Alexander, Alexandros, 1) = Paris.--2) neef van den tyran Polyphron

van Pherae, dien hij doodde en wiens opvolger hij werd, 369. Zijne

wreedheid en trouweloosheid noodzaakte de thessalische steden

meermalen de hulp van Macedonië en Thebe in te roepen. Eerst werd hij

door Pelopidas tot een meer gematigde regeering gedwongen; later,

toen hij Pelopidas en andere Thebanen trouweloos gevangen genomen

had, dwong Epaminondas hem de gevangenen los te laten; ten derden

male trok Pelopidas tegen hem op en overwon hem in den slag bij

Cynoscephalae (364). In 358 werd hij op aandrijven zijner gemalin

Thebe door hare broeders vermoord.--3) Al. I, koning van Epirus. Met

behulp van zijn zwager Philippus van Macedonië verdreef hij zijn oom

en zijn neef (342) en maakte hij zich van de regeering meester. Toen

zijne zuster Olympias door Philippus verstooten was, vluchtte zij tot

hem en trachtte zij hem tot een oorlog aan te sporen, maar Philippus

bevredigde hem door hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw te geven. In

332 werd hij door de Tarentijnen tegen de Bruttiërs en Lucaniërs te

hulp geroepen, in 331/330 verloor hij een slag bij Pandosia en kwam

hij in de rivier Acheron om.--4) Al. II, koning van Epirus, zoon

en opvolger van Pyrrhus 272-ong. 250; hij maakte zich voor korten

tijd van Macedonië meester, maar werd spoedig door Demetrius, een

broeder van Antigonus Gonatas van daar en zelfs uit Epirus verdreven,

totdat hij bij een opstand der Epiroten teruggeroepen werd. Hij

stierf omstreeks 250.--5) Al. I, koning van Macedonië 498-454, zoon

en opvolger van Amyntas I. Bij Xerxes' inval in Griekenland werd

Al. gedwongen zich bij diens leger aan te sluiten; toch trachtte hij

heimelijk de Grieken te helpen.--6) Al. II, koning van Macedonië, zoon

en opvolger van Amyntas II. Na eene regeering van twee jaren werd hij

door zijn stiefbroeder Ptolemaeus Alorites gedood (369).--7) Al. III

de Groote, koning van Macedonië, geb. 356, volgde zijn vader Philippus

in 336 op. Hij was opgevoed eerst door den ruwen krijgsman Leonidas,

daarna door den hoveling Lysimachus, eindelijk sedert zijn 13de jaar

door den beroemden wijsgeer Aristoteles. Reeds vroeg had Al. blijken

gegeven van ontembare eerzucht, van streven naar het buitengewone en

bovenal van grooten persoonlijken moed; Homerus was zijn geliefkoosde

dichter en Achilles zijn ideaal. Geen wonder, dat de twintigjarige

jongeling, die zich reeds bij het leven van Philippus o. a. in den

slag bij Chaeronea onderscheiden had, zoodra hij den troon besteeg,

besloot het plan van zijn vader, de verovering van het perzische

rijk, tot uitvoering te brengen, al moest hij ook voorshands zijne

krachten wijden aan de bevestiging zijner regeering tegen binnen- en

buitenlandsche vijanden. Terwijl hij zijn oom Attalus en anderen, die

hem de heerschappij konden betwisten, uit den weg liet ruimen, trok hij

kort na den dood van zijn vader naar Griekenland, waar in verschillende

steden anti-macedonische bewegingen hadden plaats gehad, en bewerkte

hij door zijn krachtig optreden, dat hij door de Amphictyonen en later

op een congres op de landengte van Corinthe door alle grieksche staten,

behalve Sparta, erkend en tot opperbevelhebber in den oorlog tegen

Perzië verkozen werd. Na zijn terugkomst in Macedonië hield Al. zich

bezig met de onderwerping der ten noorden van zijn rijk wonende

barbaren, Triballers, Geten, Illyriërs, enz., die op het bericht van

den dood van Philippus opgestaan waren. Velen in Griekenland koesterden

de hoop dat Al. nooit van deze moeielijke en gevaarlijke tochten naar

ver verwijderde landen zou terugkeeren, en toen het gerucht van zijn

dood verspreid werd, vond het dan ook gereedelijk geloof. Maar toen

op dit gerucht in de meeste staten nieuwe bewegingen ontstonden,

verscheen Al. plotseling, voordat iemand het mogelijk had geacht,

in Griekenland, en rukte voor Thebe, van waar de macedonische

bezetting verdreven was; na een kort beleg werd de stad bestormd,

ingenomen en volgens besluit der boeotische steden verwoest, waarbij

alleen de tempels en het huis van Pindarus gespaard werden. Daarop

onderwierpen zich ook de andere grieksche staten (335). In Macedonië

teruggekeerd, besteedde de koning den winter met ijverige toerustingen

voor den tocht naar Azië, en in het voorjaar van 334 trok hij over

den Hellespont met een klein, doch geoefend leger (± 40.000 man),

aangevoerd door bekwame officieren, en met een vloot van 160 schepen,

terwijl Antipater in Macedonië achtergelaten werd om Griekenland en

de noordelijke barbaren in bedwang te houden. De eerste ontmoeting

met de vijanden had plaats aan de rivier den Granicus, waarvan de

overzijde door een aanzienlijke perzische macht bezet gehouden werd;

