HET EERSTE WEERZIEN

Wie er den volgenden morgen het hoogst sprong van plezier? Daar,

vlakbij, lag de kust! Java’s lachende, zonnige kust! De jongens keken

er naar, als betooverd. Dit, dit was nu Java, waarvan ze zooveel

wonderen gehoord hadden. Op dit groote, mooie eiland woonden de

vorsten, die onder gouden zonneschermen wandelden in hun lusthoven,

door breede lanen vol bloemengeur. Hun kleederen waren zwaar van

edelsteenen; zij droegen vlammende krissen met kostbare heften en.....

Wat had Vader Langjas hun onderweg nog niet alles verteld!

De zon school nog achter de bergen, en de rotsen, die aan zee grensden,

en de zee zelf en de groene bosschen achter de rotsen stonden te

schemeren in een fijn, blauwgrijs waas. Hoe stil was het op het water,

hoe mild was de lucht. Dat zoete ruischen tegen de rotsen klonk zoo

feestelijk.....

Zie! daar gluurde de zon boven de bergen uit; ineens schoten er

allerlei grillige, goudgekartelde vormen in de rotsen aan de kust, en

een blauwe schaduw sloeg in zee neer. Nu spiedde de zon nieuwsgierig de

berghelling af; eenzame boompjes richtten zich fier op,—trotsch, dat ze

een schaduw hadden, tien maal langer dan zij zelf.

„’k Wou, dat ik wat versche visch had, om te braden!” zuchtte Harmen.

„Ik kon wel eens inleggen”, zei Padde. „Gaan we niet aan land?”

Rolf schudde het hoofd. „We varen de kust af, tot we op de Hollandsche

schepen stuiten.”

Padde wierp zijn hengel uit en ging zitten koekeloeren in het heldere

water. „Kijk, daar zit een klein mormel om m’n haak te draaien”, zei

Padde. „Afblijven, beestje, ’k moet jou niet hebben.” Padde trok den

haak weg en gooide iets verderop weer in. Maar het „mormel” zat er al

weer bij, en toen Padde even later grimmig naar den anderen kant van

het vlot ging, volgde het hem ook daarheen. „Nou, als je dan zóó graag

opgehaald wilt worden.....!” zei Padde nijdig en sloeg op. Het vischje

was twee duim lang.

„Geef hier!” zei Harmen. „’t Is beter als niets.”

„Afblijven!” gebood Padde. „Ik heb hem gevangen om er weer mee te gaan

visschen.”

Maar Harmen griste het diertje weg. „Eerst zal ik hem braden en opeten.

Dan mag je er mee doen wat je wilt.”

Rolf en Hajo hadden wat gegeten en begonnen met hun zonnetent, maakten

eerst een dun geraamte van bamboe.

„Laat je wat bladeren voor een nieuw rokje over?” vroeg Harmen. „Met

dat, wat ik nou aan heb, durf ik geen mensch meer onder de oogen te

komen. Jij mag ook noodig wat nieuws hebben, Padde!”

„Ja, ’k loop voor schandaal”, gaf Padde toe. „Kom, ik zal meteen maar

beginnen!” Padde sprong overeind, legde z’n hengel neer. „Ik vang hier

toch niets.”

En even later zaten de jongens zwijgend bijeen en werkten.

Harmen, den roerstok in den arm gekneld, vlocht daarbij ijverig en

hield toch koers. Zoo volgden de knapen op vrij grooten afstand de

kust, die naar het Oosten afboog.

„Een prauw!” riep Hajo eensklaps uit. „Daar komt een prauw aan!”

Ja! Bij het ombuigen van een in zee uitloopende rots, was een zeil

opgedoken. Het was een groote prauw, en er zaten vijf Inlanders in.

„Ze komen nu recht naar ons toe!” zei Rolf.

„Laat ze maar komen!” zei Harmen driftig. „Wij zijn ook met z’n vijven!

Nietwaar, Joppie?”

„Wouw!” gilde Joppie opgewonden.

„Misschien is het alleen maar nieuwsgierigheid”, meende Rolf.

„Valt er wat aan ons te zien?” vroeg Harmen. „Hier, Hajo, neem een

speer. En jij ook, Rolf!”

„En ikke?” vroeg Padde bevend, met schorre stem.

„Jij doet maar krek, of je d’r niet bij hoort”, raadde Harmen.

Opgewonden wachtten de jongens de prauw af, bereid hun leven, zoo

noodig, duur te verkoopen. Maar toen het vaartuigje naderde en de

jongens de stomverbaasde, argelooze gelaatstrekken der Inlanders zagen,

lieten ze de wapens zinken.

„Tabeh!” riep Harmen.

Een gemurmel steeg uit de prauw op. De Inlanders reefden het zeil,

stuurden langs zij van het vlot, klemden er zich met de handen aan

vast.

