Alcibiades, Alkibiades, Athener, zoon van Clinias en Dinomache,

geb. omstreeks 450; nadat hij op driejarigen leeftijd zijn vader

verloren had (gesneuveld bij Coronea, 447), werd hij door zijn voogd,

den beroemden Pericles, opgevoed. Hij was een man van buitengewone

schoonheid en geestesgaven, uiterst beminnelijk in den omgang

en welsprekend, bovendien zeer rijk; in deze omstandigheden gaf

hij aan zijn zucht om altijd op den voorgrond te treden in zijn

jeugd toe door allerlei buitensporige en moedwillige streken. Zijn

omgang met Socrates kon evenmin als zijn huwelijk met Hipparete,

de dochter van den rijken Hipponicus, aan zijn losbandig leven een

einde maken. Gedurende het eerste gedeelte van den peloponnesischen

oorlog diende hij als ruiter; men verhaalt dat Socrates hem bij het

beleg van Potidaea (432), hij daarentegen Socrates in den slag bij

Delium (424) het leven gered had. Na den vrede van Nicias was hij

het vooral, die steeds tot het hervatten der vijandelijkheden dreef,

hetzij omdat hij inderdaad het voortzetten van den oorlog voor Athene

voordeelig achtte, hetzij omdat hij het voor zijn eigen belangen meer

geraden vond zich bij de oorlogspartij aan te sluiten, die sedert den

dood van Cleon zonder leider was, terwijl Nicias aan het hoofd van de

vredespartij stond. Door zijn toedoen dan sloot Athene een verbond met

Argos, Mantinea en Elis (420), maar nadat de troepen dier bondgenooten

bij Mantinea door de Lacedaemoniërs verslagen waren (418), kwam de

oligarchische partij in de peloponnesische staten weder aan het roer,

en werd het bondgenootschap met Athene opgezegd; twee jaar later werd

het echter door bemiddeling van Alc. hernieuwd. Intusschen was uit

Segesta een verzoek tot Athene gericht om bijstand tegen Syracuse, en

Alc. die van zulk eene onderneming veel roem en voordeel verwachtte

en misschien nog van verdere veroveringen droomde, wist het volk

tot een krijgstocht tegen Sicilië over te halen in weerwil van den

tegenstand van Nicias; hijzelf, Nicias en Lamachus werden tot strategen

benoemd. Maar kort voor den dag, waarop de vloot zoude vertrekken,

werden in een nacht al de Hermesbeelden in Athene omvergeworpen en,

te recht of ten onrechte, Alc. werd van medeplichtigheid aan die daad,

later ook van ontwijding der eleusinische mysteriën, beschuldigd. Hij

verlangde dringend dat de zaak (Hermocopidenproces) nog voor zijn

vertrek zoude behandeld worden, maar zijne vijanden, die zijn invloed

vreesden, dreven door dat het gerechtelijk onderzoek tot na zijn

terugkomst zou uitgesteld worden; zoodra hij echter vertrokken was

(415), werden opnieuw geruchten verspreid, die weldra zulk een onrust

bij het volk te weeg brachten, dat tot een onmiddellijk onderzoek

besloten werd, en een schip werd uitgezonden om Alc. terug te

halen. Hij begaf zich eerst aan boord, maar te Thurii gekomen, wist

hij te ontsnappen. Toen hij nu vernam, dat hij in zijne afwezigheid

ter dood veroordeeld was en zijne goederen verbeurd verklaard waren,

begaf hij zich naar Sparta, waar hij weldra grooten invloed kreeg. Hij

bewerkte dat van daar uit een leger onder aanvoering van Gylippus aan

de Syracusanen te hulp gezonden werd (414), dat Decelea versterkt

en door een spartaansch leger bezet werd (413), en bovenal dat een

vloot werd uitgerust, waarmede hij zelf naar Azië zeilde om een

verbond tusschen de Spartanen en Tissaphernes tot stand te brengen

en de ionische steden tot afval van Athene te bewegen. Het duurde

echter niet lang of zijn overwicht wekte de afgunst der spartaansche

veldheeren op, vooral van koning Agis, die bovendien vermoedde dat hij

zijne echtgenoote Timaea tot overspel verleid had, en spoedig wist men