niettemin trok Al. met geweld er over, versloeg de Perzen en ook hunne

grieksche huurtroepen en won met dien slag geheel Klein-Azië tot het

Taurusgebergte; wel verdedigde Miletus zich eenigen tijd en vorderde de

inneming van Halicarnassus zelfs een vrij lang beleg, maar de overige

grieksche steden ontvingen Al. vrijwillig of na korten tegenstand,

toen hij langs de kust naar het Zuiden en terug door Lycië, Pamphylië

en Pisidië naar Gordium, de oude hoofdstad van Phrygië, trok. In het

voorjaar van 333 van daar opgebroken, ging hij door Paphlagonië en

Cappadocië naar Cilicië, en toen Darius zelf hem daar trachtte tegen

te houden, versloeg hij in November bij Issus diens leger van 600,000

(?) man, nog versterkt door 30,000 grieksche huurlingen, in weerwil

van hun dapperen tegenstand. Na deze overwinning, waarbij een rijke

buit en ontelbare gevangenen, o.a. de moeder, vrouw en twee dochters

van Darius in handen der Macedoniërs vielen, veroverde Al. Syrië en

Phoenicië, waar Tyrus hem echter hardnekkig weerstand bood, zoodat hij

die stad eerst na een merkwaardig beleg van zeven maanden kon innemen

(332); evenzoo verdedigde zich Gaza geruimen tijd. In Aegypte werd

Al. daarentegen met open armen ontvangen. Van hier ondernam hij een

tocht door de libysche woestijn naar het orakel van Zeus Ammon, wiens

priester hem als een zoon van dien god begroette, en trok daarna naar

Azië terug. Zonder moeilijkheden ging hij over den Euphraat en den

Tigris, maar in de vlakte van Babylon ontmoette hij weder Darius met

zijn leger, dat nu uit 1,000,000 (?) man voetvolk en 40.000 ruiters

bestond; hoewel Al.'s leger nog geen 50,000 man sterk was, waagde

hij den aanval en behaalde hij in den slag bij Arbela en Gaugamela

(30 Sept. 331) de beslissende overwinning, die hem tot heer van Azië

maakte. Darius vluchtte naar Ecbatana, en toen verscheiden satrapen

zich bij den overwinnaar aansloten, en Al., na de onderwerping van

Susiana, de Uxiërs en Persis, ook naar Medië oprukte, trok hij zich

terug naar Bactrië, maar werd op weg door een van zijne satrapen,

Bessus, die den titel van koning en den naam van Artaxerxes IV

aannam, gevangen genomen. Toen Al. dit vernam, vervolgde hij Bessus

met versnelde marschen, en daar deze zich niet in staat zag met den

gevangen koning snel genoeg weg te komen, liet hij Darius, na hem

doodelijk verwond te hebben, op weg achter. De meeste perzische en

medische satrapen onderwierpen zich nu, en nadat Al. nog een tocht naar

Hyrcanië ondernomen en een opstand in Aria bedwongen had, vervolgde

hij Bessus, die eerst naar Sogdiana, later over den Oxus gevlucht was,

maar daar gevangen genomen en later aan een rechtbank ter veroordeeling

gegeven werd. De verovering van Bactrië en Sogdiana, waar een groot

aantal sterke vestingen één voor één genomen moesten worden, nam nog

geruimen tijd in beslag, en eerst in 327 kon Al. den veldtocht naar

Indië ondernemen. In weerwil van groote moeilijkheden trok hij met

een leger van 120,000 man, waaronder vele Aziaten, over den Indus,

Hydaspes, Acesines en Hydraotes, en ofschoon hij menigmaal hevig

verzet moest overwinnen, onderwierp hij alles op zijn weg. Eindelijk

bereikte hij den Hyphasis; hijzelf had gaarne zijne tochten nog verder

uitgestrekt, maar nu bleek het onmogelijk den onwil van zijn leger

tegen verdere ondernemingen te overwinnen; zelfs zijne bedreiging,

dat hij alleen met de goedgezinden over de rivier zou gaan en de

anderen aan hun lot overlaten zou, had geene uitwerking, en toen

nu ook de offerteekenen ongunstig waren, gaf hij toe. Nadat hij tot

den Hydaspes teruggetrokken was, ging hij verder met een vloot van

2000 schepen, die onder het bevel van Nearchus stond, de rivier af,

tot aan den mond van den Indus, terwijl het grootste gedeelte van

het leger langs de beide oevers marcheerde. De aan de rivier wonende

volken onderwierpen zich, alleen bij de Malli vond Al. tegenstand,

die eerst door de bestorming hunner hoofdstad gebroken werd. Nadat in

Augustus 325 de mond van den Indus bereikt was, zeilde de vloot naar

de perzische golf, terwijl de koning met het leger door Gedrosia naar

Carmania trok, waar hij na een tocht van zestig dagen door de gloeiende

zandwoestijn, en nadat een niet gering deel van het leger ten gevolge

van hitte, vermoeienissen en gebrek omgekomen was, behouden aankwam,

