DEN DANS ONTSPRONGEN

Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het

verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan

de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan

de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden

schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.

De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar

roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de

richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op

plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd,

achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht

verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen

heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar

achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden

scheiden!—voorbij was de stoet.

Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken

aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de

overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen

gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren

echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte

wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder

kreeg.

De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half

wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte

lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu

en dan een licht buikje van een aap glansde, die donkere boomen daar

heel in de hoogte..... Het schuimende water schitterde hel op uit al

die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de

druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes

krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms

vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met

vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot

kwamen.

Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtige dievenlantaren

geopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte

wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg

zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets

anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden;

in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich

niet boven het ruischen uitwerken.

Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen

hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het

apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen

vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt

aan. „Jongens! Het gaat regenen! En de rivier..... zal volloopen!!”

Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier

weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De

overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist

even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn

meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en

voort ging het.....!

„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle

moeite en kosten voor niks geweest, hè?”

Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide

het water omlaag.

Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad

aan den kant onder water stond.

Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot

aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den

snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd tot hij zich op een

hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen,

zacht jankend, wachtte hij de jongens op.

„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei

Rolf bezorgd.

„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik

had al zoo iets gedacht!”

De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan

maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent

ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te

wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks

verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.

Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig

omziend.

De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het

water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en

Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een

kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven

water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.

Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen

wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan

den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.

„’k Heb zoo’n honger.....” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in

deze hachelijke oogenblikken aan honger.

Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig. Onstuimig danste

het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten,

Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit;

daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging

samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water

voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te

werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door,

ploeterend met armen en beenen.....!—Maar in hetzelfde oogen blik had

Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan,

met krachtige armslagen. Hij won terrein, kreeg den spartelenden Padde

bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het

water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook

op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend,

klemde Padde zich aan zijn makker vast.

„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan

waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is

weggedreven.”

De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde

strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al

liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.....

Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit..... de kloof

sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te

doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar

boven; er was maar één uitweg..... „De grot in!” beval Rolf.

„Ik durf niet.....!” snikte Padde.

„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.

En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de

stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was

benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan

ga je meteen overboord, begrepen?”

Joppie begreep.

De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het

water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag,

dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens

scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die

rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze

nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het

gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de

duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of

nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon

zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te

bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch

op den duur zeker geen vrachtje was waarmee te spotten viel. Werd de

kloof nog donkerder.....? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s

schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.....!

„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!”

Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte

de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige,

angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar

was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht!

Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van

verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd

door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een

plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich

voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in

zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal.

Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze

een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een

zacht plekje en ploften neer.

„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?”

Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde

naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam.

Oververmoeid sliepen de jongens in.

De regen plaste.

De Scheepsjongens van Bontekoe · 第 51 / 67 题