hem zoo verdacht te maken, dat hij naar Tissaphernes moest vluchten om

zijn leven te redden (412). Hier bracht hij het door zijne raadgevingen

zoo ver, dat Tissaphernes niet slechts veel minder ijver voor zijne

lacedaemonische bondgenooten aan den dag legde, maar zelfs geneigd

scheen de zijde van Athene te kiezen, terwijl Alc. onderhandelingen

aanknoopte met de atheensche vloot die bij Samus lag, en beloofde een

verbond met Tissaphernes, ja zelfs met den koning van Perzië tot stand

te brengen, indien de democratische regeeringsvorm te Athene door eene

oligarchische vervangen werd. Deze omwenteling had inderdaad plaats

(z. tetrakosioi), maar was zoo weinig naar den zin van het leger op

Samus, dat het in opstand kwam, Alc. uit de ballingschap terug riep,

en hem met Thrasyllus en Thrasybulus tot aanvoerder verkoos. Alc.,

die intusschen had ingezien, dat hij weinig kans had zijne beloften

te kunnen nakomen, was met dezen loop van zaken zeer tevreden, en

maakte zich reeds dadelijk verdienstelijk door te beletten dat men

naar Athene trok om de oligarchen te verdrijven, die trouwens spoedig

genoeg weder voor de democratie moesten plaats maken. Met Alc. scheen

het geluk bij de atheensche wapenen teruggekeerd te zijn; hij overwon

de Spartanen in verscheidene kleinere gevechten en in twee groote

slagen bij Abydus en Cyzicus (411, 410), ontnam hun 200 schepen,

en veroverde Byzantium, Chalcedon e. a. steden. Tissaphernes koos

nu spoedig weder beslist de zijde der Spartanen en liet Alc. zelfs

gevankelijk naar Sardes voeren, vanwaar deze echter na korten tijd

ontsnapte. Eindelijk keerde hij naar Athene terug (407), waar hij met

gejuich ontvangen en, na vernietiging van het over hem gevelde vonnis,

tot opperbevelhebber van leger en vloot benoemd werd. Na dien tijd

was hij echter minder gelukkig. Niet alleen mislukte hem een poging

om Andrus te onderwerpen, maar zelfs verloor in zijne afwezigheid

zijn onderbevelhebber Antiochus een zeeslag tegen Lysander, en het

volk, dit aan de nalatigheid van Alc. toeschrijvend, verkoos andere

strategen in zijn plaats. Alc. verdedigde zich niet en trok zich terug

naar zijne bezittingen in de thracische Chersonesus. Toch bleef hij den

loop der gebeurtenissen met belangstelling gadeslaan, en toen eenige

jaren later de Spartanen oppermachtig geworden waren, achtten zij hem

nog zoo gevaarlijk, dat hij reden had voor zijn leven te vreezen;

hij begaf zich dus naar Pharnabazus om dezen, en zoo mogelijk den

koning van Perzië, voor Athene te winnen, maar Pharnabazus, die eerst

veel vriendschap voor hem getoond, had, gaf eindelijk, bevreesd voor

de bedreigingen van Lysander, bevel hem te vermoorden. Zijn huis werd

in brand gestoken en omsingeld, en toen hij zich uit de vlammen wilde

redden, werd hij van alle kanten met pijlen neergeschoten (404).

Alcidamas, Alkidamas, van Elaea, in Aeolis, tijdgenoot van Isocrates,

leerling van Gorgias en leeraar der welsprekendheid. Eene redevoering

van hem en enkele fragmenten zijn bewaard.

Alcides, Alkeides, oorspronkelijke naam van Heracles (z. a.).

Alcimede, Alkimede, dochter van Phylacus en Clymene, moeder van Iason.

Alcinous, Alkinoos, kleinzoon van Poseidon, koning der Phaeaciërs op

het eiland Scheria of Drepane. Hij nam Odysseus gastvrij op en zond

hem met vele geschenken naar zijn vaderland terug. Ook de Argonauten

werden op hun terugtocht zeer goed door hem ontvangen, en hij weigerde

Medea uit te leveren aan de Colchiërs, die haar uit naam van haar vader

kwamen opeischen. Daar zij niet naar hun vaderland durfden terugkeeren,

bleven de colchische afgezanten toen bij de Phaeaciërs wonen.

