Aeetes, Aietes, zoon van Helius en Perseïs of Antiope, koning van

Colchis. Onder zijne regeering kwam Phrixus het gulden vlies naar

Colchis brengen en kwamen de Argonauten het weder halen.

Aeëtias, Aietis, Medea, dochter van Aeetes.

Aefula, hoog gelegen stadje ten Z. van Tibur.

Aegae, Aigai, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Achaia, met

een beroemden Poseidontempel;--2) op de westkust van Euboea;--3) in

het macedonische landschap Emathia, oude hoofdstad en begraafplaats

der macedonische koningen, later Edessa geheeten, z. a.;--4) in

Aeolis op de kust van Klein-Azië, ook Aegaeae, Aigaiai geheeten;--5)

belangrijke havenstad in Cilicia, aan de golf van Issus.

Aegaeisch tijdperk noemt men het oudste tijdperk der grieksche

geschiedenis, waarvan wij slechts kennis hebben door overblijfselen,

welke men langs de kusten en op de eilanden der Aegaeïsche zee

vindt. Deze overblijfselen leeren ons dat reeds toen tusschen al deze

landen verkeer bestond, zoodat de beschaving, hoewel nog op een lagen

trap staande (er worden bijv. meest steenen gereedschappen gebruikt),

overal ongeveer dezelfde was. Het aeg. tijdperk wordt geacht omstreeks

1500 te eindigen.

Aegaeon, Aigaion, door de goden Briareos genoemd, een van de

Centimani. Toen Hera, Poseidon en Athena of Apollo eens Zeus wilden

boeien, riep Thetis Aeg. te hulp, en door hem werden zij genoodzaakt

van hun plan af te zien.

Aegaeum mare, Aigaion pelagos, welke naam in de middeleeuwen door de

Venetianen tot Archipelago is misvormd, vanwaar ons woord Archipel,

de zee tusschen Griekenland en Klein-Azië, met tal van eilanden. De

oorsprong van den naam is onzeker; de mythe brengt dien in verband

met koning Aegeus, den vader van Theseus.

Aegaleos, Aigaleos, berg op de kust tegenover Salamis, vanwaar Xerxes

in 480 de nederlaag zijner vloot aanschouwde. De Aegaleos scheidt de

Atheensche vlakte van de Thriasische, waarin Eleusis ligt.

Aegates, hai Aigoussai, de geiteneilanden, eilandengroep ten westen

van Sicilia. Bij een van deze eilanden, Aegusa, won de rom. consul

C. Lutatius Catulus in 241 den laatsten beslissenden zeeslag in den

eersten punischen oorlog.

Aegeis, Aigeis, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica

door Clisthenes verdeeld werd.

Aegestes, Aigestes = Acestes.

Aegeus, Aigeus, zoon van Pandion no. 3. Na den dood van zijn vader

heroverde hij Athene met de hulp van zijne broeders en kreeg hij daar

de regeering. Later door de zonen van zijn broeder Pallas verjaagd,

werd hij door zijn zoon Theseus weder op den troon gebracht. De

Panathenaeën werden door hem ingesteld of uitgebreid. Toen eens bij

deze feesten Androgeos, de zoon van Minos, alle prijzen behaalde,

liet Aeg. hem uit afgunst dooden. Minos deed hem den oorlog aan en

dwong hem op gezette tijden zeven jongelingen en zeven jonge meisjes

naar Creta te zenden om aan den Minotaurus tot spijs gegeven te

worden. Van dezen smaad werd Athene spoedig door Theseus bevrijd,

maar daar hij bij zijne terugkomst van Creta verzuimde het zwarte

zeil, waarmede het schip was uitgegaan, door een wit te vervangen, wat

volgens afspraak voor zijn vader het teeken van den gunstigen afloop

der onderneming zoude zijn, meende Aeg. dat ook zijn zoon het offer

van den Minotaurus geworden was en stortte hij zich in de zee, die

hiernaar de Aegaeïsche zee genoemd wordt.--Aegeus is ook een bijnaam

van Poseidon en oorspronkelijk niemand anders dan deze god zelf.