„Is dit Java?” vroeg Rolf en wees naar de kust.

De Inlanders knikten, keken nog verbaasd van den een naar den ander.

„En zijn hier ook ergens Hollandsche schepen?”

De bruintjes wezen naar het Oosten.

Rolf haalde diep adem. „Lagi djahoe?—Nog ver hier vandaan?”

Ontkennend hoofdschudden.

„Kunnen..... kunnen we er vandaag nog komen?”

„Bissa, toean..... zeker, heer.”

„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.

Rolf zaten de vreugdetranen in de keel. „Dat we..... we vandaag nog bij

de schepen komen!”

Eerst keken de anderen hem aan, alsof ze hem niet begrepen. Toen steeg

uit Harmen’s keel een schorre snik. „Tabeh!” schreeuwde hij, trapte de

prauw van het vlot los en voerde een dollen rondedans uit, wijd

uitzwaaiend zijn bloote beenen. En dikke tranen rolden hem over de

wangen. „Hè, Padde, lollig varken?”

Padde kreeg een grinnikbui, waarin hij bijkans stikte. „Harmen! Weet je

wat jij bent? Oók een lollig varken!” En de beide jongens vielen elkaar

in de armen, sloegen van de pret op het dek en buitelden gillend over

elkaar heen, tegen den mast aan, die ervan kraakte. Ook Joppie leek wel

dol geworden; hij sprong keffend om de jongens heen en begon Padde aan

zijn schortje te trekken,—tot hij ten slotte met zijn buit achterover

in het water plonsde. Rolf hielp hem weer op het dek. Nu ging Joppie op

zijn achterste zitten en gilde met open bek, den kop omhoog, zijn

opwinding uit.

De Inlanders keken met wijd opengesperde oogen naar het gebeuren daar

op het vlot. „Mabok..... dronken!” stelden ze vast.

Maar Harmen stond alweer nuchter op z’n beenen, rukte het roer om,

haalde den schoot aan. „’k Wou, dat ik vliegen kon!” zei hij, nog

hijgend. „Rolf, ik ben smoor van je!”

Rolf kon zijn lachen niet weerhouden. „Als ze nou maar de waarheid

hebben gesproken!”

„Jongens!” schreeuwde Harmen. „Leve Rolf! Leve de pennelikker!—’k Zou

je wel kunnen uitwringen van lol!—Hè, Joppie? Ouwe, uitgebakken

Chinees? Hou je snoet nou dicht, kammelejon!” En Harmen begon mee te

gillen: „Hauw! Au.....au.....auw! Oeh..... oeh..... wauw!”

De anderen vielen om van plezier, en Padde stemde met Harmen in. Toen

werd het Joppie te kras; hij staakte zijn gejeremieer en keek verbaasd

en gevleid naar de twee jongens, die nog met het hoofd in den nek als

onvervalschte kamponggladakkers zaten te jammeren. Van louter schik gaf

Harmen Padde een geweldigen mep in het gezicht; Padde had een fermen

bloedneus, en Joppie was er ijlings bij om hem de wangen schoon te

likken. Met krachtloos geworden arm weerde Padde hem af.

„Kom, jongens, nu het hoofd weer bij mekaar!” zei Rolf. „Ik zie nog

niets van die schepen, en we hebben nog een snikheete dag voor ons. Als

we over een uur de tent niet klaar hebben, zitten we in het barre

zonnetje, en daar heb ik weinig trek in.”

Padde hield het hoofd achterover om zijn bloedneus te stelpen.

„Wil ik je nòg een mep geven, om het gat weer dicht te slaan?” vroeg

Harmen.

„Heb het hart er eens toe?” vroeg Padde. „Dan ga ik straks naar de

bootsman!”

„Daar zul je geen plezier van beleven, leelijke klikspaan!” schold

Harmen.

Toen begonnen ze allen te lachen. Hè, zooveel geluk in eens was niet te

omvatten!

Een half uur later hadden ze een „zonnetent” van twee el in het

vierkant. Ze zetten de mat op vier staken neer; zoo konden ze er juist

mooi onder zitten.

De middag kwam; de hitte werd haast onverdragelijk. Met trage tanden

aten de jongens een vischje. In slapen had niemand behalve Joppie dien

middag eenigen lust. Allen tuurden in Oostelijke richting over het

water naar den sidderenden horizon.

Harmen en Padde waren met hun schortjes gereed, voelden zich net zoo

trotsch, als wanneer ze vroeger een nieuwe broek voor het eerst

aanhadden. Dat straks iemand er iets vreemds aan zou kunnen vinden,

kwam hun geen van beiden in den zin.—Harmen liet zich bewonderen. „Hè?

