de godin Aphrodite (Venus), op den berg Ida geboren en te Dardanus,
bij Alcathoüs, den man zijner zuster Hippodamea, opgevoed, nam
eerst geen deel aan den strijd tusschen Trojanen en Grieken, totdat
hij bij zijne kudden op den Ida door Achilles werd overvallen en
beroofd. Sedert dezen tijd was hij met Hector de steun der Trojanen,
onversaagd, door goden en menschen bemind en geëerd om zijn vroomheid
en wijsheid. Evenals Achilles is Aeneas de zoon eener godin en heeft
hij goddelijke paarden; hij wordt door Priamus gehaat, gelijk Achilles
door Agamemnon. Homerus ziet in Aeneas den toekomstigen beheerscher
van het herbouwde Troje, en de rom. sage, welke Aeneas na tal van
omzwervingen en lotgevallen in Italië laat landen, is dus van lateren
tijd dan de Ilias. De wijze, waarop Aeneas uit het brandende Troje
ontkwam, wordt verschillend verhaald. Livius laat hem bij verdrag
aftrekken. Virgilius laat hem vluchten met de Penaten van Troje in
de eene en zijn jeugdigen zoon Ascanius of Iulus aan de andere hand,
zijn ouden vader op de schouders dragende en gevolgd door zijne vrouw
Creusa, die hij echter bij de nachtelijke vlucht verliest. Zijne
lotgevallen zijn uitvoerig geschilderd in de Aeneïs. Het eerste
boek van dit epos verplaatst ons in het zevende jaar van Aeneas'
zwerftochten, op het oogenblik dat de wraakzuchtige Juno den god der
winden, Aeolus, verzoekt, de vloot van Aeneas door een hevigen storm te
doen vergaan. Doch Neptunus brengt golven en winden tot bedaren en met
verlies van slechts één enkel schip landt Aeneas op de afrikaansche
kust, waar hij bij Dido, de stichteres van Carthago, een gastvrij
onthaal vindt. In boek 2 en 3 verhaalt Aeneas den ondergang van Troje
en zijn eigene redding, hoe hij met 20 schepen het trojaansche gebied
verliet, eerst in Thracia eene stad wilde stichten, doch door ijselijke
wonderteekenen werd afgeschrikt, hoe het delische orakel hem beval,
het oude moederland der Dardaniden op te zoeken, en hoe zij toen
op Anchises' raad den steven naar Creta wendden, vanwaar Teucer, de
schoonvader van Dardanus en dus een van de stamvaders der Trojanen,
afkomstig was (volgens een andere mythe werd Teucer de schoonzoon
van Dardanus). Eene pestziekte verdrijft de Trojanen weder van Creta,
terwijl de Penaten in een droom aan Aeneas verkondigen, dat Italia het
bedoelde moederland is, vanwaar Dardanus gekomen was. Het verhaal der
verdere lotgevallen, tot het vertrek van Sicilia, waar Anchises stierf,
en den storm, vullen verder het derde boek. Boek 4 behelst de door
Venus opgewekte liefde van Dido voor Aeneas, diens overhaast vertrek op
bevel van Jupiter, en Dido's zelfmoord. In boek 5 en 6 wordt de tocht
naar Italië en de afdaling van Aeneas in de onderwereld beschreven,
waar hij tal van oude trojaansche helden weerziet, die voorbeschikt
zijn om later als Romeinen weder op de aarde te verschijnen. De
volgende boeken behelzen de lotgevallen van Aeneas in Latium,
zijn voorgenomen huwelijk met Lavinia, dochter van koning Latinus,
den daarop gevolgden oorlog met zijn medeminnaar Turnus, koning der
Rutuliërs, en eindelijk het tweegevecht, waarin Turnus door de hand van
Aeneas valt. Hiermede eindigt de Aeneïs. De sage laat vervolgens Aeneas
in den Numicus verdrinken of onder donder en bliksem ten hemel varen,
waarna hij vereerd werd als Iupiter indiges.--2) Aen. Tacticus, Ain. ho
Taktikos, tijdgenoot van Xenophon, schrijver van een werk over taktiek,
waarvan een uittreksel bestaat onder den titel taktikon hypomnema.
