JAVA

In wilde vaart joegen de wolken den ganschen dag. Eerst tegen den avond

werden ze trager en schenen zich ten slotte nog slechts met moeite

voort te slepen. Ze kregen vage omtrekken, werden minder zwart en

rukten niet meer in dichte gelederen op, zooals daarstraks. Hier en

daar stonden groote plekken blauw met helder fonkelende sterren.

De wind sloeg naar het Zuiden om; nu bleven de wolken bedremmeld staan,

botsten tegen elkaar en vluchtten ten slotte als een kudde opgejaagde

schapen naar het Noorden. Een oogenblik later was er heinde en verre

niet een meer te bespeuren, en de hemel stond blank gepoetst als na de

groote schoonmaak.—„Morgen droog weer!” voorspelde Harmen en wreef zich

in de knuisten.

„’k Had liever een bedekte lucht”, zei Rolf.

„Harremen niet!” verzekerde Harmen. „Wacht maar: morgen hebben we weer

een vuurtje.”

„’t Zal ook zonder vuur warm genoeg worden”, meende Rolf.

„Wanneer zouden we Java nu zoowat in het zicht kunnen krijgen?” vroeg

Hajo.

„Misschien zijn we al op de helft”, zei Rolf. „We hebben vandaag een

heel eind achter ons gelaten.”

In spanning op den dag van morgen legden de jongens zich ter ruste.

De ochtend was verrukkelijk. Er lag een blauwgrijze nevel op het water,

en in dat grijs stond de zon als een roode lampion. Eerst later werd ze

goud; nu liep over het water een gouden weggetje tot aan den

gezichtseinder, en de vochtige nevels weerkaatsten het zonlicht, zoodat

de lucht vol gouden schemeringen kwam.

Harmen kon de verleiding niet weerstaan: plonsde in het frissche water.

„Ik kan ’t nauwelijks bijhouden!” pufte hij, toen hij achter adem weer

op het dek kroop.

„Ga niet meer zwemmen, Harmen”, zei Rolf. „Je weet niet, of hier soms

haaien zitten.”

„Die lusten me niet”, verzekerde Harmen. „Die lusten alleen maar

landrotten. Laatst.....” (Harmen begon te grinniken) „..... vongen ze

eens een haai en vroegen ’m op de man af, waarom ie meer van landrotten

hield.—De zeelui bennen me te zout, zei-d-ie,—en je weet van te vorens

nooit, of je bijgeval niet een por in je schoone vessie krijgt!—Weet je

wat Gerretje verteld heeft van een haai en van zoo’n uitgebakken bokkum

van een landrot? Afijn, laat ik het maar niet weer vertellen ook, want

’t is zoo allergemeenst gelogen, dat jullie er alle scheel van zouden

worden, en Joppie er bij. Ophakken is goed, maar je moet de lui niet

gaan voorliegen.—Hebben jullie ook zoo’n honger?”

„Nou!” zei Padde.

„Jou word niets gevraagd”, stelde Harmen vast. „De stukken visch zitten

je nog achter de kiezen! Jij hebt je ’s morgens nog niet behoorlijk

uitgerokken, of je zit al bij de proviand.”

„’t Was maar een kleintje”, zei Padde.

„Nou, jij bent ook maar een kleintje.—Blijf je er af met je vingers?!”

Padde trok nijdig een paar visschen van het drooglijntje en deelde ze

rond. Toen zette hij zelf met een norsch gezicht zijn tanden in een

vischje.

