium. Er stegen
verpestende dampen uit op; daarom hield men het voor een van de
ingangen tot de onderwereld.
Ampsivarii, volk aan de Beneden-Eems. Ten tijde van Nero werden
ze door de Chauken uit hun land gejaagd, en wilden toen een strook
lands aan den rechter oever van den Rijn in bezit nemen, dien eerst
de Chamaven, daarna de Tubanten en Usipii en ten slotte de Friezen
voor een korten tijd bezet hadden. Dit stonden de Romeinen niet toe,
en na lang ronddolen werden nu de Ampsivarii door de omwonende stammen
bijna geheel vernietigd. Wat er van over bleef, vormde later een
onderdeel van de Franken.
Ampulla, flesch of karaf. Men vond ze evenals nu in allerlei vormen
of fatsoenen, tot de met leder omwonden jacht- of reisflesch toe. Ook
het latijnsche woord voor lekythos (z.a.).
Ampycides, Ampykides, Mopsus, zoon van den Lapithe Ampyx.
Amulius, de broeder van Numitor, die dezen van de regeering over Alba
Longa beroofde en Romulus en Remus in den Tiber liet werpen.
Amyclae, Amyklai, 1) stad in Laconica, ten Z.O. van Sparta. Ook na de
dorische verovering bleef te Amyclae nog bijna twee eeuwen lang een
achaeïsch staatje gevestigd, tot eindelijk de Spartanen bij verrassing
de stad bezetten. Hier behoort de mythe te huis van Leda en de zwaan;
de Dioscuren worden ook wel Amyclaei fratres genoemd.--2) stad in
Latium, ook Amunclae geheeten, in het gebied van Fundi, tusschen
Tarracina en Caieta (Gaëta) aan de kust gelegen, in eene moerassige
streek, doch door de inwoners verlaten wegens de menigte slangen of
adders. Vandaar de woorden tacitae Amyclae.
Amyclaeus, Amyklaios, bijnaam van Apollo, onder welken hij te Amyclae
vereerd werd. Daar was een overoud, zeer hoog standbeeld van den god,
bestaande uit een rechte metalen zuil, waaraan een met een helm bedekt
hoofd, voeten en handen met een boog en lans gezet waren. Later werd
het beeld met een kunstig gebouwde kapel omgeven.
Amyclides, Amykleides, Hyacinthus, de zoon van Amyclas, koning in
Laconië, den stichter van Amyclae.
Amycus, Amykos, de zoon van Poseidon en de nimf Melië, koning
der Bebrycen, dwong alle vreemdelingen, die in zijn gebied kwamen,
zich in het vuistgevecht, dat hij had uitgevonden en waarin hij zeer
ervaren was, met hem te meten. Door Polydeuces, die met de Argonauten
in zijn rijk landde, werd hij overwonnen en gedood of aan een boom
gebonden; v. a. kocht hij zijn leven door te zweren, dat hij een
bron, die hij tot nu toe voor vreemdelingen gesloten had gehouden,
voor ieders gebruik zou openstellen.
Amymone, Amymone, dochter van Danaüs. Toen zij door haar vader, na
zijne aankomst te Argos, werd uitgezonden om water te halen, werd
zij door een Satyr aangevallen en door Poseidon gered. Zij vatte
liefde voor haar redder op en werd bij hem moeder van Nauplius. De
bron Amymone bij Argos was naar haar genoemd.
Amynander, Amynandros, koning der Athamanen, bondgenoot van de
Romeinen en Aetoliërs in de oorlogen tegen Philippus III, (208-205,
200-197). Gedurende den oorlog der Romeinen tegen Antiochus d. G. werd
hij door Philippus uit zijn rijk verjaagd (191); hij vluchtte
naar de Aetoliërs, die hem eenige jaren later de regeering terug
bezorgden. Hoewel hij de partij van Antiochus gekozen had en de consul
M'. Acilius Glabrio zijne uitlevering van de Aetoliërs geëischt had,
schijnt hij later met de Romeinen weder op vriendschappelijken voet
gekomen te zijn.
Amyntas, Amyntas, 1) naam van eenige macedonische koningen, o.a. van
den vader van Philippus (Am. III), die in 393 den overweldiger
Pausanias van den troon stiet. Hij stierf in 370.--2) bevelhebber
eener taxis in het leger van Alexander d. G., die zich meermalen
door dapperheid onderscheidde. Hij werd met zijne drie broeders
verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philotas, maar
vrijgesproken; kort daarna sneuvelde hij (330).--3) een Macedoniër,
die bij Darius Codomannus in dienst ging en na den slag bij Issus naar
Aegypte vluchtte, waar hij spoedig met de Aegyptenaren twist kreeg
en gedood werd.--4) schrijver, later veldheer van koning Deiotarus
van Galatië. Na den dood van Cassius liep hij met zijne troepen
tot Antonius over, die hem tot belooning koning over Galatië maakte
(36), welke waardigheid ook Octavianus hem na den slag bij Actium
liet behouden. Hij stierf in 25.
