Agricola (Cn. Iulius), te Forum Iulii (Fréjus) in 40 na C. geboren,

was de zoon van Julius Graecinus, die op last van Caligula werd ter

dood gebracht, en Julia Procilla. Onder de leiding zijner verstandige

moeder genoot hij in Massilia eene zorgvuldige en wetenschappelijke

opleiding. In 59 ging hij als jong soldaat onder Suetonius Paullinus

naar Britannia, keerde in 61 naar Rome terug, waar hij met eene dame

van aanzien huwde, werd in 63 quaestor in Asia, later (74-76) legaat

in Aquitania, consul suffectus (77) en ten slotte in 77 stadhouder

van Britannia. Daar streed hij met goed gevolg tegen de Caledoniërs,

en veroverde Schotland tot aan de Tava (Tay). Door keizer Domitianus

uit argwaan teruggeroepen, leefde hij van 85 tot aan zijn dood in

93 in stille afzondering. Volgens sommiger meening zou hij op last

van den keizer vergiftigd zijn. Zijne wapenfeiten en voortreffelijke

eigenschappen zijn door zijn schoonzoon, den geschiedschrijver Tacitus,

in eene meesterlijke beschrijving vereeuwigd.

Agrigentum, Akragas, thans Girgenti, een der belangrijkste en fraaiste

steden van Sicilia, met Syracusae de oogen des lands genoemd,

werd door Doriërs uit Gela omstreeks 582 gesticht, in 405 door de

Carthagers verwoest, doch later (338) door Timoleon herbouwd. De

wijsgeer Empedocles was hier geboren. Te Agrigentum heerschte omstreeks

500 de tyran Phalaris, en omstreeks 480 de om zijne rechtvaardigheid

beroemde Theron. Het nieuwe Agrigentum heeft nimmer het oude in luister

geëvenaard. In 261 viel de stad in handen der Romeinen en moest met

hen een bondgenootschap aangaan. In 255 werd het weer ingenomen en

geplunderd door de Carthagers onder Carthalo. Na den val van Syracusae

in 212 werd Agr. in 210 veroverd en de burgers als slaven verkocht;

in 207 werd de stad opnieuw van kolonisten uit andere steden voorzien.

Agrionia, Agrionia, feest ter eere van Dionysus Agrionius, dat ieder

jaar des winters te Thebe, Argos en vooral te Orchomenus in Boeotië

gevierd werd, en zich door groote woestheid kenmerkte. In de oudste

tijden moest de priester van den god een maagd uit het geslacht

van koning Minyas naloopen en, als hij haar inhaalde, haar dooden;

in lateren tijd vermeed men dit.

Agrippa (Herodes), zie Herodes.

Agrippa (Menenius), zie Menenii.

Agrippa (Vipsanius), zie Vipsanii.

Agrippina. In het huis van Augustus komen drie vrouwen van dezen naam

voor (zie Iulii):

1) Vipsania Agrippina, z. Vipsanii no. 5.

2) Agrippina, de vrouw van Germanicus. Zij was de dochter

van M. Vipsanius Agrippa en Julia, de dochter van Augustus. Zij

vergezelde steeds haren echtgenoot op diens veldtochten. Na zijn dood

(19 n. C.) uit Syria naar Rome teruggekeerd, werkte zij Tiberius

voortdurend tegen. Eindelijk werd zij door den invloed van Seianus

in 29 naar Pandataria verbannen, waar zij in 33 den hongerdood

gestorven is.

3) Agrippina, de moeder van keizer Nero, de zuster van Caligula. Zij

was de dochter van Germanicus en Agrippina (no. 2) en geboren in het

Oppidum Ubiorum, dat later te harer eer verdoopt werd in Colonia

Agrippina (Keulen). Zij huwde driemaal, eerst met Cn. Domitius

Ahenobarbus, bij wien zij een zoon kreeg, den beruchten Nero,

vervolgens met zekeren Crispus Passienus en voor de derde maal

met haar vaders broeder, keizer Claudius (50 n. C.). Dezen laatsten

bracht zij door vergif om het leven (54), om haar zoon Nero in plaats

van Claudius' eigen zoon Britannicus op den troon te brengen. Zij

bedroog zich echter in hare verwachting, dat zij over Nero zou

kunnen heerschen. Integendeel, de keizer, hare heerschzucht moede,

liet zijne moeder ombrengen (in Maart 59).