Harmen keek er grinnikend naar. „Je moest bij de drogist eens wat

pillen halen, dat je eens afleert om dadelijk altijd zoo woest te

worden”, zei hij. „Als ’n mensch: kurk zegt, versta jij d’r: schurk

uit.—En als je nou toch bij de drogist bent, vraag dan meteen een

zalfje, dat je niet overal zoo invliegt. Ik zie je nog in de kombuis

zitten buikspreken! ’k Dacht, dat ik een beroerte zou krijgen! En

Lijsken had geen adem meer.—’k Wil d’r uit! riep ie.—Komt dat uit m’n

buik? vraagt Padde. Toen je weg was, zei Lijsken:—Ik geloof, dat die

augurk ons nòg niet in de smiezen heeft!” Harmen tolde van plezier over

het dek en knabbelde, met opgetrokken knieën achterover liggend, aan

zijn visch.

Padde stond met rollende oogen op, wilde met zijn visch naar het

voordek verhuizen. Maar plots stootte hij een kreet uit, staarde in het

water. Kort onder de oppervlakte flitste de witte buik van een haai.

Duidelijk zag Padde den driehoekigen muil.

De anderen waren overeind gesprongen; Harmen greep een der speren en

stelde zich aan den rand van het vlot op. „Als ik hem die speer in z’n

bast kan gooien, zal ik het niet laten, jongens.....!”

In spanning wachtten de knapen. Alle grapjes waren van de lucht; de

verbittering tegen den geheimzinnigen vijand, die met zijn

vraatzuchtigen muil de diepten der zee onveilig maakt, sloeg hen in

ban. Eensklaps dook het monster weer onder het vlot uit; een rilling

van afschuw voer den jongens door de leden. Harmen haalde de gevelde

speer ver naar achteren uit en slingerde het wapen uit alle macht naar

den haai. De knapen zagen, hoe de speer wegschoot in het lichaam.

Meteen wentelde de haai zich om; de gevlerkte staart dook uit de golven

op en klapte weer neer, dat het water den jongens om de ooren vloog.

Toen dook het dier in de diepte weg.

„Die heeft ie te pakken!” hijgde Harmen.

De jongens keken nog eenigen tijd uit, maar er kwam niets meer opdagen.

„Kom, laten we weer achter het zeil gaan”, zei Hajo. „’t Is hier in de

zon niet om uit te houden!”

„Straks zal het zeil niet veel schaduw meer geven!” meende Rolf.

„Zeg..... kijk eens in die richting! Is dat niet.....?!”

„Land!” riep Harmen uit. „Wéér een eilandje!”

„Dat kan”, zei Rolf. „Straat Soenda ligt vol eilandjes! Daar landen we,

jongens! We hebben haast geen drinken meer aan boord!”

Als ze nu maar konden landen, daar ging het om. Voorloopig moesten ze

nog een paar uur wachten vóór ze er waren, en allengs ging er een

gloeiende hitte boven het water hangen. De jongens hokten steeds

dichter bij de mast, naarmate de schaduw van het zeil kromp. Joppie

schikte telkens mee. Om de beurt namen ze de plaats bij het roer in.

„Kom, zullen we eens wat gaan bikken?” vroeg Harmen, toen de zon zoowat

op haar hoogst stond, en de jongens op een rijtje onder den boom

gehurkt zaten.

„Ik niet!” riep amechtig Padde, die de beurt bij het roer had.

„Je hebt je buik zeker nog vol van vanmorgen”, zei Harmen.

„Schei uit!” verzocht Padde. „Ik stik zoowat.”

Harmen begon te grinniken. Maar in eens viel hij uit: „Haal dat roer

dan toch om, sufferd! Waar koers je heen?!”

„Ik kan niets zien”, klaagde Padde. „Alles is zoo scherp voor mijn

oogen!”

„Nou, kras dan maar op”, zei Harmen. „Ik zal het roer wel weer nemen!

Anders varen we nog naar ’t land van de Chineezen”.

Maar spoedig hield ook hij het niet meer uit. „’k Word zoo flauw als

kinderpap!” mopperde hij. „’k Zou wel onder het vlot willen kruipen,

daar is het lekker koel.”

„Ben je die haai van daar straks vergeten?” vroeg Rolf.