en waar hij ook Nearchus met de vloot aantrof. Hier zoowel als in

Persis, te Susa, Ecbatana en Babylon werden groote feesten gegeven,

de soldaten rijk begiftigd, de satrapen bestraft, die zich veelal,

daar niemand gedacht had, dat Al. ooit uit Indië terug zou komen,

aan onderdrukking en afpersing schuldig gemaakt hadden, kortom alles

gedaan wat Al. dienstig achtte tot de bevestiging der eenheid tusschen

de door hem geregeerde volken. Maar terwijl hij zich te Babylon met

groote plannen voor de toekomst bezig hield,--hij wilde Arabië en ook

Italië veroveren, groote vloten bouwen, enz.--werd hij door een ziekte

overvallen, die in weinige dagen (Juni 323) een einde aan zijn leven

maakte. Hij was slechts 33 jaar oud geworden, en stierf zonder een

rechtstreekschen opvolger na te laten. Zijn uitgestrekt rijk werd na

zijn dood de twistappel tusschen zijn voornaamste veldheeren en werd

eindelijk onder hen verdeeld, wat te gemakkelijker was, daar Al. zijn

ideaal, de versmelting van Grieken en barbaren tot één volk, slechts

voor een klein gedeelte bereikt had. Met dit oogmerk waren door hem

in verschillende deelen van het rijk nieuwe steden gesticht, meest

Alexandria genaamd, die, door Grieken en Macedoniërs bevolkt, zoowel

moesten dienen om het overwonnen land in bedwang te houden, als om

grieksche beschaving onder de onderworpen volken te verspreiden. De

voornaamste van deze, Alexandrië in Aegypte, werd na den val van

Tyrus spoedig, zooals de stichter ook bedoeld had, een middelpunt van

den wereldhandel en bleef lang eene van de belangrijkste steden der

oude wereld. Eveneens om de gelijkheid tusschen zijne onderdanen tot

stand te brengen, liet Al. reeds kort na den dood van Darius Aziaten

in zijne legers inlijven en op dezelfde wijze als de Macedoniërs

wapenen en oefenen, een maatregel die, zooals te begrijpen is,

bij Grieken en Macedoniërs hevige ontevredenheid verwekte, en toen

kort voor Al.'s dood te Opis van alle kanten van deze nieuwe troepen

aangebracht werden en de oude en onbruikbaar geworden soldaten naar

huis teruggezonden zouden worden, kwam het tot openlijk verzet (324),

waarbij de koning groote vastheid moest toonen om den weerspannigen tot

onderwerping aan zijn wil te brengen. In weerwil van dit voorval en

van de weigering der troepen om hun aanvoerder ook over den Hyphasis

te volgen, kan men zeggen dat Al. bij zijne soldaten zeer bemind

en hoog geëerd was. Niet in dezelfde mate was dit echter het geval

bij de hoogere officieren, die meer persoonlijk met hem in aanraking

kwamen, daardoor de minder aangename zijden van zijn karakter beter

kenden, en zich bovendien door Al.'s streven meermalen in hun trots

en in hunne belangen gekrenkt achtten. Inderdaad valt het niet te

ontkennen, dat Al., in zijn ijver om zijne nieuwe onderdanen niet

bij de oude achter te stellen, dikwijls meer aandacht aan de nieuwe

dan aan de oude schonk; het kon Grieken en Macedoniërs niet anders

dan onaangenaam aandoen, dat Al., die vroeger steeds de grieksche

afkomst van het macedonische koningshuis op den voorgrond gesteld had,

later de perzische teekenen der koninklijke waardigheid aannam; zijne

beweerde afkomst van Zeus Ammon kon door hen niet worden aangenomen,

zijne pogingen tot invoering der proskynesis konden bij hen geen

gunstig onthaal vinden. Zoo ontstond er dikwijls ontevredenheid in de

omgeving des konings, ja zelfs hoorde men nu en dan van samenzweringen,

die dan met gestrengheid onderdrukt en met den dood der verdachten

bestraft werden. Ten gevolge van zulke geruchten werden in 330 Philotas

en zijn oude vader Parmenio, beiden zeer verdienstelijke officieren,

in 327 verscheiden adellijke jongelieden en de wijsgeer Callisthenes

gedood. Doch in het veld wist Al. door zijn persoonlijken moed en

door zijn dikwijls grootmoedig gedrag tegenover overwonnen vijanden

aller liefde en bewondering te winnen, en meer dan eens bleek het, dat

zijne vrienden niet schroomden, wanneer hij zich al te zeer in gevaar

begeven had, hun leven voor het zijne te wagen. Want het is licht te

begrijpen, dat Al. bij zijne vele veldtochten dikwijls in levensgevaar

kwam; reeds bij den Granicus redde Clitus, dezelfde dien hij later in

dronkenschap doodde, hem het leven, door een perzisch ruiter den arm

af te houwen, die reeds het zwaard boven Al.'s hoofd opgeheven had;