Aegiale, Aegialea, Aigiale, -aleia, dochter van Adrastus en Amphithea,

gemalin van Diomedes (z. a.).

Aegialos, Aigialos, het kustland, oude naam voor Achaia.

Aegialeus, Aigialeus, zoon van Adrastus, sneuvelde bij de onderneming

der epigonen.

Aegides, Aigeides, 1) Theseus, zoon van Aegeus.--2) burger van de

attische phyle Aegeis.

Aegilia, Aigilia, 1) attische demos.--2) eilandje tusschen Creta en

Cythera.--3) eilandje tusschen Attica en Euboea.

Aegimius, Aigimios, de mythische stamvader der Doriërs, aan den Pindus

woonachtig. In een oorlog tegen de Lapithen riep hij de hulp van

Heracles in en beloofde hem daarvoor een derde van zijn land. Heracles

versloeg de Lapithen, maar nam de toegezegde belooning niet aan. Uit

dankbaarheid nam Aeg., die twee zonen had, Pamphylus en Dymas, ook

den zoon van Heracles, Hyllus, tot zoon aan, en van deze drie personen

hebben de dorische phylen hare namen: Pamphyli, Dymanes, Hylles.

Aegina, Aigine, Aigina, dochter van den riviergod Asopus, die door Zeus

naar het eiland Oenone gebracht werd en daar Aeacus (z. a.) ter wereld

bracht. Naar haar werd het eil. sedert dien tijd Aegina genoemd. Dit

kleine en vruchtbare eiland in de saronische golf werd daarna met

Myrmidonen, die tot den achaeischen stam behooren, bevolkt en door

Aeacus geregeerd; toen echter diens zonen het eiland verlaten hadden,

werd de bevolking grootelijks vermeerderd door epidaurische kolonisten

(Doriërs) en bleef Aeg. langen tijd in nauwe betrekking tot Epidaurus

staan. In oude tijden bereikte Aeg. door handel, nijverheid en kunst

een hoogen trap van bloei (bekend is de tempel van Aphaia, waarvan

het beeldwerk (de zoogenaamde Aegineten) te München bewaard wordt);

na 480 werd het echter door Athene overvleugeld en de langdurige

vijandelijkheden eindigden hiermede, dat in 456 Aeg. schatplichtig

werd, de muren der stad afbreken en de schepen uitleveren moest;

in 429 werden zelfs de oude inwoners geheel verdreven en hoewel

zij na den slag bij Aegospotami door Lysander teruggebracht werden,

kwam de oude macht en welvaart toch nooit terug. Sedert 318 behoorde

Aeg. tot Macedonië, sedert 229 wordt het genoemd als een lid van het

achaeïsch verbond, sedert 196 als een deel van het gebied van Attalus

van Pergamus; in 129 kwam het onder de Romeinen.

Aegiplanctus, Aigiplankton oros, kaap in Megaris, aan de corinthische

golf.

Aegira, Aigeira, stad in het oostelijk gedeelte van Achaia, waarvan

nog bouwvallen bestaan.

Aegirusa, Aigiroussa, aeolische stad in Klein-Azië.

Aegis, Aigis, schild van Zeus met honderd gouden kwasten versierd. Hij

gebruikte dit schild om door eene beweging er mede den menschen

schrik in te boezemen; men stelde zich voor dat het het Medusahoofd en

schrikwekkend beeldwerk droeg. V. a. was de aeg. een mantel, gemaakt

van het vel der geit, die Zeus gezoogd had. Bij Homerus staat Zeus de

aeg. dikwijls aan Athena, eens ook aan Apollo ten gebruike af, later

echter kende men aan Athena zelve een aeg. toe, nu eens als mantel, dan

als harnas gedacht, altijd met het Medusahoofd, met slangen omkranst,

enz. V. a. was deze aegis het vel van een vuurspuwend monster, dat

door Athena gedood was.

