eeuw, die medewerkte aan de beroemde Laocoöngroep.
Agesilaus, Agesilaos, naam van eenige spartaansche koningen. Beroemd
is: 1) de zoon van Archidamus II, geb. 444, die na den dood van Agis
I, daar diens zoon Leotychides als onecht beschouwd werd, tot koning
verheven werd (398). Op het gerucht van krijgstoerustingen van den
kant der Perzen, ging hij met een leger naar Azië (396). De satraap
Tissaphernes, die nog niet voor den oorlog gereed was, stelde een
wapenstilstand van drie maanden voor, Ag. nam dit voorstel aan,
en maakte zich dien tijd ten nutte om de verwarde toestanden in de
aziatische steden te regelen, waarbij hij zich door zijn innemend,
vastberaden en vooral streng eerlijk gedrag algemeen bemind maakte;
zoowel toen als later gaf hij aan zijne soldaten een uitstekend
voorbeeld van gehardheid tegen de ongemakken van het soldatenleven,
wat te meer indruk maakte, daar hij klein van gestalte en mank
was. Toen nu Tissaphernes, wien het slechts te doen was geweest om
tijd te winnen, den wapenstilstand brak, trad Ag. aanvallend op,
en versloeg hem na eenige kleinere gevechten in een grooten slag bij
den Pactolus (395). Terwijl nu Ag. in Azië overwinnend verder trok,
stelde Tithraustes, de opvolger van Tissaphernes, (v. a. Pharnabazus
(z. Tithraustes)), de vele vijanden der Spartanen in Griekenland
door aanzienlijke geldzendingen in staat den oorlog tegen hen
te beginnen. Athene, Thebe, Corinthe en Argos vereenigden zich,
en na den slag bij Haliartus zag men zich te Sparta genoodzaakt
Ag. terug te roepen. Terstond na zijne terugkomst in Griekenland won
hij den slag bij Coronea (394). Met roem streed hij in den hierop
volgenden corinthischen oorlog, maar toen deze in 387 met den vrede
van Antalcidas geëindigd was, en door dien vrede de vrijheid der
aziatische Grieken was opgeofferd, bepaalde zich zijne werkzaamheid
tot het behartigen van de belangen zijner vaderstad. Met gestrengheid
handhaafde hij tegenover anderen de bepaling van den vrede, dat iedere
staat autonoom moest zijn; daarentegen vond de partij, die kort daarna
door de bezetting van de Cadmea meende Thebe aan Sparta te onderwerpen,
in hem een steun. Zoo duidelijk toonde hij altijd zijn vijandige
gezindheid tegen Thebe, dat hij, toen in 378 de oorlog tusschen beide
staten uitbrak, niet terstond het opperbevel op zich wilde nemen,
uit vrees dat men hem als de aanleiding van den geheelen oorlog zou
beschouwen. Later echter, toen de loop van zaken Sparta niet gunstig
was, liet hij zich overreden weder handelend op te treden, en ofschoon
hij in het veld niet gelukkig was, had men toch aan zijne verstandige
maatregelen te danken, dat de Thebanen tweemaal (369, 362) na een inval
in Lacedaemon onverrichter zake moesten terugtrekken. Aan den slag
bij Mantinea (362) nam hij geen deel en de vrede, die daarop volgde,
werd zeer tegen zijn zin gesloten. Ontevreden over den toestand, waarin
Sparta door al deze gebeurtenissen gebracht was, ging hij nog in het
volgende jaar, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, naar Aegypte,
om Tachos en na dezen Nectanabis tegen Artaxerxes te helpen. Met
rijke geschenken beladen verliet hij Aegypte, maar voordat hij Sparta
bereikte, overleed hij, 84 jaar oud (360).--2) z. Agis no. 4.
Agesipolis, Agesipolis, 1) Ag. I, zoon van Pausanias II, werd na de
vlucht van zijn vader koning van Sparta (395). In 388 of 387 deed
hij een inval in Argolis, in 385 werd hem opgedragen Mantinea te
kastijden, en door het afdammen van de rivier Ophis, die door de
stad stroomde, dwong hij de inwoners tot overgave. Nadat Teleutias
bij het beleg van Olynthus gesneuveld was, werd Ag. gezonden om de
stad tot onderwerping te dwingen, maar kort na zijne aankomst stierf
hij (380).--2) Ag. II, kleinzoon van den vorigen, koning van Sparta
(371-370).--3) Ag. III, volgde zijn oom Cleomenes III als koning van
Sparta op, maar werd door zijn ambtgenoot Lycurgus van de regeering
ontzet (219). In 195 was hij het hoofd der Spartaansche ballingen,
die in den oorlog der Romeinen en Achaeërs tegen Nabis op terugkeer
in het vaderland hoopten, hetgeen echter niet gelukte. In 183 werd
hij op reis naar Rome door zeeroovers vermoord.