Agrippinenses = Ubii. Zie ook Agrippina no. 3.

Agrius, Agrios, 1) zoon van Portheus of Porthaon en Eryte, broeder

van Oeneus, die te Calydon regeerde. Zijn zonen ontnamen Oeneus de

regeering en gaven die aan hun vader, doch later werden zij allen door

Diomedes gedood.--2) zoon van Odysseus en Circe, broeder van Latinus,

heerscher over de eilanden van de Tyrrheensche zee.

Agron, Agron, 1) zoon van Eumelus, leefde met zijne zusters Byssa en

Meropis op het eiland Cos. Zij vereerden Gaea, doch behandelden de

overige goden met minachting, en werden daarom met hun vader door

Hermes, Athena en Artemis, die gepoogd hadden hen te overreden aan

een offerfeest deel te nemen, maar met scheldwoorden en bedreigingen

beantwoord waren, in vogels veranderd.--2) koning van Illyrië,

ondersteunde Demetrius II in den oorlog tegen de Aetoliërs; kort

daarna stierf hij aan de gevolgen zijner onmatigheid (231). Hij werd

opgevolgd door zijne gemalin Teuta (z. a.).

Agrotera, Agrotera, bijnaam van Artemis als jachtgodin.

Agyrtes, bedelaar of kwakzalver, in het bijzonder iemand die horoskopen

en orakelspreuken verkoopt, of iemand die geld inzamelt voor den

dienst van niet erkende godheden. Z. metragyrtes.

Agyieus, Aguieus, bijnaam van Apollo als beschermer van straten en

wegen; ook de naam van de fetisch, voor de Grieksche huizen opgesteld,

soms in den vorm van een steen, soms als statue; verder het huisaltaar

vóór het huis: Aguieus bomos.

Agylla, Agylla, oude naam van de etrurische stad Caere (z. a.).

Agyrium, Agyrion, zeer oude stad in het binnenland van Sicilië, in

de buurt van Henna; geboorteplaats van den geschiedschrijver Diodorus

Siculus, die ten tijde van Caesar leefde.

Agyrrhius, Agyrrios, atheensch demagoog, die wegens oneerlijkheid

gevangenisstraf onderging, maar later veel invloed kreeg, en na

den dood van Thrasybulus (389) zelfs vlootvoogd werd, in welke

hoedanigheid hij echter niets van belang verrichtte. Onder de door hem

ingevoerde nieuwigheden wordt genoemd de invoering of verhooging van

het ekklesiastikon en de vermindering van de belooning der dramatische

dichters.

Ahalae, zie Servilii.

Aharna = Arna.

Ahenobarbi, zie Domitii.