Aegisthus, Aigisthos, zoon van Thyestes en diens dochter Pelopea. Hij

werd door zijne moeder te vondeling gelegd en door herders gevonden,

die hem door een geit lieten zoogen. Hij werd verder door Atreus

opgevoed, die hem, toen hij volwassen was, opdroeg Thyestes te

vermoorden; maar Aeg., die nog tijdig vernam, dat Thyestes zijn vader

was, doodde Atreus bij een offer en maakte zich met Thyestes van de

regeering over Mycenae meester, waaruit hij evenwel na den dood van

Thyestes door Agamemnon weder verdreven werd. Terwijl Agamemnon met

het leger voor Troje was, wist Aeg. diens echtgenoote Clytaemnestra

te verleiden, en toen Ag. terugkwam ging Aeg. hem te gemoet, noodigde

hem tot een maaltijd, maar doodde hem met behulp van Clytaemnestra

in het bad. Hij zelf werd zeven jaar later, zooals hem voorspeld was,

door Agamemnons zoon Orestes gedood.

Aegium, Aigion, stad in Achaia, na de vernieling van Helice door de

zee (373) de hoofdplaats van het achaeïsch verbond. Aratus van Sicyon

stierf hier, 213.

Aegle, Aigle, 1) de schoonste der Naiaden, moeder der Gratiën.--2)

gemalin van Theseus.

Aegon, Aigon, koning van Argos, die na het uitsterven der Heracliden

deze waardigheid kreeg.

Aegospotamos, Aigos potamoi, geitenrivier, riviertje en stad in de

Chersonesus Thracica, aan den Hellespont, tegenover Percote, waar in

den peloponnesischen oorlog de laatste atheensche vloot in den herfst

van 405 door Lysander genomen werd.

Aegosthena, ta Aigosthena, vlek in Megaris, aan de NW.-kust gelegen.

Aegusa, Aigoussa, een der Aegatische eil., ten westen van Sicilia,

z. Aegates.

Aegyptus, he Aigyptos, het bekende Nijlland. Van Syene en Philae op

ongeveer 24° N.B. tot omstreeks 27 1/2° N.B. strekte zich Opper-Aegypte

of Thebaïs, het land van Thebe, uit; vandaar tot even beneden Memphis

Midden-Aegypte of Heptanomis, het land der zeven distrikten; dan volgde

het naar zee breed uitloopende Delta-land. De geschiedenis van het

land kan in vier hoofdtijdperken worden gesplitst: 1) Het aegyptische

tijdperk, van de oudste tijden af tot aan de verovering van het rijk

door den perzischen koning Cambyses in 525.--2) Het perzische tijdperk,

tot aan de onderwerping des lands aan Alexander den Gr. in 332.--3)

Het macedonische tijdperk, tot de inlijving bij het rom. rijk door

Octavianus (Augustus) in 30. Dit is het tijdvak der Ptolemaeën,

die grieksche beschaving, zeden, gewoonten en godsdienst zochten

in te voeren en onder wie Aegypte een tijdperk van grooten bloei en

welvaart beleefde.--4) Het rom. tijdperk, tot aan de verovering door

de Arabieren, 638 na C. Als rom. provincie had Aegypte eene bijzondere

organisatie. In de plaats der koningen trad een stadhouder, praefectus

Aegypti, doch de vorm van bestuur, plechtigheden en ceremoniën,

alles bleef, zooals het te voren onder de Ptolemaeën was geweest;

zelfs bleef het Grieksch de officieele taal. De stadhouder had ook

niet, zooals overal elders, lictoren met bijlbundels. Alexandrië

bleef de residentie.

Aegyptus, Aigyptos, zoon van Belus en Anchinoë. Hij onderwierp zich

het land der Melampoden en noemde dit Aegyptus. Hij was de vader van

vijftig zonen, waarvan 49 in één nacht door de Danaïden (z. Danaüs)

gedood werden. Aeg. kwam daarop naar Argos om den dood zijner zonen

te wreken, maar door zijn eenig overgebleven zoon Lynceus overreed,

zag hij hiervan af. V. a. stierf hij van verdriet.

Aeinautai, magistraten te Milete. De afleiding van den naam is onzeker.