Alciphron, Alkiphron, grieksch sophist, die in het laatste gedeelte

der 2de eeuw n. C. leefde. In den vorm van brieven, die door taal

en stijl uitmunten, heeft hij belangrijke schetsen van de toenmalige

toestanden te Athene nagelaten.

Alcmaeon, Alkmaion, Alkmeon, 1) zoon van Amphiaraus en

Eriphyle. Evenals Eriphyle zich door het halssnoer van Harmonia

had laten omkoopen om Amphiaraus te bewegen aan den tocht der zeven

tegen Thebe deel te nemen, zoo was de peplos van Harmonia de prijs,

waarvoor zij Alcm. overreedde met de Epigonen mede te trekken. Als een

der aanvoerders verrichtte Alcm. vele dappere daden en Thebe moest

dezen keer vallen. Zijn vader, die zijn eigen lot voorzien had, had

echter voor hij ten strijde trok aan zijne zonen Alcm. en Amphilochus

opgedragen hem op hun moeder te wreken, en nadat Alcm. zelf uit den

oorlog teruggekomen was en een orakel hem bevolen had de opdracht zijns

vaders uit te voeren, te meer daar zijne moeder ook hem aan hetzelfde

gevaar had blootgesteld, doodde hij Eriphyle. Terstond maakten zich

de wraakgodinnen van hem meester; door haar vervolgd, zwierf hij

in waanzin rond, zonder ergens rust te vinden. Eindelijk kwam hij

in Psophis bij koning Phegeus, die hem van zijne schuld trachtte

te zuiveren en hem zijne dochter Alphesiboea of Arsinoë tot vrouw

gaf. Doch de middelen door Phegeus aangewend, vermochten op den duur

niet de wraakgodinnen van Alcm. af te houden, zijn waanzin keerde terug

en weder zwierf hij rond, nu zonder hoop ooit rust te vinden, daar een

orakel hem gezegd had, dat dit alleen zou kunnen geschieden wanneer

hij een plek vond, die tijdens zijn misdaad nog niet door de zon

beschenen was. Eindelijk echter vond hij die plek, het was de grond,

die sedert den moord aan de monding van den Achelous aangeslibd was,

de Echinades. Hier vestigde hij zich en trouwde hij met Callirrhoë,

de dochter van den riviergod. Nadat hij eenigen tijd hier rustig

geleefd had, verzocht zijne gemalin hem het halssnoer en den sluier

voor haar te halen, die op zijn leven van zooveel invloed geweest

waren. Hij gaf toe aan haar dringend verlangen en trok naar Psophis,

waar hij die sieraden van zijn eerste vrouw terugnam, zeggende dat hij

ze aan Apollo wilde wijden. Nauwelijks had Phegeus echter bemerkt dat

dit slechts een voorwendsel was, of hij zond zijne zonen om Alcm. te

vervolgen; zij haalden hem in en doodden hem. De zonen van Alcm. en

Callirrhoë, Acarnan en Amphoterus, wreekten later den moord van hun

vader. V. s. had Alcm. bij Manto, de dochter van Tiresias, een zoon

en een dochter, die hij aan Creon, den koning van Corinthe, gaf om

op te voeden. Uit jaloerschheid liet de vrouw van Creon het meisje,

toen zij volwassen was, als slavin verkoopen en zoo kwam zij onbekend

toevallig bij haar vader. Alcm. had te Thebe een tempel waar hij als

halfgod vereerd werd.--2) achterkleinzoon van Nestor, die bij den

inval der Doriërs in de Peloponnesus naar Athene uitweek; hij was de

stamvader der Alcmaeoniden.--3) atheensch archont, de laatste die voor

zijn leven tot deze betrekking verkozen werd (752).--4) van Croton,

schrijver van geneeskundige werken in de 5de eeuw.