Agger, Choma, is de naam van elke door menschenhanden opgeworpen
hoogte, hetzij deze tot dam, wal of iets anders dient. In het bijzonder
is de agger een oploopende dam tegen den muur eener belegerde stad,
met het doel om daarop belegeringstorens (turres ambulatoriae) en
geschut (ballistae, catapultae, enz.) te plaatsen. Ten einde het werk
te bespoedigen, werd tot het opwerpen van zulk een agger niet enkel
aarde, maar veel hout en takkenbossen gebezigd, zoodat de belegerden
er soms in slaagden, het werk door brand te vernielen. Binnen in den
agger kon men, zoo noodig, gangen uitsparen en trappen aanbrengen.
Aginnum, thans Agen, voornaamste stad der Nitiobriges, aan de Garumna
of Garonne.
Agis, Agis, 1) zoon van Eurysthenes, stamvader van het spartaansche
koningshuis der Agiden (Agidai, Agiadai).--2) Ag. I, zoon van
Archidamus II, koning van Sparta (427-401), deed in het begin van
den peloponnesischen oorlog eenige malen een inval in Attica. In den
oorlog tegen Argos had hij eens, naar men meende, eene zeer voordeelige
positie ingenomen, toen hij zich tot een wapenstilstand liet overreden;
hierdoor haalde hij zich het misnoegen zijner medeburgers op den
hals, maar in het volgende jaar (418) maakte hij de begane fout
weder goed door de schitterende overwinning bij Mantinea. Gedurende
het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog (sedert 413)
hield hij Decelea bezet tot groot nadeel van Athene, en toen Lysander
Athene belegerde, vereenigde Ag. zich met hem. In 402 ondernam hij
een veldtocht tegen Elis, dat zich in het volgend jaar, toen Agis
wederom tegen Elis op wilde trekken onderwierp. Kort daarop stierf
hij. Hij was een van de beste koningen van Sparta.--3) Ag. II,
zoon van Archidamus III, werd in 338 koning van Sparta. Gedurende
Alexanders tochten in Azië vatte hij het plan op de Macedoniërs uit
de Peloponnesus te verdrijven; hij zocht daartoe steun bij eenige
perzische satrapen, die hem ook met geld en schepen hielpen. Met een
leger van 8000 huurlingen maakte hij zich eerst van Creta meester,
daarna viel hij in de Peloponnesus en bemachtigde hij een groot
deel daarvan. Eindelijk kwam Antipater, stadhouder van Macedonië,
met een leger opdagen; bij Megalopolis, voor welke stad Ag. het beleg
geslagen had, werd een bloedige slag geleverd, waarin de Macedoniërs
overwonnen en Ag. na eene heldhaftige verdediging sneuvelde (331).--4)
Ag. III volgde in 245 zijn vader Eudamidas als koning van Sparta op,
en wijdde zich terstond aan het wegnemen der misbruiken, die te Sparta
in den loop der tijden in staat en maatschappij waren ingeslopen. Het
aantal burgers was tot 700 verminderd, die alle grondbezit in handen
hadden; uit hen werden de ephoren gekozen, zoodat de staatsregeling
geheel oligarchisch geworden was; bovendien waren de oude wetten en
instellingen grootendeels vergeten. Door eenige weinige aanzienlijke
mannen en vrouwen gesteund, trachtte Ag. met jeugdig vuur en groote
zelfopoffering aan dien toestand een einde te maken; nadat eenige
zijner aanhangers ephoren geworden waren, deed hij het voorstel het
aantal burgers tot 4500 te vermeerderen en het land onder die burgers
en 15000 perioeken te verdeelen, tevens zouden alle schuldbrieven
vernietigd en de wetten van Lycurgus hersteld worden. Hijzelf bood
om te beginnen zijn aanzienlijk vermogen ter verdeeling aan. Maar
de tegenstand van zijn ambtgenoot Leonidas en de onwil van den raad
deden het plan mislukken, en het onverstandig gedrag van zijn oom
Agesilaus, die bekend stond als de eerste zijner partijgenooten, nam
het volk zoozeer tegen hem in, dat de ephoren hem, toen hij van een
ongelukkigen veldtocht tegen de Aetoliërs terugkeerde, ter dood konden
veroordeelen, 240. Met hem werden ook zijne moeder en grootmoeder ter
dood gebracht, die met geestdrift aan de beweging hadden deelgenomen.