bij het beleg van Gaza kreeg hij een vrij zware wond in den schouder,

en bij de bestorming van de hoofdstad der Malli, toen hij bij het

breken van een stormladder zich met slechts zeer enkelen boven op

den muur der vijanden bevond en, van alle kanten beschoten, geen

andere keus had, dan van den muur in de stad te springen, kreeg hij

een zeer gevaarlijke wonde in de borst en werd hij door Peucestes en

Leonnatus nauwelijks levend uit de handen der vijanden gered. Van zijn

kant gaf Al. menigmaal aan zijne vrienden blijken van gehechtheid en

waardeering; het is zelfs niet onmogelijk dat het wel wat overdreven

verdriet, waarvan hij blijken gaf na den dood van Hephaestion,

die kort voor hem overleed, zijn eigen dood verhaast heeft. Maar

meer dan dit, en misschien meer dan de buitengewone vermoeienissen,

waaronder Al. bijna zijn geheel leven had doorgebracht, hadden de

zwelgpartijen, waaraan hij zich in zijne latere levensjaren meer en

meer overgaf, zijne lichaamskracht ondermijnd, en zoo stierf hij in

den bloei van zijn leven aan eene ziekte, die aanvankelijk blijkbaar

niet van ernstigen aard was. Hij had drie aziatische vrouwen: Roxane,

Barsine, de oudste dochter van Darius, en Parysatis; van deze bracht

eerstgenoemde eenige maanden na zijn dood een zoon ter wereld, die naar

zijn vader Alexander genoemd werd.--8) Al. Aegus, zoon van Alex. den

G. en Roxane, eenige maanden na den dood van zijn vader geboren. Hij

werd tot koning uitgeroepen, en onder voogdij van Perdiccas, daarna

van Pithon, eindelijk van Antipater geplaatst. Antipater leverde in

320 hem met zijne moeder aan Philippus Arrhidaeus uit. In het volgende

jaar stierf Antipater en vluchtte Roxane met haar zoontje naar Epirus

tot hare schoonmoeder Olympias, maar later vielen zij weder in handen

van Cassander, die in 311 beiden in de gevangenis liet vermoorden.--9)

Al. Lyncestes, schoonzoon van Antipater, de eenige der deelnemers

aan de samenzwering tegen Philippus, die, door Alexander terstond

als koning te huldigen, zijn leven redde. Toen Al. naar Azië trok,

werd hij aanvoerder der thessalische ruiterij. Toch werd hij ook later

betrapt op onderhandelingen met Darius en van 334 gevangen gehouden,

totdat hij in 330, naar men zeide op aandringen van het leger,

gedood werd.--10) zoon van Cassander en Thessalonica, vluchtte nadat

zijne moeder door zijn broeder Antipater gedood was, naar Pyrrhus van

Epirus; met diens hulp en met die van Demetrius Poliorcetes verjoeg

hij Antipater. Toen Demetrius echter ook na Antipater's dood Macedonië

niet wilde verlaten, trachtte Al. hem uit den weg te ruimen, maar

Demetrius was vlugger en doodde hem in 294 bij een gastmaal.--11)

Al. I Balas, een man van lage afkomst, gaf zich voor een zoon van

Antiochus IV Epiphanes uit en nam, met goedvinden van den romeinschen

senaat, in 150 den troon van Syrië in bezit, nadat hij Demetrius Soter,

een neef van Antiochus, overwonnen had. In 145 werd hij echter door

diens zoon, Demetrius Nicator, verdreven en kort daarna vermoord.--12)