Amyntiades, Amyntiades, Philippus van Macedonië, zoon van Amyntas.
Amyntor, Amyntor, koning van Eleon in Thessalië, of van de
Dolopen, vader van Phoenix, dien hij uit minnenijd vervloekte en
verjoeg. Heracles, wien hij den toegang tot zijn gebied geweigerd had,
doodde hem.
Amyrtaeus, Amyrtaios, de moeraskoning, die zich, nadat de opstand
van Aegypte tegen Artaxerxes (z. Inarus) bedwongen was, nog geruimen
tijd in de moerassen staande hield. Zijn zoon Pausiris behield later
de regeering onder perzische heerschappij.
Amythaon, Amythaon, zoon van Cretheus en Tyro, stichter van Pylus in
Messenië, vader van Bias en Melampus.
Amythaonidae, Amythaonidai, zonen en afstammelingen van Amythaon.
Anabathmoi, eene rij zitplaatsen, die bij wijze van een trap
oploopen, ook eene zaal met zulke zitplaatsen, die voor voordrachten,
muziekuitvoeringen en dgl. verhuurd werd.
Anacea, Anakeia, feest, dat in de meeste achaeïsche en dorische
staten en ook te Athene, ter eere der Dioscuren gevierd werd. De
Lacedaemoniërs vierden het zelfs wanneer zij in het veld waren.
Anaceum, Anakeion, tempel der Dioscuren, zooals men in zeer vele
steden, ook te Athene, vond.
Anacharsis, Anacharsis, een scythisch prins, die uit weetgierigheid
groote reizen ondernam, ook in Griekenland kwam, en te Athene met Solon
kennis maakte. Hij wijdde zich daar aan de studie der wijsbegeerte
en trok de algemeene aandacht door zijn vernuft en zijne eenvoudige
leefwijze. In zijn vaderland teruggekeerd, wilde hij griekschen
godsdienst en zeden invoeren en werd hij daarom door zijn broeder,
koning Saulius, gedood. De brieven en gedichten die zijn naam dragen
zijn onecht.
Anacreon, Anakreon, lyrisch dichter uit Teos. Nadat Ionië door
Harpagus onderworpen was (545), begaf hij zich naar Abdera en later
naar Samus, waar hij tot aan den dood van den tyran Polycrates (522)
aan diens hof bleef. Vervolgens werd hij door Hipparchus naar Athene
geroepen en bleef daar tot den val der Pisistratiden. Waarheen hij
later gegaan is, is onzeker; hij stierf 85 jaar oud, te Teos of
Abdera. Van zijne liederen, die door bevalligheid en eenvoudige taal
uitmunten en door de ouden hoog geroemd en nog lang na zijn dood
veel gezongen werden, bestaan nog slechts eenige overblijfselen;
de zoogenaamde anacreontische liedjes (Anakreontika, -teia) zijn uit
den alexandrijnschen tijd afkomstig.
Anactorium, Anaktorion, kaap en havenstad in Acarnania, aan de invaart
der ambracische golf. De stad was een corinthische kolonie. Evenals
de bevolking van Ambracia, werd ook die van Anactorium door Augustus
naar het door hem gestichte Nicopolis gelokt.
Anadikia = palindikia.
Anadyomene, Anadyomene, de "uit zee opstijgende," bijnaam der uit
het schuim der zee geborene Aphrodite. Zoo werd zij voorgesteld op
een schilderij, die voor het meesterstuk van Apelles gold en in den
tempel van Asclepius op het eiland Cos hing, waar zij door Augustus
voor 100 talenten gekocht en naar Rome medegenomen werd.
Anaea, Anaia, stad in Ionia, ten Z. van Ephesus, tegenover Samus.
Anagnia, Anagnia, hoofdstad der Hernici in Latium, op een berg gelegen
met schoone omstreken. In 306 viel de stad van Rome af, en werd, na
het bedwingen van den opstand door den consul Q. Marcius Tremulus
(Marcii no. 18), tot een praefectura gemaakt. Cicero had hier een
landgoed, Anagnium.
Anagnostes, Anagnostes, een slaaf, die zijn heer aan tafel, in het bad
en in ledige uren voorlas. Ook iemand die in het openbaar voordrachten
houdt. In den christelijken tijd een kerkelijk ambt (= lector).