Dat is andere koek dan dat smerige rokkie van daarstraks! Valt het van

achteren ook goed?”

„Puik!” prees Padde. „En bij mij?” Ook Padde draaide zich om.

„Buk je eens wat?” vroeg Harmen.

Padde bukte. Harmen haalde zijn hand naar achteren uit..... pats! Padde

vloog door de lucht naar de andere zijde van het vlot. „Hè! M’n hand

gloeit ervan!” grinnikte Harmen.

„Lammeling!” schold Padde, overeind krabbelend. Maar meteen lachte hij

ook alweer. Wie kon er nog boos worden?

In den namiddag werd het koeler; de lucht betrok. De jongens gingen

voor op het vlot zitten. Joppie en Padde hielden de wacht bij het roer.

„Wat zit jij te koekeloeren, Hajo?” vroeg Rolf.

Hajo zat al een minuut lang star voor zich uit te kijken. Hij

antwoordde eerst niet en zei toen, moeilijk sprekend: „Ik gelóóf.....

dat ik..... een schip zie!”

„Waar?!!”

Met bevende hand wees Hajo naar voren. „Onder die wolk daar, met die

spitse top.”

De jongens waren overeind gesprongen, tuurden hijgend in Oostelijke

richting. Padde had het roer losgelaten en kwam, struikelend over een

rotan, naar voren. Spannend zwijgen.....

Toen stootte Harmen een schreeuw uit. „Ik zie het!!”

De anderen rekten hun halzen.

„Ja!” riep Rolf uit. „Nu zie ik het ook! Jongens!!”

Padde knipte zenuwachtig met zijn oogjes. „Onder die wolk?” vroeg hij.

En plots begon hij te schreien en driftig met de voeten te trappelen.

„Ik zie niks! Ik zie niks!!”

„Kijk dan uit je doppen!” raadde Harmen.

Padde sloeg zich met de vuisten tegen het gelaat en schreide: „Ik kijk

uit m’n doppen! Maar ik heb zulke..... zulke rot-oogen!”—En Padde’s

lichaam trilde even van smart.

„Wacht maar, Padde”, troostte Rolf. „Zoometeen zie jij het ook en je

moet maar denken: we komen er allemaal tegelijk aan!”—En ook Hajo had

medelijden met Padde. „Hè, Padde?” vroeg hij. „Als we straks samen weer

aan boord klauteren?”

„Hajo!” snikte Padde en viel zijn vriend om den hals.

„Vooruit!” riep Harmen. „We schieten niet op! Waarom blaast de wind

niet wat harder!”

„Heb maar geduld”, zei Rolf. „Straks krijgen we nog ruw weer! Zie eens,

wat een wolken!”

„Wat heb ik aan wolken? Wind moeten we hebben!—Ziezoo! dat gaat een

betere kant uit”, prees Harmen, toen een sterke vlaag in het zeil sloeg

en het vlot een schokje voorwaarts gaf. Harmen laadde de armen vol

kokosnoten en wierp ze overboord. „Weg met die rommel! Dat scheelt in

de vaart! En van die mat maken we een fok!”

De jongens plaatsten de zonnetent op het voordek. De wind was allengs

geheel naar het Westen omgezwaaid, zat nu prachtig in het zeil. Hij

scheen toe te nemen.

„Voor mijn part gaat hij razen als de hond van Lubbes”, zei Harmen.

Heel langzaam-aan werd het fletsblauwe omtrekje aan den Oostelijken

gezichtseinder duidelijker. Toen vervaagde het weer, omdat het water de

hitte van den dag ging uitdampen. De schuit lag voor anker; duidelijk

hadden de jongens de kale masten gezien.

In het Westen was de zon vertroebeld in waterige, vuil-paarse wolken;

haar licht, daarstraks nog van het zuiverste goud, werd nu valsch van

kleur, en ten slotte verdween ze geheel. Daarop schenen de wolken

gewacht te hebben: daareven stonden ze druilend boven het water, maar

nu schoten ze eensklaps omhoog met zulk een onstuimigheid, dat ze

andere wolken meesleurden, die niets geen lust hadden in de wilde

jacht, zich dan ook weer losrukten en onderdompelden in de loodgrijze

bank boven de kim.

„’n Vieze beweging daar!” zei Harmen. „Afijn, ’t brengt wind mee.....”

Nu schoof ook de grijze bank omhoog en werd een trieste muur, die alles

in schemer hulde; een rosse schijn kwam in de lucht te hangen; op den

muur stonden eensklaps vlammende kanteelen. Daarachter lag een

duivelsveste. Groeterig grauwe heksen op bezemstelen vlogen er uit op

en reden naast elkaar, botsend met de ellebogen. Uit het Zuiden kwam

een leger grijze ratten aankruipen, knaagde aan de laatste lichte

plekjes van den hemel.