Alcmaeonidae, Alkmaionidai, Alkmeonidai, een rijke en aanzienlijke

familie in Athene, afstammend van Alcmaeon no. 2. Zij zijn vooral

bekend door de oppositie, die zij voerden tegen de alleenheerschappij

der Pisistratiden, waarbij Megacles hun aanvoerder was. Toen zij door

Pisistratus verbannen waren, wisten zij de priesters van Delphi voor

hunne belangen te winnen door den herbouw van den tempel, die kort

te voren was afgebrand, aan te nemen, en hem, gedeeltelijk op hun

eigen kosten, veel prachtiger te herstellen, dan hij te voren geweest

was. Van Delphi ging dan ook sedert herhaaldelijk eene aansporing

tot de Spartanen uit, om Athene van de tyrannen te bevrijden, waaraan

eindelijk ook gehoor gegeven werd (z. Cleomenes en Hippias). Ook te

voren hadden de Alcmaeoniden eenigen tijd in ballingschap doorgebracht,

omdat zij, naar men beweerde, eenige aanhangers van Cylon bij de

altaren der goden gedood hadden. Hoewel deze ballingschap niet van

langen duur geweest kan zijn, werd de familie toch altijd door die

heiligschennis bezoedeld geacht, en werd den Atheners meermalen hun

verblijf in de stad verweten. Ook Clisthenes was een Alcmaeonide en

Alcibiades en Pericles waren van moederszijde met hen verwant.

Alcman, Alkman, een der oudste grieksche lierdichters, Ioniër uit

Sardes, werd krijgsgevangene en kwam als slaaf naar Sparta, maar

werd daar vrijgelaten en schijnt zelfs onder de burgers opgenomen te

zijn. Hij leefde omstreeks 620. Van zijne gedichten, die in een met

aeolische en epische vormen gemengd dorisch dialect geschreven waren,

is slechts weinig over. Hij is vooral bekend om zijne Parthenia,

liederen voor meisjeskoren, waarvan er één bewaard is.

Alcmene, Alkmene, Alcumena, dochter van Electryon, koning van

Mycenae. Zij was gehuwd met Amphitryo, en terwijl deze buitenslands

oorlog voerde, werd zij door Zeus, die de gedaante van haar echtgenoot

had aangenomen, bezocht en zoo werd zij moeder van Heracles; bij

Amphitryo, die den volgenden dag terugkeerde, kreeg zij een zoon

Iphicles. Bij de geboorte van Heracles, had zij veel van den haat van

Hera te lijden. Na den dood van Amphitryo huwde zij met Rhadamanthys,

met wien zij ook op de eilanden der gelukzaligen vereenigd gedacht

wordt. Toen haar zoon gestorven was, moest zij voor Eurystheus

vluchten, zij kwam naar Athene, maar ging later naar Thebe terug waar

zij in hoogen ouderdom stierf. Te Thebe en ook te Athene genoot zij

goddelijke eer.

Alcyone, Alkyone, 1) dochter van Aeolus en Enarete, gehuwd met

Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden zij

elkander Zeus en Hera; tot straf hiervoor werd hij in een zeemeeuw,

zij in een ijsvogel veranderd.--V. a. kwam Ceyx bij een schipbreuk om,

en stortte Alc. zich uit wanhoop in zee, waarop beiden in ijsvogels

veranderd werden. Wanneer deze vogel broedt, omstreeks een week voor

en een week na den kortsten dag, laat Aeolus alle winden rusten,

vandaar heeten die dagen Alcyonii dies, Alkyonides hemerai, welke naam

overdrachtelijk gegeven wordt aan een rustigen, gelukkigen tijd.--2)

eene van de Pleiaden, bij Poseidon moeder van Hyrieus.

Alcyoneus, Alkyoneus, 1) een van de Giganten, die Heracles op de

landengte van Corinthe of op het schiereiland Pallene aanviel, toen

hij met de runderen van Geryones daar langs kwam. Met een rotsblok

verpletterde hij 24 van Heracles' makkers en 12 van zijne wagens,

maar toen hij het rotsblok tegen hemzelf slingerde, sloeg Heracles het

met zijn knots terug, en doodde hem met denzelfden slag.--2) zoon van

Diomus en Meganira. Hij werd door het lot aangewezen om volgens een

orakel ten offer gebracht te worden aan een monster, dat de omstreken

van den Parnassus verwoestte, maar toen hij bekranst naar het hol van

het monster gebracht werd, ontmoette hem Eurybatus, die, door zijne

schoonheid getroffen, besloot zich in zijne plaats op te offeren. Hij

ging in het hol, greep het monster en stortte het in de diepte.