Aiax, Aias, 1) de kleine, zoon van Oileus, koning van Locris, gedroeg

zich bij de belegering van Troje als een van de dapperste helden,

was een voortreffelijk boogschutter en werd in vlugheid alleen door

Achilles overtroffen. Bij de verovering der stad drong hij in den

tempel van Athena, en sleepte hij Cassandra, die bij het altaar

bescherming had gezocht, met geweld mede; daarom liet Athena hem op

de terugreis bij de rots Gyrae in het zuiden van Euboea schipbreuk

lijden. Door de hulp van Poseidon redde hij zich op de rots, maar

toen hij daarop in zijn overmoed uitriep: daar ben ik ontsnapt in

weerwil van de goden, greep Poseidon zijn drietand en verbrijzelde

de rots. Door de opuntische Locriërs werd hij als heros vereerd,

en lang bleef het bij hen de gewoonte een plaats in de gelederen

voor hem open te laten.--2) de groote, zoon van Telamon, koning van

Salamis, en Eriboea, nam mede aan den tocht tegen Troje deel. Hij

was de sterkste en meest geduchte der helden na Achilles, en toen

deze zich aan den strijd had onttrokken, muntte hij in dapperheid

boven allen uit; zelfs hield hij alleen de Trojanen tegen, toen zij

in de grieksche legerplaats gedrongen waren en de schepen poogden

in brand te steken. Toen dus na den dood van Achilles diens wapenen

door Thetis werden uitgeloofd aan dengene die ze het meest waardig

was, maakte Aiax er aanspraak op, en alleen Odysseus durfde ze hem

betwisten. Door zijne welsprekendheid en door den steun van Athena

was Odysseus overwinnaar, en dit ergerde Aiax zoozeer, dat hij zich

in zijn zwaard stortte. V. a. werd hij van woede waanzinnig, en viel

hij des nachts op het vee aan, waaronder hij een vreeselijke slachting

aanrichtte in de meening dat hij met de Atriden, die bij den wedstrijd

rechters geweest waren, en met Odysseus te doen had; tot bezinning

gekomen, doodde hij zich van schaamte. Uit zijn bloed ontsproot de

hyacinth. De Salaminiërs eerden hem als halfgod met een tempel en

met een feest Aiantia, de Atheners noemden naar hem de phyle Aeantis.

Aïdes, Aidoneas, Aides, Aidoneus, z. Hades.

Aigikores, zij die tot de derde der vier oude attische phylae

behoorden.

Aigophagos. Onder dezen bijnaam werd Hera te Sparta en Corinthe met

geitenoffers vereerd. Toen de altijd door Hera vervolgde Heracles bij

eene van zijne ondernemingen geen tegenwerking van haar ondervond,

wilde hij haar daarvoor zijne dankbaarheid betuigen, en daar hij

niets anders had, offerde hij eene geit en stichtte hij den tempel

van Hera Aigophagos.

Aikias dike, aanklacht wegens het opzettelijk mishandelen van een

vrije; de aanklager schatte het toegebrachte letsel in een geldsom,

die hem bij veroordeeling door den aangeklaagde betaald moest worden.

Aiora, z. Erigone.

Aisa, z. Moera.

Aius Locutius. Toen de Galliërs in 389 op Rome lostrokken, hoorde men

in het holle van den nacht eene geheimzinnige stem, die de nadering

der vijanden aankondigde. Na den aftocht der Galliërs bouwde men een

tempel ter eere van den onbekenden god, die gewaarschuwd had en dien

men Aius Locutius noemde (van aio en loquor).

Ala. 1) Onder alae verstaat men afdeelingen krijgsvolk, die op de

vleugels van het leger geplaatst waren en door de bondgenooten of de

provinciën geleverd werden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit ruiterij en

stonden somtijds onder aanvoerders uit hun eigen volk.--2) Alae zijn

kleine kabinetjes in de romeinsche huizen ter zijde van het atrium,

waarvan zij niet door deuren, maar door voorhangsels of gordijnen

gescheiden waren.

Alabanda, genit. -ae en -orum, ta Alabanda, bloeiende stad in Caria,

doch berucht om de weelde en de losse zeden die er heerschten.

Alalcomenae, Alalkomenai, oude boeotische stad, dicht bij den zuidoever

van het meer Copaïs, met een tempel van de godin Athena, die, naar

men zeide, hier geboren was. Er waren nog meer steden van dezen naam.

Alalia, zie Aleria.

Alamanni, zie Alemanni.

Alani, Alanoi, een nomadenvolk, dat sedert het begin van den

keizertijd ten N. van de Caspische zee en den Caucasus de plaats

der voormalige Scythen innam. Er hooren verschillende scythische

stammen toe, o. a. de Aorsi. Uit de woestijn Gobi komend, hebben de

Hunnen hen voor zich uitgedreven, en tegen het einde der 3de eeuw

n. C. onderworpen. Gedeeltelijk smolten zij met de Hunnen samen,

gedeeltelijk trokken zij met Vandalen en Sueven naar Hispania en

later met de Vandalen naar Africa (429 n. C.).