Weer is er een aarzeling daarboven in de lucht. Het wordt stil; de

golven zwellen van achteren geheimzinnig aan en loopen over het dek

uit, nu het vlot haast niet meer vooruitkomt. Harmen raast en geeft er

Padde de schuld van, als het zeil ten slotte slap neervalt. Onrustig

zien de jongens omhoog.

Zie! daar steekt de burchtheer zelf zijn rooden duivelskop achter den

muur op. „Wat heeft dat treuzelen te beduiden?!” Hoor! de zweep giert

over de ruggen der heksen en over het rattenheir. Nieuwe troepen komen

aan, te paard, dringen door tot in de voorste gelederen.

Het zeil bolt met een slag uit; de mast buigt krakend door. In plaats

van van achteren te komen, schuiven de zwarte golven nu weer over het

voordek.

Harmen wrijft zich de knuisten. „Nou gaat ie gesmeerd!” Maar eensklaps

betrekt zijn gezicht. „’k Ben maar voor één ding bang, jongens! Dat ze

daarginds met dit weer niet voor anker durven blijven liggen en van de

kust afzeilen!”

De anderen weten geen antwoord. Allen zien het gevaar in. Ze hijschen

zwijgend de lantaren in den mast, want het zal over een half uur donker

zijn. Jongens, wat schiet het vlot door de golven!

Eensklaps vliegen door een plotselingen rukwind de stukken hout het

smeulende vuurtje uit en tollen, even nog sissend, in de golven. En het

matten „fokzeil” suist draaiend de lucht in, slaat plots over den kop

en schiet in het water weg.

„Wel, verduiveld!” roept Harmen spijtig uit en gaat na, of de mast en

het zeil goed vastzitten.

Het vlot vaart zonder „fok” niet langzamer. Forsch dompelt het den kop

in de golven.

„Licht!!” roept Hajo plotseling uit.

„Ha!—Trek de schoot aan, Rolf! ’t Ligt bijna in de koers!” En Harmen

begint alvast te brullen: „Schip ahoy! Ahoy! Schip ahoy!!”

Zóó snel vaart het vlot, dat het licht elk kwartier grooter en

helderder wordt. Daar, links, is nog een licht! En rechts nog een!

Houdt het middelste, jongens!

Nu zijn ze er geen vijfhonderd ellen meer af. Duidelijk zien ze den

donkeren omtrek van een Oostinjevaarder. „Zullen we roepen, jongens?”

vraagt Harmen opgewonden.

„Ja. Allemaal tegelijk. Een-twee-drie.....”

„Schip ahoy!!” schreeuwen ze met hun vieren. Joppie gilt mee.

„Nog eens! Een-twee-drie.....!”

„Schip ahoy!!!”

„Het ligt met de zijkant hier naar toe! We loopen er vierkant tegen

op!”

„Goed zoo, maar haal het zeil omhoog! Anders varen we het vlot aan

splinters. Doe jij het, Hajo; ik moet het roer houd.....”—Met een

scherp geluid scheurt het zeil van den boom af; zwaar klappend in de

lucht rukt het den gaffel mee en vliegt als een witte meeuw weg.—„Zoo’n

rotzeil!” scheldt Harmen.

„Ik zie menschen!” roept Rolf. „Ze laten stootballen neer! Jongens!!”

Hoog ligt het schip, zacht deinend op den rumoerigen golfslag, die

klotst en botst onder den spiegel. Nu stoot het vlot tegen den houten

wand van den Oostinjevaarder.

„’n Valreep!!” schreeuwt Harmen dringend omhoog.

Boven schemeren vage koppen. Daar vliegt een touwladder overboord. Met

een wilden kreet grijpt Harmen het ding beet, wil er den voet inzetten,

bedenkt zich. „Padde, jij eerst! Nou, vooruit dan!!” En Harmen duwt hem

in het laddertje, geeft hem nog een zetje na. „Nu jij, Hajo! Geen

praatjes! Kerel dan toch.....!!—En nou jij, Rolf!”

„Neen. Ik ga het laatst”, zegt Rolf, alsof hij al schipper is en zijn

bodem verlaten moet. „Maar hoe krijgen we Joppie mee?”

Harmen weet raad. Hij grijpt Joppie, die deemoediger dan ooit is, in

het nekvel en, als een hondemoeder, draagt hij Joppie tusschen de

tanden den valreep op.

Als laatste, even huiverend van geluk, verlaat Rolf het vlot. Zoo komt

hij boven, waar Harmen de haren uit zijn mond spuwt.

Wie staat daar en sluit hen alle vier tegelijk, schreiend en lachend,

in zijn zevenmijls armen?

Hilke Jopkins.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 60 / 67 题