Aenesidemus, Ainesidemos, of Aines. 1) sceptisch philosoof uit
Cnossus, tijdgenoot van Cicero. In zijne werken, logoi Pyrroneioi,
verdedigde hij de leer van Pyrrho; hij vond echter, naar het schijnt,
weinig aanhangers.--2) vader van Theron van Agrigentum.
Aenianes, Ainianes, oude grieksche volksstam, die op verschillende
plaatsen gewoond heeft in Thessalia, later in het dal van den Spercheus
en op de hellingen van het Oetagebergte.
Aenus, Ainos, 1) oude aeolische stad op de thracische kust, aan de
monding van den Hebrus, waarvan de stichting door Virgilius aan
Aeneas wordt toegeschreven. In de Ilias wordt zij reeds genoemd,
en onder de Rom. was zij eene belangrijke handelsstad.--2) berg in
het zuiden van het eiland Cephallenia.--3) rivier in Raetia, thans
de Inn, met Aeni pons, bij Rosenheim in het Z. van Beieren gelegen.
Aeoles of Aeolii, Aioles, heet de bevolking van Lesbus, Tenedus en
Aeolis (z. a.); hun hoofdzetel schijnt oudtijds Thessalia geweest te
zijn. Vandaar zijn ze gedeeltelijk naar Boeotia, en over Aulis naar
Klein-Azië getrokken. De dialekten dezer drie streken zijn dan ook
nauw verwant. Uit de omstandigheid, dat de stamheros Aeolus als vader
van een talrijk kroost wordt voorgesteld, ontstond bij de Grieken het
vermoeden, dat de Aeoliërs eene verzameling van verschillende kleine
stammen waren, die oudtijds in verschillende deelen van Griekenland
werden aangetroffen.
Aeolia, bij Hom. Aiolie, het mythische eil., waar Aeolus, de god der
winden, zijn zetel had.
Aeoliae insulae, de Liparische of Vulcanische eilanden, ten noorden
van Sicilia, tien in getal.
Aeolis, Aiolis, 1) oude naam van Thessaliotis, waar de Aeoles
oorspronkelijk woonden, hoofdplaats Arne.--2) kuststreek van
Klein-Azië, van den Hellespont zuidwaarts tot aan de Hermaeische golf,
bevolkt door Grieken van aeolischen stam. De voornaamste aeolische
steden in Troas zijn: Ilium, Assus, Gargara, Antandrus, Cebren,
Scepsis, Neandrea. Het aeolische bondgenootschap was beperkt tot
een kring van 12 kleine steden, die dicht opeenlagen in de heuvels
tusschen de mondingen van den Caïcus en den Hermus. Het waren de
volgende: Cyme, Larisa, Neontichos, Temnus, Cilla, Notium, Aegirusa,
Pitane, Aegae, Myrina, Grynea, Smyrna; doch de laatstgenoemde stad
werd in 688 door de aangrenzende Ioniërs vermeesterd. Ook de eilanden
Lesbus en Tenedus behoorden tot Aeolis. Nadat de aeolische steden
achtereenvolgens door de koningen van Lydië waren onderworpen,
deelden zij ook in de lotswisselingen van Voor-Azië.
