„Nu, jongens, nu het zeil opgezet!” riep Rolf. Samen met Hajo begon hij
aan alle vier zijden van het vlot een rotankoord te binden.
„Ik snap al wat jullie willen”, zei Harmen. „Nou zeker onder in de mast
een paar gaatjes, en daar de rotan doorhalen? Ik zal de gaatjes wel
even kappen!”
„Denk er om, dat je ze niet te groot maakt!”
„Laat dat maar aan Harremen over”, knorde onze vriend. „Hier, Padde,
pas jij op de palingen, en laat ze niet glippen, want dan draai ik je
nek om.” Harmen reikte Padde zijn drie troeteldieren, die nog aan de
snoeren van de zethaken waren samengebonden, en begon den mast gereed
te maken. „Weet je wat ik wou?” vroeg hij. „Dat we een katrolletje
hadden, dan konden we reven en hijschen.—Wacht, ik weet al wat: ik kap
boven in de mast nog een gaatje, dan halen we daar een rotansnoertje
door, en aan die rotan knoopen we de gaffel! Nietwaar?”
„Als je maar zorgt dat de gaffel vrij draaien kan.”
„Dat snapt een kind”, zei Harmen.
Zoo kwam de mast te staan. Het „loopende touwwerk” liep gesmeerd, als
je er een beetje goed aan trok, en de mast stond werkelijk vrij stevig.
„Nou, zullen we de lantaren nou ook nog hijschen?” vroeg Harmen.
„Om er een prauw met Inlanders mee te lokken?”
„Ik begrijp niet waarom die Maleiers allemaal zoo woest op ons zijn!”
zuchtte Harmen. En geeuwend voegde hij er aan toe: „’k Heb maf!”
„Dan ga je maar slapen”, raadde Rolf aan.
„Moet er dan niet een opblijven?”
„Dat zal ik zijn.”
„Waarom jij?”
„Omdat jullie niets van sterren af weten.”
„Jij wel?”
„Ik wel.”
„Welke koers vaar je?” gromde Harmen.
„Noord-Oost.”
„Waarom Noord-Oost?”
„Omdat daar Bantem ligt.”
„Hoe weet je dat?”
„Ga nou maar slapen”, zei Rolf, „want je verveelt me.”
Harmen smakte zich neer en snurkte.
„Zullen we de waterkokers nog even tegen de mast binden?” vroeg Hajo.
Rolf sprong op, en samen bonden de jongens ze vast. De boom was
gelukkig hoog genoeg, dat hij vrij zwaaien kon. „Ziezoo”, zei Rolf. „Ga
jullie nou maar slapen!”
„Wek je me als het licht wordt?” vroeg Hajo. „Dan neem ik het stuur van
je over.”
„Ik zal het doen.”—En terwijl de anderen zich op het dek legden, bleef
Rolf zwijgend zitten en waakte, den schoot van het zeil in de eene hand
en in de andere het roer, dat dank zij zijn lengte beter voldeed dan
men zoo denken zou. De jongen droeg er zorg voor, het Zuiderkruis recht
aan stuurboord te houden. Hoe langer je er naar keek, hoe wonderlijker
en hoe diepzinniger het scheen. Er woei landwind, juist genoeg om het
zeil te doen bollen.
Mijmerend tuurde Rolf voor zich uit. Binnen weinige minuten was hij de
eenige, die waakte.....
De anderen keken elkaar verrast aan, toen ze den volgenden morgen de
oogen opsloegen en rondom niets dan zee zagen, behalve dan, nu al ver
in het Westen, de blauwe bergketens van Sumatra. Stil genietend, lieten
ze den frisschen zeewind om hun hoofden waaien.
„Ben je moe, Rolf?”
„Nou, ik wil wel wat slapen. Hou maar Oost, of Noord-Oost; het komt er
niet zoo op aan.”
„Wil je niet eerst nog wat bikken vóór je gaat maffen?” vroeg Harmen,
die zijn veete vergat nu Rolf den geheelen nacht voor hen gewaakt had.
„’k Heb al een vischje gegeten”, zei Rolf. „Ik ga nu eerst maar wat
slapen.” Hij vleide zich op het dek neer en sliep haast oogenblikkelijk
in.
„Ik zorg voor de bikkerij!” zei Harmen, kapte een paar kokosnoten open
en reikte de stukken rond. „Ziezoo! Als jij aan die kant een paaltje in
het dek wringt, Padde, doe ik ’t aan deze kant, en dan hangen we de
visch weer keurig te drogen!”
