op wettige wijze, aan het hoofd van den staat gesteld wordt. Dit
geschiedde vooral in tijden van burgertwisten, en het was dan de
taak van den Aes. pogingen te doen om de partijen te verzoenen, de
geschilpunten uit den weg te ruimen, de noodige veranderingen in de
wetten te maken, enz.--In sommige staten werd daarna de naam voor
een van de gewone overheden behouden.
Aethalia, Aithalia, of Ilva, eiland in de tyrrheensche zee, thans
Elba. Het hoorde tot de etruscische stad Populonia, die de rijke
ijzermijnen van het eiland exploiteerde.
Aethalides, Aithalides, zoon van Hermes en Eupolemea, heraut der
Argonauten. Hij had een zeer sterk geheugen, dat hem ook in de
onderwereld bijbleef, zoodat, toen zijne ziel na vele omzwervingen
in het lichaam van Pythagoras terechtkwam, zij zich nog alles wist
te herinneren, wat zij had ondervonden in de verschillende lichamen,
waarin zij gehuisd had.
Aether, Aither, de hoogere lucht, die de hemelruimte en de woning
der goden vult, in tegenstelling van de lagere lucht (aër), die de
aarde omgeeft. De aether werd beschouwd als een der grondstoffen
van het heelal, in de orphische hymnen als de wereldziel, waaruit
alle leven ontstaan is. Bij dichters is Aether de zoon van Erebus
en Nyx of van Chaos en Caligo, en de vader van Aarde, Hemel, Zee,
e. a. Als schenker van den vruchtbaren regen is soms Aether = Zeus.
Aethiopes, Aithiopes, oorspronkelijk alle donkerkleurige menschen,
zoowel in Azië als in Afrika; zij wonen aan het einde der aarde, en
verheugen zich om hun vroomheid in de bizondere gunst der goden, die
hen dikwijls bezoeken om plechtige offers in ontvangst te nemen. Later
onderscheidde men de oostelijke Aeth. met sluike haren (in Gedrosia
e. e.) van de westelijke met krullend haar, die in Aethiopië woonden
en meer in het bijzonder met dien naam aangeduid werden.
Aethiopia, Aithiopia, aan den Nijl. Het lag ten zuiden van Aegypte
en was beroemd door zijne beschaving, die van Aegypte uit zich
dáár verbreidde. In de oudheid wordt op verschillende tijden van
verschillende rijken melding gemaakt. In het noorden lag Napata,
tijdens keizer Augustus het rijk der oorlogzuchtige koningin
Candace. Tusschen de Nijlarmen Astapus en Astaboras had men in
overoude tijden den priesterstaat Meroë, die over talrijke negerstammen
heerschte. Nog meer zuidelijk lag het rijk van Axoma of Auxume (z.a.),
waarschijnlijk ontstaan door de 240,000 krijgslieden, die onder de
regeering van koning Psammetichus of Psamtik uit Aegypte uittogen.
Aethra, Aithre, dochter van Pittheus, gemalin van Aegeus, moeder
van Theseus. Toen Theseus Helena geschaakt had, plaatste hij haar te
Aphidnae onder de hoede van zijne moeder, maar toen Helena door de
Dioscuren teruggehaald werd, namen zij ook Aethra mede. Sedert leefde
zij als slavin van Helena, en zoo kwam zij later met haar te Troje;
na de inneming van deze stad werd zij echter door haar kleinzonen
Acamas en Demophon herkend en naar Attica teruggebracht.
Aëtion, Aetion, beroemd schilder in den tijd van Alexander den Gr.;
onder zijne werken muntte vooral uit de schilderij, voorstellende de
bruiloft van Alexander en Roxane.
Aëtius, rom. veldheer, die in 451 n. C., verbonden met Franken,
Westgothen en Burgundiërs, in de Catalaunische velden (de vlakte van
Châlons-sur-Marne) de Hunnen onder Attila versloeg. Hij werd later
door keizer Valentinianus III uit achterdocht omgebracht (454).