Aeolus, Aiolos, 1) oudste zoon van Hellen en de nimf Orseis,
beheerscher van Magnesia in Thessalië, stamvader der Aeoliërs. Bij
zijne gemalin Enarete had hij zeven zoons en vijf dochters. De zonen
vestigden zich in verschillende plaatsen, vandaar dat de aeolische stam
zich verder verbreidde dan een van de andere grieksche stammen.--2)
Aeolus Hippotades (Hippotades), zoon van Hippotes, afstammeling van
den bovengenoemden, koning van een der Aeolische eilanden. Hij was
een vroom en menschlievend man, die den menschen het gebruik van
zeilen leerde en het waaien van den wind voorspelde; daarom was hij
een lieveling der goden en kreeg hij, vooral door voorspraak van
Hera, het recht om deel te nemen aan hunne maaltijden en tevens het
bestuur over de winden. Op zijn met hooge rotsen en metalen muren
omgeven eiland leeft hij gelukkig met zijn vrouw, zes zonen en zes
dochters, die met elkander gehuwd zijn; hij zit op een hooge rots,
waarbinnen in een groot hol de winden opgesloten zijn. V. a. waren
deze Aeolus en zijn tweelingbroeder Boeotus zonen van Poseidon en
Arne, een achterkleindochter van den eerstgenoemden Aeolus. Haar
vader, vertoornd over de geboorte van deze kinderen, gaf haar aan
een vreemdeling, die haar medenam naar Metapontum en de kinderen
op bevel van een orakel als de zijne opvoedde. Toen zij volwassen
waren, maakten zij zich van de heerschappij over Metapontum meester,
en later doodden zij Autolyce, hun pleegmoeder, die met Arne in twist
leefde. Uit vrees voor de wraak van hun pleegvader vluchtte nu Aeolus
naar de Aeolische eilanden, die van hem hun naam ontvingen. V. a. was
de moeder van Aeolus en Boeotus Melanippe, de dochter van Desmontes
of van een anderen Aeolus, en werden de kinderen te vondeling gelegd
en door herders gevonden. Toen nu Metapontus, de koning van Icarië,
zijne gemalin Theano wilde verstooten, omdat zij geen kinderen kreeg,
nam zij de knaapjes van de herders over en gaf ze aan Metapontus als
haar eigen kinderen. Maar dit berouwde haar, toen zij zelve twee zonen
baarde, vooral daar Metapontus de vondelingen wegens hun schoonheid met
voorliefde behandelde. Toen dus hare zonen volwassen waren, verhaalde
zij hun wat er gebeurd was en spoorde hen aan Aeolus en Boeotus
te dooden. Maar in het gevecht, dat nu volgde, vielen de zonen van
Theano en zij doodde zichzelve. Aeolus en Boeotus vluchtten, maar nu
ontdekte Poseidon hun ware afkomst en deelde hen mede, dat hun moeder
door haar vader van het gezicht beroofd en in de gevangenis geworpen
was. Daarop doodden zij ook hun grootvader, bevrijdden Melanippe,
en keerden met haar naar Metapontus terug, die haar tot vrouw nam.
Aepea, Aipeia, stad in Messenia, aan zee, op de plaats van het
latere Corone.
Aepytus, Aipytos, 1) zoon van Elatus, koning van Phaesana. Na
den dood van Clitor regeerde hij over Arcadië; hij stierf aan een
slangebeet.--2) zoon van Hippothoüs, koning van Arcadië; hij betrad den
tempel van Poseidon te Mantinea, wat aan geen sterveling geoorloofd
was, dientengevolge werd hij blind en stierf hij kort daarna.--3)
zoon van Cresphontes en Merope. Zijn vader en broeders werden bij een
opstand gedood, terwijl hij bij zijn grootvader in Arcadië was. Later
veroverde hij echter met de hulp der Arcadiërs en Doriërs Messenië
weder.--4) zoon van Neleus, stichter van Priene.
Aequi, ook Aequicoli (Aequicolani) geheeten, een landbouwende, doch
tevens krijgszuchtige stam ten N.-O. van Latium, in de dalen van
den Boven-Anio, de Himella en den Tolenus, verwant met de Volsci,
met wie ze samen in de 5de en 4de eeuw geregeld tegen de Romeinen en
het Latijnsch verbond oorlog gevoerd hebben. In de 5de eeuw is een
gedeelte van Latium o.a. de steden Bola en Labici en vooral de berg
Algidus een tijdlang in hun bezit geweest. In 304 wordt de stam door
den consul P. Sempronius Sophus (Sempronii no. 16) geheel onderworpen
en het grootste gedeelte van het gebied aan de militaire kolonies
(col. Latinae) Alba Fucens (Fucentia) en Carseoli toegewezen. Wat
er overschiet van het volk, komt als civitas sine suffragio voortaan
voor onder den naam Aequicoli (Aequiculani).
Aequicoli (Aequiculani), zie Aequi.