Aeisitoi, heetten te Athene de personen, die krachtens hun ambt of

eene bijzondere vergunning dagelijks op kosten van den staat in het

Prytaneum (later in den Tholus) hun maaltijd hielden. De prytanen

(z. prytaneis) zijn niet onder dien naam begrepen.

Aelana, ta Ailana, handelsstad in Arabia Petraea, aan den

noordoostelijken inham der arabische golf (de Roode Zee), welke

inham naar de stad sinus Aelanites of Aelaniticus werd geheeten. Hier

werden onder koning Salomo de joodsche handelsvloten naar het land

Ophir uitgerust.

Aelia (leges) et Fufia, de auspiciis, twee wetten van de volkstribunen

Q. Aelius Paetus en M. Fufius, omstreeks 156. Zie servare de caelo.

Aelia Sentia (lex), van de consuls Sex. Aelius Catus en C. Sentius

Saturninus, 4 n. C. Deze wet bepaalde, dat vrijgelatenen, die als

slaven onteerende straffen hadden ondergaan, geen cives, maar dediticii

zouden zijn. Ook onderwierp zij het burgerschap van vrijgelatenen

beneden 30 jaar aan zekere voorwaarden.

Aelia Capitolina, naam dien keizer P. Aelius Hadrianus aan Jerusalem

gaf, waarheen hij eene rom. kolonie zond (130 n. C.). Een geweldige

opstand was hiervan het gevolg (zie Hadrianus). Jerusalem werd door

de keizerlijke troepen ingenomen en verwoest, doch op 's keizers

last herbouwd.

Aelianus, 1) Ailianos ho taktikos, leefde tijdens de regeering van

keizer Hadrianus, en schreef een werk over taktiek.--2) Claudius

Aelianus, geboren te Praeneste, leefde in het begin der derde eeuw

na C. en schreef o. a. onder den titel Poikile hiotoria, Varia

Historia, in 14 boeken een verzameling verhalen en anecdoten. Meer

waarde heeft een ander werk van hem: Peri zoon in 17 boeken, eveneens

eene verzameling verhalen, die alle betrekking hebben op het leven

der dieren.

Aelii, een aanzienlijk geslacht, waarvan de Paeti en de Tuberones de

meest bekende familiën zijn. O. a. behoorden nog tot de Aelia gens de

familiën Catus, Lamia, Ligur, Staienus. 1) P. en Sex. Aelius Paetus,

twee broeders, beiden als rechtsgeleerden beroemd, vooral de laatste,

die hierdoor den bijnaam Catus verkreeg. P. Aelius was consul in

201, Sex. Aelius in 198. Sextus Aelius heeft een werk geschreven,

Tripertita geheeten, waarvan nog fragmenten over zijn. Het bevatte

1o den tekst der XII tafelen, 2o de verklaring daarvan, 3o de legis

actiones, een uitbreiding van het ius Flavianum.--2) Q. Aelius

Tubero, schoonzoon van L. Aemilius Paullus, nam onder dezen aan den

oorlog tegen Perseus deel.--3) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 2,

zusterszoon van Scipio Africanus minor, rechtsgeleerde en aanhanger

der stoïcijnsche wijsbegeerte, staatkundig tegenstander der Gracchen,

is dezelfde, die in Cicero's geschrift de republica sprekende

wordt ingevoerd.--4) L. Aelius Tubero, boezemvriend van Cicero,

met wien hij samen onderricht had ontvangen, koos evenals Cicero

de partij van Pompeius, doch verzoende zich later met Caesar.--5)

Q. Aelius Tubero, zoon van no. 4, had aan den slag bij Pharsalus

tegen Caesar deelgenomen, doch zich ook met dezen verzoend. Het

was tegen zijne aanklacht dat Cicero de oratio pro Q. Ligario

hield. Hij was redenaar, schrijver over rechtskundige onderwerpen en

annalist. Zijn geschiedwerk reikte van de oudste tijden tot aan de

oorlogen van Caesar en Pompeius.--6) L. Aelius Lamia, rom. ridder,

werd in 58 verbannen, omdat hij Cicero durfde verdedigen; zijne

beide zoons Q. en L. behoorden tot de vrienden van den dichter

Horatius. Van dezen is L. (consul 3 n. C.) de meest bekende.--7)