Aglaïa, Aglaïa, 1) eene van de drie Chariten.--2) dochter van
Mantineus, moeder van Acrisius en Proetus.
Aglaophon, Aglaophon, 1) beroemd schilder, vader van Polygnotus.--2)
kleinzoon van den vorigen, eveneens schilder van naam.
Aglaurus, Aglauros = Agraulus.
Agmen is de naam van het leger in marschorde. De voorhoede wordt
primum agmen, de achterhoede novissimum agmen genoemd. Agmen quadratum
is eene marschorde, waarbij het leger zoo opgesteld was, dat het
bij een aanval onmiddellijk front tegen den vijand maken kon, met
den legertros, impedimenta, in het midden, òf wel de verschillende
legerafdeelingen, elke met haren tros, zoo opgesteld waren.
Agnati en cognati. Terwijl cognatio de natuurlijke bloedverwantschap
is, beteekent agnatio de verwantschap, voor zoover zij in het
romeinsche burgerlijk recht geldig is, en omvat de door mannen verwekte
of geadopteerde leden der familie. Iemands agnati zijn degenen, met
wie hij onder dezelfde patria potestas staat, dus moeders, broeders,
zusters en in sommige gevallen nog neven en nichten. Treedt hij
echter vóór 's vaders dood uit de patria potestas uit, dan gaat
het agnaatschap verloren, terwijl de geadopteerde de leden zijner
adoptieffamilie tot agnaten krijgt. Daar bij het ontbreken van nadere
erfgenamen de agnaten tot de erfenis konden geroepen worden, is het
agnaatschap in het romeinsch recht een belangrijk punt. Agnati zijn ook
de later geboren kinderen, d. w. z. die kinderen, die geboren worden na
den dood des vaders, of nadat hij reeds zijn testament gemaakt heeft.
Agnomen, zie nomen.
Agones, wedstrijden. Het houden van wedstrijden op elk denkbaar gebied
is voor de Grieken een levensbehoefte; het is één van de meest in
het oog vallende karaktertrekken van het Grieksche volk. De raad,
dien Hippolochus zijn zoon Glaucus, en Peleus zijn zoon Achilles
medegeeft, als ze ten oorlog trekken: aien aristeuein kai hypeirochon
emmenai allon was elken Griek naar het hart gesproken. Zelfs de oorlog
wordt door hen als een wedstrijd beschouwd, en de voordeelen van de
overwinning zijn dan de altha, de kampprijzen. Wanneer Xenophon in
de Anabasis de officieren van Proxenus aanvuurt, om den ongelijken
strijd tegen de Perzen vol te houden, zegt hij, na al de rijkdommen
en de overvloedige levensmiddelen in Perzië te hebben opgesomd: Al
dat goede ligt nu als kampprijzen ten toon gesteld voor wie van ons
beiden (Grieken en Perzen) het dapperst zich gedragen, en kamprechters
zijn de Goden (agonothetai d' hoi theoi eisin). Bij alle feestelijke
aangelegenheden worden wedstrijden georganiseerd, maar als oudsten vorm
vindt men ze als spelen ter eere van een afgestorvene; de bekendste
zijn die ter eere van Patroclus, door Achilles gehouden. Overigens
vindt men ze overal in de mythologie vermeld, waarbij het soms ruw
toeging. Ook in Etrurië, dat sterk onder Griekschen invloed staat,
vindt men deze lijkfeesten, z. ook gladiatores.
Verder vormen de spelen een hoofdbestanddeel der Grieksche
godsdienstige feesten. De oude schrijvers onderscheiden hierbij:
ag. gymnikoi, hippikoi en mousikoi. De vier groote nationale feesten
zijn die te Olympia (z. a.), Delphi (z. Pythia), Corinthe (z. Isthmia),
en Nemea (z. a.), waarbij dan in den Romeinschen tijd nog de Actia
(z. a.) komen. Zie verder Ludi.
Agonium of Agonale. Er zijn vier dagen in den kalender, die dezen
naam dragen: 9 Januari, 17 Maart, 21 Mei en 11 December. De beteekenis
van het woord is onbekend.