Aequimaelium. Een plein aan de zuidzijde van het Capitool, beneden den
tempel van Jupiter Capitolinus, waar eenmaal het huis van Sp. Maelius
had gestaan. Zie Maelii.
Aequum Faliscum, zie Falerii.
Aerarii waren zulke rom. burgers, die niet in eene tribus waren
ingeschreven en wien dus het stemrecht ontzegd was. Om namelijk
dit recht uit te oefenen, moest men tot eene tribus behooren. Zij
betaalden geen tributum (z. a.), maar een hoofdgeld (aera, vandaar hun
naam), en waren van den dienstplicht uitgesloten. Onder de aerariërs
gebracht te worden, was eene straf, die dikwerf door de censoren werd
toegepast. Dan werd men ook niet belast naar den gewonen maatstaf,
maar willekeurig hoog in de belasting aangeslagen. Inter aerarios
referri en in tabulas Caeritum referri zijn synonieme uitdrukkingen,
omdat de inwoners der etruscische stad Caere (z. a.) de eersten waren,
die als burgers zonder stemrecht onder bezwarende voorwaarden bij
Rome werden ingelijfd.
Aerarium was de schatkist van den rom. staat, ook de plaats waar de
kas bewaard werd en waar tevens het staatsarchief was geborgen, tot
dat hiervoor door Q. Lutatius Catulus het tabularium (z. a.) gebouwd
werd. Tijdens de republiek was het aerarium in den tempel van
Saturnus. Het stond onder beheer der quaestores urbani, die echter
geene uitgaven mochten doen dan op last van de consuls of van den
senaat. De keizers echter droegen het beheer ook aan anderen op,
b.v. aan praetoren of aan praefecti aerario, terwijl het aerarium
zelf meer en meer tegenover den door Augustus ingestelden fiscus
(z. a.) of bijzondere kas des keizers aan beteekenis verloor. In de
3de eeuw n. C. werd het de kas van de stad Rome.
Aerarium sanctius, reserve-kas voor tijden van grooten nood, waarin
o. a. de vicesima manumissionum (5% der waarde van vrijgelaten slaven)
werd gestort.
Aerarium militare, door Augustus ingesteld en gevoed door nieuwe
belastingen, zooals de centesima rerum venalium, diende voor het
onderhoud van het leger.
Aërope, Aerope, dochter van Catreus, gehuwd met Atreus en v. s. ook
met Plisthenes. Zij maakte zich schuldig aan overspel met Thyestes,
en gaf hem zelfs het gouden lam, dat hem de heerschappij over Mycenae
moest verschaffen. Toen Thyestes nu, eenmaal door Atreus verdreven,
toch terugkeerde en met hulp van Aërope zijn broeder van den troon
trachtte te stooten, werd zij door Atreus in zee geworpen.
Aerugo, eene soort van roest van schitterend groene kleur (patina),
welke zich door den tijd op het brons vormde en de waarde der
beeldwerken zeer verhoogde. Om al te sterke oxydeering tegen te
gaan, bestreek men de koperen voorwerpen met olie of vloeibaar pek
of asphalt.
Aes is oorspronkelijk koper en wat daarvan vervaardigd is; ook het uit
koper en tin gemengde brons heet aes. Daar de oudste munt uit koper
geslagen was, werd het woord ook voor munt gebezigd. Aes signatum =
gemunt geld. Aes grave is de zware oude rom. munt, toen de as, zijnde
de waarde van een pond koper, nog het volle gewicht had (as libratis),
z. as. Aes alienum is schuld, het passief vermogen, in tegenstelling
van aes suum, actief vermogen.
Aes Corinthium, eene legeering van koper met verschillende andere
metalen, zoo genoemd naar Corinthe, waar het bronsgieten op den
hoogsten trap stond.
Aes equestre, de toelage, die de equites equo publico uit de schatkist
ontvingen tot aankoop van een paard.
Aes hordearium, toelage aan de equites tot onderhoud van hun paard. Het
aes equestre en het aes hordearium werden opgebracht door de orbi et
orbae (z. a.). Zie ook tribuni aerarii.