Aetna, Aitne, de bekende vulkaan op Sicilia, waaronder volgens de mythe
de Gigant Typhon of Enceladus bedolven lag en waarbinnen Hephaestus
of Vulcanus met zijne Cyclopen de bliksems voor Jupiter smeedde. In
den Aetna wierp zich de wijsgeer Empedocles (z. a.). Aan den voet van
den berg lag de stad Aetna, door de uit Catana verdreven Syracusanen
en Peloponnesiërs gesticht op de plaats van het vroegere Inessa (461).
Aetolia, Aitolia, landschap in Hellas, met ruwen bodem, rijk
aan bergen en bosschen, met eene half barbaarsche, uit allerlei
bestanddeelen saamgesmolten, roofzuchtige bevolking. Onder de oudste
inwoners worden Cureten, Lelegers, Hyanten genoemd, waarbij zich
Eleërs voegden. Er waren veel wilde dieren. De inwoners spraken een
voor Grieken onverstaanbaar patois, en leefden meestal in dorpen
verspreid. Onder den invloed van corinthische volksplantingen op de
kust verspreidde zich de beschaving, hoewel eerst laat. Na Alexander
den Gr. hebben de Aetoliërs nog eene rol in de geschiedenis gespeeld
(zie Aetolisch verbond). In Aetolia behooren de mythen te huis van
Meleager en het calydonische zwijn, den strijd tusschen Heracles en
den riviergod Achelous, de straf der Echinaden. Men onderscheidde
Oud-Aetolia (ten archaian Ait.), zijnde de grootste westelijke helft,
en ten epikteton Ait., het later bijgevoegde.
Aetolisch verbond. De steden van Aetolië waren tengevolge van
hun afgesloten ligging wel altijd vreemd gebleven aan de grieksche
beschaving, zoodat de inw. zelfs veelal barbaren genoemd werden, maar
hadden zich door dezelfde oorzaak ook altijd van vreemde overheersching
vrijgehouden. Na den dood van Alexander den Gr. sloten zij zich nauwer
hij elkander aan en vormden zij een verbond (to koinon ton Aitolon)
onder leiding van een strateeg en een grammateus, bijgestaan door
een raad van synedroi, of apokletoi, terwijl minstens eenmaal in
het jaar een algemeene vergadering werd gehouden. Hun hoofdstad was
Thermum, Thermon (z. a.). Toen nu Antipater en Craterus tevergeefs
getracht hadden hen voor hunne deelneming aan den lamischen oorlog te
tuchtigen, begon het aet. verbond naar uitbreiding te streven. Dit
gelukte: het maakte zich meester van Locris, Phocis, enz., en zelfs
verscheiden peloponnesische staten behoorden tot het verbond; ook
veroverden zij Delphi (290), wat aanleiding gaf tot den laatsten
oorlog der Amphictyonen. Aanvankelijk met Macedonië verbonden,
verbraken de Aet. dit bondgenootschap weldra en vooral sedert het
achaeisch verbond zich aan Macedonië had aangesloten, hielden zij
de zijde der Lacedaemoniërs. Toen de Romeinen begonnen te trachten
invloed in Griekenland te krijgen, sloten ook zij zich aan bij den
vrede van Naupactus (217 z. Philippus no. 5), doch door Philippus
in hun verwachtingen teleurgesteld, zochten zij later nu en dan
de vriendschap der Romeinen en in den slag bij Cynoscephalae (197)
streden zij met dezen tegen Philippus. Door hen met ondank behandeld,
riepen zij Antiochus d. G. ter bevrijding van Griekenland op, en
na diens nederlaag moesten zij zich onvoorwaardelijk aan den consul
M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) overgeven (189). Sedert 146 waren
de aetolische steden een deel der provincie Achaia.
Aetolus, Aitolos, 1) zoon van Endymion en Asterodia of Chromia of
Hyperippe. Hij volgde zijn broeder Epeus in de regeering over Elis
op, maar nadat hij door onvoorzichtigheid Apis gedood had, vluchtte
hij naar de omstreken van den Achelous, die door de Cureten bewoond
werden; sedert dien tijd heet dit land naar hem Aetolië.--2) zoon van
Oxylus en Pieria, die jong stierf, en wien de gymnasiarch te Olympia
jaarlijks een lijkoffer bracht.