Zoo gebeurde het. Een kwartier later hing op het „voorschip” het heele
partijtje visch in den wind te schommelen. „Jongens, ’t zal warm worden
vandaag!” meende Harmen. „We gaan zoometeen achterscheeps zitten, daar
hebben we schaduw van het zeil.”
„Ja, ik stuur voorloopig maar pal in de zon!” lachte Hajo.
„Stuur maar raak”, zei Harmen. „We komen d’r wel. Zou er nog wat hout
zijn voor m’n vuurtje? Om alles hebben we gedacht, alleen niet om hout
voor het vuur! Wacht, ik kan ook wel wat kokosbast nemen!”—Een kwartier
later vlamde, dank zij de tondeldoos, een ferm vuurtje op. „Nou, waar
zijn m’n palingen nou?”
„In ’t water”, zei Padde.
Harmen verbleekte.
„Vastgebonden!” lichtte Padde haastig toe. „Ze zitten nog aan de
haakjes, voor aan het vlot.”
Harmen sprong toe, haalde met een zucht de palingen binnen. „Ze konden
twintigmaal gekaapt zijn! Waarom heb je ze niet in het drinkwater
bewaard!”
„Nog al lekker!” Padde trok zijn neus op.
Harmen was grenzeloos verbaasd. „Maar, akelige buikspreker, uit
datzelfde water heb ik ze toch immers gevangen!” En Harmen gooide twee
der palingen in de kokers met drinkwater. „Zoo, deze eene zullen we
maar in de maag laten verhuizen! Hou jij hem eens vast, Padde, dan zal
ik hem stroopen. Kijk hem nou eens kronkelen! Ik ken geen beest, dat
zoo de smoor gezien heeft aan doodgaan, als een paling. ’t Is een
vette, jongens!”—En weemoedig liet Harmen er op volgen: „Zoo’n plekkie
vind ik in m’n leven niet meer! Als ik in Hoorn zoo’n plekkie wist,
ging ik nooit meer varen!”
De paling smaakte heerlijk. „Zouden ze nou zelf weten hoe lekker ze
zijn?” vroeg Harmen, zich smakkend de vingers aflikkend.
De jongens zetten zich achter op het vlot neer, in de schaduw van het
zeil en tuurden over het diepblauwe water, waarop geen schuimkop
glinsterde. „We zitten in een zijstrooming”, zei Harmen. „Dat voel ik
aan het schommelen.”
„Dat zal de strooming al zijn van Straat Soenda!”
„Ja, Pollepoenda”, dichtte Harmen.
„Rolf heeft het toch gezegd”, vroeg Hajo, „dat we in Straat Soenda
zouden komen?”
„Oh!” zei Harmen. „Als Rolf morgen zegt: Harmen krijgt schubben, dan is
het ook zoo! Hij is nooit in dit Chineezenland geweest en toch wil ie
alles weten. Luisteren naar ouweren”, Harmen sloeg zich op de borst,
„die wèl in Indië zijn geweest,—ho maar! ’k Zal een Arabier worden, als
dit Straat Soenda is.”
„Nou, wat is het dan?”
„Lig me niet te vervelen”, zei Harmen. „Kijk daar eens, jongens! Een
eilandje!”
Hajo, Padde en Joppie sprongen overeind. Aan den Oostelijken
gezichtseinder doken vage omtrekken op. „Wat zullen we doen, Harmen?!
Er op aanhouden?”
„Natuurlijk! ’t Ligt trouwens in de koers!”
Zwijgend zagen de jongens toe, hoe allengs de omtrekken minder vaag
werden en van blauw in groen overgingen. De oogen deden tenslotte zeer
van het staren over het blinkende water.
Tegen den middag waren ze zoo dichtbij gekomen, dat ze duidelijk de
boomen onderscheiden konden. De jongens stelden vast, dat het vlot nog
vrij veel gang maakte. Nu, alles was ook gunstig: de wind zat vlak in
het zeil! Nu en dan piepte de mast, en de rotankoorden, die naar den
achtersteven liepen, stonden strak als vioolsnaren.
„We zullen aan land gaan!” zei Harmen. „’k Heb hout noodig voor het
vuur.”
„Als we aan land gaan, komen we in gruzelementen op de rotsen terecht”,
voorspelde Hajo.
Harmen wilde tegensputteren. Maar hij was zeeman genoeg om in te zien,
dat Hajo gelijk had. „Best, je zult je zin hebben!” knorde hij daarom.
„Maar als je denkt, dat ik m’n palingen rauw eet, vergis je je! Dan kap
ik nog liever een stuk van het vlot af!” Hij loerde in de bamboekokers.