Aes militare, soldij. Aere dirutus is degene, wien tot straf soldij
wordt onthouden.
Aes uxorium, belasting op de ongehuwden.
Aesacus, Aisakos, zoon van Priamus en Arisbe. Toen Hecabe droomde dat
zij een brandend stuk hout ter wereld bracht, voorspelde Aes. dat zij
een zoon zou baren, die den ondergang van Troje zou veroorzaken; op
zijn raad werd het kind (Paris), zoodra het geboren was, te vondeling
gelegd. Na den dood zijner echtgenoote Asterope was hij ontroostbaar en
werd hij in een vogel veranderd. V. a. heet zijne moeder Alexirrhoë,
en wordt hij verliefd op Hesperia, de dochter van een riviergod; toen
zij voor hem vluchtte en hij haar vervolgde, werd haar door een adder
een doodelijke wonde toegebracht. Uit smart wierp Aes. zich in zee,
maar werd door Tethys in een duiker veranderd.
Aeschines, Aischines, 1) Athener, een zoon van arme ouders, leefde
zelf ook voortdurend in groote armoede, maar was een ijverig leerling
van Socrates en voorstander van diens leer, die hij in zeven, bijna
geheel verloren gegane, dialogen nader trachtte te ontwikkelen. Na
Socrates' dood leefde hij eenigen tijd aan het hof van Dionysius van
Syracuse, maar na diens val (356) keerde hij naar Athene terug, waar
hij zich bezighield met het geven van onderwijs en het schrijven van
pleitredenen.--2) Athener, geb. omstreeks 390. Zijne ouders Atrometus
en Glaucothea waren menschen van geringen stand en Aesch. werd slechts
met moeite onder de burgers opgenomen. Hij begon zijn loopbaan als
klerk (grammateus) bij Aristophon en Eubulus, trad later zonder bijval
te vinden als tooneelspeler (tritagonist) op, en nam deel aan de
veldslagen bij Mantinea en Tamynae. Spoedig trad hij ook als redenaar
op; door zijn groote welsprekendheid speelde hij sedert dien tijd in de
politiek eene voorname rol als hoofd der vredespartij en tegenstander
van Demosthenes. Toen hij namelijk in 347 met Demosthenes e.a. als
gezant gezonden was om met Philippus over vrede te onderhandelen,
wist deze hem door zijn innemend gedrag voor zich te winnen, en reeds
dadelijk bij het tweede gezantschap, dat Philippus den vrede moest
laten bezweren, was Aesch. door zijn talmen de oorzaak, dat Philippus,
voordat de eeden afgelegd waren, zich verscheiden belangrijke
voordeelen wist te verzekeren. Hierom door Demosthenes en Timarchus
aangeklaagd, bracht hij eerst een tegenaanklacht tegen Timarchus in,
die wegens onzedelijkheid veroordeeld werd en dus onbevoegd werd als
aanklager op te treden, maar Demosthenes nam de aanklacht weder op
en Aeschines' redevoering (peri parapresbeias), schijnt de rechters
niet volkomen van zijn onschuld overtuigd te hebben; toch werd
hij, mede door den invloed van Eubulus, vrijgesproken (343). Later
(339) gaf Aesch. door zijn gedrag als afgezant bij de vergadering
der Amphictyonen (pylagoras) aanleiding tot den tweeden heiligen
oorlog, waarvan een gevolg was dat Philippus tot in het binnenste
van Griekenland kon doordringen en door de overwinning bij Chaeronea
(338) aan Athene de macht kon ontnemen, hem in zijne verdere plannen
tegen te werken. Grievend was het voor Aesch. dat, in weerwil van zijn
tegenstreven, aan Dem. het houden van de lijkrede over de in dien slag
gevallenen werd opgedragen; nog iets ergers was hem vroeger gebeurd,
toen het volk hem als vertegenwoordiger bij een geschil met Delus
verkozen had, maar de Areopagus weigerde die keuze te bekrachtigen,
omdat men aan zijne welgezindheid twijfelde. En toen in 336 zekere
Ctesiphon het voorstel deed, dat Demosthenes wegens zijne verdiensten
met een gouden krans vereerd zou worden, verzette Aesch. zich hiertegen
als tegen een onwettig voorstel. Door omstandigheden bleef de zaak
tot 330 hangende; toen had het geluk der Macedoniërs en daarmee ook
de invloed der macedonische partij te Athene zijn toppunt bereikt,
en achtte Aesch. het oogenblik gekomen om eene beslissing uit te