L. Aelius Stilo Praeconinus, uit Lanuvium, beroemd taalgeleerde en

leermeester van Varro en ook van Cicero. Vooral maakte hij studie van

het oud-Latijn.--8) L. Aelius Seianus, zoon van L. Seius Strabo, door

adoptie in de gens Aelia opgenomen, was praefectus praetorio van 14 tot

31 na C. onder Tiberius, eerst met zijn vader, na diens dood alleen. In

23 n. C. legde hij voor de cohortes praetoriae, die tot nu toe in de

stad verspreid waren, een vast kamp aan buiten de porta Viminalis,

ten N.O. van de stad, de Castra praetoria (z. a). Toen Tiberius hem te

Rome de vrije hand liet, heerschte Seianus als eigenmachtig tyran. Ten

einde zichzelven den weg tot den troon te banen, liet hij 's keizers

zoon Drusus Caesar door toedoen van diens vrouw Livia door vergif

uit den weg ruimen (23). Ook Agrippina, de weduwe van Germanicus, en

hare beide zonen vielen als offers zijner eerzucht (29). Ten slotte

echter werden Tiberius door Antonia minor (Antonii no. 11) de oogen

geopend; Seianus werd in hechtenis genomen, door den senaat gevonnisd

en met zoon, dochter en een aantal vrienden ter dood gebracht.--9)

Aelius Gallus, rom. ridder en onder Augustus praefectus van Aegypte;

hij ondernam op bevel van Augustus een expeditie tegen Arabia Felix

(25-24), die mislukte.--10) P. Aelius Aristides, beroemd grieksch

redenaar, geb. te Hadriani in Mysia in 129 n. Chr. Van hem zijn 55

veel bewonderde redevoeringen overgebleven, die echter voor een groot

deel niet bestemd waren voorgedragen te worden. Hij volgt daarin met

voorliefde Isocrates en Demosthenes na. Hij reisde veel en kwam ook

te Rome, doch bij voorkeur hield hij zich te Smyrna op, waar hij ±

189 stierf. Toen deze stad door een aardbeving verwoest was, wist hij

keizer Marcus Aurelius te bewegen haar te laten herbouwen, daarom werd

te Smyrna een standbeeld voor hem opgericht, dat nog bestaat.--11)

P. Aelius Hadrianus, keizer, zie Hadrianus.--12) Aelius Donatus,

zie Donatus (Aelius).

Aëllo, Aëllopus, Aello, Aellopous, een van de Harpyiën.

Aemilia (lex) de censura, van den dictator Mamercus Aemilius 434

(Aemilii no. 6) beperkte den duur van het censorschap tot achttien

maanden. Zie echter onder Censor.

Aemilia (lex) sumptuaria, van den consul M. Aemilius Scaurus (Aemilii

no. 11), van 115. Zij beperkte de tafelweelde, door het verbod van

sommige als lekkernij beschouwde spijzen, o.a. veldmuizen, schelpdieren

en vreemde vogels.

Aemilia (lex) de libertinorum suffragiis, van denzelfden, eveneens

van 115, bepaalde, dat de vrijgelatenen in de 4 tribus urbanae moesten

ingeschreven worden.

Aemilia (via). Deze weg, in 187 aangelegd door den consul M. Aemilius

Lepidus (Aemilii no. 2), liep van Ariminum in rechte lijn naar

Placentia aan de Po. Deze weg heeft zijn naam gegeven aan de VIII

regio Italiae (tgw. Emilia). Een andere weg van gelijken naam, in

109 aangelegd door den censor M. Aemilius Scaurus (Aemilii no. 11),

liep van Pisa langs zee tot aan Vada, en van daar over de Apennijnen

naar Dertona. Het eerste gedeelte van dezen weg wordt later, omdat

het een voortzetting der via Aurelia is, ook Aurelia genoemd.