Alexander II Zabina (de slaaf), zoon van een aegyptisch koopman, gaf

zich voor een aangenomen zoon van Antiochus Sidetes uit en maakte

zich in 128 van den syrischen troon meester, maar werd in 122 door

Antiochus Grypus verslagen, door zijn volk verlaten en op last van den

overwinnaar gedood.--13) Al. Helius, zoon van M. Antonius en Cleopatra,

met zijne zuster Cleopatra door Octavia, de verlaten gemalin van

Antonius, opgevoed.--14) Al. Aetolus, treurspeldichter uit Pleuron,

de eenige aetolische dichter (bloeitijd ongeveer 280); hij was onder

Ptolemaeus Philadelphus aan de alexandrijnsche bibliotheek geplaatst

en werd onder de tragische pleias opgenomen. Ook dichtte hij elegieën,

waarvan nog eenige schoone fragmenten bestaan.--15) Al. Polyhistor,

geb. te Myndus in Carië, onderwezen te Pergamus, kwam als

krijgsgevangene naar Rome, doch werd door Cornelius Lentulus,

v. a. door Sulla, vrijgelaten (82), later werd hij de leermeester van

M. Crassus, dien hij op al zijne tochten vergezelde. Van zijne zeer

talrijke geschriften, voornamelijk van geschied- en aardrijkskundigen

inhoud, is niets behouden.--16) peripatetisch wijsgeer, geb. te Aegae,

leermeester van Nero.--17) van Abonitichos (z. a.), de leugenprofeet

door Lucianus gehekeld.--18) ho exegetes, zoo genoemd als verklaarder

en verdediger der leer van Aristoteles. Hij was geboren te Aphrodisias

in Carië en leefde onder Septimius Severus. Zijne werken zijn

grootendeels in latijnsche vertaling bewaard gebleven.--19) Alexander

Severus, Romeinsch keizer, z. Severi no. 2.

Alexandra = Cassandra.

Alexandria, Alexandreia. Er zijn niet minder dan tien steden van

dezen naam bekend, die alle haar ontstaan aan Alexander den Grooten

te danken hebben. De beroemdste is

1) Alexandria in Aegypte, volgens het plan van den bouwmeester

Dinocrates (v. a. Dinochares) in den winter van 332/1 op de smalle

landtong tusschen het mareotische meer en de middellandsche zee

gebouwd en dus uitstekend voor handel en verkeer gelegen. De stad had

een langwerpigen vorm, met rechte straten, die elkander rechthoekig

kruisten. De beide hoofdstraten, met vierdubbele zuilengangen

versierd, waren 14 meter breed. Hoewel in Aegypte gelegen en onder

de Ptolemaeën tot den zetel der regeering verheven, was Alexandrië

volstrekt geene aegyptische stad, maar eene wereldstad, waar

het grieksche en het joodsche element het meest vertegenwoordigd

waren. In het zuidwestelijke gedeelte, Rhacotis geheeten, woonde

de lagere volksklasse; daar vond men de acropolis en den beroemden

Serapis-tempel. De joden woonden meest in het noordoostelijk gedeelte,

terwijl het middengedeelte, Bruchium, het grieksche kwartier was,

waar men het koninklijk paleis, het gymnasium, het stadium, het museum

en andere openbare gebouwen vond. Een dam van zeven stadiën lengte,

heptastadion, liep van de stad naar het eilandje Pharus, op welks

ééne punt de beroemde vuurtoren stond, die in 283 door Ptolemaeus

Philadelphus was gebouwd en voor een van de zeven wonderen der

wereld gold. Ter weerszijden van het Heptastadium lagen twee havens:

de westelijke werd Portus Eunostus (Eunostos, haven der behouden

terugkomst) geheeten, en had nog eene binnenkom, kibotos (kast); een

kanaal voerde naar het mareotische meer. De oostelijke haven heette de

groote haven, portus maior. In het heptastadium waren twee overbrugde

doorvaarten. Eene binnenkom der groote haven heette de kleine haven

en diende tot ligplaats der koninklijke galeien. Alexandrië was ook

een brandpunt van wetenschap en geleerdheid. De beroemde bibliotheek

in Bruchium bevatte 90000 werken, met de dubbele exemplaren 400000

rollen uitmakende. Eene tweede bibliotheek in het Serapeum telde 42800

rollen. Bij den alexandrijnschen oorlog, dien Caesar na Pompeius' dood

hier te voeren had, ging de bibliotheek in het Serapeum door brand te

niet. Dit verlies werd later hersteld door de 200000 rollen uit de

bibliotheek van Pergamus, die Antonius aan Cleopatra ten geschenke

gaf. Doch ook deze verzameling ging met den tempel te gronde, toen

in 389 de christenen, door den aartsbisschop Theophilus tegen de

overblijfselen van het heidendom opgeruid, het Serapeum bestormden

en in brand staken. De groote boekerij werd in een vleugel van het

koninklijk paleis bewaard, en is waarschijnlijk in de troebelen der

jaren 272 en vv. voor een groot gedeelte vernield. Het nabijgelegen

Museum was een gebouw, waar beroemde geleerden in alle vakken van

wetenschap kosteloos huisvesting en onderhoud vonden en zich bezig

hielden met het ordenen, verklaren en verbeteren der handschriften

en met het verwerken der rijke stof, die in de bibliotheken lag

opgehoopt. Dit zijn de alexandrijnsche geleerden. Uit het streven naar

classificatie ontstonden de zoogenaamde canones (kanones) of lijsten

van de voortreffelijkste schrijvers en dichters op elk gebied, wier

werken tot richtsnoer moesten strekken voor het nageslacht. Zoo omvatte

b.v. de canon der tragische dichters de volgende namen: Aeschylus,

Sophocles, Euripides, Ion en Achaeus, die der geschiedschrijvers:

Herodotus, Thucydides, Xenophon, Theopompus, Ephorus, Anaximenes,

Callisthenes; die der redenaars: Antiphon, Andocides, Lysias,

Isocrates, Isaeus, Aeschines, Lycurgus, Demosthenes, Hyperides,

Dinarchus.