lokken in dit proces, dat in naam tegen Ctesiphon gericht was, maar
waarvan de uitslag inderdaad een van de twee groote tegenstanders
voor goed uit het openbare leven moest doen wijken. En in weerwil van
de voortreffelijke rede door Aesch. bij deze gelegenheid gehouden,
behaalde Demosthenes, die als verdediger van Ctesiphon optrad, zulk
eene schitterende overwinning, dat Aesch. een langer verblijf te
Athene onmogelijk vond en zich naar Rhodus begaf, waar hij, naar men
zegt, onderwijs in de welsprekendheid gaf en op 75-jarigen leeftijd
stierf. Als redenaar wordt Aesch. door de ouden zeer hoog geschat,
zijne drie redevoeringen werden de Gratiën, zijne negen brieven
de Muzen genoemd. De brieven zijn onecht, de redevoeringen zijn:
1º. kata Timarchou, 2º. peri parapresbeias, 3º. kata Ktesiphontos.--3)
geb. te Neapolis, leefde omstreeks het einde der 2e eeuw als leeraar
der academische wijsbegeerte te Athene.
Aeschrion, Aischrion, van Samus, iambendichter omstreeks 322.
Aeschylus, Aischylos, zoon van Euphorion, de eerste der drie groote
atheensche treurspeldichters. Hij werd geb. 525, behoorde tot een
adellijk geslacht en streed mede bij Marathon, Salamis en Plataeae. In
477 ging hij, waarschijnlijk op uitnoodiging van Hiero, naar Syracuse,
en sedert bracht hij een groot deel van zijn leven op Sicilië door;
hij stierf in 456 te Gela. Men meent, dat hij zich niet ongaarne
buiten Athene ophield, daar hij zich niet kon schikken in de nieuwe
politieke en maatschappelijke toestanden, en zich niet kon vereenigen
met de richting, door de bovendrijvende partij in de latere jaren
van zijn leven ingeslagen; daarop zou dan ook het verhaal doelen,
dat hij eens wegens ontheiliging van de mysteriën zou aangeklaagd
zijn. Hoe dit zij, na zijn dood werd hij als kunstenaar hoog geëerd,
zijn standbeeld werd in den schouwburg geplaatst en zijne stukken
werden ook na zijn dood menigmaal opgevoerd, terwijl de staat, hoewel
waarschijnlijk zonder gevolg, trachtte ze tegen vervalsching te
bewaren. Inderdaad was het treurspel, sedert Aesch. niet veel ouder
dan 25 jaar voor het eerst als dramatisch dichter was opgetreden,
door zijn invloed zoozeer vooruitgegaan, dat men hem niet zonder
reden vader en schepper van die dichtsoort genoemd heeft; in ieder
geval heeft hij haar de eervolle plaats verschaft, die zij sedert in
het openbare leven innam, en den overwegenden invloed, dien zij op
de verstandelijke en aesthetische ontwikkeling der Atheners had. Door
het invoeren van een tweeden tooneelspeler maakte hij een dialoog en
ten minste een begin van handeling mogelijk, weldra trad de dialoog
geheel op den voorgrond, en werden de koorliederen niet slechts in
omvang beperkt, maar ook met de handeling in nauw verband gebracht
en aan den voortgang er van dienstbaar gemaakt. Ook maakte hij
het eerst gebruik van decoraties en machinerieën, terwijl hij door
eigenaardige kleeding, schoeisel en maskers aan zijne tooneelspelers
een indrukwekkend uiterlijk wist te geven. Volgens gewoonte trad hij
in zijne stukken zelf als tooneelspeler op, bovendien oefende hij
(als chorodidaskalos) zijne koren in zang en dans, en leidde hij de
geheele voorbereiding voor de opvoering zijner stukken. Van zijne
werken--meer dan 70 titels worden genoemd--zijn 7 bewaard gebleven;
het zijn chronologisch gerangschikt de volgende: Supplices, Persae
(opgevoerd in 472), Septem adversus Thebas, Prometheus vinctus, en de
trilogie Agamemnon, Choephoroe, Eumenides, waarmede Aeschylus in 458
den eersten prijs won; zij munten uit door ernst en verhevenheid, de
karakters zijn edel en waardig, de taal is daarmede in overeenstemming,
en de toestanden zijn zoo gekozen, dat ieders eigenschappen ten
volle aan den dag komen; de inhoud wijst overal op de onverbiddelijke
heerschappij der goddelijke macht over den mensch.