Alcyonium mare, Alkyonis thalatta, ook Alcyonius sinus genoemd,

noordoostelijke inham der Corinthische golf.

Alea, Alea, bijnaam der godin Athena, onder welken naam zij vooral

in de stad Alea, in Arcadia, ten Z. van Stymphalus gelegen, maar ook

elders vereerd werd.

Alea. Het dobbelspel was bij de Romeinen zeer in zwang. Men speelde

met tesserae en met tali. De tesserae waren gewone dobbelsteenen;

men wierp met drie steenen tegelijk. De tali waren aan twee zijden

afgerond, en vertoonden alleen de getallen 1, 3, 4, 6. Men wierp met

vier zulke steenen. De beste worp was de iactus Venereus, wanneer al

de steenen verschillende cijfers aanwezen. De slechtste worp was alle

éénen en werd canis genoemd.

Alecto, Alekto, eene der drie Erinyen.

Alectryon, Alektryon, dienaar van Ares, die op den uitkijk stond als

de god Aphrodite bezocht. Eens viel hij in slaap, zoodat de minnenden

door Helius ontdekt konden worden. Tot straf hiervoor werd hij in

een haan veranderd.

Aleïus campus, Aleion pedion, waar Bellerophon in zijne zwaarmoedigheid

ronddoolde. Homerus plaatst deze uitgestrekte vlakte in Lycia; zij ligt

echter tusschen den Sarus en den Pyramus, twee rivieren van Cilicia.

Alemanni, Alamanoi, groote volkerenbond, uit germaansche stammen

van zuidwestelijk Duitschland bestaande, waarvan de Suevi (Zwaben)

het hoofdvolk waren. In 213 na C. kwamen zij onder dezen bondsnaam

voor het eerst met de Romeinen in botsing en liet keizer Caracalla

zich v. s. den bijnaam Alemannicus geven naar de overwinning, die hij

over hen behaald had. In werkelijkheid nam hij den bijnaam Germanicus

aan. Sedert hadden de Romeinen veel last van hunne invallen in de agri

decumates. In de tweede helft van de 3de eeuw bezetten zij de geheele

streek binnen den limes (z.a.), en in de 4de eeuw ook den Elzas.

Aleria, Aleria, vroeger Alalia, Alalie geheeten, volksplanting der

Phocaeërs op Corsica (565), in den eersten punischen oorlog door de

Romeinen veroverd (259), onder Sulla kolonie.

Alesa, zie Halesa.

Alesia, vesting in het kleine gebied der Mandubii, aan den zuidkant van

het tegenwoordige plateau van Langres. Zij is bekend door het beroemde

beleg in den strijd van Caesar tegen den grooten gallischen aanvoerder

Vercingetorix (in 52). Na de inneming verwoestten de Romeinen de stad;

zij werd echter later herbouwd (thans Alise-Ste-Reine).

Alesus, zie Halesus.

Aletes, Aletes, 1) zoon van Aegisthus. Op het bericht dat Orestes in

het land der Tauri aan Artemis geofferd was, maakte hij zich van de

regeering over Mycenae meester, maar bij de terugkomst van Orestes werd

hij gedood.--2) zoon van Hippotas, die bij den inval der Heracliden

de Sisyphiden uit Corinthe verdreef en daar zelf koning werd.

Aletrium, zie Alatrium.

Aleuadae, Aleuadai, afstammelingen van Aleuas, een Heraclide, die

zich van de heerschappij over Larissa meester maakte en om zijne

wreedheid door zijn eigen volk gedood werd. De Aleuaden waren lang het

machtigste vorstengeslacht van Thessalië (tagoi, z. tagos), totdat

de tyrannen van Pherae zich verhieven; in de twisten die tusschen

de beide familiën ontstonden, werd nu eens de hulp der Macedoniërs,

dan die der Thebanen ingeroepen, totdat Philippus in 356 Thessalië

tot een macedonische provincie maakte, waarbij hij de Aleuaden door

vele onderscheidingen voor zich won.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 8 / 150 段