2) Alexandria in Arachosia, thans Kandahar.

3) Alexandria in Aria, thans Herat.

4) Alexandria aan den Caucasus d.w.z. aan den indischen Caucasus,

thans het gebergte Hindoe-koh.

5) Alexandria aan den Indus.

6) Alexandria bij Issus, op de syrisch-cilicische grenzen.

7) Alexandria aan den Oxus, in Bactria.

8) Alexandria in Sogdiane, het noordelijkste, daarom eschate genoemd,

aan den Iaxartes.

9) Alexandria in Susiane, later verdoopt in Antiochia, ten slotte

na een lateren herbouw Spasinu Charax geheeten, nabij de monding van

den Tigris. Zie Charax no. 1.

10) Alexandria Troas, op de kust van het vroegere trojaansche rijk,

tegenover het eiland Tenedos. De stad was door Antigonus vergroot en

heette toen een tijd lang Antigonia. Later werd zij eene bloeiende

romeinsche kolonie, die om hare ligging in het vermeende stamland

der Romeinen zeer begunstigd werd. Caesar en Constantijn de Groote

moeten er zelfs aan gedacht hebben, den zetel van het rijk daarheen

over te brengen.

Alexikakos, onheil afwerend, bijnaam van Apollo, soms ook aan andere

goden en heroën gegeven.

Alexis, Alexis, geb. omstreeks 372 te Thurii, doch atheensch

burger. Hij zou 106 jaar oud geworden zijn en 245 blijspelen geschreven

hebben, die natuurlijk niet alle even hoog gesteld kunnen worden,

maar over het algemeen, zooals de talrijk overgebleven fragmenten

aantoonen, geestig en smaakvol zijn. De in de nieuwe comedie zoo

belangrijke rol van den parasiet kwam, naar men zegt, het eerst in

een van zijne stukken voor.

Alfen(i)us Varus, uit Cremona, een rechtsgeleerde van grooten naam,

die eerst in zijne geboorteplaats het bedrijf van schoenmaker had

uitgeoefend. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die, door Octavianus

met de akkerverdeeling in Transpadana belast, Vergilius zijn landgoed

liet behouden.

Algidus mons, een ruw en boschrijk gebergte in Latium, tusschen

Velletri en Tusculum, met eene bergvesting, Algidum, op een der

toppen. Zie Aequi.

Alimenti, zie Cincii.

Alipes, met gevleugelde voeten, bijnaam van Mercurius.

Aliphera, Alipheira of Aliphera, bergstad in het landschap Cynuria,

in het Zuidwesten van Arcadia, bezuiden den Alpheus. De inw. namen

deel aan den bouw van Megalopolis.

Aliptes, aleiptes, badknecht. Zie balneum.

Aliso, vesting, door Drusus aan de Luppia (Lippe) gesticht in het

jaar 11; v. s. heeft het gelegen bij Haltern, v. a. bij Oberaden,

ten W. van Hamm; in beide plaatsen is een Romeinsch kamp opgegraven.

Allia of Alia, van links invallend zijriviertje van den Tiber,

waarbij de Romeinen in 390, v. a. in 387, de beruchte nederlaag door

de Galliërs leden. Waarschijnlijk moet men het slagveld tegenover de

Allia, op den rechter Tiberoever zoeken. De dies Alliensis (18 Juli)

bleef steeds een dies ater.

Allifae, stad in Samnium aan den Volturnus, in eene vruchtbare

streek gelegen. Door de Romeinen ingenomen in 310, werd het eene

praefectura. Naar het schijnt was het bekend door de wijde bekers,

die men er vervaardigde.

Allobroges, oorlogzuchtig volk in Gallia Narbonensis, tusschen den

Rhodanus (Rhône) en de Alpen. Hunne hoofdstad was Vienna (Vienne). Na

harden tegenstand werden zij in 121 door Q. Fabius Maximus onderworpen,

die den bijnaam Allobrogicus kreeg. Het kostte echter voortdurend

moeite hen in onderwerping te houden.

Almo, beek, die even beneden Rome van links in den Tiber vloeit, en

waarin de priesters van Cybele jaarlijks het beeld der godin reinigden.

Almopi, Almopoi, of -pes, volksstam in het Noorden van Macedonia.