Aesculapius = Asclepius. Toen in 293 te Rome de pest woedde, en op
bevel der sybillijnsche boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren
om Aesc. van daar te halen, kwam de god in de gedaante van een slang
uit eigen beweging op hun schip, en ging eveneens uit eigen beweging
op het Tibereiland aan land, waar hij sedert een tempel had.
Aesepus, Aisepos, rivier in Mysia, die op den berg Ida ontspringt en
zich bij Cyzicus in de Propontis stort. Hij vormt de oostgrens van
het landschap Troas.
Aesernia, stad in Samnium, dicht bij de bronnen van den Volturnus,
sedert 263 rom. kolonie.
Aeserninus, beroemd zwaardvechter evenals Pacideianus. Vandaar
spreekwoordelijk: Aeserninus cum Pacideiano van twee even groote,
met elkaar wedijverende mannen.
Aesis, rivier en stad op de grenzen van Umbria en Picenum.
Aeson, Aison, zoon van Cretheus en Tyro, vader van Iason. Pelias
beroofde hem van zijn aandeel in de regeering van Iolcus, en doodde hem
later, terwijl Iason op zijn tocht naar Colchis was, of Aes. voorkwam
hem door zich zelf van het leven te berooven. V. a. leefde Aes. nog
bij de terugkomst der Argonauten, en werd hij door de tooverkunsten
van Medea verjongd.
Aesonides, Aisonides, Iason, zoon van Aeson.
Aesopus, Aisopos, grieksch fabeldichter, tijdgenoot van Solon,
een mismaakte dwerg, in Thracië of Phrygië geboren. Hij diende als
slaaf verschillende heeren, doch kreeg later de vrijheid en ging
reizen. Zoo kwam hij o. a. ook bij Croesus, die hem met eene zending
naar Delphi belastte, waar hij wegens godslastering van een rots
geworpen werd. Wegens dezen moord werden de Delphiërs door allerlei
rampen getroffen. De meeste berichten over Aes. komen echter eerst
bij late schrijvers voor en verdienen weinig geloof, zelfs twijfelt
men of hij inderdaad bestaan heeft; zeker zullen de fabels, die zijn
naam dragen (mythoi of logoi Aisopeioi), en die wegens hunne lessen
van praktische levenswijsheid zeer populair waren, niet alle van hem
afkomstig zijn. Deze fabels waren oorspronkelijk in proza geschreven,
maar werden later meermalen in verzen omgezet, o. a. hield Socrates
zich in de gevangenis met zulk een omzetting bezig. Dientengevolge
is het zeer onzeker, hoeveel van den oorspronkelijken vorm nog over
is in de bewerkingen, die wij nu nog er van hebben. De voornaamste
bewerkingen in dichtvorm zijn van Phaedrus (z. a.), Babrius (z. a.) en
Avianus (z. a.).
Aesopus (Claudius), beroemd tooneelspeler ten tijde van Cicero,
die veel van hem leerde wat voordracht betreft. In 55 verloor hij,
bij de inwijding van het theatrum Pompei, onder het spelen op eenmaal
zijn stem. Hij liet een groot vermogen na, dat door zijn zoon spoedig
werd doorgebracht.
Aestii, een aan de Oostzee, van de monden van den Weichsel tot aan de
Finsche Golf wonend volk, de stamvaders der latere Letten en Lithauers.
Aesula, verschrijving voor Aefula (z. a.).