Agora, markt, oorspronkelijk de plaats, waar volksvergaderingen
gehouden werden, verder het middelpunt van het openbare leven en
vooral van het handelsverkeer, lag in zeesteden meestal aan het
strand, in andere steden aan den voet van de acropolis. Markten,
die in lateren tijd aangelegd waren, waren gewoonlijk vierkant, door
zuilengangen omgeven, en met tempels, standbeelden e. dgl. versierd.
Agoracritus, Agorakritos, beeldhouwer van Parus, leerling van
Phidias. Onder zijne werken was vooral beroemd een kolossaal beeld
van Nemesis, te Rhamnus geplaatst en, naar men zeide, gehouwen uit
een blok marmer, dat de Perzen naar Marathon hadden meegebracht,
om een zegeteeken er van op te richten.
Agoranomoi, tien beambten te Athene, van welke vijf in de stad en
vijf in den Piraeüs met de marktpolitie belast waren; zij hielden het
toezicht op de te koop geboden goederen en op maten en gewichten,
ontvingen de marktgelden, enz. Voor kleinere overtredingen konden
zij boeten opleggen. Ook de rom. aediles worden door gr. schrijvers
ag. genoemd.
Agraphiou graphe, aanklacht tegen iemand, die den staat geld schuldig
is en, zonder zijne schuld betaald te hebben, zich van de lijst der
staatsschuldenaars heeft laten schrappen. De aanklacht werd bij de
thesmotheten ingediend, de straf is onbekend.
Agrariae (leges). Deze wetten kunnen in twee rubrieken verdeeld
worden; 1º. de talrijke wetten betreffende het uitvoeren van coloniae,
aan wier bevolking dan in den omtrek hunner nieuwe woonplaats de
noodige akkergrond ter bebouwing werd aangewezen, 2º. de eigenlijke
akkerwetten, om het genot van den ager publicus (zie aldaar) meer
algemeen te maken. De voornaamste dezer wetten volgen hier. De
uitvoering evenwel werd vaak verijdeld, nu eens door geweld en moord,
dan weder door de zaak op de lange baan te schuiven.
Lex Cassia agraria, in 486 voorgesteld door Sp. Cassius Viscellinus,
die toen ten derden male consul was. Zij beoogde de toewijzing van
staatsgrond aan de plebejers; doch Sp. Cassius werd in het volgende
jaar beschuldigd van perduellio, en ter dood gebracht. Het bericht
omtrent dit wetsvoorstel is onhistorisch, zie Cassii no. 1. Slechts
staat vast, dat Cassius wegens perduellio veroordeeld is.
Lex Licinia Sextia agraria, 367, van de volkstribunen C. Licinius
Stolo en L. Sextius, dat niemand meer dan 500 iugera staatsdomein
in erfpacht mocht bezitten (één iugerum = omstreeks 1/4 hectare),
of meer dan 100 stuks groot vee of 500 stuks klein vee op de gemeene
weide mocht hebben; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije
daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal
hunner slaven. Deze wet, die slechts korten tijd toegepast is, is
niet van Licinius en Sextius, maar dateert uit de 2de eeuw; ze wordt
vermeld in het jaar 167, en is waarschijnlijk uit het jaar 196, toen
C. Licinius Lucullus (Licinii no. 21) tribunus plebis was.--Sommige
geleerden meenen, dat de wet wel uit 367 dateert; in dat geval moet
men aannemen, dat de wet in het begin van de 2de eeuw hernieuwd is.
Lex Flaminia de agro Gallico viritim dividendo, strekkende om grond
in Picenum en Cisalpina onder het volk te verdeelen, in 232 door den
volkstribuun C. Flaminius voorgesteld en in 228 tot uitvoering gekomen.
Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Ti. Gracchus van 133,
tot uitvoering der lex Licinia Sextia, met deze verzachting evenwel,
dat men voor een zoon in potestate patris nog 250, en voor een
tweeden evenzoo nog 250 iugera zou mogen bezitten. Bovendien werd
voor verbeteringen en voor gebouwen, op de ingetrokken landerijen
aangebracht, aan de vroegere possessores een schadeloosstelling
toegestaan. Een commissie van drie elk jaar opnieuw te kiezen leden
(IIIviri agris iudicandis adsignandis) zou uitmaken, wat ager publicus
en wat particulier eigendom was (ut triumviri iudicarent, qua publicus
ager, qua privatus esset), en tevens de vrijgevallen gronden in
stukken van 30 iugera tegen een kleine erfpacht toedeelen aan arme
burgers, met de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar
waren. Voor de eerste maal (in 133) werden gekozen: Tib. Gracchus,
die spoedig vermoord werd, zijn broer C. Gracchus, en zijn schoonvader
Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 12). De wet werd werkelijk
uitgevoerd, en werkte heilzaam. In 131 wilden de toenmalige IIIviri
M. Fulvius Flaccus (zie Fulvii no. 7) en C. Papirius Carbo ook den
ager publicus, die in handen der socii was, aan de bepalingen der wet
onderwerpen (waarschijnlijk omdat het andere land reeds opraakte),
hetgeen onaangenaamheden met de socii tot gevolg had. In 129 werd de
rechtspraak (zie hierboven) van de IIIviri overgebracht op de consuls,
waardoor de wet feitelijk buiten werking werd gesteld.
Lex Sempronia agraria van C. Gracchus, volkstribuun in 123, een
hernieuwing van de wet van zijn broer, waarbij de iurisdictio aan de
commissie teruggegeven werd. Deze wet is meer voor den vorm ingediend
en aangenomen, daar feitelijk alle ager occupatorius reeds verdeeld
was. Daarnevens liet C. Gracchus een nieuwe wet op den ager publicus
aannemen, waarbij het staatsland in Italië, dat tot nu toe verpacht
werd (zie ager publicus), bestemd werd tot het stichten van koloniën
(ager colonicus), en wel te Capua en te Tarentum; verder bracht hij
6000 Italianen over naar Carthago, die daar eene colonia civium
Romanorum, colonia Junonia geheeten, zouden vormen. Het verschil
tusschen de boeren, volgens de akkerwet van Tiberius Gracchus op
staatsland geplaatst, en deze kolonisten bestaat daarin, dat de eersten
afzonderlijk stonden (men spreekt dan van assignationes viritanae),
de tweeden daarentegen te zamen een gemeente vormden (zie colonia
no. 2). Na Gracchus' dood werden Carthago en Capua weder opgeheven;
het eigen gemeentebestuur verviel dus, maar de boeren mochten op hun
land blijven; Tarente werd bij de oude Grieksche gemeente ingedeeld.
Rogationes Liviae agrariae van den volkstribuun M. Livius Drusus 122
v. C. ingediend om de macht van C. Gracchus te breken:
1º een wetsvoorstel, waarbij aan de eigenaars van agri assignati
(zie lex Sempronia agraria) de erfpacht werd kwijtgescholden,
en de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren,
werd opgeheven.
2º een wetsvoorstel tot het stichten van 12 coloniae in Italië.
Het tweede wetsvoorstel is òf niet aangenomen òf ingetrokken; van
het eerste is de tweede bepaling al spoedig wet geworden, de eerste
eerst bij de
Lex Thoria agraria van 118 of 114 doorgevoerd, terwijl tegelijkertijd
verdere assignatio van ager publicus verboden werd.
Nu volgde eene
Lex agraria van 111, waarbij zoowel de ager assignatus als de ager
occupatus tot privaateigendom werd verklaard, zoodat de vroegere
possessores nu niets meer te vreezen hadden.
Lex Appuleia agraria van 103 en
Lex Appuleia agraria van 100, van den volkstribuun L. Appuleius
Saturninus. Van de eerste wet is niets bekend; de tweede bepaalde, dat
het land, dat in Gallia Cisalpina door de Cimbern in bezit genomen,
maar hun door den slag bij Vercellae weer ontnomen was, aan arme
burgers, vooral aan de veteranen van Marius, en aan arme italiaansche
bondgenooten zou uitgedeeld worden. De wet is aangenomen, maar na
den dood van Appuleius ongeldig verklaard. Misschien is echter de
stichting van Eporedia, in het land der Salassers in 100, een gevolg
van deze wet. Zie ook Appuleiae (leges) no. 2.
Lex Titia agraria van 99, van den volkstribuun Sex. Titius, een
hernieuwing van de wet van Appuleius. Deze wet had geen gevolg;
misschien werd ze niet eens aangenomen.
Leges Liviae agraria et de coloniis deducendis van 91, van den
volkstribuun M. Livius Drusus. Het land, dat men voor de kolonies in
Italië noodig had, zouden de socii moeten afstaan, die als vergoeding
het burgerrecht zouden krijgen. Na Livius' dood werden zijn wetten
door den senaat ongeldig verklaard.