Aloadae, Aloidae, Aloadai, Aloeidai, Otus en Ephialtes, de zonen

van Iphimedea en Poseidon of Aloeus. Zij waren geweldige reuzen,

die op hun negende jaar 9 el dik en 27 el lang waren, en traden

vijandig tegen de goden op. Ares hielden zij eens dertien maanden in

ketenen, totdat Hermes, door hun stiefmoeder Eriboea gewaarschuwd,

hem bevrijdde. Zij dreigden den Ossa op den Olympus en den Pelion op

den Ossa te stapelen en zoo den hemel te bestormen; toen echter Otus

de hand van Artemis en Ephialtes die van Hera eischte, werden zij

door Apollo met pijlen doorboord.--V. a. bewerkte Artemis hun dood

door in de gedaante eener hinde tusschen hen heen te springen, toen

namelijk beiden te gelijk hunne speren naar dit dier wierpen, troffen

zij elkander doodelijk. In de onderwereld stonden zij ruggelings met

slangen aan een zuil gebonden, waarop een uil zit, die hen door zijn

aanhoudend gekrijsch kwelt. In een ander verhaal komen zij voor als

beschaving verbreidende heroën, die den muzendienst aan den Helicon

ingevoerd, en Ascra e. a. steden gesticht zouden hebben.

Alociae, Alokiai, eilanden aan de Sleeswijksche Westkust, de

tegenwoordige Halligen.

Aloeus, Aloeus, zoon van Poseidon en Canace, met Iphimedea gehuwd. De

Aloadae zijn naar hem genoemd.

Alogiou graphe, aanklacht tegen beambten, die geen rekening en

verantwoording van hun beheer hadden afgelegd (z. Euthynai). De

aanklacht werd waarschijnlijk bij de logisten ingediend, de straf

is onbekend.

Alope, Alope, dochter van Cercyon, werd bij Poseidon moeder van

Hippothoon. Het kind werd te vondeling gelegd en door herders

opgenomen; toen deze echter twist kregen over het kleed, waarin

het kind gewikkeld was, riepen zij Cercyon als scheidsrechter

in, die het kleed zijner dochter herkende en dus de geheele zaak

ontdekte. Vertoornd liet hij zijn dochter levend begraven, maar

Poseidon veranderde haar in de bron Alope in Eleusis.

Alope, Alope, 1) stad in Locris tegenover Euboea.--2) stad in

Thessalia, aan de Zuidkust van Achaia Phthiotis, tusschen Larisa

Cremaste en Echinus.--3) bron bij Eleusis, genoemd naar de schoone

Alope (z.a.).

Alopece, Alopeke, Alopekai, demus van Attica ten oosten van Athene. Uit

dezen demus stamde Socrates.

Alopeconnesus, Alopekonnesos (vosseneil.), stad op de westzijde van

de thracische Chersonesus.

Alpenus, Alpenos, Alpenoi, stad in Locris ten oosten van de

Thermopylae.

Alpes, Alpeis, van het keltische alb = hoog, de bekende bergmassa,

die nog dezen naam draagt. Toppen schijnen de ouden slechts zeer

weinige bij naam gekend te hebben. De verschillende takken vindt men

nu eens met het enkelvoud Alpis, dan weder met het meervoud Alpes

aangewezen. De zuidelijke hellingen der Alpen werden eerst bij Italië

ingelijfd onder Augustus, die tegen sommige bergvolken een zwaren

strijd voerde.

Alpes maritimae, parathalassidiai, de Zeealpen, tot aan den mons

Vesulus (M. Viso).

Alpes Cottiae, aldus genoemd naar koning Cottius, die daar een rijkje

had en zich aan Augustus onderwierp. Zij liepen tot den mons Cenisius

(M. Cenis). Alpis Cottia = Mont Genèvre.

Alpes Graiae, waarover waarschijnlijk Hannibal trok. De naam hangt

samen met dien der Graioceli, die aan de westzijde woonden. Alpis

Graia = kleine St. Bernhard.

Alpes Poeninae, aldus genoemd naar een keltischen god Poeninus, die op

den mons Poeninus, ook Alpis Poenina geheeten (grooten St. Bernhard)

een tempel had en door de Romeinen met Jupiter werd vereenzelvigd.

Alpes Lepontiae, tot aan den mons Adula (z.a.), naar het volk der

Lepontii genoemd.

Alpes Tridentinae, de Tiroler en Tridentinische Alpen, naar de stad

Tridentum (Trente of Trient).

Alpes Raeticae en Noricae, naar de landschappen Raetia en Noricum.

Alpes Carniae, naar het volk der Carni, ten O. van de Alpes

Tridentinae.

Alpes Venetae, waarover Caesar een weg baande, naar wien zij ook

Alpes Iuliae geheeten worden.

Alpes Dalmaticae, langs de Adriatische zee.

De Romeinen hadden verscheidene wegen over de Alpen aangelegd; de

meest bezochte was die, welke over de Cottische Alpen en de Alpis

Cottia (mont Genèvre) naar Gallia Transalpina voerde.

Alphesiboea, Alphesiboia, ook Arsinoë genaamd, dochter van Phegeus,

gemalin van Alcmaeon. Toen Alcmaeon door hare broeders gedood

was, en zij hun deze daad telkens verweet, werd zij door hen aan

Agapenor van Tegea overgegeven met de beschuldiging, dat zij den

moord gepleegd had. Hier vond zij den dood. V. a. doodde zij hare

broeders uit wraak.--2) moeder van Adonis.--3) ook Anaxibia genoemd,

dochter van Bias en Pero, gemalin van Pelias.--4) indische nimf,

die door Dionysus bemind werd, maar hem weerstand bood tot hij zich

in een tijger veranderde en haar zoo beangstigde, dat zij zich over

de rivier, die daarnaar Tigris heet, liet dragen.