Alaricus, Alarik, bijgenaamd Baltha (de Stoute), aanvoerder (dux) der

Westgothen, die eerst Macedonië, Thessalië en Griekenland verwoestte

(395/98 n. C.) en vervolgens in 401 voor de eerste maal naar Italië

trok, maar door Stilicho genoodzaakt werd naar Illyricum terug te

keeren. Na de vermoording van Stilicho (408) kwam hij in Italië

terug. Keizer Honorius sloot zich in het sterke Ravenna op; doch

Alarik trok regelrecht op Rome aan en sloot de stad in, die zich

ditmaal van plundering vrijkocht, doch in het volgende jaar, omdat

Honorius niet naar Alariks voorstellen wilde luisteren, vermeesterd

en drie dagen lang geplunderd werd. De christenkerken bleven echter

gespaard. Kort daarna stierf Alarik te Consentia in Bruttium en werd

in de bedding van den Busento begraven (410 n. C.).

Alarii, troepen, tot de alae behoorende.

Alastor, Alastor, wraakgeest in het leven geroepen door het plegen

eener misdaad; door wraak te vorderen voor de bedreven misdaad drijft

hij tot nieuwe misdaden, die op hare beurt gewroken moeten worden. Meer

algemeen een booze geest, die tot zonde verleidt en daardoor onheil

sticht. Ook bijnaam der Erinyen en van Zeus als wreker van onrecht.

Alatrium of Aletrium, oude stad in Latium in het gebied der Hernici,

later municipium.

Alba, Albas, mythisch koning van Alba Longa.

Alba, naam van verschillende steden, waarvan de volgende de

belangrijkste zijn. 1) Alba Fucens, op eene rots aan het meer Fucinus

gelegen, in het land der Aequi, latijnsche kolonie (in 303 aangelegd)

en staatsgevangenis. Koning Perseus van Macedonia werd hierheen

gebracht.--2) Alba Longa, in Latium, aan den voet van den mons Albanus,

de hoofdstad van den ouden Latijnschen bond en de moederstad van

Rome, volgens de overlevering door Aeneas' zoon Ascanius gesticht

en door Tullus Hostilius verwoest.--3) Alba Pompeia, in Liguria,

geboorteplaats van keizer Pertinax.

Albani, 1) inwoners van Alba Longa.--2) inwoners van het caucasische

landschap Albania.

Albania, Albania, bergland van den Caucasus, aan de Caspische zee

gelegen, met eene krijgszuchtige bevolking, die in den mithradatischen

oorlog troepen tegen Pompeius leverde. Men houdt de bewoners van

deze landstreek ten onrechte voor de latere Alanen. De hoofdstad

heette Albana.

Albaniae portae, bergpas, die toegang tot Albania verleende.

Albanum, thans Albano. Aan den Z.W. kant van den Albanus lacus op

de helling van het gebergte lagen een aantal buitenverblijven van

aanzienlijke Romeinen, o.a. van Pompeius, Brutus, later ook van Nero,

Domitianus. Naar romeinsche gewoonte werd zulk een buitenverblijf naar

de plaats Albanum geheeten. Hieruit ontstond aldaar een municipium

van dien naam.

Albanus lacus, een klein, maar zeer diep; en bekoorlijk meer aan den

voet van den albaanschen berg. Het uitwateringskanaal, indertijd door

Camillus, v. a. in 97 aangelegd, bestaat nog.

Albanus mons, berg in Latium, thans Monte Cavo, aan welks helling

eenmaal Alba Longa lag. Op den top stond de tempel van Jupiter

Latiaris. Op dezen berg werden jaarlijks de groote feriae Latinae

gevierd.

Albenses, de inwoners van alle steden, die Alba heetten, behalve

van Alba Longa, die Albani genoemd werden. Populi Albenses zijn de

30 gemeenten, die tot den oudsten Albaanschen bond gehoord hebben,

en die ook in later tijd bij de feriae Latinae werden opgeroepen voor

het in ontvangst nemen van het offervleesch. De meeste zijn onbekend,

maar waarschijnlijk hebben alle in het binnenland rondom het Albaansch

gebergte gelegen, en zijn later opgegaan in de steden: Rome, Tibur,

Praeneste, Tusculum, Aricia en Gabii.

Albici, Albioikoi, een ruw herdersvolk, in de bergstreken benoorden

Massilia (Marseille).