Afer (Domitius), uit Nemausus (Nîmes) in Gallia, een zeer beroemd
redenaar ten tijde van Tiberius en Caligula. Hij trad meermalen als
beschuldiger op. Hij behoorde niet tot de rom. gens Domitia.
Afranii. Er zijn verschillende personen van dezen naam bekend. Eene
gens Afrania wordt niet genoemd. 1) L. Afranius, blijspeldichter,
omstreeks 150 geboren, wordt voor den voornaamsten dichter der comoedia
togata gehouden. Er zijn slechts fragmenten van hem overgebleven.--2)
L. Afranius, een man van geringe afkomst, had onder Pompeius in
Spanje en Azië gediend, en werd door diens invloed in 60 tot consul
verkozen. Later was hij Pompeius' legaat in Spanje, en streed aldaar
in den burgeroorlog tegen Caesar. Toen hij genoodzaakt werd, den
strijd in Spanje op te geven, begaf hij zich met zijn medelegaat
Petreius tot Pompeius en woonde den slag bij Pharsalus bij, waar
Pompeius door Caesar werd verslagen. Afranius vluchtte naar Africa,
nam dáár in 46 deel aan den slag bij Thapsus, werd door P. Sittius
(z. Sittii) gevangen genomen en door de soldaten van Caesar gedood.--3)
Sex. Afranius Burrus, meest onder den naam Burrus bekend, was onder
keizer Claudius, sedert 51 n. C. praefectus praetorio, en bewerkte na
diens dood de verheffing van Nero. Met den wijsgeer L. Annaeus Seneca
trachtte hij op Nero steeds een invloed ten goede uit te oefenen,
en weigerde standvastig, aan den moord op Agrippina en Octavia deel
te nemen. Naar men beweerde, heeft Nero hem door vergif uit den weg
geruimd (62 n. C.). De Romeinen betreurden hem zeer.
Africa. Het werelddeel Afrika was bij de ouden bekend als Libya, Libye,
en eerst onder de rom. heerschappij ging de naam van de provincie
Africa (het vroegere gebied van Carthago) op het geheele werelddeel
over, althans voorzoover dit bekend was. Tot in de vijfde eeuw vóór
Chr. werd Afrika niet als een afzonderlijk werelddeel beschouwd,
maar nu eens tot Europa, dan weder tot Azië gerekend. Alleen het
noordelijkste gedeelte was bekend. Hoewel de aegyptische koning Necho
Afrika door phoenicische zeevaarders liet omzeilen, ging de hierdoor
verworven kennis niet op de lateren over; men verbeeldde zich, dat
Afrika naar het zuiden steeds breeder werd, en Claudius Ptolemaeus,
de beroemde geograaf uit den tijd der Antonijnen, laat zelfs de
afrikaansche kust bezuiden den indischen oceaan omloopen en zich,
achter den indischen archipel om, met de kust van China vereenigen,
waardoor de indische zee tot eene groote binnenzee wordt. De
verschillende deelen der noordkust, van het W. naar het O. gaande,
waren, volgens de indeeling van Ptolemaeus, de volgende: Mauretania,
Numidia, Africa, Tripolis, Cyrenaïca, Marmarica, Aegyptus. Het
Nijldal werd dikwijls nog tot Azië gerekend. Bij Herodotus wordt
Afrika verdeeld in Aegyptus, Aethiopia en Libya, welk laatste weder
onderscheiden wordt in het door menschen bevolkte (oikoumene), het
door wilde dieren bewoonde (theriodes), en de woestijn (he psammos).
Africa propria, of alleen Africa, dat na de verwoesting van Carthago
rom. provincie werd (146), omvatte ongeveer het tegenwoordige
Tunis. Het werd verdeeld in twee districten: Zeugitana, de noordelijke,
en Byzacium, de zuidelijke helft. De Rom. trokken er veel koren uit.