Aemilianus (M. Aemilius), stadhouder van Pannonia en Moesia, werd in

253 na C. door zijne legioenen tot keizer uitgeroepen. Hij overwon

keizer Gallus, doch werd op zijn beurt verslagen door Valerianus en

hierop door zijne eigene troepen om het leven gebracht.

Aemilii, een oud, beroemd, patricisch geslacht, waartoe o. a. de

familiën Lepidus, Mamercinus, Paullus, Scaurus, Barbula, Papus

behoorden. 1) M. Aemilius Lepidus, zoon van no. 2, bracht door zijn

moed veel bij tot het winnen van den slag bij Magnesia (190) tegen

Antiochus III van Syrië.--2) M. Aemilius Lepidus, consul in 187 en

175, censor in 179, streed gelukkig tegen de Liguriërs. Als consul

legde hij de via Aemilia, van Ariminum naar Placentia, aan. Als censor

bouwde hij met zijn ambtgenoot M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11), de

basilica Aemilia et Fulvia, die gewoonlijk Aemilia genoemd wordt. Zijne

krachten wijdde hij aan den staat tot zijn dood toe. Twee zoons van

hem bekleedden ook het consulaat, in 137 en 126. Een kleinzoon was--3)

M. Aemilius Lepidus, consul in 78, het jaar van Sulla's dood. Uit

gegronde vrees, dat hij zou pogen, zich van het gezag meester te

maken, had de Senaat hem Gallia opgedragen, doch Lepidus verzamelde

een leger in Etruria om tegen Rome op te trekken. Hij werd echter

door Pompeius en den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5)