Albii. Tot dit geslacht behoorde de dichter Albius Tibullus, vriend

en tijdgenoot van Ovidius. Hij werd omstreeks 54 uit eene rijke

ridderfamilie geboren, maakte met zijn beschermer M. Valerius Messala

Corvinus een veldtocht in Aquitania mede, doch leefde verder meestal

stil op zijn landgoed. Zijne dichtsoort was de elegie, doch van de vier

boeken, die op zijn naam staan, kunnen slechts de eerste twee geheel

aan hem worden toegekend. Het 3de boek is van een onbekenden dichter

Lygdamus, van het 4de is het 1ste gedicht een loflied op Messalla,

van een onbekenden dichter, 4, 2-6 hebben tot onderwerp de liefde

van Sulpicia, een jong meisje van goeden stand (z. Sulpicii no. 23)

voor Cerinthus, 4, 7-12 zijn van Sulpicia zelf. De verzen van Tibullus

zelf (de 2 eerste boeken) zijn aan twee minnaressen gewijd, Delia en

Nemesis. Zijn stijl is natuurlijk en eenvoudig, meer liefelijk dan

verheven. Hij stierf in 19.

Albini, zie Postumii.

Albinovanus, zie Celsus en Pedo.

Albinus (Clodius) was bij den dood van keizer Commodus (192 na

C.) stadhouder in Britannia. Dit bleef hij onder Pertinax. Na diens

dood weigerde hij Didius Julianus als keizer te erkennen, doch wees

zelf het keizerschap, hem door zijne legioenen aangeboden, van de

hand. Septimius Severus, die eerst zijn mededinger Pescennius Niger

wilde ten onder brengen, benoemde Clodius Albinus tot mederegent,

doch zocht na Nigers dood ook Albinus uit den weg te ruimen. Hierop

trok deze tegen Severus op. Bij Lugdunum (Lyon) kwam het tot een

slag. Albinus werd verslagen en op de vlucht achterhaald en gedood

(197.)

Albion, Alouion, Albion, oude inheemsche naam voor Britannia =

bergland.

Albis, rivier, thans Elbe geheeten. De Rom. leerden haar (9) onder

Drusus kennen en zagen ze voor het laatst onder Tiberius (5 n. C.).

Albogalerus, wit bonten of vilten muts van den flamen Dialis en andere

priesters, uit het vel van een offerdier vervaardigd. Bovenaan zat

eene soort van pompoen, bestaande uit een olijftakje, met een witten

draad omwonden.

Albula, oude naam van den Tiber.

Albulae Aquae, zwavelbronnen in de vlakte halverwege tusschen Rome

en Tibur, als herstellingsoord veel bezocht; v. s. was de voornaamste

gewijd aan Albunea of Albuna (z. a.).

Album, wit gekalkt of geverfd bord, bestemd om beschreven en

tentoongesteld te worden. De merkwaardigste zijn: 1) album pontificum,

waarop de annales maximi of kroniek van Rome werd geschreven

(z. annales),--2) het album praetoris, waarop de praetor zijn edictum

schreef,--3) het album senatorum, de senatorenlijst,--4) het album

iudicum, waarop de jaarlijksche lijst der iudices was vermeld.

Album Ingaunum en Album Intimilium, twee steden aan de ligurische kust,

beide in later tijd municipia; het eerste = Albenga, het tweede ten

oosten van Ventimiglia.

Albunea, nymph van een zwavelbron bij Tibur, in wier heilig bosch zich

een droomorakel van Faunus bevond. De domus Albuneae van Horatius is

waarschijnlijk de Grotta di Nettuno, onder aan de watervallen van Tibur

(Tivoli); de hoofdstroom van den Anio liep hier vroeger door. Albunea

werd ook tot de Sibyllae gerekend. V. a. is zij de nymph van een der

zwavelbronnen van Aquae Albulae (z. a.).

Alburnus mons, boschrijk, woest gebergte achter Paestum, in Lucania.

Albus Notus, Leukonotos Phoinikias, de Zuid-Oostenwind, zie

Windstreken.