„Die is naar Harremen niks nieuwsgierig meer”, verzekerde Harmen. Maar

hij bleef toch maar zitten.

De wind bleef uit het Zuiden waaien, blies nu een zengende, van hitte

sidderende lucht voor zich uit, die de kelen schroeide.

Harmen hield het aan het roer niet meer uit, en Hajo verving hem. Onze

koksmaat kroop in de schaduw, kapte een jonge kokosnoot open. Met

gulzige haast bracht hij de vrucht aan zijn lippen en liet het vocht in

zijn keelgat borrelen.

In den namiddag, na elkaar om de beurt aan het roer te hebben afgelost,

kwamen de jongens bij het eiland. Voorloopig was er van landen echter

geen sprake: een hooge rotswand viel steil in de branding neer. De

jongens besloten rechts om te zwenken,—daar scheen de kust beter te

zullen worden.

Hajo gooide het roer om en trok den schoot aan. Gelukkig,—aan deze

zijde nam de rotswand spoedig af; er volgde een smalle strandvlakte met

bosch, en plots een smalle kreek, waarvoor nagenoeg geen branding

stond, zoodat ze gerust konden binnenvaren.

Maar nu..... bij het naderen van de kreek..... wat schoof daar, ver aan

den gezichtseinder, vaag en grijs achter de boomen te voorschijn.....?!

„Java!!” schreeuwde Harmen.

„Hoe weet je dat?!”

„Zal ik niet zien!” De vreugdetranen braken door Harmen’s stem. „Die

twee bergen, met dat gat links ervan, dat is Java! ’k Heb het toch op

m’n vorige reis gezien?!”

„Wat zullen we doen?!” vroeg Hajo, naar adem happend.

Harmen sprong op het roer af, wilde het omrukken.

Rolf voorkwam hem. „Harmen, we moeten éérst de kreek in!”

„Laat je dat roer los?!” bulderde Harmen.

„Luister dan toch!” viel Rolf driftig uit. „Al is dat dan ook Java,

daarom zijn we nog niet bij de anderen! We moeten morgen te drinken

hebben! Alle jonge noten zijn op.”

„Maar morgenochtend zijn we immers aan de andere kust!” schreeuwde

Harmen.

„Rolf heeft gelijk, Harmen”, zei Hajo. „Hier kunnen we landen;

daarginds ligt de kust misschien vol rotsen.”

„Ja, laten we eerst aan land gaan, Harmen”, viel Padde zijn vriend Hajo

bij.

„Als Joppie nou óók nog gaat janken, zijn we klaar!” schimpte Harmen

bitter.

En zie: op het hooren van zijn naam, sperde Joppie zijn liefelijk

keelgat open en gaf luide zijn bijval te kennen. Vlak er op kreeg hij

er spijt van, ging met een blik vol wantrouwen zoo ver mogelijk van

Harmen zitten.—Intusschen was het vlot, na even gedanst te hebben, de

kreek binnengegleden. Ze bleek een broedplaats voor meeuwen te zijn en

was omzoomd door kokosboomen.

„Kom, Harmen, zit niet meer te brommen!” zei Rolf. „Vanavond varen we

al weer uit!”

„Ik heb geen haast!” snauwde Harmen. „Ik wou immers eerst niet eens mee

naar Bantem?”

De jongens trokken het vlot half op het strand, waarbij de meeuwen hun

tsjiepend om de ooren vlogen. Er waren groote zilvermeeuwen,

zwartkopjes, kleine grijsjes, sterntjes, stormvogels.....

„Wedden, dat ik eieren vind?” vroeg Harmen vertrouwelijk aan Hajo,

terwijl hij Rolf den rug hield toegekeerd.

„Wilde je geen brandhout hebben?” vroeg Rolf, vriendelijk als altijd.

„Eieren wil ik zoeken!” schreeuwde Harmen.

„Nu, als je ze dan maar niet weer in je mond bewaart”, zei Rolf.