„Ze zijn er nog, hoor, m’n palinkies! En fleurig! Terug jij!” Harmen
tikte er een op den kop, maakte van zijn handen een bekertje en dronk.
„’t Is warm!—Kijk die smerige wolken daar eens!”
Hajo keek om.
In het Westen doken achter de bergen vuilzwarte wolken op, ongevraagde
gasten, die norsch en onbeschaamd de blauwe feestzaal daarboven
binnentraden.
„’k Zal er eens niezen!” zei Harmen, die met vochtige oogen en
ontzaggelijk dom gezicht naar boven keek. „Hatsjie.....!—Daar schrikken
ze misschien van, de wolken.”
Maar de wolken schrokken niet. Over het geheele Westen staken ze hun
leelijke koppen op, en achter de koppen aan wrongen zich groezelige,
wanstaltige lichamen.
Het eilandje, dat de knapen voorbijvoeren, baadde nog in zonnige
weelde. Het was heel klein,—kon wellicht in een half uur worden
omgeloopen. Hier en daar vielen de grijze, met mos beplekte rotsen
steil neer in het nog blauwe water, dat blank opschuimde. Langs de
rotsen sprongen kleine apen.
Toen de knapen het eilandje voorbij waren en er nog eens naar omkeken,
stond het als een groot en kleurig brok erts te fonkelen tegen den
dreigend zwarten hemel daar in het Westen, en de zee achter het
eilandje scheen ook al met inkt gedrenkt; er kwamen witte schuimkoppen
op, verbaasde zeemonsters, die hun leelijke koppen met de rafelige,
kroezende haren uit het water opstaken om eens te zien waar die
plotselinge duisternis vandaan kwam.
En zie! een zwarte schaduw gleed over het eilandje, roofde het zijn
bonte pracht, en, vóór de jongens het wisten, zaten ze zelf ook al in
het donker. Daar in het Oosten vluchtte een groene fonkeling. Het
zonnige eilandje lag nu als een sombere, met gruwelijke legenden
omsponnen rooversveste in den zilveren krans der branding.
Hoor! daar kwam de wind! Hij rukte aan het zeil, dat de mast er van
piepte en het vlot een schok kreeg. Rolf werd wakker, sloeg verbaasd de
oogen op.
„Rot-weer”, lichtte Harmen hem in.
„En dat eilandje daar?!”
„Kunnen we niet meer aankomen! We hadden daareven moeten landen, maar
Hajo eet de palingen liever rauw dan lekker gepoft!”
„Er was te veel branding”, verklaarde Hajo.
Een nieuwe windvlaag rukte aan den mast, en van achteren sloeg het
water op het dek. Nu klotste het onder het vlot.
„Zouden we het zeil niet neerhalen?” vroeg Rolf.
„Ben je gaar?” zei Harmen. „Hij loopt juist lekker. Kijken we eens een
zog maken?” En Harmen wreef zich vergenoegd de handen. „Krimmeneel, wat
zie jij witjes, Padde! Heb je weer verlet om ’t zeeziekvrije plekkie?”
Op dit oogenblik, nog vóór Padde „knap maar!” had kunnen zeggen, rukte
de wind geweldig aan het zeil; de onderschoot glipte Hajo uit de
vingers, zoodat de boom met een zwaai naar voren uithaalde, een paar
maal heen en weer wrikte; toen sprong een linkerachtertouw los, en de
mast sloeg naar rechts over, bleef schuin hangen.
„M’n palingen!” schreeuwde Harmen ontzet.—Deze schrandere dieren hadden
zich het schuin vallen van den mast ten nutte gemaakt door uit de
kokers te glijden, die mee overhelden. Harmen schoot toe, maar de
klappende boom van het zeil sloeg hem tegen de borst, zoodat hij op
zijn achterwerk belandde. En toen hij weer overeind was gekrabbeld, zag
hij nog juist, hoe de beide palingen, kronkelend over het dek, in het
water een goed heenkomen zochten..... en vonden.
De tranen schoten onzen vriend in de oogen. „Daar gáán ze!” jammerde
hij. En zich woedend omkeerend: „Wie heeft die achterste rotan zoo
allerbelabberdst beroerd vastgeknoopt!”
„’k Heb er een ouwe-wijvenknoop opgedaan.....” stamelde Padde.
„Je bent zelf een oud wijf!” raasde Harmen. „Wat doe jij eigenlijk op
een schip!”
„Wie zegt je, dat ik op een schip wou! ’k Zou bij m’n oom in de
bierbrouwerij!”