Africa nova = de Romeinsche provincie Numidia, zie Ampsaga en Numidia.
Africanus, bijnaam zoowel van P. Cornelius Scipio, die in 202 Hannibal
bij Zama versloeg en Carthago tot den vrede dwong, als van P. Cornelius
Scipio Aemilianus, die in 146 Carthago innam en verwoestte. De eerste
wordt Africanus maior, de andere minor geheeten.
Africus, Lips, de Zuidwestenwind, is meestal stormachtig, zie
Windstreken.
Agamedes, Agamedes, zoon van den orchomenischen koning Erginus. Hij en
zijn broeder Trophonius waren zeer bekwame bouwmeesters, o. a. bouwden
zij voor Hyrieus, koning van Hyria of voor Augias, koning van Elis,
een schatkamer, die zij zoo maakten, dat zij van buiten een steen uit
den muur konden nemen, en dus binnen konden komen zonder de sloten
te verbreken. Toen zij nu eenigen tijd van de daar bewaarde schatten
gestolen hadden, werd Ag. in een strik gevangen en uit vrees voor
ontdekking sneed Trophonius hem het hoofd af en nam het mede. Tot
straf voor dezen moord werd hij in het bosch van Lebadea bij het
graf van Ag. door de aarde verzwolgen. Hier was later het orakel van
Trophonius (z. a.). V. a. waren Ag. en Trophonius de bouwmeesters van
den delphischen tempel; toen zij dit werk voltooid hadden, vroegen zij
Apollo om eene belooning, en de god antwoordde, dat zij zeven dagen in
vroolijkheid moesten doorbrengen en daarna hun loon zouden ontvangen;
op den achtsten dag werden de beide broeders dood gevonden.
Agamemnon, Agamemnon, zoon van Atreus of Plisthenes en Aërope. Toen
Thyestes Atreus vermoord en zich van de regeering over Mycenae meester
gemaakt had, vluchtte Ag. met zijn broeder Menelaus naar Sparta
bij Tyndareos, en huwden zij met de dochters van dezen: Ag. met
Clytaemnestra, Menelaus met Helena. Later verdreef Ag. Thyestes
weder of hij volgde hem na zijn dood op; door veroveringen breidde
hij zijn rijk uit en werd hij de machtigste vorst van Griekenland. In
den trojaanschen oorlog, waarvoor hij 100 schepen leverde, werd hij
tot opperbevelhebber gekozen; in deze hoedanigheid betoonde hij zich
zoowel een goed vorst, als een dapper strijder. Toch hadden zijne
daden dikwijls voor het leger nadeelige gevolgen. Te Aulis doodde hij
door onvoorzichtigheid een hinde van Artemis, waarover deze godin zich
wreekte door windstilte te zenden, waaraan eerst een einde kwam, toen
Ag. haar zijne dochter Iphigenia als offer had aangeboden. Voor Troje
beleedigde hij den priester Chryses, waarvoor Apollo het leger met
pest strafte. Bizonder noodlottig voor de Grieken was zijn twist met
Achilles (z. Briseis). Na de verovering van Troje keerde hij, na lang
op zee rondgezworven te hebben, naar zijn rijk terug, maar Aegisthus,
die gedurende de afwezigheid van Ag. diens vrouw Clytaemnestra tot
overspel verleid had, doodde hem terstond na zijne aankomst bij
een maaltijd, of Clytaemnestra wierp een net over hem, toen hij in
het bad was, waarop Aegisthus hem doodde. Hij werd op verscheiden
plaatsen in Griekenland als halfgod vereerd. De kinderen van Ag. en
Clytaemnestra zijn: Iphianassa (Iphigenia), Chrysothemis, Laodice
(Electra) en Orestes.
Agamemnonides, Agamemnonides, Orestes, zoon van Agamemnon.