Om dit antwoord moest Padde zoo verbazend grinniken, dat hij ervan

dubbel dreigde te slaan. „Ja, ’k heb het van Hajo gehoord!” proestte

hij. „Dat was ook niet snugger van je, zeg?” En Padde wrong zich, de

handen om z’n rond buikje, in allerlei bochten, om zijn vroolijkheid

kwijt te raken. „H-h-hij heeft de eieren in zijn m-m-mond gestopt!”

gierde Padde. „En toen knapte de tak! En toen.....” Padde liet zich

neerploffen en wentelde zich door het zand, „hi-hi-hi-hi, toen zijn de

eieren..... hi-hi-hi-hi-hi!” Hij weerde met de hand Joppie af, die

keffend om hem heensprong. „Toen zijn de eieren.....

hi-hi-hi-hi-hi-hi!”

„Vooruit!” zei Harmen half lachend, half ongeduldig. „Moet ik je

kietelen?”

„Hoe-oe-oe! Kietelen!” gilde Padde ontzet en vluchtte met groote

sprongen voor Harmen uit. Joppie sprong hem keffend om de beenen,

zoodat Padde dwars over hem heen in het zand sloeg en Harmen weer over

hem heen buitelde.

„Kom, jongens!” lachte Rolf. „Laten we nu vlug wat noten gaan plukken!”

Harmen sprong overeind, pletste met de handen op zijn zitvlak en schoot

een kokosboom in. „Reuze-noten, jongens! Hou je kop er maar eens onder,

Padde!”—En toen Padde er geen lust in toonde: „Joppie! Joppie! Kom er

eens bij Harremen?” Jankend van vreugdevolle opwinding, sprong Joppie

om den stam. Maar toen „Harremen” met noten begon te kegelen, droop

Joppie af, den staart tusschen de pooten.

Hajo en Rolf zaten al in een anderen boom, en Padde maakte zich

verdienstelijk door de geplukte noten over het strand naar het vlot te

kegelen. Dat vond Joppie aardig: hij vloog holderdebolder achter de

rollende noten aan, trachtte ze vergeefs in den bek te nemen.

De jongens plukten niets dan jonge noten; oude hadden ze nog genoeg;

het was hun om de melk te doen. Toen ze er naar hun zin genoeg hadden,

werd er brandhout gehakt.

Rolf had ook een aantal zware palmbladeren afgekapt en sleepte ze naar

het vlot. „Daar vlechten we een zonnetent uit, jongens!”

„Ziezoo, nou kunnen we dan toch gaan!” meende Harmen.

En zoo staken ze weer in zee, door een dichten zwerm meeuwen gevolgd,

die eerst terugkeerde, toen de schemering inviel.....

„Wie zal vannacht waken?” vroeg Rolf.

„Ikke”, zei Harmen.

„Of ik!” stelde Hajo voor. „Ik heb nog niet eenmaal gewaakt.”

„Ik krijg maf!” merkte Padde op en geeuwde allerverschrikkelijkst.

„Weet je wat”, zei Rolf. „We waken om de beurt. Eerst Harmen, dan ik en

dan Hajo.”

„Nou, als er gewaakt moet worden.....” begon Padde aarzelend.

„Help jij maar maffen”, zei Harmen, „dat doe je beter.”

De avond was zeldzaam mooi. Toen de zon bloedrood in zee was

weggezonken, kwamen uit het Oosten de nachtnevelen aandrijven en

omsluierden het gebergte.

„Zoometeen zie je er niks meer van!” pruttelde Harmen. „Dan moeten we

weer op de sterren koers houden!”

Maar dat was niet noodig: toen de sterretjes ontstoken waren en te

tintelen begonnen, vluchtten de nevelen weer, en donker lagen de bergen

aan den Oostelijken gezichtseinder.

Java.....! Java.....!!

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 59 / 67 题