Anagogia, Anagogia, een feest dat op den berg Eryx op Sicilië ter eere
van Aphrodite gevierd werd bij gelegenheid van hare jaarlijksche reis
naar Libye, vanwaar zij na negen dagen terugkeerde, vgl. Catagogia. Ook
op Delus werd een dergelijk feest ter eere van Apollo gevierd.
Anaitis, Anaiitis, eene godin, die in verscheiden aziatische landen
vereerd werd. Hare priesters waren tot een afgesloten stand met
eigen bezittingen verbonden. De Grieken zagen in haar een maangodin
en identificeerden haar met Aphrodite of Artemis.
Anakalypteria, de tweede of derde dag van het huwelijk, waarop
de vrouw zich het eerst ongesluierd vertoonde. Ook de geschenken,
die op dien dag aan de jonggehuwden gegeven en met een plechtigen
optocht naar hunne woning gebracht werden. Ter eere van het huwelijk
van Hades en Core werden op Sicilië en elders anakalypteria gevierd.
Anakrisis, voorloopig onderzoek, in het bizonder de instructie in een
proces, die aan de behandeling voor de rechtbank voorafging en door
een magistraat geleid werd. Bij de anakrisis werden getuigen gehoord,
bewijzen onderzocht enz. Wanneer de aanklager hierbij niet verscheen,
verviel de aanklacht, terwijl hij, indien het eene graphe betrof,
1000 drachmen verloor en het recht om later zulke aanklachten te doen;
de aangeklaagde werd, wanneer hij wegbleef, in contumaciam veroordeeld.
Anaphe, Anaphe, eilandje in de Aegaeische zee, tot de Sporaden
behoorende, ten oosten van Thera gelegen.
Anaphlystus, Anaphlystos, attische demus behoorende tot de phyle
Antiochis, in het zuidoosten van Attica gelegen, met een versterkte
haven.
Anapus, Anapos, naam van twee rivieren, waarvan de eene in Acarnania
lag, een zijtak van den Achelous, en de andere op Sicilia, die ten
zuiden van Syracusae zich door moerassen in zee stort. Als riviergod
komt laatstgenoemde stroom bij Ovidius o. a. voor als de minnaar der
bronnimf Cyane.
Anarrysis, de tweede dag der Apaturia.
Anartes, volksstam in Dacia, aan beide oevers van den bovenloop van
den Theiss.
Anas, rivier in Hispania, thans Guadiana. Ze vormt de grens tusschen
de provincies Baetica en Lusitania.
Anathema, anathema, heet alles wat aan een god gewijd en in zijn
tempel of heiligdom nedergezet wordt, dikwijls voorwerpen van groote
kostbaarheid en kunstwaarde.
Anatocismus, anatokismos, het berekenen van rente op rente. Had dit
plaats telkens na afloop van een jaar, dan sprak men van anatocismus
anniversarius.
Anaumachiou graphe of dike, aanklacht wegens het niet deelnemen aan een
zeeslag. De zaak werd voor de strategen behandeld, de straf was atimie.
Anava, ta Anaua, stad in Phrygia, tusschen Celaenae en Colossae,
aan het zoutmeer Ascania.
Anax, Anax, vorst, heer; met dien bijnaam worden ook verschillende
goden genoemd; de Dioscuren dragen dikwijls kortweg den naam Anactes,
ook Anaces (Anaktes, Anakes).
Anaxagoras, Anaxagoras, geb. te Clazomenae omstreeks 500, kwam, na
vele landen bezocht te hebben, in 456 te Athene, waar hij als leeraar
der wijsbegeerte optrad. Tot zijne leerlingen behoorden Euripides
en Thucydides, terwijl hij met Pericles zeer bevriend werd. Volgens
An. bestaat de stof, zelfs in hare kleinste deelen, uit een oneindig
aantal soorten, de stofdeeltjes van elke soort zijn echter gelijk,
zoowel aan elkander, als aan de lichamen die er uit bestaan. De
stof lag oorspronkelijk onbewegelijk in eene verwarde massa,
totdat de geest (nous) er op werkte en eene scheiding (diakrisis)
van ongelijksoortige en vereeniging (synkrisis) van gelijksoortige
stofdeeltjes veroorzaakte. De hierdoor ontstane lichamen kan men dus
homoiomere noemen, hoewel nooit eene volkomen scheiding of vereeniging
tot stand komt en dus ieder lichaam vreemde stofdeelen bevat; alleen de
onstoffelijke nous is eenvoudig, onvermengd, zuiver. De stofdeeltjes
zelve noemde An. spermata of chremata, lateren homoiomereiai. Wegens
deze leer werd An. kort voor den peloponnesischen oorlog, naar men
zegt door politieke tegenstanders van Pericles, van goddeloosheid
aangeklaagd. V. s. werd hij ter dood veroordeeld, maar door Pericles
in staat gesteld te vluchten, v. a. werd hij verbannen, of hij werd
vrijgesproken, maar verliet uit ontevredenheid de stad. Zooveel is
zeker dat hij zich na dit proces naar Lampsacus begaf, waar hij,
72 jaar oud, stierf.