„Kon ik je er maar heenboksen!” schreeuwde Harmen, nog met een spijtige
trilling in zijn stem, terwijl Padde weemoedig verzuchtte: „Dan weet
je, wat je hebt.....!”
Rolf was opgesprongen, bond het zeil op. Hajo liep naar het voordek,
waar de losgeschoten rotan in de lucht slierde, en trok den mast weer
overeind. „Ziezoo, deze knoop laat niet meer los!” En hij rukte ook de
andere knoopen stevig aan. Het vlot gleed een oogenblik zoo schuin
tegen de helling van een golf op, dat ze zich allen aan iets
vastklemden om niet weg te glijden. Harmen bond de arme Joppie, die op
zijn schrale pooten te bibberen stond en met oogen vol angst rondkeek,
aan den mast.
„Toch zit ik liever op dit vlot als met z’n zeventigen in een jol!” zei
Harmen. „Als je je maar goed vasthoudt.....”
Meteen wierp Harmen zich schrap op het dek, de beenen uit mekaar, de
handen om de dekspijlen. Padde rolde tegen hem aan; Hajo en Rolf
sloegen neer en hielden zich aan den mast. Toen kwam het vlot weer
zoowat vlak te liggen, en Harmen kon zijn zin voleinden: „..... kan je
niks gebeuren!”
Alle vier dropen van het water. Toen ze weer overeind krabbelden, begon
het te regenen: een dichte sluier streek over het eilandje achter hen
en onttrok het aan het oog, en van alle zijden kwamen regensluiers en
vouwden zich boven het vlot ineen. De regen ratelde op het dek, en zoo
zwaar drukte hij op het zee-oppervlak, dat het water terstond veel
kalmer werd. Waar de spokende duivels hun gladde, bultige ruggen nog
toonden, striemde hij ze, dat ze krompen van pijn. De wind worstelde
zich nog wat door den regen heen, zeeg toen hijgend, afgemat neer.
De jongens zaten triest bijeen.
„Hoe zullen we nou koers houden?” vroeg Harmen, spijtig, omdat zijn
vuurtje al weer uit was. „Je ziet geen zon, geen sterren.....”
„Dan houden we koers op den wind”, stelde Hajo voor. „De wind links
achter houden.”
„De wind, die er niet is”, gromde Harmen. „’n Mooie koers zal dat
worden!”
Hajo en Rolf zetten het zeil op. Het bleef slap hangen, in vouwen en
rimpels.
„Zullen we wat bikken?” vroeg Harmen.
„Geef maar op”, zei Padde.
„Wat wil uwes hebben?” vroeg Harmen. „Gebraje kip? Warme oliebollen?”
Kauwend op een visch, waar het zeewater nog afdroop, zaten de jongens
in triest zwijgen bij mekaar op het stuurloos dobberende vlot.
Zachtkens spon zich de schemering.
In den nacht rukte de wind ineens weer aan het zeil. Rolf en Harmen
schrokken er wakker van.
Het regende nog wat, bij vlagen. Ook de wind was niet meer dan een
vlaag geweest. Daarboven, hoog in de lucht, scheen hij vrij spel te
hebben, reed op de zwarte wolken en zweepte ze tot woesten galop. Er
glansden wat sterren door, als de fonkeling van stalen helmen.
„Laat mij vannacht maar eens koers houden”, zei Harmen. „Ik neem koers
op de wolken.”—Hij stond loom overeind, rekte zijn verkleumde leden en
ging huiverend bij het roer zitten.
„Er staat geen wind”, zei Rolf. „Dat was maar een vlaag, daareven.”
„’k Zal eens fluiten! Dan komt de wind!” verzekerde Harmen. „Ga jij nou
maar maffen.”
De zee was nog woelig en zwart, maar het vlot deinde regelmatig, in
breeden zwaai, zonder schokken. Langzaam-aan kwam er wat wind
aansluipen, legde zich in het zeil en stuwde het vlot voort door de
golven, die witte, schuimende wonden toonden. Het water vloeide over
het dek tot aan de plaats waar de andere jongens sliepen. Ze merkten
het niet. Maar Harmen knikte tevreden. „Er zit weer gang in de kast! ’k
Zal ’t zeil nog wat aanhalen, dat ik geen scheutje wind verlies!”
Zoo, langzaam-aan, zwol de wind, en toen de morgen grauwde, stond hij
met gebolden rug in het zeil te duwen. Harmen hing, de armen over het
roer, te snurken als een pater. Maar koers hield hij,—dat kon Harremen
maffende nog wel, en zonder sterren!