Alpheus, Alpheios, de voornaamste rivier in de Peloponnesus,

die in Arcadië ontspringt, door Elis en langs Olympia naar zee

stroomt. Mythisch is Alph. een zoon van Oceanus en Tethys. De

omstandigheid dat het water der rivier gedurende haar loop eenige

malen onder de aarde verdwijnt en verderop weder te voorschijn komt,

gaf aanleiding tot de meening, dat de god zich ook onder de zee een

weg wist te banen naar Ortygia, om daar zijne wateren met die van de

bron Arethusa te vereenigen. Deze bron zou namelijk vroeger een Nereïde

geweest zijn, voor welke Alph. een vurige liefde opvatte, die echter

onbeantwoord bleef; toen nu eens Alph. uit zijne wateren oprees en haar

vervolgde, vluchtte zij zoolang zij kon, maar toen de krachten haar

begaven, riep zij Artemis om hulp aan, die haar in een bron veranderde

en naar Ortygia verplaatste.--V. a. vervolgde Alph. Artemis zelve tot

Ortygia of tot Letrini in Elis, waar zij zich met slijk besmeerde om

zich onkenbaar te maken; op beide plaatsen was een tempel van Artemis

Alpheaea, te Letrini met een beeld van zwart marmer.

Alsium, oude etrurische stad, haven van Caere, later rom. kolonie,

met een landgoed van Pompeius, Alsiense.

Altare, zie Ara.

Althaea, Althaia, dochter van Thestius en Eurythemis, echtgenoote

van Oeneus, moeder van Meleager (z.a.), na wiens dood zij zichzelve

om het leven bracht.

Althaemenes, Althaimenes, zoon van Catreus, koning van Creta; daar

een orakel voorspeld had dat hij zijn vader zou dooden, verliet

hij met zijn zuster Apemosyne zijn vaderland en begaf hij zich naar

Rhodus. Daar leefde hij geruimen tijd rustig en door zijn medeburgers

geacht. Intusschen kon zijn vader zijn gemis niet verdragen, en ging

hij eindelijk zelf naar Rhodus om hem te halen en hem de regeering

over te geven. Toen hij nu met zijn gevolg des nachts op Rhodus wilde

landen, hielden de inwoners hen voor vijanden en trachtten zij hun het

landen te beletten; er ontstond een gevecht, waaraan ook Alth. deelnam

en waarbij hij zijn vader doodde zonder hem te kennen. Toen hij nu

merkte dat het orakel vervuld was, zwierf hij op eenzame plaatsen

rond, totdat hij van droefheid stierf.--V. a. zoude op zijn gebed de

aarde zich geopend en hem verzwolgen hebben. De Rhodiërs vereerden

hem later als heros.

Altinum, welvarende koopstad in het land der Veneti, aan de adriatische

zee. Het was de stapelplaats voor den handel tusschen Italië en het

Noorden, en was omringd door tal van prachtige villa's, weshalve

het het Baiae van het Noorden werd genoemd. Toen Attila in 452

n. C. Altinum en Aquileia verwoestte, stichtten de vluchtelingen

op de eilandjes aan den mond van den Medoacus (Brenta) de latere

stad Venetië.

Altis, Altis, het heilige bosch bij Olympia.

Aluntium of Haluntium, stad aan de noordkust van Sicilia op een hoogte

gelegen, met veel wijnteelt.

Alveus. Dit woord geeft in het algemeen een uitgehold of buikvormig

voorwerp te kennen: een bak, het hol eener boot of schuit, een bekken,

een bijenkorf, enz. Het beteekent ook een speelbord of speeltafel met

opstaanden rand, alsmede een badkuip. In de badhuizen vond men groote

in den vloer gemetselde badkuipen voor warme baden met zitplaatsen

aan het eene einde, zóó dat het water tot aan den hals kwam.

Alyattes, Alyattes, zoon van Sadyattes, vader van Croesus, koning van

Lydië (612-563). Evenals zijn vader beoorloogde hij Miletus, maar hij

moest vrede sluiten om zich te kunnen verdedigen tegen de Mediërs,

die onder koning Cyaxares uit het oosten voorwaarts drongen. De

oorlog werd echter, voor het tot een slag kwam, ten gevolge eener

zonsverduistering, die van 28 Mei 585, door Thales voorspeld, door

een verdrag geëindigd. In de laatste jaren zijner regeering hervatte

hij zijne aanvallen op de grieksche steden in Kl.-Azië en veroverde

hij Smyrna en Colophon. Zijn kolossaal graf bij Sardes bestaat,

naar men meent, nog.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 9 / 150 段