Alcaeus, Alkaios, 1) zoon van Perseus en Andromeda, vader van

Amphitryo.--2) = Alcides.--3) van Mytilene, lyrisch dichter omstreeks

het einde der 7e eeuw. Hij streed mede in den oorlog tegen Athene om

het bezit van Sigeum, maar liet eens zijne wapenen op het slagveld

achter. Met meer standvastigheid, maar met weinig geluk, voerde hij,

als lid van een edel geslacht en van de aristocratische partij,

oppositie tegen de toen in zijne vaderstad heerschende democratie,

en tegen de tyrannen Melanchrus (z. a.) en Myrsilus (z. a.), en toen

Pittacus tot aisymnetes (z. a.) was aangesteld, moest hij met vele

partijgenooten jaren in ballingschap leven, van welken tijd hij

een deel in vreemden krijgsdienst doorbracht. Eene poging om met

geweld terug te keeren mislukte; zelfs viel hij daarbij in handen

van Pittacus, die hem echter vergiffenis en de vrijheid schonk; de

laatste jaren van zijn leven heeft hij in Mytilene doorgebracht. Zijne

gedichten, meestal in de naar hem genoemde alcaeïsche strophe

geschreven, zijn grootendeels verloren; zooals de overblijfsels toonen,

gaven zij met groote bevalligheid getuigenis van het hartstochtelijk

karakter en de welgevestigde staatkundige overtuiging van den dichter;

zij worden verdeeld in politieke gedichten, drink- en minneliedjes

(stasiotika, sympotika, erotika) en hymnen op de goden. Horatius

volgt hem bij voorkeur na.

Alcamenes, Alkamenes, van Athene of Lemnus, beroemd beeldhouwer en

bronsgieter, naar veler meening slechts door zijn leermeester Phidias

overtroffen. Bij de opgravingen aan den tempel van Zeus te Olympia

zijn belangrijke fragmenten van standbeelden gevonden, die vroeger

ten onrechte voor werk van Alc. gehouden werden.

Alcathoë, Alkathoe, 1) dochter van Minyas, koning van Orchomenus,

z. Minyades.--2) z. Alcathoüs.

Alcathoüs, Alkathoos, zoon van Pelops en Hippodamea, doodde op den

Cithaeron een leeuw, die den zoon van koning Megareus verscheurd

had; tot belooning hiervoor gaf de koning hem zijne dochter Euaechme

tot vrouw en benoemde hij hem tot zijn opvolger. Hij herbouwde de

muren van Megara, die door de Cretensers geslecht waren, met behulp

van Apollo, die bij dit werk eens zijn lier op een steen nederlegde,

waaruit sedert dien tijd bij elke aanraking de klank van het goddelijk

instrument gehoord werd. Naar hem wordt de burcht van Megara Alcathoë,

moenia Alcathoi genoemd. Alc. doodde later door een misverstand zijn

zoon Callipolis, dien hij ten onrechte van gebrek aan eerbied voor

de goden beschuldigde. Te Megara werd hij als halfgod vereerd, en

werden te zijner eer spelen gevierd, Alkathoia genoemd.--2) Trojaan,

die met een dochter van Anchises getrouwd was en Aeneas opvoedde. Bij

de bestorming van het grieksche kamp werd hij door Idomeneus gedood.

Alcestis, Alkestis, dochter van Pelias, de eenige die zich verzette

tegen het plan van Medea om Pelias te verjongen. Later werd zij de

vrouw van Admetus (z. a.), voor wien zij vrijwillig stierf. Om hare

kinderlijke liefde en huwelijkstrouw, wordt zij als voorbeeld voor

alle vrouwen genoemd.

Alcetas, Alketas, naam van verscheiden Macedoniërs, o.a. van: 1)

veldheer van Alexander d. G., broeder van Perdiccas. Toen deze gedood

was (321), wist Alc. de Pisidiërs te bewegen hem in den strijd tegen

de vijanden van het koninklijk huis bij te staan; bij den eersten

slag leed hij echter de nederlaag en werd hij door eenige burgers

van Termessus aan zijne vijanden verraden; om niet in hunne handen

te vallen doodde hij zich zelf.--2) koning van Epirus (313-307). Hij

werd door Cassander gesteund, maar zijne woestheid en wreedheid,

waarom zijn vader hem van de regeering had willen uitsluiten,

verbitterden zijn volk zoozeer, dat men hem doodde, en zijn neef

Pyrrhus tot koning uitriep.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 7 / 150 段