Agamiou graphe, aanklacht wegens het niet aangaan van een
huwelijk. Straffen op het niet aangaan van een huwelijk komen,
voorzoover wij na kunnen gaan, alleen voor in Sparta en Creta. Zij,
die na een zekeren leeftijd ongehuwd bleven waren atimoi, waren
uitgesloten van de Gymnopaediae (z. a.) en hadden ook overigens veel
smaad te verduren.
Aganippe, Aganippe, 1) dochter van den riviergod Termessus, nimf
van de bron Aganippe bij Thespiae, die door den hoefslag van Pegasus
ontstaan was, en waarvan het water dichterlijke bezieling gaf.--2)
= Eurydice no. 2.
Aganippides heeten de Muzen, naar de bron Aganippe.
Agasias, Agasias, beeldhouwer uit Ephesus, die op het einde der
2de eeuw te Rome werkte. Een van zijne werken, een zwaardvechter
voorstellend, is nog bewaard gebleven.
Agatharchides, Agatharchides, grieksch geschiedschrijver en geograaf
uit de 2de eeuw. Van zijne historische werken is weinig over: van
zijn werk over de Roode Zee is nog een uittreksel bewaard van het
1ste en 5de boek.
Agatharchus, Agatharchos, van Samus, zoon van Eudemus, leefde te
Athene omstreeks het midden der 5de eeuw. Hij was een zeer gezocht
schilder, hielp Aeschylus bij het inrichten van zijn tooneel, en was
de eerste tooneelschilder. Over tooneelschilderwerk (skenographia)
zou hij een werkje geschreven hebben.
Agathemerus, Agathemeros, grieksch geograaf, die waarschijnlijk in
de 4de eeuw na C. leefde; van zijn werk bestaan nog fragmenten.
Agathocles, Agathokles, 1) zoon van Carcinus, een pottenbakker te
Thermae op Sicilië, waar Ag. in 360 geboren werd. Daar deze stad toen
aan de Carthagers behoorde, en een orakel verkondigd had, dat deze
knaap eens groot onheil over Carthago brengen zou, vluchtte zijn
vader, toen dit orakel bekend geworden was, met hem naar Syracuse,
en werd daar burger. In den krijgsdienst getreden, onderscheidde
Ag. zich reeds vroeg, hij werd de gunsteling van den rijken Damas,
en na diens dood volgde hij hem als veldheer op en trouwde hij met
diens weduwe. De oligarchische partij, die toen aan het roer was,
wantrouwde hem echter en bewerkte zijne verbanning, daarop trad hij
in tarentijnschen dienst, en daar hij alle ontevredenen uit Syracuse
tot zich wist te trekken, was hij weldra sterk genoeg om aan de
oligarchische heerschappij een einde te maken. Reeds toen verdacht
men hem echter van het streven naar de alleenheerschappij, en spoedig
werd hij weder verbannen; toen hij echter eenmaal door geweld verkregen
had dat hij teruggeroepen werd, kreeg hij door zijn verstandig gedrag
in korten tijd de macht om zijne plannen uit te voeren. Hij zocht de
gunst van het leger te verwerven, en daarop steunende, liet hij een
groot aantal oligarchen dooden, een nog grooter aantal verjoeg hij,
en daarop liet hij zich het oppergezag opdragen (317). Door Tarentum
ondersteund, kon hij het hoofd bieden aan de moeilijkheden, waarin
de verbannenen hem wikkelden, en Agrigentum, dat hen hielp, werd
tot vrede gedwongen (313). Twee jaar later geraakte hij in oorlog
met Carthago; hij voerde dien oorlog in het begin niet zonder geluk,
maar in 310 leed hij een groote nederlaag bij de Himera, waarna de
carthaagsche veldheer Hamilcar hem in Syracuse kwam belegeren. In
deze omstandigheden had Ag. nog de vermetelheid den oorlog naar Afrika
over te brengen; met 60 schepen, voornamelijk met huurtroepen bemand,
sloeg hij zich door de vijandelijke vloot heen en landde hij op de
afrikaansche kust. Daarop drong hij met zijne troepen het land in,
en versloeg hij een driemaal sterker leger der Carthagers, zoodat