Anaxander, Anaxandros, koning van Sparta, hij leefde tijdens den
tweeden messenischen oorlog.
Anaxandridas, Anaxandridas, 1) naam van eenige spartaansche koningen,
o. a. van den vader van Leonidas.--2) geb. te Camirus, leefde omstreeks
375 als blijspeldichter te Athene, waar hij in hoog aanzien stond
als een aangenaam en verstandig mensch en fijn opmerker. Van zijne
65 stukken, de eerste waarin liefdesavonturen voorkomen, is bijna
niets over.
Anaxarchus, Anaxarchos, van Abdera, leerling van Democritus,
vergezelde Alex. d. G. op zijne veldtochten en werd eudaimonikos
bijgenaamd. Volgens het verhaal zou hij door den tyran Nicocreon
van Cyprus, wegens een hem aangedane beleediging, in een vijzel
verpletterd zijn.
Anaxarete, Anaxarete, een cyprisch meisje, dat door den herder Iphis
bemind werd, maar hem zoo koel behandelde, dat hij zich voor hare
deur ophing. Toen zij zelfs bij het zien van zijn lijk niet getroffen
werd, veranderde Aphrodite haar in een steenen beeld. Hetzelfde wordt
verhaald van Arsinoë en haar minnaar Arceophon.
Anaxibia, Anaxibia, 1) dochter van Plisthenes, gemalin van Strophius,
moeder van Pylades.--2) eene nimf die door Helius bemind en vervolgd
werd, en naar den tempel van Artemis Orthia aan den Ganges vluchtte,
waar zij verdween. Sedert dien tijd gaat de zon van die plaats,
voortaan Anatole genaamd, op.--3) Zie Alphesiboea.
Anaxibius, Anaxibios, bevelhebber der spartaansche vloot in Byzantium,
toen Xenophon met de rest van de 10000 daar aankwam. Daar hij het
leger door beloften misleidde, veroorzaakte hij groote verwarring, en
kwam hij persoonlijk in groot gevaar. In 389 werd hij als harmost naar
Abydus gezonden, maar het volgende jaar viel hij in een hinderlaag,
hem door Iphicrates gelegd, en sneuvelde hij.
Anaxilaus, Anaxilaos, 1) tyran van Rhegium (494-476), uit Messenië
afkomstig, die omstreeks 480, met hulp van Samiërs en Milesiërs,
Zancle op Sicilië veroverde, welke stad hij met Messeniërs bevolkte
en Messana noemde. Hij stierf in 476 en liet twee zonen na, die
gedurende hun minderjarigheid onder voogdij van een getrouwen slaaf,
Micythus, bleven, in 467 aan de regeering kwamen, en na zes jaren
verdreven werden.--2) dichter van achttien blijspelen, waarvan nog
eenige fragmenten bestaan, die van het geheel geen zeer hoogen dunk
geven.--3) pythagoreïsch wijsgeer uit Larisa, door Augustus in 28
wegens tooverij uit Italië verbannen.
Anaximander, Anaximandros, geb. te Miletus in 610, de eerste grieksche
schrijver over wijsbegeerte, was een vriend en leerling van Thales,
leefde aan het hof van Polycrates van Samus en stierf in of kort
na 547. In zijn werk peri physeos neemt hij als grondstof van het
heelal iets oneindigs (apeiron) aan, dat hij niet nader bepaalt,
maar dat hij goddelijk, onsterfelijk en onvergankelijk noemt. Hij
zoude het eerst een zonnewijzer, een hemelbol, enz. gemaakt hebben.
Anaximenes, Anaximenes, 1) geb. te Miletus, waarschijnlijk tusschen
560 en 550, door sommigen een leerling van Anaximander genoemd, nam
als grondstof van het heelal de zich in het oneindige uitstrekkende
lucht aan, waaruit door verdikking (pyknosis) en verdunning (manosis,
araiosis) alles ontstaan zou zijn, en die de geheele wereld omgeeft
en bijeenhoudt.--2) geschiedschrijver uit Lampsacus, vriend van
Alexander d. G., schreef Hellenika, eene soort algemeene geschiedenis,
en Philippika, de geschiedenis van Philippus, ta peri Alexandron,
die van Alexander bevattende. Als rhetor was hij een tegenstander
van Isocrates. De rhetorike pros Alexandron, die onder de werken van
Aristoteles is opgenomen, wordt te recht aan hem toegeschreven. Van
zijne andere werken is slechts weinig bewaard gebleven.