verslagen en vluchtte naar Sardinia, waar hij in 77 stierf. Zijn

onderbevelhebber M. Perperna week naar Hispania en sloot zich daar bij

Sertorius aan.--4) M. Aemilius Lepidus, de bekende drieman, was een

zoon van no. 3. Hij was een aanhanger van Caesar, door wiens toedoen

hij in 49 praetor en in 46 Caesars medeconsul werd. Hij bezorgde in

49 aan Caesar de dictatuur en werd zelf in 45 magister equitum. In

44 droeg Caesar hem het kommando op in Hispania citerior en zuidelijk

Gallia. Na Caesars vermoording vereenigde Lepidus zich met Antonius,

werd pontifex maximus en in 43 met Antonius en Octavianus lid van het

driemanschap, waarbij hij voor zijn deel Africa kreeg. Toen hij echter

in 36 Sextus Pompeius uit Sicilia had helpen verdrijven, doch zelf

de hand naar dit eiland uitstak, werd hij door zijn leger verlaten

en door Octavianus genoodzaakt, zich geheel uit het staatsbestuur

terug te trekken; alleen de waardigheid van pontifex maximus behield

hij. Hij leefde nog tot 13 op een landgoed te Circeii, onder bewaking,

in eene vermomde gevangenschap.--5) M. Aemilius Lepidus Porcina,

consul in 137, wordt als redenaar geroemd. Als proconsul van Hispania

citerior ondernam hij in 136 tegen den wil des senaats een hoogst

onrechtvaardigen oorlog tegen de Vaccaeërs, doch leed een zware

nederlaag. In 125 werd hij wegens geldverkwisting door de censoren

tot eene boete veroordeeld.--6) Mamercus Aemilius, dictator in 437,

434 en 426. Uit zijn tweede dictatorschap is de lex Aemilia de censura

afkomstig, welke den duur van het censorschap tot achttien maanden

beperkte. Zie echter onder Censor. Uit wraak brachten de eerstvolgende

censoren hem onder de aerarii.--7) L. Aemilius Mamercinus Privernas,

consul in 341 en 329, dictator 335 en 316. Zijn bijnaam Privernas

had hij te danken aan de inneming der stad Privernum in het gebied

der Volscen.--8) M. Aemilius Paullus, consul 302, versloeg bij

Thurii den spartaanschen avonturier Cleonymus, die eene landing in

Italië beproefde.--9) M. Aemilius Paullus, consul in 219 en 216,

versloeg in 219 Demetrius van Pharus en onderwierp het illyrische

kustland. In 216 verloor hij met zijn ambtgenoot C. Terentius Varro den

noodlottigen slag tegen Hannibal bij Cannae, waarin hij sneuvelde. Hij

had den slag ontraden, doch Varro, die op dien dag het opperbevel

voerde, luisterde niet naar hem. Aemilius Paullus viel, omdat hij

te hooghartig was om zich door de vlucht te redden. Hierom wordt

hij door Horatius magnae animae prodigus genoemd.--10) L. Aemilius

Paullus, zoon van no. 9, tuchtigde in 182 als consul de Liguriërs,

en overwon in zijn tweede consulaat, 168, bij Pydna koning Perseus

van Macedonië, dien hij gevangen naar Rome medevoerde. Deze oorlog,

waarin hij ook Epirus op vreeselijke wijze verwoestte, verschafte hem

den bijnaam Macedonicus. Hij stortte na den oorlog zooveel geld uit den

buit in het aerarium, dat het tributum (z. a.) afgeschaft werd. Hij

hield eene schitterende zegepraal te midden van grievend huiselijk

leed, daar een zijner zoons vijf dagen vóór, en een ander drie dagen

na den triumftocht overleed. Twee andere zoons waren door adoptie

in andere geslachten overgegaan, n.l. Q. Fabius Maximus Aemilianus

(Fabii no. 18) en P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor, de

veroveraar van Carthago (Cornelii no. 18).--11) M. Aemilius Scaurus,

consul in 115, streed gelukkig tegen volksstammen in de Alpen en werd

in 112 als gezant naar Jugurtha, koning der Numidiërs gezonden. In

111 was hij legaat van den consul L. Calpurnius Bestia in den

jugurthijnschen oorlog. Beiden lieten zich door Jugurtha omkoopen;

doch alleen L. Calpurnius werd aangeklaagd; Scaurus wist zich niet

alleen aan eene vervolging te onttrekken, maar werd zelfs lid der

commissie van onderzoek in deze zaak. Als censor liet hij in 109 de

Milvische brug herstellen en eene via Aemilia over de Appennijnen

naar Dertona aanleggen.--12) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 11,

was quaestor van Pompeius in den laatsten mithradatischen oorlog

(66). Later was hij (in 55) propraetor van Sardinia en werd in 54

van afpersingen aangeklaagd. Cicero en Hortensius verdedigden hem

en pleitten hem vrij; doch in 52 van omkooping aangeklaagd, werd hij

overeenkomstig Pompeius wensch veroordeeld.--13) M. Aemilius Scaurus,

zoon van no. 12, volgde zijn halfbroeder Sex. Pompeius naar Azië,

doch leverde hem aan Antonius' legaten C. Furnius en M. Titius in

handen.--14) Mam. Aemilius Scaurus, zoon van no. 13, een talentvol

dichter en redenaar, doch zeer loszinnig, werd onder de regeering van

keizer Tiberius wegens verschillende misdaden vervolgd, en benam zich

met zijne vrouw Sextia op hare aansporing het leven.--15) Aemilius

Macer, zie Macer.--16) Aemilia Lepida, echtgenoote van P. Sulpicius

Quirinius (Sulpicii no. 21).

Aenaria, Ainaria, ook Pithecusa, Pithekoussa, (aapjeseiland) en door

Virgilius Inarime geheeten, vulkanisch eiland met warme bronnen,

in den sinus Cumanus (golf van Napels), tgw. Ischia.

Aenea, Aineia, stad in het westen van Chalcidice, aan de Thermaeische

golf.

Aeneadae, Aineadai, patronymicum voor de tochtgenooten van Aeneas,

ook voor de Romeinen als afstammelingen daarvan.

Aeneades, Aineades, patronymicum voor Aeneas' zoon Ascanius.

Zeus.

|

Dardanus.

|

Erichtonius.

|

Tros.

/-----^----\

Assaracus. Ilus.

| |

Capys. Laomedon.

| |

Anchises. Priamus.

|

Aeneas.

Genealogie van Aeneas.

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid · 第 3 / 150 段