Hamilcar van Sicilië uit hulp moest zenden; door beleid, wreedheid
en trouweloosheid wist hij zich bondgenooten te verschaffen en zich
te gelegener tijd weder van hen te ontslaan (z. Ophellas), ook een
gevaarlijken opstand in zijn leger onderdrukte hij, en eindelijk
zou hij Carthago zelf aanvallen, toen berichten van de toestanden op
Sicilië hem noopten terug te keeren. Maar de aristocratische partij,
door Agrigentum gesteund, had zich gedurende zijne afwezigheid zoo
versterkt, dat hij toen niets kon uitrichten, daarom keerde hij spoedig
naar Afrika terug, waar zijn zoon intusschen ook groote verliezen
geleden had, en waar hij het leger in den uitersten nood vond. Het
gelukte hem niet het verlorene te herwinnen, en toen het gerucht
zich in het leger verspreidde, dat hij van plan was te vluchten,
werd hij door zijn eigen soldaten gevangen gehouden; weldra werd hij
echter vrijgelaten, en toen vluchtte hij inderdaad naar Sicilië (306),
waarop de verbitterde soldaten zijne zonen vermoordden en grootendeels
tot de Carthagers overliepen. Nu vond Ag. het geraden vrede te sluiten
met de Carthagers; voor een som geld liet hij hen de sicilische steden
behouden, waarop zij aanspraak maakten, en ook met de aristocraten kwam
het tot een verstandhouding. Daarna nam hij den titel van koning der
Siciliërs aan en sedert schijnt hij minder hard geregeerd te hebben;
hij bevestigde zijne macht door oorlogen in Italië, veroverde ook
Corcyra (298) en dacht er altijd over, ook den strijd tegen Carthago
te hernieuwen, maar voordat hij zijne plannen ten uitvoer kon brengen,
stierf hij (289) na een regeering van 28 jaar. Men verhaalde, dat hij
een door zijn kleinzoon vergiftigden tandenstoker gebruikt had, en dat
hij, om zich te bevrijden van de daardoor veroorzaakte ondragelijke
pijnen, zich levend had laten verbranden. Hij was een man van groote
gaven, en een groot veldheer, en hoewel hij, om zijn doel te bereiken,
voor geen wreedheid terugdeinsde, was hij toch bij het volk zeer
geliefd.--2) zoon van Lysimachus, onderscheidde zich in de oorlogen
door zijn vader gevoerd. Door zijne stiefmoeder belasterd, werd hij
op last van zijn vader door Ptolemaeus Ceraunus vermoord (284).
Agathon, Agathon, zoon van Tisamenus, atheensch treurspeldichter,
geb. vóór 436. Hij was een schoon, rijk en fijnbeschaafd man, opgevoed
in de school der sophisten, en bevriend met Plato en Euripides;
een gedeelte van zijn leven (na 407) bracht hij aan het hof van
Archelaus van Macedonië door. Van zijne werken bestaan nog slechts
eenige fragmenten.
Agathyrna of Agathyrnum, Agathyrna of -non, stad op de noordkust van
Sicilia, tusschen Tyndaris en Calacte.
Agathyrsi, Agathyrsoi, vreedzaam en rijk sarmatisch volk aan de rivier
Maris, afstammelingen van Agathyrsus, zoon van Heracles. Het is een
thracisch volk, dat in den Romeinschen tijd onder den naam Dakoi,
Daci optreedt, z. Dacia. Zij plachten zich te tatoueeren (picti).
Agave, Agaue, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus.
Agbatana, ta Agbatana = Ecbatana.
Agdistis, Angdistis, een te gelijk mannelijk en vrouwelijk monster, uit
Zeus gesproten. Later werden de twee helften van elkander gescheiden,
en ontstond uit het mannelijk gedeelte een amandel- of granaatboom,
die door een wonder de vader werd van Atys. De vrouwelijke helft
werd Cybele.
Agedincum, thans Sens, ten Z.O. van Parijs, hoofdstad der Senones.
Ageladas, Ageladas, naam van twee beeldhouwers uit Argos; de eerste
leefde omstreeks het einde der 6de, de andere omstreeks het midden
der 5de eeuw.
