„Mijn jongens.....! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht,
dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo
maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”
Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijn jullie daar
weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af.
„Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”
„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik
eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben,
anders val ik onderweg van m’n stokje.”
„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten
jullie een bordje pap na?”
„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.....! Groote genade!”
Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk
je om de basterdsuiker?”
Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik
kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende
lijve voor me en..... wat voor rokjes hebben jullie aan?”
„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat
voor schuit sta ik?”
„Je bent op de Nieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”
„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.
„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”
„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de
schipper? Onze schipper bedoel ik natuurlijk.”
„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: de Berger Boot. Die ligt een eind
verderop. Voor Batavia.”
„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet
schieten?!”
„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet
teruggaat.....?”
„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”
„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”
„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de
steek!”
„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg
je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”
„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je
gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.
„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.
„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.
„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen. „Anders had ie
jullie al lang in de gaten!”
„Is de stuurman dan aan boord?”
„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn
kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust
afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de
ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de
kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”
„Hij is naar de Maegt van Dordregt bij Jan Coen op bezoek”, lichtte
Hilke toe.
In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle
duivels, die hond, die jullie daar hebben.....” riep Hilke uit.....
„da’s immers geen ander mensch als.... als Joppie!”
„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen
ving.
„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele
tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat
ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”
„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.....” weifelde Harmen. Zijn
veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem
geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broek is het”,
troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We
zullen de pijpen eens wat omslaan!”
Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond
hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.
„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.
Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”
„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal
het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”
„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde.
Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak
een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze
zoowat.
„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de
anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en
Diede Doedes en.....”
„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had
ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.....? Nou, en de Schele is
dood.”
„D-dood?” stamelde Padde.
„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met..... Wacht, dat weten
jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus
en......”
„Schei maar uit.....” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”
„Is ’t waarachtig.....?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus
dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later
over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”
„Getr.....?! Wàt zeg je?”
„Met een Javaansch meisje.”
„En z’n meisje in Hoorn dan?”
„Tja.....! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan
denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou
Floorke er niet meer is.”
„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen
moest ie zich!”
Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet
met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.....! Ze
lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat
smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien
tijd hadden moeten slikken!
De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet
veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje
te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen,
neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half
gepekeld stukkie visch?”
„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En
hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.
Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden
de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de
pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.
„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje
geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we
alzoo beleefd hebben!”
Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen
waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.
„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan
z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te
vertellen.....!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs
bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn
geweest; het verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren
opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen
Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter
nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou
daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd
was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats
belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de
monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen,
zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.....!—Harmen
stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige
blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”
„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”
Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet
meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer
gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar,
Hajo!”
Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om
er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf
wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.
Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten,
en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie
een Fries!”
Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste,
allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien
dag, voor wie een paar fijne kooien waren vrijgemaakt. Terwijl de
kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan,
stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De
Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer
aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al
hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.
„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij
hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,—’t is hier werken aan
boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke
stapte met groote passen achter de anderen aan.
Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren
naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal in de ankers! Zet
de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de
kast aan gruzelementen gelegen!”
Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen
ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg!
Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een
zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en
varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen!
Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween
weer met een vriendelijken hoofdknik.
„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend
lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer
bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die
lag met zijn schip voor Batavia..... was dat een eiland? Rolf had er
nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat
moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar..... Zou de schipper lang
in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar..... naar
Hoorn.....?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun
plaats was. Maar toch.....—De jongens zuchtten. Drommels, wat vloog de
lamp heen en weer; wat kraakten de masten!
Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De
Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens
er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een
goed zeeman!”
Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van
Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was
Rolf nu zeker van.