Leges Corneliae agrariae van 81, van den dictator L. Cornelius
Sulla, waarbij aan de inwoners van een aantal democratisch gezinde
municipia hun land ontnomen werd, en aan de soldaten van Sulla werd
toegewezen. De tengevolge van deze wetten gestichte kolonies worden
gewoonlijk militaire kolonies genoemd.
Rogatio Servilia agraria van 63, van den volkstribuun P. Servilius
Rullus, tot aankoop van grond, om dien onder de arme burgers te
verdeelen. Waarschijnlijk wilde men vooral de veteranen van Pompeius,
die weldra terug verwacht werd, met land voorzien. Vooral de ager
Campanus, tot nu toe gespaard, was hiervoor aangewezen. Cicero, die
consul was, maakte in drie redevoeringen (de lege agraria contra
P. Servilium Rullum) het wetsvoorstel zoozeer af, dat het niet in
behandeling kwam, en door den voorsteller werd ingetrokken. Vooral
viel Cicero het voorstel aan om het beginsel, dat een commissie van
10 mannen voor vijf jaar met uitgebreide volmacht tot uitvoering
der wet zou gekozen worden, decem reges.... orbis terrarum domini,
zooals Cicero zich uitdrukt.
Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, van dezelfde
strekking als de volgende.
Lex Flavia agraria van 60, van den volkstribuun L. Flavius, een
herhaling in zachteren vorm van de lex Servilia van 63. L. Flavius
stelde de wet voor in opdracht van Pompeius; de bedoeling was, de
soldaten van Pompeius aan land te helpen. De wet werd niet aangenomen.
Lex Julia agraria van 59, ook lex Campana geheeten, van den
consul C. Julius Caesar, tot verdeeling van den Campus Stellas of
Stellatis bij Cales, en van het gebied van Capua (den ager Campanus)
onder arme burgers, die minstens drie kinderen hadden. Verder werd
bepaald, dat ook elders in Italië de nog aanwezige ager publicus zou
gebruikt worden, en men uit de staatskas land ter verdeeling moest
aankoopen. Deze wet werd door Caesar doorgedreven, en tengevolge
daarvan verhuisden 20.000 arme romeinsche burgers naar den ager
Campanus. Capua werd nu wederom een municipium.
Lex Antonia agraria van 44 van M. Antonius, waarvan de inhoud
niet juist bekend is, maar die ten doel schijnt gehad te hebben,
in Italia een aantal landbouwkolonies te stichten ten behoeve van
arme burgers. Deze wet werd in het volgend jaar weer opgeheven.
Dit is de laatste eigenlijke lex agraria, want de volgende hebben
uitsluitend betrekking op militaire koloniën, waarbij het land van
gezeten burgers aan oudgedienden werd gegeven.
Agraulus, Aglaurus, Agraulos, Aglauros, 1) dochter van Actaeus,
gemalin van Cecrops.--2) dochter van Cecrops, stortte zich, om Athene
te bevrijden van een langdurigen oorlog, waardoor het geteisterd
werd, vrijwillig van de acropolis, daar een orakel voorspeld had,
dat zulk een offer een einde aan den oorlog zoude maken. V. a. was
Hermes verliefd op hare zuster Herse, en toen Agr. hem eens uit
jaloerschheid wilde beletten Herse te bezoeken, veranderde hij
haar in een steen. V. a. had Athena aan haar en hare zusters een
kistje toevertrouwd, waarin de jonge Erichthonius bewaard was; uit
nieuwsgierigheid opende Agr. met Herse het kistje, maar nauwelijks
was dit geschied, of beide zusters werden waanzinnig, en wierpen
zich van de acropolis in de diepte. Agr. werd als een goddelijk
wezen vereerd. Men bracht haar zoenoffers, en in haar tempel deden
de achttienjarige Atheners bij het ontvangen hunner wapenen den eed
van trouw aan het vaderland. Haar dienst hangt nauw samen met dien
van Athena zelve, die ook den bijnaam Agr. heeft.
Agri decumates. Onder dezen naam verstaat men de streek land, begrepen
tusschen den Rijn, den Main en den Neckar, die door keizer Domitianus
bij het rijk werd gevoegd, en aan gallische boeren tegen betaling van
tienden ter bewoning werd overgelaten. Later komt dit gebied binnen
den germaansch-raetischen limes (z. a.) te liggen.
Agrianes, Agrianes, thracisch volk aan den Strymon. In het leger
van Alexander d. G. bewezen zij als lichtgewapenden of boogschutters
voortreffelijke diensten.