Agele, in dorische staten, vooral op Creta, vereenigingen, waarvan
jongelingen boven 17 jaar tot hun huwelijk leden waren. De leden
(agelastoi of agelatai) woonden bij dag, en gewoonlijk ook bij nacht,
in een gemeenschappelijk gebouw, en hielden met elkander spelen,
oefeningen, jachtpartijen, enz. Bij hun intreden in de ag. legden
zij den eed af, dat zij de staatsregeling trouw zouden verdedigen;
zij stonden onder de leiding van den vader van den oprichter der ag.,
gewoonlijk een aanzienlijk man.
Agema, Agema, koninklijke lijfwacht, keurbende der macedonische
ruiterij, gevormd uit jongelieden van voorname familiën, die als
pages (paides basilikoi) aan het hof opgevoed waren. Een ander agema
(pezikon, basilikon) z. hypaspistes.
Agennum = Aginnum.
Agenor, Agenor, 1) zoon van Poseidon en Libye, vader van Cadmus en
Europa, stamvader der Phoeniciërs en dus ook der Carthagers.--2)
zoon van Antenor en Theano, een van de dapperste trojaansche helden,
door Neoptolemus gedood.
Agenorides, Agenorides, zoon of afstammeling van Agenor, bijv. Cadmus,
Perseus, e.a.
Agentes in rebus, in de 4de eeuw n. C. een corps bereden boodschappers
van den keizer, staande onder den magister officiorum. Ze moesten
de bevelen des keizers naar de provincies overbrengen, hadden het
toezicht over de postdienst, en waren berucht als spionnen van de
keizerlijke regeering en om hun afpersingen.
Ager publicus. Wanneer de Romeinen eene landstreek onderworpen hadden,
werd gewoonlijk een gedeelte, meestal een derde, van den veroverden
bodem door den rom. staat in beslag genomen en tot staatsdomein,
ager publicus, gemaakt. Met dezen grond werd zeer verschillend
gehandeld. Een gedeelte werd door de quaestoren ten bate der schatkist
verkocht, ager quaestorius. Andere stukken werden aan rom. burgers
weggeschonken, soms in persoonlijken eigendom (ager assignatus of
ager viritanus), soms in gemeenschap, b.v. aan eene kolonie (ager
colonicus). Weder andere gedeelten, met name weiland, ager compascuus,
werden tegen eene jaarlijksche vaste pacht, aan de oude bewoners
in gebruik afgestaan of tegen een bepaald weidegeld (scriptura) aan
publicani verpacht (ager scripturarius). Doch het belangrijkste deel
werd afgestaan aan rom. burgers, tegen eene erfpacht. In den beginne
waren het alleen patriciërs, die perceelen van het staatsdomein
in bezit konden nemen, en later alleen de meervermogenden, daar de
perceelen te groot waren en te veel bedrijfskapitaal vereischten, om
door den kleinen man te kunnen worden aanvaard. Zulke gronden werden
agri occupatorii of arcifinales geheeten. Het bezit er van was geen
dominium, maar slechts possessio. In naam werden zij uitgegeven tot
wederopzeggens toe; doch daar de staat van zijn recht van opzegging
geen gebruik maakte, werd de possessio langzamerhand als eene soort
van eigendom beschouwd, vooral wanneer zij eenige malen door erfenis
in andere handen was overgegaan. In overeenstemming met dit begrip
was op deze gronden veel ontgonnen en verbeterd, en wanneer nu door
enkele wetten het bezit van groote perceelen er van verboden en de
teruggave gelast werd van hetgeen men te veel bezat, ten einde den
minderen man te gemoet te komen, dan lag in die plotselinge opzegging
eene hardheid. Vandaar de tegenstand, dien zulke leges agrariae
vonden. Zie verder agrariae leges.
Ager Gallicus, het land, dat de Senonische Galliërs (zie Senones) in
Umbrië bezeten hadden, en dat na hun vernietiging met Rom. kolonies
bevolkt werd.